OFFICIALS EN HUN TAKEN

 

Artikel 210

Benodigde officials

1. De volgende officials zijn tenminste nodig:

a. één scheidsrechter;

b. één assistent-scheidsrechter;

c. één starter en zijn assistent;

d. één commissaris van aankomst om de handtijdopnemingprocedure te ondersteunen

    en te letten op overtreding van Artikel 260 lid 2;

e. één hoofdtijdopnemer voor de handtijdopname en een minimum van 4

    handtijdopnemers;

f.  wanneer automatische tijdopneming wordt gebruikt: één hoofdtijdopnemer voor de

    automatische tijdopnemingprocedure en assistent-hoofdtijdopnemers voor elk van

    de automatische tijdopnemingsystemen dat in gebruik is (zoals omschreven in Artikel 251).

g. rondentellers;

h. baancommissarissen: 2 bochtencommissarissen, één voor elke bocht (voor

    Olympische Winterspelen, ISU kampioenschappen en andere ISU evenementen ten

    minste 2 voor elke bocht), ten minste 1 commissaris die het overschrijden van de

    lijnen op het rechte eind van de finish controleert en een kruisingscontroleur;

i.  de nodige plaatsvervangers voor deze officials;

    voor Olympische Winterspelen, ISU kampioenschappen en andere ISU evenementen:

j.  één ijstechnisch deskundige;

k. Eén sport deskundige om de scheidsrechter te assisteren bij de controle van

    inschrijvingen en het voorbereiden van lotingprocedures.

Artikel 216

Taken en bevoegdheden van scheidsrechters

Lid 2.g. Tijdens een rit te stoppen om veiligheidsredenen in het geval van een gevallen of

              geblesseerde deelnemer;

 

Dit was al steeds gebruikelijk om veiligheidsredenen, maar nu ook gereglementeerd!

 

Artikel 217 lid 2

Startapparatuur

2.  In plaats van een gewoon startpistool (met patronen) mag een elektronisch startpistool

     worden gebruikt. In dit geval moeten de volgende voorwaarden in acht worden genomen:

a). Het elektronisch pistool moet een stevig trekker mechanisme hebben;

b). Het kunstmatig geluid van het afvuren van een pistool moet luid en duidelijk zijn en

     gelijken op het geluid van het schot van een gewoon startpistool;

c). de rook/het vuur moet worden vervangen door een zichtbaar flitslicht dat duidelijk

     verschilt van een fotoflitser.

 

Voor het elektronisch pistool wordt stevig trekker mechanisme vervangen door stevig drukpunt!                                        

 

Artikel 218

Taken van baancommissarissen

1. De bochtencommissarissen bij elke bocht en de baancommissaris(sen) die op het rechte

    eind van de finish moeten letten op enige overtreding van de wedstrijdregels door de

    deelnemers, informeren de scheidsrechter zo spoedig mogelijk wanneer zij enige

    onregelmatigheid waarnemen. De commissaris(sen) die letten op het rechte eind van de

    finish moeten hun plaats innemen aan de buitenkant van de wedstrijdbaan. Bij

    wedstrijden met voor elke bocht 2 benoemde commissarissen moeten deze hun plaats

    aan de binnenzijde van de baan innemen bij het begin en het einde van de bocht.

    Indien aanvullende bochtencommissarissen beschikbaar zijn, moet een 3e commissaris

    plaats nemen aan de buitenkant van de wedstrijdbaan bij het ingaan van elke bocht.

2. De kruisingcontroleur moet binnen de binnenbaan staan en controleren of de deelnemers

    de wisseling van de ene rijbaan naar de andere correct uitvoeren.

 

Om bochtencommissarissen uit te sparen wordt de commissaris die bij de 500m start staat van binnen naar buiten de baan gehaald. Deze controleert samen met de bochtencommissaris die buiten de baan na de finish staat overtredingen op het rechte einde!

 

Artikel 223 lid 4 t/m 7

Muziekapparatuur

4. Tijdens het schaatsen op wedstrijdbanen of op de warming-up baan gedurende

    wedstrijden is het de schaatser niet toegestaan enige apparatuur die muziek

  weergeeft of ander geluidsmateriaal te dragen.

 

De wedstrijd begint 15 min. voor de start en eindigt na de finish van de laatste deelnemer!

 

Apparatuur voor tijdopneming

5. Indien een tijdopnemingsysteem dat bij de wedstrijd wordt gebruikt, vereist dat de

    deelnemers een instrumentje of apparaatje dragen om een goede tijdopneming

    mogelijk te maken, dan is de deelnemer verantwoordelijk bij de start te melden dat hij

    voorzien wordt van de noodzakelijke apparatuur en dat hij ze tijdens de rit draagt.

 

Armbanden of andere middelen voor identificatie

6. Om de deelnemer te identificeren en hun juiste positie in de wedstrijdbaan te

    verifiëren tijdens en bij de finish van de rit, zijn de deelnemers verplicht armbanden te

    dragen of andere identificatiemiddelen, zoals gespecificeerd in de technische regels

    (zie artikel 255 lid en artikel 278 lid 3) of zoals voorgeschreven door de

    scheidsrechter. De deelnemer is verantwoordelijk de juiste armband of ander

    identificatiemiddel te dragen wanneer hij aan de start wordt geroepen.

