1. Europese integratie

 

Protectionisme: het beschermen van de economie van een land tegen de concurrentie uit het buitenland. Vormen:

-         Invoerrecht / tarifaire belemmering: belasting op importgoederen

-         Invoerquotum / -contingent: het maximeren van de hoeveelheid in te voeren producten

-         Het subsidiëren van eigen producenten en exporteurs, deze kunnen hun producten dankzij de steun aanbieden tegen lagere prijzen

-         Het opwerpen van administratieve belemmeringen: Overheden stellen vele eisen aan producten.

-         local content’ voorschriften: de overheid eist dat een minimaal percentage van de onderdelen van een product afkomstig is uit eigen land.

 

Argumenten voor protectionisme:

-         werkgelegenheid in stand houden

-         diversificatie van de productie, invoerbelemmeringen geven nieuwe bedrijfstakken een kans

-         bescherming van een jonge industrie

-         veiligheid

 

Argumenten tegen protectionisme:

-         tegenmaatregelen à handelsoorlog

-         geen internationale concurrentie à geen innovaties

 

Samenwerkingsvormen:

-         Vrijhandelszone: aangesloten landen hebben onderlinge invoerrechten afgeschaft, naar buiten hanteert ieder land zijn eigen invoertarieven

-         Douane-unie: de landen hebben onderlinge tarieven afgeschaft, en hanteren naar buiten toe een gemeenschappelijk tarief

-         Gemeenschappelijke markt: ook de niet-tarifaire belemmering zijn verdwenen, en de vrijhandel geldt ook voor productiefactoren. (vb: EU)

-         Economische unie: doel: het voeren van een gemeenschappelijke economische, sociale en fiscale politiek. (vb: EU)

-         Volledige economische integratie/monetaire unie: de leden vormen een economisch geheel met één munteenheid of volledig vast wisselkoersen en één centrale bank. (vb: EMU)

 

Economische argumenten voor deelname EMU:

-         het verdwijnen van de omwisselingkoersen

-         het verdwijnen van het wisselkoersrisico

-         een grotere transparantie van de prijsvorming

Volgens de voorgaande argumenten zal deelname leiden tot meer internationale handel en tot meer concurrentie à prijsverlaging.

-         een land kan niet achterblijven als al haar handelspartners wél overstappen op de euro

 

Economische argumenten tegen deelname EU:

-         Een land verliest het wisselkoersmechanisme

-         Een land verliest het rente-instrument

Een land moet hierdoor zijn recessie en/of betalingsbalanstekort op een andere manier oplossen. De arbeiders dreigen de dupe te worden.

-         kosten die gemaakt moeten worden tijdens de overgangsperiode

-         de enorme bezuinigingen

-         de omvangrijke overdrachtsuitgaven (rijke landen betalen aan armere landen)

-         EMU-spelregels werken pro-cyclisch: recessie à teruglopende belastinginkomsten, oplopende sociale uitkeringen en een stijgend overheidstekort à toch bezuinigingen en lastenverzwaringen à deflatoire spiraal van alsmaar inzakkende bestedingen

 

Bestuursorganen EU:

-         de raad van ministers, het hoogste besluitvormende orgaan: bestaat uit ministers van lidstaten, en kent afhankelijk van het onderwerp steeds een andere samenstelling

-         Europese commissie, dagelijks bestuur: voert de besluiten van ministerraad uit, doet voorstellen aan de raad en Europees parlement, geeft adviezen, ziet toe op de naleving van EU-verdragen. Elke commissaris heeft een bepaald beleidsterrein en heeft een eigen kabinet.

-         Het Europese parlement, volksvertegenwoordiging

-         Het Europese hof van justitie, rechtbank: ziet toe op de juiste interpretatie van de afspraken

-         De Europese raad van regeringsleiders: bijeenkomst van staatshoofden en ministers van buitenlandse zaken, deze heeft de feitelijke macht van de ministerraad overgenomen

Europese commissie komt met een voorstel, en moet instemming krijgen van de raad van ministers en het Europese parlement.

 

Belangrijkste beleidsterreinen EU:

-         het sociaal-economische beleid (landbouwpolitiek):

·         structuurbeleid, gericht op productiviteitsverbetering

·         markt-  en prijsbeleid, moet zorgen voor stabiele gemeenschappelijke markten en redelijke inkomens.

~ richtprijs wordt vastgesteld: prijs die de EU aanvaardbaar acht voor de boeren

~ minimumprijs/interventieprijs/garantieprijs wordt vastgesteld: om de boeren te beschermen tegen een te lage marktprijs.

