|

De botter is een
scheepstype dat vroeger gebruikt werd voor de visserij op de Zuiderzee.
Het scheepstype ontstond geleidelijk aan, steeds vonden aanpassingen
plaats. De geringe diepte van de Zuiderzee leidde tot de ontwikkeling van
rond- en platbodems. De botter is een platbodem ; er is geen kiel, de
zijzwaarden zorgen ervoor dat deze schepen niet "verlijeren",
zijwaarts afdrijven. Op de Zuiderzee kwamen allerlei verwante scheepstypen
voor, waarmee zeilend gevist werd. Kenmerkend voor het tuig van deze
schepen is de meestal ongestaagde mast, met alleen een massief ijzeren
voorstag ; het grootzeil hangt aan een gekromde gaffel ; als er niet
teveel wind is, kan de kluiver gehesen worden aan de naar voren geschoven
kluiverboom ; bovendien kan op het achterschip de bezaan (of aap, of bras)
gehesen worden. Kenmerkend voor de botter is de fok, die tot ver voorbij
de mast reikt.Noodzakelijk om de netten te slepen,
maar moeilijk hanteerbaar bij het wenden. Wieringer aken hadden juist een
smalle fok, om te kunnen laveren in de geulen van de Waddenzee. Verwante
schepen zijn o.a. : de Wieringer aak (met een geringe diepgang i.v.m. de
droogvallende platen), de Lemsteraak (een rondbodem), de Staverse jol
(zonder zijzwaarden), de bons, de pluut, en de schokker (alle drie met een
rechte voorsteven), de schouw (met vlakke voor- en achterkant), de kwak
(bijna gelijk aan de botter, maar groter).
Wat verder weg, in Zeeland,
werd vooral gevist met de hoogaars (met sprietzeil) en de hengst. Beide
typen hebben een rechte voorsteven en werden overnaads gebouwd (d.w.z. met
elkaar iets overlappende huidplanken). Vrijwel al deze schepen hebben een
bun : een met het buitenwater in verbinding staand ruim, onderin het
schip, waarin de gevangen vis levend bewaard kon worden. Alle genoemde
schepen werden op traditionele wijze, vaak in krappe donkere loodsen,
vrijwel geheel uit eikenhout gebouwd. Zonder tekening, met mallen, alles
met de hand. Kort na 1900 hield men op met het bouwen van deze schepen ;
het zag er steeds meer naar uit, dat er een Afsluitdijk zou komen. De
vissers hadden weinig zin om nog te investeren. In 1918 werd het besluit
genomen de Zuiderzee af te sluiten en gedeeltelijk droog te leggen ; in
1932 was de Afsluitdijk klaar.
Sommigen visten door tot in 1965.Op het hoogtepunt van de
Zuiderzeevisserij, rond 1900, werd er met zo'n 1400 schepen gevist. De
belangrijkste vissershavens, zoals Enkhuizen, Volendam, Marken, Huizen,
Spakenburg, Harderwijk, Elburg, Lemmer telden elk tussen de 100 en 200
schepen. In het zeil en op het boeisel voerden de schepen de nummers van
zeker 60 verschillende thuishavens. De Urkers nemen een aparte plaats in,
omdat die bijna alleen op de Noordzee visten.
Elk visgebied stelde zijn
eigen eisen aan de schepen die er voeren ; daarom verschilde de
samenstelling van de vissersvloten per plaats. Het meest bekende en
succesvolle schip voor de visserij op de Zuiderzee was de botter.
Hoe en waarop gevist werd, hing voornamelijk af van het jaargetijde. In
het voorjaar was het haring, in mei ansjovis ; Zuiderzeebot het hele jaar
door, paling vooral in de zomer. Daarnaast werd er gevist op ondermeer
garnalen, spiering en mosselen. De vismethoden kunnen we verdelen in twee
hoofdgroepen : "gaand want" (de netten worden gesleept) en
"staand want" (de netten worden neergezet). Bij de foto
hiernaast : de botter EB51 onder zeil : kluiver, fok, grootzeil en bezaan
of bras of aap. De kluiverboom is uitgestoken. De vleugel (bij veel
schepen wordt dat de windvaan genoemd) laat zien hoe de wind staat.
Typerend aan een botter is, dat zowel de fok als de kluiver maar één
schoot heeft. Op een vissersschip geldt : hoe minder touwwerk aan boord,
hoe beter. Vandaar dat ook het grootzeil gehesen wordt met één val. Een
ander voorbeeld van de eenvoud in de tuigage is, dat de fok bediend wordt
met een enkele schoot. Dus bij het overstag gaan moet de schoot vóór de
mast langs overgenomen worden. Alles gebeurt met handkracht, ook het
hijsen van de zeilen. Bron:
Hank van Dam.
[
De Bruine vloot ] |