De Vraag

 

 

1. De consument

 

Consumeren: het kopen of aanschaffen van goederen en diensten voor het voorzien in de behoeften met de bedoeling daar niet verder mee te produceren.

 

Collectieve reclame: er wordt reclame gemaakt voor een bepaald product door alle producenten van het product samen. (bijv. melk)

 

Consumentisme: het streven van consumentenorganisaties naar een zo goed mogelijke belangenbehartiging van de consument.

 

Met het oog op bescherming, veiligheid, gezondheid, opvoeding en milieu, neemt de overheid op tal van fronten maatregelen op het gebied van consumptie:

-          Bepaald gedrag verbieden. (bijv. het bezitten van wapens)

-          Bepaald gedrag gedeeltelijk verbieden. (bijv. rookverbod in openbare gebouwen)

-          Wettelijk ingrijpen in de relatie tussen consument en producent. (bijv. Wet Misleidende Reclame)

-          Belasting en premieheffing. (de middelen van de consument worden kleiner en de consumptie van bepaalde goederen worden dwingend opgelegd)

-          De overheid levert individuele goederen (quasi-collectieve goederen). Bij sommige is sprake van consumptiedwang. (onderwijs)

-          De overheid maakt gebruik van accijnzen bij demerit goods. (bijv. benzine)

-          De overheid geeft subsidie op merit goods. (bijv. concertvoorstelling)

-          Door middel van voorlichting wordt geprobeerd het consumentengedrag te beÔnvloeden.

 

Naast het behoeftepatroon van de consument kan je de volgende oorzaken onderscheiden die ten grondslag liggen aan de vraag naar een goed:

-          Prijs van het goed

-          Prijs van andere goederen

-          Besteedbaar inkomen consument

 

Prijselasticiteit

Relatieve verandering gevraagde hoeveelheid goed A ten opzichte van de prijs.

Ev = (dQv/dP) x (P/Qv)

Ev -1 : elastisch goed (bijv. cd)

-1 < Ev < 0 : inelastisch goed (met accijns)

Ev = 0 : zuiver inelastisch goed (sommige medicijnen)

 

Kruislingse elasticiteit

Relatieve verandering vraag goed B ten opzichte van prijs goed A.

Ev = (relatieve verandering vraag goed B/relatieve verandering prijs goed A)

Ek > 0 : substitutiegoederen (appels en peren)

Ek < 0 : complementaire goederen (verf en kwasten)

 

Inkomenselasticiteit

Ei = (relatieve verandering hoeveelheid goed A/relatieve verandering inkomen)

Ei < 0 : inferieur goed (koop je minder als je een hoger inkomen krijgt)

0 < Ei < 1 : normaal goed (noodzakelijk goed)

Ei > 1 : luxe goed (koop je meer als je inkomen stijgt)

 

Een vraagfunctie geeft aan wat de gevraagde hoeveelheid is van een bepaald goed met een gegeven prijs. Er is altijd een negatief verband tussen p en q.

Hoe steiler hij gaat lopen, hoe inelastischer het goed is.

Een zuiver inelastisch goed kan je tekenen als een verticale lijn.

 

Het verschil tussen een vraagfunctie en een collectieve vraagfunctie is dat een collectieve vraagfunctie over een land gaat.

De som van alle vraagfuncties is de collectieve vraagfunctie.

 

Een verschuiving van een collectieve vraagfunctie kan over het algemeen het gevolg zijn van:

-          verandering voorkeuren van consumenten. Met meervoorkeur verschuift hij naar rechts. Bij dezelfde prijs is de gevraagde hoeveelheid groter.

-          Verandering in prijzen andere goederen. Vraagfunctie verschuift naar rechts als een soortgelijk goed in prijs stijgt.

-          Verandering in inkomen consumenten. Als hun inkomens stijgen, verschuift de collectieve vraaglijn naar rechts.

-          Verandering van het aantal consumenten. Bij dezelfde prijs zul je meer verkopen.

Stel dat de prijs van hetzelfde goed verandert, is het gewoon een verschuiving op de vraaglijn en niet van de vraaglijn.

 

 

2. De producent

 

Investeren: het aanschaffen van (nieuwe) kapitaalgoederen door ondernemingen ten behoeve van de productie.

 

Productiecapaciteit: de maximaal haalbare productie met de aanwezige productiefactoren.

Bij een lage bezettingsgraad heeft investeren geen zin.

 

Bij het bedenken of je gaat investeren zijn de volgende zaken o.a. van belang:

-          hoe is je productiecapaciteit, wordt die al volledig benut?

-          Productiekosten (hoge loonkosten kunnen soms zelfs leiden tot een investering (machine die arbeiders vervangt)

-          Rentestand, bij lage rente kunnen ze beter wel de investering doen:

1.      ze hoeven dan minder rente te betalen over het geld dat ze voor die investering lenen

2.      als ze niet zouden investeren en het geld op de bank laten staan, zouden ze er minder rente over krijgen

 

 

3. De overheid

 

Collectieve uitgaven:

-          overdrachten:

ū      inkomensoverdrachten: uitgaven van de overheid aan particulieren zonder dat die particulieren een zichtbare tegenprestatie leveren aan de overheid. (sociale uitkeringen zoals sociale verzekeringen en de sociale voorzieningen)

ū      rente op de staatsschuld

-          overheidsbestedingen:

ū      overheidsconsumptie

         personele overheidsconsumptie: ambtenarensalarissen

         materiŽle overheidsconsumptie: het aankopen van goederen door de overheid bij de bedrijven ten behoeve van het ambtenarenapparaat.

