Een Spaanschen dans op Holloandsch ijs

Handschrift van Balthazar Verhagen

Uit: Eigen Land, verzameld door L. Buckmann
Vervolgens uitgebracht in Leesboek. Deel 1, verzamelde verhalen door G. Lefferstra, 1941.
In de winter van 1573 waren enige Geuzenschepen, die de Spaanse vloot voor Amsterdam het uitzeilen moesten beletten, in het IJ ingevroren. De Spanjaard Don Frederik maakte van deze gelegenheid gebruik om met zijn van Naarden gekomen troepen een aanval op de Geuzen te wagen. Don Frederik wist echter niet dat de Geuzen zich zeer behendig en snel op de schaats konden voortbewegen en hij kreeg aldus een genadeloos pakslaag.

Don Frederik zat hoog op 't ros
Rood wapperend zijn vederbos
De winterzon sloeg vonken
En de vlammen uit zijn blank kuras
Of hij de zon van het noorden was
Die, van zichzelve dronken,
Op Holland was gezonken

Don Frederik zat hoog te paard
En stoof, naar Castiljaanschen aard
Langs barsche krijgersdommen
Die, dreunend in maatvaste tred,
Bij pauken, bekkens en trompet,
Met tandgekners en grommen,
Den buitenkant beklommen.

Don Frederik zat hoog in 't zaal
En bralde drieste Spaansche taal
Van onder ruige knevels,
Die grimmig stonden van de vorst
Heroïsch welfde zich zijn borst,
Zijn neus blies dikke nevels,
Zijn stem sloeg op de gevels:

"Soldaten in de winterkou,
Met tintelooren, vingers blauw
En neuzen, rood ontloken,
Gelijk papavers in de zon,
Van 't nooit volprezen Arragon
Gij voelt in merg en knoken
Den barren winter spoken!"

"En hebt gij Naarden uitgemoord,
Tot nieuwen roem stuw ik uw voort!
Een vestingmuur vernielen
Is der soldaten edel werk,
Maar als de valk op breeden vlerk
Jaagt achter hazen-hielen,
Kunt gij 't op Geuzen-kielen!"

"Aan de overzijde van het IJ
Beleeft de Geus een bang getij;
Der schepen zijn er zeven:
De Kickuyt, Kaper, Vlug, de Meeuw,
De Rooie Hein, de Dolle Zeeuw
En 't onverhoopte leven,
Dat niettemin zal sneven!"

"Het water stolde tot kristal
en draagt der mannen duizendtal,
maar het is glad geslepen!
Wie dus op het marmer van Madrid
Of het mos rondom Valladolid
Een schoone in lachend dwepen
Ten bolero mocht sleepen,

Die is op dezen dansvloer thuis!
Maar 't lompe huurlingen-gespuis,
Dat uit de donk're holen
Van Keulen, Luik of Bazel kwam,
Dat sla zich ijz'ren punt en kram
In de ongewisse zolen,
Uit vrees voor capriolen!"

"En nu: vooruit de dag is kort
Ten storm op 't weerloos Geuzen-fort,
Met roeren en rapieren!
Vooruit, en stampend in 't gelid,
Aleer de zon gedoken zit,
Zult ge om hun lafheid gieren
Bij Spaanschen wijn en lieren!"

Zoo sprak hij van zijn hooge ros,
Geweldig woei zijn vederbos,
Angstwekkend als zijn brallen.
De krijgers loeiden van plezier,
Zij zwaaiden 't kletterend rapier,
Het Damrak en de Wallen,
Zij trilden van 't weerschallen.

En onder 't schetteren der trompet
Werd toen de voet op 't IJ gezet:
Voorop de hooge sleden,
Met zakken zand en stapels rijs,
Die, zich als een schansmuur, over 't ijs
In brede linie gleden,
Tot dekking hunner schreden.

Daarachter, plan-plan-plan-rattaplan,
De doodsverachtende krijgersman,
Met vieren in de rijen;
De hand aan 't Geus-belagend roer,
En schuif'lend op den killen vloer,
In wankelen en glijen,
Verstijfd van knie en dijen.

En naast elk twintigste gelid,
- den mond vol moed, de wangen wit
Een luitenant, die tierde,
De degen flikkerde in zijn vuist,
Hij strekte weldoordacht en juist
Zijn voeten, de gespierde,
Totdat hij glipte en zwierde.

Als dan zoo'n slanke Spaanschen Don
Zijn hielen toonde aan Hollands zon,
Dan hoonden zijn kornuiten:
"'t Is beter van de kip geschranst,
dan op haar eieren gedanst!"
Wie kramp krijgt in zijn kuiten
Mag "neem-een-zetel" fluiten!"

Zoo schreed Don Freêriks heerlijk heir,
Het glipte, viel, verhief zich weer,
In zwoegen en in hijgen.
De vloot lag krakend en benard,
Het want was leeg, de romp was zwart,
Een onheilspellend zwijgen
Hing om elk schip te dreigen.

"De ratten renden uit het want,
Tot achter Broek-in-Waterland,
Om knollen te gaan eten!"
Een rosse vlam, een droge knal:
Een ronde, snelle, zwarte bal,
Van Kickuyts dek gesmeten,
Had in het ijs gebeten!

De splinters spatten glinst'rend op,
Maar, met den kolder in den kop,
Stoof hij vooruit en aaide
De voorste slede, als honingkoek
Zoo minzaam, aan den linkerhoek,
Dat haar bestuurder kraaide
En driemaal omdraaide!

Daar lachte al wat een Spaanjaard was
En drong in den beleeg'ringspas
Vooruit, op Holland's Geuzen.
De zakken werden leeggeschud,
Het zand gaf wank'len voeten stut
"Wraak voor bevroren neuzen!"
Was voor dien dag de leuze.