 

Inbreuk op regels betreffende uitrusting

7. Een deelnemer die zich niet houdt aan de regels in bovengenoemd lid 1 a), 2 a), 2 b),

  3, 4, 5, en 6 betreffende juiste en vereiste uitrusting, zal worden gediskwalificeerd.

 

 

Artikel 226

Afbakening van de wedstrijdbaan (zie ook artikelen 203 en 204 van de specifieke

bepalingen).

Voor de markering van de wedstrijdbanen moeten, zowel op de rechte einden en ook in de

bochten volledig geverfde lijnen worden gebruikt

Normaal, en altijd op overdekte banen, moet de markering van de wedstrijdbanen in de

bochten bovendien voorzien zijn van verplaatsbare blokjes van rubber of synthetisch

materiaal, 50 centimeter uit elkaar voor de eerste 15 meter van de bocht en 2 meter uit

elkaar voor het resterende gedeelte van de bocht. De blokjes moeten de binnenkant van de

geverfde lijnen raken. Gesloten kegels (pylonen) 20-25 cm. hoog, moeten worden gebruikt

als het eerste blok bij de ingang van elke bocht. Geen blokjes moeten worden gebruikt voor

markering van de banen op de rechte einden.

Op banen in de open lucht mag sneeuw worden gebruikt in plaats van verplaatsbare blokjes,

maar de sneeuw mag niet bevroren zijn. De sneeuwlijn moet dan langs de gehele

wedstrijdbaan liggen behalve op het rechte eind van de kruising.

De scheidsrechter beslist of de markering in overeenstemming is met de reglementen.

 

 

Artikel 227

lid 2c. De beschermingsmatten dienen ten minste 80 cm. Hoog te zijn en ten minste 30

          centimeter dik;

 

Artikel 228 lid 3

Start- en finishlijnen

3. De start en finishlijnen moeten worden aangeduid door gekleurde lijnen haaks op het

    rechte eind of het verlengde daarvan getrokken en mogen niet breder zijn dan 5 cm.

    Voor de startlijnen dient, op een afstand van twee (2) meter, een hulp-startlijn te worden

    aangebracht.

    In de laatste 5 meter voor de finishlijn moet iedere meter duidelijk worden aangegeven.

    Voor wedstrijden waar fotofinish apparatuur wordt gebruikt voor de officiële tijdopneming,

    moet de finishlijn worden gemarkeerd door een 1 cm. brede lijn geverfd in wit met

    randlijnen in rood of blauw.

4. Op de 400 meter standaardbanen moet de start- en finishlijn voor alle afstanden haaks

    liggen op het rechte eind waarop de finishlijn is gelegen. De finishlijn voor de 1000 meter

    moet worden aangebracht in het midden van het rechte eind waarop de finishlijn is

    gelegen en de startlijnen dienovereenkomstig aan de andere zijde. Voor

    ploegenachtervolgingswedstrijden en voor kwartetstarts, gereden volgens de methode

    (“Methode B”) geformuleerd in artikel 278, lid 1b, moeten de start- en finishlijnen in het

    midden van de rechte einden zijn geplaatst. Voor alle andere afstanden moet de finishlijn

    worden aangebracht in het midden van het rechte eind waarop de finish is gelegen en de

    startlijnen dienovereenkomstig aan de andere zijde.

5. Op andere banen moeten de start en finishlijnen, zodanig worden aangebracht, dat de

    start noch de finish in een bocht is.

 

Artikel 228 lid 6

Gebied voor coaches

6.  Voor coaches moet er een speciaal gemarkeerde strook zijn op het rechte eind van de

     kruising. Het coach-gebied moet worden gemarkeerd door een lijn van twee (2)

     centimeter breed en moet op één meter van de buitenkant van de baan worden

     getrokken. De lijn begint 25 meter van het einde van de bocht en gaat langs het hele

     recht eind van de kruising tot 10 meter voor de ingang naar de volgende bocht.

     Gedurende de teamachtervolgingswedstrijden is het gebied voor coaches voor elk team

     op het tegenovergestelde rechte stuk van de start van het betreffende team. Hetzelfde

     geldt voor kwartetstarts volgens methode B van artikel 278, lid 1b.

     Tijdens de startprocedure moeten de coaches tenminste 20 meter verwijderd blijven van

     zowel de starter als de startlijnen voor de deelnemers.

a) Voor afstanden 1000 meter en korter en voor ritten met kwartetstarts mag

     maximaal één (1) persoon voor elke deelnemer in het coachgebied zijn. Voor langere

     afstanden zonder kwartetstarts en voor ploegenachtervolgingswedstrijden mogen

     maximaal twee (2) personen voor elke deelnemer of team in het coachgebied zijn;

b) Om een onbelemmerd zicht voor fotofinish- en televisie-camera's te hebben op de

     finishlijn, is het coaches niet toegestaan door het finishlijn gebied te passeren tijdens

     ploegenachtervolgingswedstrijden of kwartetstarts volgens methode B van artikel 278

     lid 1.b);

c) Tijdens wedstrijden (als de rit bezig is) is het coaches niet toegestaan een

     schaatser te begeleiden op de inrijbaan.