ū      Overheidsinvesteringen: de aanschaf van vaste kapitaalgoederen bij bedrijven

-          uitgaven met betrekking tot de staatsschuld

 

De waarde van de overheidsproductie wordt gemeten door de ambtenarensalarissen bij elkaar op te tellen.

 

Nationale bestedingen: de overheidsbestedingen, particuliere consumptie en particuliere investeringen samen.

 

Bezuinigingen op haar uitgaven kan de overheid realiseren door minder te besteden of te korten op de inkomensoverdrachten.

 

 

4. Het buitenland

 

Tegenover goederen- en dienstenstromen staan geldstromen.

 

Verschillende economische relaties:

-          Goederenverkeer

-          Dienstenverkeer

-          Inkomensverkeer

-          Kapitaalverkeer

 

Export(import)quote: geeft de export (import)waarde (=hoeveelheid geŽxporteerde (geÔmporteerde) * prijs) in procenten van het nationaal inkomen weer.

 

Handelsoverschot: de waarde van de goederenuitvoer is groter dan die van de goedereninvoer.

 

Inkomensverkeer:

-          Primaire inkomens vloeien weg naar het buitenland. (bijv. loon, (effecten)winst, rente)

-          Inkomensoverdrachten (vorm van secundaire inkomens). Er staat geen prestatie tegenover. (bijv. ontwikkelingshulp in de vorm van schenkingen)

 

Kapitaalverkeer:

-          Leningen

-          Beleggingen

-          (Directe) investeringen

 

Speculatief of indicidenteel kapitaalverkeer: kapitaalverkeer dat sterk reageert op verwachtingen voor de nabije toekomst.

 

Lopend verkeer: het goederen- diensten- en inkomensverkeer samen.

 

Een rekening met een overschot is actief, en rekening met een tekort is passief.

 

Handelsbalans = goederenrekening.

 

Het dekkingspercentage geeft aan in welke mate de uitgaven van de import al dan niet gedekt worden door de ontvangsten van de export. Dekkingspercentage = exportontvangsten/importuitgaven * 100%.

 

Lopende rekening: de goederenrekening, dienstenrekening en inkomensrekening.

 

Materieel saldo: de saldi van de lopende rekening en de kapitaalrekening bij elkaar opgeteld.

 

De salderingsrekening, ook wel goud- en deviezenrekening genoemd, geeft de verandering in de deviezenvoorraad in een land aan als gevolg van een positief dan wel een negatief saldo van de lopende rekening en de kapitaalrekening samen.

 

Materieel saldo: evenwicht tussen de lopende rekening en de kapitaalrekening.

Formele evenwicht: evenwicht op de betalingsbalans, dat er altijd is. (lopende rekening + kapitaalrekening tegenover

 

Kostenverschillen tussen landen worden door diverse factoren bepaald. Grofweg kan je de volgende tweedeling maken:

-          Natuurlijke omstandigheden (kwaliteit van productiefactor natuur)

-          Kwaliteit / kosten van de productiefactoren arbeid en kapitaal.

 

Van belang bij internationale handel:

-          Bij een hoger nationaal inkomen wordt er meer ingevoerd (er wordt namelijk meer geconsumeerd en geÔnvesteerd).

-          De concurrentiepositie speelt een grote rol.

-          Wisselkoers.

 

De internationale arbeidsverdeling: landen specialiseren zich in de productie van bepaalde goederen en diensten.

 

 

5. De macro-economische vraag

 

Y = Nationaal product

M = Invoer

C = Particuliere consumpties

I = Particuliere investeringen

O = Overheidsbestedingen

E = Uitvoer

EV = Effectieve vraag

 

Y = C + I + O + E - M

EV = C + I + O + E - M

 

Effectieve vraag: de feitelijke bestedingen uitgeoefend in een land door consumenten, ondernemingen, overheid en buitenland.

 

Trend: trendmatige ontwikkeling van het nationaal product.

Conjuctuur (conjuncturele ontwikkeling): feitelijke groei van het nationaal product veroorzaakt door veranderingen in de effectieve vraag ten opzichte van de trend.

Structurele ontwikkeling: de ontwikkeling van de productiecapaciteit en trend.

 

Economische groei: groei van het reŽle nationaal product.

 

Vier fasen in de conjuncturele ontwikkeling van een economie:

-          conjunctureel herstel: De effectieve vraag trekt weer aan en daarmee de productie (stijging van feitelijke bezetting)

-          Hoogconjunctuur: Bestedingen en arbeidersplaatsen groeien verder (van de trendaarde tot de top) -> bestedingsinflatie.

-          Conjuncturele afzwakking: De productiecapaciteit is te veel uitgebreid -> problemen.

-          Laagconjunctuur (recessie): De effectieve vraag is kleiner dan de normale bezetting van de productiecapaciteit(faillisementen, ontslagen).

 

Overbezetting: wanneer de effectieve vraag hoger is dan de normale bezetting (trend).

Onderbezetting: wanneer de effectieve vraag lager is dan de normale bezetting.

 

Twee doelstellingen van een economische politiek:

-          Prijsstabiliteit

-          Evenwichtige arbeidsmarkt

Anti-cyclisch beleid: de overheid gaat tegen de conjuctuurcyclus in.

Middelen van het anti-cyclisch beleid:

-          bestedingen

-          belastingtarieven

Multiplierwerking: De overheid kan een economie stimuleren door meer te besteden of de burgers meer te laten besteden (door lagere belastingen).