Zij stelden ram en ladder recht,
Het vuur werd aan de lont gelegd
En de musketten knalden.
De kogels kletteren op 't hout
Als hagelslag in 't winterwoud,
De soldenieren bralden,
En de klaroenen schalden.

Maar op de schepen klonk 't bevel:
"Geef vuur en richt uw bussen wel!"
En honderd kogels vlogen
Recht in 't spottend gelaat,
Van menig hoopvol jong soldaat,
Zij wankelden en bogen:
De nacht zonk op hun oogen.

Toen werd de Spanjaard wild en joeg
Dwars door den kruitdamp naar den boeg,
Met enterhaak en ladder.
En 't werd een toomelooze strijd
Van ponjaard, die langs kapmes glijdt,
Een arm- en vuistgefladder.
Het staal beet als een adder.

Maar nu! Van achter "Vlug" en "Zeeuw"
Weerklonk een rauwe Geuzen-schreeuw,
Een schreeuw uit honderd monden.
En van twee zijden stoven toen
De Geuzen op den ijz'ren schoen,
De Geuzen die 't verstonden,
Die schaatsenrijden konden!

Zooals in schralen wintertijd
Een meeuwenvlucht het ijs langs glijdt,
Als zwaluwen langs hoeven,
Gelijk een felle wespenzwerm
Den beer bestookt, die aan den berm
Zijn weke neus wil schroeven,
Waar honing valt te proeven

Zoo scheerden op 't scherpe staal
Met breeden zwier en forschen haal,
In duizel-snelle kringen,
De Geuzen langs den open flank
Van 't Spaanschen heir, dat, log en mank,
Trekbeenend en in springen
Zich weerloos stond te wringen.

De Geuzen op de vlugge schaats,
De ruige rakkers, woeste maats,
Zij, die den baard niet scheren!
Het water is hun vrij domein,
't mag spoken of bevroren zijn,
Het water dat zij weren,
Van aangezicht en kleeren!

Met blooten kop, in wollen trui,
- Aan helm en pantserplaat de brui!
De schaats onder de sokken,
Zoo schoten zij als duivels uit
Op de verschrikte Spaansche buit,
Met bijl en ijz'ren stokken,
En monden barsch vertrokken.

Daar waren Klaas van Volendam,
Zijn neus was één verschroeide schram:
Hem deed eens Alva blaken;
En Duvelhannes met één hand,
De tweede had een Don verbrand;
En Krelis, in wiens kaken
Een zwaard was blijven haken;

Ook Jelle Kreeft, de Sneeker gek,
Met Spanje's brandmerk in den nek;
Kris Keiten, zonder ooren
(die had een Spanjaard afgesneên)
De Kat, op voeten zonder teen,
En Bram-De-Kale-Toren,
In 't Spaansche vuur geschoren

Van Haarlem, Utrecht, Amstelland,
Westfriezen, aan den overkant
Der Zuiderzee, uit steden
En dorpen, weiden en moeras
Van heide en veen en waterplas,
Al wie naar ziel en leden
Van Spanje had geleden:

Al die vertwijfelden van aard,
De schooiers zonder huis of haard,
De mateloos gekwelden,
Die duivels werden van de smart,
Met bitt're wreedheid in 't hart,
De havelooze helden,
Die ter vergelding snelden!

Op den snel-vleugeligen voet
Besprongen zij den Spaanschen stoet
Met lange en korte slagen,
Soms neergehurkt, dicht langs het ijs;
Dan hoog gestrekt, elk naar de wijs,
Als hem in kinderdagen
Het schaatsen mocht behagen!

Een, hadden ze een soldaat bereikt,
Dan werd hij met 't mes geijkt,
In 't hart of in den beenen;
Maar dreigde een Spanjaard met zijn zwaard,
Dan bukten zij, en met den baard
Gebogen naar de schenen,
Ontweken ze en verdwenen.

Zooals de gier zijn vlucht beschrijft
En boven 't machteloos mikken drijft
Der jagers in de weide,
Zoo bleven van het Spaansch musket
De snelle schaatsers onverlet,
Als ze over 't gladde wijde
Zich hoonende verspreidden.

Zij keerden, drongen op, en weer
Sloeg elke Geus een Spanjaard neer
En daar was geen erbarmen.
Het rosse licht der avondzon
Gleed glanzen over Don naar Don,
Die in zijn bloed, het warme,
Voorover lag in de armen.

Toen vluchtte wel de Spaansche bent,
Aan zulk een oorlog niet gewend,
In wankelen en vallen.
Wie glipte, ontving een felle dood;
De lange baan was vochtig-rood
Van 't bloed der honderdtallen,
Tot onder kaai en wallen..

Don Frederik zat scheef op 't ros,
Aan rafels hing zijn vederbos
En zijn fluweel aan lorren.
Hij trok vertwijfeld aan zijn baard,
Zijn snoeverij-naar-Spaanschen-aard
Werd mompelen en morren
En bijten op zijn snorren.

Don Frederik hing krom in 't zaal
Te midden van 't verschrikt kabaal
Der bange soldenieren;
Die renden langs den ouden schans,
Den toren om van Montelbans,
Links-Rechts met hun rapieren
Door slop en donk're kieren.

Don Frederik van 't hooge paard,
In fellen vriesnacht aan den haard,
Zat eenzaam in de kleeren.
Hij keek naar 't wapp'ren zijner kaars
Naar 't puntje van zijn veldheerlaars,
Dan naar den blaker weer en
Dat deed hij honderd keeren


Input material by: Fons Kerlsbuck
added 05-05-2001
Translation:

Last changes on this page 14 July 2001
Back to index page
home
Click Here!