 

Artikel 240 lid 5

Loting bij Europese kampioenschappen en regionale kwalificatietoernooien

5. Bij de Europese kampioenschappen en bij de andere regionale kwalificatietoernooien

    voor de wereld allround kampioenschappen moet de loting in overeenstemming met

    bovenstaande lid 1 tot en met 4 uitgevoerd worden met de volgende uitzonderingen:

a) Als er meer dan 24 deelnemers zijn, dan wordt het aantal groepen voor de loting van de

    eerste twee afstanden verhoogd en mag de laatste groep minder dan 8 deelnemers hebben;

b) Voor de derde afstand zijn slechts 24 deelnemers toegestaan. De selectie van de 24

    deelnemers zal worden gedaan volgens hetzelfde principe als de selectie voor de 4e afstand

    (bovengenoemd lid 4 a), gebaseerd op de ranglijsten op de tweede afstand en het

     puntentotaal na respectievelijk 2 afstanden

 

Artikel 256

Binnen de aangeduide wedstrijdbaan blijven

1.  In de bochten en op het rechte eind van de finish moeten de deelnemers binnen hun

     aangegeven wedstrijdbaan blijven. Als een deelnemer, die geheel binnen de

     aangegeven wedstrijdbaan schaatst, wordt gehinderd door de andere deelnemer, dan

     zal de deelnemer die in overtreding is, worden gediskwalificeerd .

 

Het insnijden van de lijnen in de bocht

2. Bij het ingaan van de bocht, in de bocht en bij het uitgaan van de bocht, is het de

    deelnemer verboden de binnenlijn van de bocht, zoals aangegeven door een volledig

    geverfde lijn, en gemarkeerd door sneeuw of verplaatsbare blokjes, in te snijden. Inbreuk

    op deze regel zal er in resulteren dat de deelnemer wordt gediskwalificeerd.

 

Het overschrijden van de lijnen op het rechte eind van de finish

3  Als een deelnemer voor de tweede maal een volledige schaats buiten de aangegeven wedstrijdbaan op het

    rechte eind van de finish heeft, en aldus de lijn naar de andere wedstrijdbaan of de

    inrijbaan doorkruist, dan zal de deelnemer worden gediskwalificeerd, behalve voor

    situaties in onderstaand lid 4 beschreven.

 

De binnenbaan verlaten in de bocht of bij het uitgaan van de bocht

4. Indien een deelnemer in de bocht of bij het ingaan van het rechte eind van de finish niet

    binnen de binnenwedstrijdbaan kan blijven en daardoor de lijn naar de buitenbaan

    doorkruist, moet de deelnemer onmiddellijk terugkeren naar de binnenwedstrijdbaan. Als

    de deelnemer niet onmiddellijk terugkeert naar de binnenbaan dan zal dit resulteren in

    een diskwalificatie, zelfs als hij de deelnemer in de buitenbaan niet hindert.

 

Dit geld niet voor de binnenbaan voor de kruising. Hier moet men pas na het laatste blokje de kruising oprijden en de kruising verlaten met het standbeen voor de pion langs. Eventueel het "bijhalen"van het been over of tegen de pylon is geen diskwalificatie!

Artikel 260 lid 2 Finishlijn

1. Een deelnemer heeft de afstand uitgereden, wanneer de voorste punt van het ijzer van

    de eerst aankomende schaats de finishlijn heeft aangeraakt of bereikt na het

    voorgeschreven aantal ronden. Echter, aanvullende bepalingen kunnen worden

    toegevoegd in overeenstemming met artikel 251, lid 2 a.

2. Opzettelijk met de schaats naar voren schoppen bij de finishlijn (zodat de schaats het

    contact met het ijs volledig verliest), of met het lichaam over de finishlijn

    duiken, is verboden en zal leiden tot diskwalificatie.

3. Indien een deelnemer vlak voor de finish valt, zodat de eerste schaats buiten de

    wedstrijdbanen aankomt, moet de tijd worden opgenomen op het moment dat de voorste

    punt van het ijzer van deze schaats het verlengde van de finishlijn bereikt.

4. Wanneer het automatisch tijdopnemingsysteem(en) dat in gebruik is (die in gebruik zijn),

    bij de finish door iets anders wordt stopgezet dan door de schaats, dan moet de officiële

    tijd van de deelnemer worden vastgesteld als de langzamere tijd van de tijden die

    bepaald zijn volgens de handtijdopnemingprocedure (volgens artikel 250 lid 7) en de tijd

    van het automatische tijdopnemingsysteem.

De commissaris van aankomst let ook op de "schopfinish". Hij is echter niet autonoom in deze beslissing maar adviseert aan de scheidsrechter!

 

Int. Regelement hardrijden langebaan:

 

Voor alle regelementen: