![]()
![]()
Don Frederik zat hoog op 't ros Rood wapperend zijn vederbos De winterzon sloeg vonken En de vlammen uit zijn blank kuras Of hij de zon van het noorden was Die, van zichzelve dronken, Op Holland was gezonken Don Frederik zat hoog te paard En stoof, naar Castiljaanschen aard Langs barsche krijgersdommen Die, dreunend in maatvaste tred, Bij pauken, bekkens en trompet, Met tandgekners en grommen, Den buitenkant beklommen. Don Frederik zat hoog in 't zaal En bralde drieste Spaansche taal Van onder ruige knevels, Die grimmig stonden van de vorst Heroïsch welfde zich zijn borst, Zijn neus blies dikke nevels, Zijn stem sloeg op de gevels: "Soldaten in de winterkou, Met tintelooren, vingers blauw En neuzen, rood ontloken, Gelijk papavers in de zon, Van 't nooit volprezen Arragon Gij voelt in merg en knoken Den barren winter spoken!" "En hebt gij Naarden uitgemoord, Tot nieuwen roem stuw ik uw voort! Een vestingmuur vernielen Is der soldaten edel werk, Maar als de valk op breeden vlerk Jaagt achter hazen-hielen, Kunt gij 't op Geuzen-kielen!" "Aan de overzijde van het IJ Beleeft de Geus een bang getij; Der schepen zijn er zeven: De Kickuyt, Kaper, Vlug, de Meeuw, De Rooie Hein, de Dolle Zeeuw En 't onverhoopte leven, Dat niettemin zal sneven!" "Het water stolde tot kristal en draagt der mannen duizendtal, maar het is glad geslepen! Wie dus op het marmer van Madrid Of het mos rondom Valladolid Een schoone in lachend dwepen Ten bolero mocht sleepen, Die is op dezen dansvloer thuis! Maar 't lompe huurlingen-gespuis, Dat uit de donk're holen Van Keulen, Luik of Bazel kwam, Dat sla zich ijz'ren punt en kram In de ongewisse zolen, Uit vrees voor capriolen!" "En nu: vooruit de dag is kort Ten storm op 't weerloos Geuzen-fort, Met roeren en rapieren! Vooruit, en stampend in 't gelid, Aleer de zon gedoken zit, Zult ge om hun lafheid gieren Bij Spaanschen wijn en lieren!" Zoo sprak hij van zijn hooge ros, Geweldig woei zijn vederbos, Angstwekkend als zijn brallen. De krijgers loeiden van plezier, Zij zwaaiden 't kletterend rapier, Het Damrak en de Wallen, Zij trilden van 't weerschallen. En onder 't schetteren der trompet Werd toen de voet op 't IJ gezet: Voorop de hooge sleden, Met zakken zand en stapels rijs, Die, zich als een schansmuur, over 't ijs In brede linie gleden, Tot dekking hunner schreden. Daarachter, plan-plan-plan-rattaplan, De doodsverachtende krijgersman, Met vieren in de rijen; De hand aan 't Geus-belagend roer, En schuif'lend op den killen vloer, In wankelen en glijen, Verstijfd van knie en dijen. En naast elk twintigste gelid, - den mond vol moed, de wangen wit Een luitenant, die tierde, De degen flikkerde in zijn vuist, Hij strekte weldoordacht en juist Zijn voeten, de gespierde, Totdat hij glipte en zwierde. Als dan zoo'n slanke Spaanschen Don Zijn hielen toonde aan Hollands zon, Dan hoonden zijn kornuiten: "'t Is beter van de kip geschranst, dan op haar eieren gedanst!" Wie kramp krijgt in zijn kuiten Mag "neem-een-zetel" fluiten!" Zoo schreed Don Freêriks heerlijk heir, Het glipte, viel, verhief zich weer, In zwoegen en in hijgen. De vloot lag krakend en benard, Het want was leeg, de romp was zwart, Een onheilspellend zwijgen Hing om elk schip te dreigen. "De ratten renden uit het want, Tot achter Broek-in-Waterland, Om knollen te gaan eten!" Een rosse vlam, een droge knal: Een ronde, snelle, zwarte bal, Van Kickuyts dek gesmeten, Had in het ijs gebeten! De splinters spatten glinst'rend op, Maar, met den kolder in den kop, Stoof hij vooruit en aaide De voorste slede, als honingkoek Zoo minzaam, aan den linkerhoek, Dat haar bestuurder kraaide En driemaal omdraaide! Daar lachte al wat een Spaanjaard was En drong in den beleeg'ringspas Vooruit, op Holland's Geuzen. De zakken werden leeggeschud, Het zand gaf wank'len voeten stut "Wraak voor bevroren neuzen!" Was voor dien dag de leuze. Zij stelden ram en ladder recht, Het vuur werd aan de lont gelegd En de musketten knalden. De kogels kletteren op 't hout Als hagelslag in 't winterwoud, De soldenieren bralden, En de klaroenen schalden. Maar op de schepen klonk 't bevel: "Geef vuur en richt uw bussen wel!" En honderd kogels vlogen Recht in 't spottend gelaat, Van menig hoopvol jong soldaat, Zij wankelden en bogen: De nacht zonk op hun oogen. Toen werd de Spanjaard wild en joeg Dwars door den kruitdamp naar den boeg, Met enterhaak en ladder. En 't werd een toomelooze strijd Van ponjaard, die langs kapmes glijdt, Een arm- en vuistgefladder. Het staal beet als een adder. Maar nu! Van achter "Vlug" en "Zeeuw" Weerklonk een rauwe Geuzen-schreeuw, Een schreeuw uit honderd monden. En van twee zijden stoven toen De Geuzen op den ijz'ren schoen, De Geuzen die 't verstonden, Die schaatsenrijden konden! Zooals in schralen wintertijd Een meeuwenvlucht het ijs langs glijdt, Als zwaluwen langs hoeven, Gelijk een felle wespenzwerm Den beer bestookt, die aan den berm Zijn weke neus wil schroeven, Waar honing valt te proeven Zoo scheerden op 't scherpe staal Met breeden zwier en forschen haal, In duizel-snelle kringen, De Geuzen langs den open flank Van 't Spaanschen heir, dat, log en mank, Trekbeenend en in springen Zich weerloos stond te wringen. De Geuzen op de vlugge schaats, De ruige rakkers, woeste maats, Zij, die den baard niet scheren! Het water is hun vrij domein, 't mag spoken of bevroren zijn, Het water dat zij weren, Van aangezicht en kleeren! Met blooten kop, in wollen trui, - Aan helm en pantserplaat de brui! De schaats onder de sokken, Zoo schoten zij als duivels uit Op de verschrikte Spaansche buit, Met bijl en ijz'ren stokken, En monden barsch vertrokken. Daar waren Klaas van Volendam, Zijn neus was één verschroeide schram: Hem deed eens Alva blaken; En Duvelhannes met één hand, De tweede had een Don verbrand; En Krelis, in wiens kaken Een zwaard was blijven haken; Ook Jelle Kreeft, de Sneeker gek, Met Spanje's brandmerk in den nek; Kris Keiten, zonder ooren (die had een Spanjaard afgesneên) De Kat, op voeten zonder teen, En Bram-De-Kale-Toren, In 't Spaansche vuur geschoren Van Haarlem, Utrecht, Amstelland, Westfriezen, aan den overkant Der Zuiderzee, uit steden En dorpen, weiden en moeras Van heide en veen en waterplas, Al wie naar ziel en leden Van Spanje had geleden: Al die vertwijfelden van aard, De schooiers zonder huis of haard, De mateloos gekwelden, Die duivels werden van de smart, Met bitt're wreedheid in 't hart, De havelooze helden, Die ter vergelding snelden! Op den snel-vleugeligen voet Besprongen zij den Spaanschen stoet Met lange en korte slagen, Soms neergehurkt, dicht langs het ijs; Dan hoog gestrekt, elk naar de wijs, Als hem in kinderdagen Het schaatsen mocht behagen! Een, hadden ze een soldaat bereikt, Dan werd hij met 't mes geijkt, In 't hart of in den beenen; Maar dreigde een Spanjaard met zijn zwaard, Dan bukten zij, en met den baard Gebogen naar de schenen, Ontweken ze en verdwenen. Zooals de gier zijn vlucht beschrijft En boven 't machteloos mikken drijft Der jagers in de weide, Zoo bleven van het Spaansch musket De snelle schaatsers onverlet, Als ze over 't gladde wijde Zich hoonende verspreidden. Zij keerden, drongen op, en weer Sloeg elke Geus een Spanjaard neer En daar was geen erbarmen. Het rosse licht der avondzon Gleed glanzen over Don naar Don, Die in zijn bloed, het warme, Voorover lag in de armen. Toen vluchtte wel de Spaansche bent, Aan zulk een oorlog niet gewend, In wankelen en vallen. Wie glipte, ontving een felle dood; De lange baan was vochtig-rood Van 't bloed der honderdtallen, Tot onder kaai en wallen.. Don Frederik zat scheef op 't ros, Aan rafels hing zijn vederbos En zijn fluweel aan lorren. Hij trok vertwijfeld aan zijn baard, Zijn snoeverij-naar-Spaanschen-aard Werd mompelen en morren En bijten op zijn snorren. Don Frederik hing krom in 't zaal Te midden van 't verschrikt kabaal Der bange soldenieren; Die renden langs den ouden schans, Den toren om van Montelbans, Links-Rechts met hun rapieren Door slop en donk're kieren. Don Frederik van 't hooge paard, In fellen vriesnacht aan den haard, Zat eenzaam in de kleeren. Hij keek naar 't wapp'ren zijner kaars Naar 't puntje van zijn veldheerlaars, Dan naar den blaker weer en Dat deed hij honderd keeren |
![]()
|
|