De wereld

 

 

1. Globalisering

 

Globalisering / mondialisering: mensen en bedrijven in de wereld communiceren steeds meer met elkaar en sluiten steeds meer transacties met elkaar af waardoor ze steeds afhankelijker worden van elkaar met als gevolg dat organisaties die internationaal opereren steeds belangrijker worden terwijl de betekenis van nationale staten steeds kleiner wordt.

 

Transitielanden: voormalige communistische landen waarvan de economie omgevormd wordt tot een markteconomie (Oostblok).

 

Globalisering leidt in het algemeen tot meer concurrentie, om zich hiertegen te wapenen zijn veel landen regionaal gaan samenwerken om hun thuismarkt te vergroten, hiermee behalen ondernemingen schaalvoordelen. (EEG, LAFTA, ASEAN, NAFTA, etc.)

 

Directe investeringen: alle transacties in aandelen en investeringen in onroerend goed.

 

Importsubstitutie: importen grotendeels vervangen door eigen productie.

 

WTO streeft naar het stimuleren van de internationale handel door afschaffing van handelsbelemmeringen.

 

Concurrentievoordelen multinationals:

-         voorsprong in kennis (know how)

-         schaalvoordelen

-         bekend merk

-         multinationals hebben toegang tot meer markten in verschillende landen, en kunnen hierdoor hun productie verplaatsen en hun afzetrisico is verspreid over verschillende landen

 

Concurrentievoordelen halen kan ook zonder productie uitbreiden:

-         licentie verstrekken aan een bedrijf in een ander land. Er wordt dan een octrooi verkocht.

-         Joint venture met buitenlandse onderneming: gezamenlijke onderneming (verdeling van productiefactoren).

Bij het kiezen tussen licentie verstrekken, joint venture of productie uitbreiden ten behoeve van een buitenlandse markt er een afweging gemaakt van kosten en risicoís.

Er kan bij het uitbreiden van de productie ten behoeve van een buitenlandse markt gekozen worden tussen export en een vestiging openen in het buitenland.

 

Punten waarop belangen botsen tussen multinationals en nationale overheden:

-         Werkgelegenheid: kan toenemen bij nieuwe vestiging, maar andere bedrijven kunnen ook weggeconcurreerd worden ŗ mensen worden ontslagen.

-         Dicteren van markten: in een toenemend aantal bedrijfstakken beheerst een kleiner aantal ondernemingen de markt (vooral grondstoffen). Onderling kunnen hierdoor afspraken gemaakt worden en de prijs kan gemanipuleerd worden.

-         Belastingontwijking en de betalingsbalans: Intra-concernhandel gaat buiten de wereldhandel om. De statistieken raken vervuild. Winsten kunnen gesluisd worden naar de landen met de laagste belastingtarieven.

 

De staat is zich aan het terugtreden. De staat verliest zijn greep op regelgeving en belastingheffing doordat er geen grenzen meer zijn.

 

 

2. De economische orde in de wereld

 

Economische orde, geeft antwoord op de vraag: hoe wordt besloten wat, hoe, waar, hoeveel, door wie en voor wie geproduceerd wordt?

Allocatie: het proces van het verdelen van de productiefactoren over de productiecapaciteit.

 

Drie allocatiemechanismen, en drie daarmee overeenkomende grondvormen van de economische orde:

 

 

Prijsmechanisme

Planmechanisme

Democratisch Budgetmechanisme

Economische orde

vrije markteconomie

Centraal geleide ec.

gemengde economie

Grondlegger

Adam Smith

Karl Marx

J.M. Keynes

Rol overheid

Aanvullend

Sturend

Corrigerend

Eigendom prod.mid.

Particulier

Volk(staat)

Overwegend partic.

Rol consument

Soeverein

Afhank. Van volkswil

Niet soev.,niet afh.

Bijbehorend Ėisme

Liberalisme

Comm., socialisme

Sociaal/chrstn-dem.

 

Economische orde in werkelijkheid

ŗ VS voorbeeld van vrije markteconomie

ŗ Vanaf crisis jaren 30 men niet meer overtuigd van vrije markteconomie, men ging in west Europa vaak over op economie gebaseerd op die van Keynes.

ŗ men begon de hogere lastendruk niet meer aanvaardbaar te vinden, en ook de arbeidsparticipatie daalde (ŗ nog hogere belastingen)

ŗ het bedrijfsleven wenste van de overheid deregulering: terughoudendheid in de regelgeving

ŗ Sovjet-Unie stond lang model voor centraal geleide economie

 

 

3. Internationale geldstromen en betalingsbalans

 

Actieve en passieve rekeningen:

Een rekening met een overschot is actief, en met een tekort is passief.

 

Exportquote en importquote:

Geeft de waarden van de export/import aan in procenten van het BBP. Hoe hoger deze quotes, hoe opener de economie.

 

Goederenrekening / Handelsbalans:

Hierop staan de goederentransacties vermeld.

Handelsoverschot: als de goederenrekening een overschot vertoont.

Dekkingspercentage bereken je met de goederenrekening: exportwaarde / importwaarde * 100%.

Dienstenrekening:

Hierop staan de dienstentransacties.

Inkomstenrekening (primaire inkomens):

Hierop staan de beloningen van kapitaal en arbeid die Nederland beschikbaar stelt aan het buitenland (en andersom).

Inkomensoverdrachtenrekening (secundaire inkomens):

Bij deze balans gaat het om inkomens waar geen tegenprestatie tegenover staat.

 

Lopende rekening: de bovenstaande eerste vier deelrekeningen van de betalingsbalans. Door de saldi van deze rekeningen bij elkaar samen te voegen ontstaat het saldo op de lopende rekening. Het lopende verkeer leidt direct tot inkomen.

 

FinanciŽle rekening:

Hierop staan de beleggingen, directe investeringen en leningen.

Vermogensoverdrachtenrekening:

Onderscheidt zich van de inkomensoverdrachtenrekening doordat de vermogensoverdrachtenrekening bestaat uit investeringen in kapitaalgoederen.

Voorbeelden: schenkingen van kapitaalgoederen, kwijtschelding van schulden.

Kapitaalrekening: een samenvoeging van de financiŽle rekening en de vermogensoverdrachtenrekening.

 

Materieel saldo: de saldi van de lopende rekening, de financiŽle rekening en de vermogensoverdrachtenrekening bij elkaar opgeteld.

Bij een materieel overschot komt er meer geld binnen, hierdoor stijgt de Nederlandse voorraad van vreemde valuta / deviezen.

 

OfficiŽle / monetaire reserve of goud en deviezenvoorraad: de voorraad euroís en vreemde valuta van de DNB, bij een materieel tekort neemt die voorraad dus af.

Deze veranderingen in internationale betalingsmiddelen worden op de salderingsrekening geboekt. Een toename van de internationale betalingsmiddelen staat onder de uitgaven en andersom. Er is altijd een formeel evenwicht tussen de salderingsrekening en de andere drie rekeningen.

 

Welke economische informatie bieden de gegevens op de betalingsbalans?

-         Het saldo op de lopende rekening zegt iets over de concurrentiepositie van een land: een positief saldo duidt op een sterke internationale concurrentiepositie.

-         Het saldo op de financiŽle rekening geeft een indicatie voor de (on)mogelijkheden op investerings- en beleggingsgebied

 

Sinds de oprichting van de EMU bestaat er een betalingsbalans voor het hele eurogebied. Dit is niet een optelsom van de betalingsbalansen van de lidstaten, omdat hierop ook de transacties met de andere lidstaten vermeld staan, die bij de EMU-betalingsbalans niet meegeteld worden.

 

Het IMF (Internationaal Monetair Fonds) kan landen met een tekort op de betalingsbalans financieel te hulp schieten.

 

 

4. Wisselkoersen

 

Als er meer kopers van euroís zijn (vb: Amerikaanse importeurs) dan verkopers, zal de prijs van de euro, dus de wisselkoers van de euro, gaan stijgen. Export van goederen vanuit het eurogebied leidt uiteindelijk tot een vraag naar euroís en aanbod van dollars. De transacties, die tot ontvangsten op de betalingsbalans van een land leiden, betekenen dus vraag naar de munt van dat land en aanbod van vreemde valuta.

 

Veranderingen in het lopende verkeer ontstaan vooral door ontwikkelingen die de export of import van goederen en diensten beÔnvloeden, zoals (opdr. 4.4):

Ontwikkelingen

Deelrekening(+/-)

Ontvangst (+/-)

Uitgave (+/-)

Wisselkoers

Een loonexplosie wakkert de inflatie aan

Goederen- / dienstenrekening (-)

Ontvangst: - Uitgave: +

Daalt

Het land wordt populair bij buitenlandse toeristen

Dienstenrekening (+)

Ontvangst: +

Stijgt

Buitenlandse beleggers verwachten dat de koers vd euro daalt

Financiele rekening (-)

Ontvangst: -

Daalt

Dochterondernemingen in het buitenland boeken meer winst over naar het moederland

Inkomensrekening (+)

Ontvangst: +

Stijgt

 

Devaluatie: koersdaling

Revaluatie: koersstijging

 

Zwevende, flexibele of vrije wisselkoersen: wisselkoersen kunnen vrij schommelen door veranderingen in vraag en/of aanbod op de valutamarkt.

Appreciatie: stijging van de wisselkoers als gevolg van veranderingen in vraag en/of aanbod

Depreciatie: Daling van de wisselkoers als gevolg van veranderingen in vraag en/of aanbod.

Voordeel flexibele wisselkoersen: tekorten / overschotten op de betalingsbalans verdwijnen vanzelf.

Nadeel flexibele wisselkoersen: 1. Voortdurende schommelingen van de wisselkoers ontmoedigen het internationale betalingsverkeer.

2. Koersschommelingen werken door in de prijzen van geÔmporteerde producten en leiden tot instabiliteit van het binnenlands prijsniveau ŗ voorspellen en bestrijden van inflatie wordt lastiger, en speculaties op de valutamarkt kunnen overwaardering of onderwaardering van een munt tot gevolg hebben.

 

Koersvorming beÔnvloeden:

-         Directe manier: InterveniŽren op de valutamarkt: de centrale bank treedt dan op als vrager of aanbieder op de valutamarkt, de algemene banken zijn de tegenpartij.

         reserves van centrale banken kan uitgeput raken

         interventies kunnen gevolgen hebben voor de binnenlandse geldmarkt en de maatschappelijke geldhoeveelheid (als de centrale bank vreemde valuta verkoopt aan de algemene banken, dan neemt de voorraad eigen valuta van de algemene banken af ŗ minder dekkingsmiddelen)

-         Indirecte manier: het aanpassen van de rente (rentebeleid).

Verhoging officiŽle rentetarieven ŗ stijging rente op de geldmarkt ŗ aantrekkelijk voor buitenlandse en binnenlandse beleggers

 

Beheerst zwevende wisselkoersen:

De centrale bank mengt zich in de koersvorming van de eigen munt. (via directe of indirecte manier)

 

Vaste wisselkoersen met bandbreedte:

Koersen kunnen binnen bepaalde marges zweven. Uitgangspunt is de spilkoers, de feitelijke koers mag hier maximaal een bepaald percentage van afwijken. De maximaal toelaatbare koers is de bovenste interventiekoers, en de minimaal toelaatbare koers de onderste interventiekoers. Bandbreedte: Afstand tussen de bovenste en de onderste interventiekoers.

 

Vaste wisselkoersen:

De wisselkoers van een land wordt helemaal gekoppeld aan een andere munt of andere munten.

-         Voordelen: zekerheid voor exporteurs en importeurs en daardoor een soepeler verlopende internationale handel.

Het binnenlandse beleid moet gericht zijn op evenwicht op de betalingsbalans (en daardoor op een stabiele koers).

Probleem: als de tekorten op de betalingsbalans te groot worden en de voorraad deviezen van de centrale bank uitgeput raakt, dan moet de vaste koers worden losgelaten.

 

Onherroepelijk vaste wisselkoersen:

Bijv. EMU.

Er kan niet meer gedevalueerd of gerevalueerd worden. Aanhoudend hogere inflatie lijdt tot een aanhoudend dalende export ŗ kan niet meer goedgemaakt worden met devaluaties.

 

Lidstaten van de EU kunnen geen gebruik meer maken van het rente-instrument, en kunnen nauwelijks een begrotingsbeleid voeren. Hoe kan er een economisch beleid gevoerd worden dat in dienst staat van het bevorderen van de eigen werkgelegenheid? Beleidsconcurrentie door overheden om een zo gunstig mogelijk vestigingsklimaat te scheppen voor het bedrijfsleven en buitenlandse investeerders.

 

 

5. Het ontwikkelingsvraagstuk (geschrapt uit de examenstof 2003!)

 

De wereldbank neemt het BNP per hoofd van de bevolking als maatstaaf voor de ontwikkeling van een land. De koopkracht wordt meegerekend. Er is geen rekening gehouden met de verdeling van de koopkracht, alleen met gemiddelden.

De UNDP rekent ook andere factoren mee en heeft een genuanceerdere maatstaaf, de HDI. De UNDP heeft ook nog verfijndere indexen.

 

Het ontwikkelingsvraagstuk kan niet los worden gezien van de machtsverhoudingen in de wereld, dit is een erfenis uit het verleden (kolonisatie).

 

Duale economie (vaak in ontwikkelingslanden): een economie die gedeeltelijk bestaat uit de formele activiteiten van multinationale ondernemingen en een lokaal gericht informeel gedeelte. De formele sector is kapitaalintensief en alleen gericht op export, terwijl de informele sector bestaat uit grote groepen boeren en kleine zelfstandigen, die hun kostje bij elkaar trachten te scharrelen.

 

Malthus: dacht dat de bevolking toenam volgens een meetkundige reeks, terwijl de productie van voedsel toenam volgens een rekenkundige reeks. Hij onderschatte de toename van de productiviteit in de landbouw.

 

Veel ontwikkelingslanden verdienen vooral deviezen met de uitvoer van ruwe grondstoffen, beschikken zelf niet over kapitaal en kennis om deze zelf te bewerken.

Monocultuur: landen die slechts 1 grondstof exporteren (risicovol).

 

De grondstoffenprijzen dalen, vaak door substitutie (door industrieel ontwikkelde grondstoffen). Ook dalen de prijzen ten opzichte van de secundaire en tertiaire sector.

 

Ruilvoet: ontwikkeling van de gemiddelde exportprijzen ten opzichte van de gemiddelde importprijzen.

prijsindex export / prijsindex import * 100%.

 

Soms zoeken grondstof exporterende landen de oplossing voor de lage en instabiele prijzen in samenwerking. (OPEC)

 

Gemeenschappelijk grondstoffenfonds: idee van de UNCTAD om bij prijsdalingen overschot op te kopen (buffervoorraad aanleggen), bij prijsstijging zou er dan extra aanbod op de markt komen (uit de buffervoorraad). (niets van terecht gekomen)

 

Probleem voor ontwikkelingslanden: protectionisme westerse landen ŗ EU heeft verbond gesloten met ACP landen (Lome), hierbij wordt voor de ACP landen voor een aantal producten vrij toegang tot de Europese markt verschaft.

 

Ontwikkelingslanden konden hun schuldverplichtingen niet meer voldoen (probleem). Export moest toenemen, dan kregen ze een grotere deviezenvoorraad. Landen wendden zich tot IMF. Landen kregen een structureel aanpassingsprogramma met maatregelen om de betalingsbalans van de landen in de toekomst te verbeteren. Dit was als kuur voor de lange termijn, op korte termijn veroorzaakt de kuur pijnen door de voorgeschreven bezuinigingen. Steeds meer kritiek ook op lange termijn effecten, de schuldenlast is van veel landen nog niet verminderd. Wel heeft er een verschuiving tussen schuldenlanden. Ook transitielanden nu in de schulden. Verstrekking van nieuwe kredieten leidde tot kapitaalvlucht (beleggen in het buitenland). De samenhang tussen armoede en schulden is onderkend. IMF&wereldbank ontwikkelden een strategie om landen die zowel arm zijn als hoge schulden hebben (HIPC, Heavily Indepted Poor Countries) in aanmerking te laten komen voor schuldkwijtschelding.

 

Theorie ontwikkelingsvraagstuk (klassiek): machines moeten gebruikt worden in het productieproces ŗ ipv export grondstoffen export producten met een hogere toegevoegde waarde ŗ via investeringen dienden ontwikkelingslanden hun voorraad kapitaalgoederen uit te breiden. ŗ daarom besparen.

Afhankelijkheids- of dependenciatheorieŽn: klassieke theorie vergroot juist de afhankelijksrelaties tussen arm en rijk, klassieke theorie niet de oplossing maar de oorzaak van armoede.

 

Metropool-satelliet model: de ontwikkeling van het westen (metropool) gaat gepaard met onderontwikkeling van ontwikkelingslanden (satelliet). Op elk niveau ontstaat winst door uitbuiting van het onderliggende niveau. De uitbuitingsrelatie bestaat niet alleen tussen het rijke westen en de ontwikkelingslanden, maar ook binnen ontwikkelingslanden.

 

Aanhangers van de dependenciatheorie gaven ontwikkelingslanden het advies hun afhankelijkheid van het Westen te verminderen door zich terug te trekken uit de gangbare wereldhandel en hun onderlinge handel te intensiveren. Dit idee staat bekend als de self-reliance gedachte.

 

De vraag tegenwoordig: moet een land dat wil industrialiseren kiezen voor importsubstitutie of zich onmiddellijk blootstellen aan de tucht van de wereldmarkt?

Importsubstitutie: alle belangrijke producten, die tot dan toe werden ingevoerd, vervangen door binnenlands fabrikaat (protectie toepassen). Er zijn dan weinig deviezen nodig.

As het land kwaliteits- en prijsniveau van buitenland heeft bereikt is het klaar voor export. Als de binnenlandse bedrijven tenslotte sterk genoeg zijn kan de protectie worden opgeheven.

Tegenstanders importsubstitutie: protectie leidt tot inefficiŽnte productie.

 

Motieven voor ontwikkelingshulp:

-         humanitaire redenen

-         politieke redenen (bondgenootschap)

-         politiek/culturele invloed in landen (Frankrijk)

-         Economische redenen

~ gebonden hulp: geld geven en eisen dat het in het donorland besteed wordt

~ dubbel gebonden hulp: geld geven en eisen dat het in het donorland besteed wordt en eisen waaraan het moet worden besteed.

-         Beperking vluchtelingenstroom

-         Voor het milieu

 

Multilaterale ontwikkelingshulp: dat gaat via organisaties als de VN en de Wereldbank.

Bilaterale hulp: wordt rechtstreeks verstrekt van het donorland aan de regering van het ontwikkelingsland. (vooral hulp aan de zogenaamde concentratielanden, landen met een laag inkomen en een goed bestuur).