~ interventiebureaus kopen het aanbodoverschot op, wanneer de marktprijs daalt tot de interventieprijs

~ exportsubsidies worden gehanteerd: de EU stimuleert de export van eventuele landbouwoverschotten, exportsubsidies zorgen ervoor dat de prijs van de Europese boeren kan zakken tot de prijs op wereldmarktniveau

~ de EU voorkomt met invoerrechten dat wereldmarktproducenten hun producten te goedkoop in de EU kunnen afzetten. De drempelprijs (minimumprijs waartegen ingevoerde producten in Europa mogen worden aangeboden) is de wereldmarktprijs vermeerderd met invoerrechten. Drempelprijs ligt altijd boven de interventieprijs.

         Kritiek op het landbouwbeleid:

·         VS, Australië en ontwikkelingslanden beschuldigen EU dat ze landbouw beschermt met exportsubsidies en importheffingen

·         Binnen de EU kritiek tegen de dure interventieregelingen, hoge consumentenprijzen en scheve inkomensverhoudingen. Oplossingen: 1. quoteringsregeling (maximum aan productie voor boeren) (er is wel inkomenssteun), of 2. gezamenlijk productieplafond (ook inkomenssteun en ook hectaretoeslag), 3. verlaging of bevriezing interventieprijzen, 4. landbouwgrond uit productie nemen

·         Aantasting van het milieu: boeren werden gedwongen tot ruilverkaveling en intensieve bedrijfsvoering

·         Kritiek van boeren zelf: - stimuleren van schaalvergroting dwong kleine boeren tot bedrijfsbeëindiging – en dwingt overgebleven boeren tot grote investeringen, waardoor ze grotendeels zijn aangewezen op vreemd vermogen

Landbouwbeleid in Europa zal veranderd worden. Prijssubsidies worden langzamerhand vervangen door inkomenssubsidies (McSharry-plan) Uiteindelijk doel: beëindiging protectionistische Europese landbouwbeleid

-         Het monetaire beleid: in handen van de ECB

·         het mededingingsbeleid: in de EU moeten alle producten die op de markt zijn gebracht, zonder enige discriminatie overal verhandeld kunnen worden. De concurrentie-omstandigheden dienen optimaal te zijn.

-         Het sociale beleid: het beleid is erop gericht om de maatschappelijke randvoorwaarden voor de productie te harmoniseren.

·         Gebieden: arbeidsduur, mannen en vrouwen gelijke beloning, kansen en behandeling, medezeggenschap werknemers, erkenning van diploma’s

·         Sociale programma’s groepen: jeugdigen, gehandicapten

·         De EU heeft verschillende fondsen om financiële steun te verlenen aan het sociaal beleid: Europees Sociaal Fonds, Europees fonds voor Regionale ontwikkeling (voor achtergebleven gebieden)

·         Probleem bij het sociaal beleid: vakbonden en sociale wetgeving heeft vooral een nationaal karakter in tegenstelling tot het bedrijfsleven.

-         ontwikkelingsbeleid:

·         EU werkt samen met ASC. EU verleent in beginsel alle producten vrij toegang tot de Europese markt, behalve als eigen economie vraagt tot stopzetting.

·         Beleid heeft stimulerend en educatief karakter gericht op versterking van de economie van die landen

·         Het beleid is niet erg succesvol

 

Inkomsten EU:

-         contributies van leden: gekoppeld aan totale BTW ontvangsten en hoogte BNP

-         douanerechten (invoerrechten)

-         landbouwheffingen

 

Belangrijkste uitgaven EU:

-         landbouwbeleid

-         structuurverbeteringen in zwakke regio’s (infrastructuur, onderwijs…)

De Europese uitgaven bestaan voor 80% uit subsidies.

 

Toekomst EU?

-         Verdieping: landen van de EU moeten overgaan tot een steeds verdergaand stadium van integratie door het beleid van de lidstaten steeds meer op elkaar af te stemmen.

-         Verbreding: de huidige EU moet zo snel mogelijk worden uitgebreid met enkele aspirant-leden, die het draagvlak van en voor de vrijhandel moeten verbreden.

De recente geschiedenis heeft geleerd dat beide groeperingen in zekere zin aan hun trekken zijn gekomen.

 

 

2. De geldhoeveelheid

 

Functies geld:

-         ruilmiddel

-         rekeneenheid

-         oppotmiddel / bewaarmiddel

 

Geldsoorten:

-         munten

-         bankbiljetten: van ontvangstbewijzen ontwikkeld tot bankbiljetten (de goudsmid kon hiermee meer kredieten verlenen dan dat hij goud had)

-         giraal geld

·         primaire / algemene banken: banken die geld scheppen door het verlenen van girale kredieten

·         secundaire banken: kunnen geen geld scheppen

-         chartaal geld = munten + bankbiljetten

 

Dekkingspercentage / liquiditeitspercentage: (kas + tegoed bij de centrale bank) / rekening-couranttegoeden x 100%

 

-         Centrale banken zorgen ervoor dat het dekkingspercentage niet te hoog is.

-         Collectieve garantieregeling: DNB stelt zich garant voor een tegoed tot 20000€

 

De centrale bank ziet er op toe dat de hoeveelheid geld in omloop voldoende is.

 

Maatschappelijke geldhoeveelheid / primaire liquiditeitenmassa:chartaal + giraal geld in handen van het publiek (= iedereen behalve geldscheppende instellingen) (M1)

 

[ omgekeerde geldpiramide, pag. 35 ]

 

substitutie: de ene geldsoort wordt omgezet in de andere geldsoort. De maatschappelijke geldhoeveelheid blijft hierbij gelijk.

 

Wat verandert de omvang van de maatschappelijke geldhoeveelheid:

-         kredietverlening van de banken

-         transformatie: iets dat tot dan toe niet behoorde tot de maatschappelijke geldhoeveelheid omgezet in maatschappelijk geld. (bijv. dollars omwisselen naar euro)

 

Bijna-geld / near-money / secundaire liquiditeiten: kortlopende vorderingen op geldscheppende instellingen die in handen zijn van het publiek en op korte termijn en zonder veel kosten of koersverlies kunnen worden omgezet in primaire liquiditeiten. Bestaat uit:

-         korte termijndeposito’s

-         korte valuta-tegoeden

-         korte spaartegoeden

 

Binnenlandse liquiditeitenmassa (M3): primaire + secundaire liquiditeitenmassa.

 

Het geldscheppende bedrijf van een bank: de bijdrage die een bank levert aan de totale liquiditeitenmassa.

 

Bruto-geldschepping bank: verleende kredieten van de bank

-         tegenover deze geldschepping door kredietverlening staat geldvernietiging doordat de bank lang spaargeld aantrekt.

Netto bijdrage / netto geldscheppend bedrijf: kredietverlening – de aangetrokken lange spaartegoeden.

 

De rekening van de overheid bij de centrale bank heet ‘’s Rijks Schatkist’. Deze kast wordt niet gerekend tot de maatschappelijke geldhoeveelheid.

-         als de overheid geld uitgeeft (aan bijv. ambtenaren) neemt dus de maatschappelijke geldhoeveelheid toe.

-         Als de overheid geld ontvangt (van bijv. belasting) neemt de maatschappelijke geldhoeveelheid af.

-         Als de overheid geld leent van banken (in tegenstelling tot van het publiek) neemt de maatschappelijke geldhoeveelheid toe: met het geld worden betalingen aan het publiek gedaan, maar het publiek leent/geeft dus geen geld aan de overheid.

 

ESCB (Europees Stelsel van Centrale Banken), bestaande uit de nationale centrale banken van de lidstaten en de overkoepelende ECB:

-         ECB oefent monetair toezicht uit in het hele eurogebied: het bewaken van de stabiliteit van de euro à er mag geen hoge inflatie ontstaan (onder 2%)

-         ECB opereert onafhankelijk van de politiek, de belangrijke besluiten worden genomen door de Raad van Bestuur.

-         Nationale centrale banken:

·         helpen de ECB met de uitvoering van haar monetair beleid.

·         Toezicht op micro-niveau/bedrijfseconomisch toezicht:

§         Controleert de liquiditeit van banken (dekkingspercentage)

§         Controleert de solvabiliteit van banken (of de bank al zijn schulden kan terugbetalen)

·         Toezicht op meso-niveau / structuurtoezicht:

§         Controleert dat er voldoende concurrentie tussen de banken is

·         Toezicht op macro-niveau

§         Erop toezien dat het betalingsverkeer soepel verloopt

§         Kassier zijn van de nationale overheid

§         Beheerder van de nationale voorraad aan goud en deviezen

 

 

3. De vermogensmarkt

 

Besteedbaar inkomen:

-         consumeren

-         sparen

~ beleggen

~ oppotten

 

Vermogensmarkt:

-         Vraag:

·         Gezinnen

·         Bedrijven

·         Overheid

-         Aanbod:

·         beleggers (gezinnen, bedrijven en overheid): zij wenden hun besparingen aan om er inkomen mee te verdienen.

Degenen die geld nodig hebben, de vermogensvragers, verkopen vermogenstitels aan de beleggers.

 

Vermogensmarkt:

-         geldmarkt (looptijd korter dan 2 jaar)

-         kapitaalmarkt (looptijd langer dan 2 jaar)

 

Mogelijkheden om vermogen aan te trekken voor bedrijven:

-         rekening-courantkrediet openen

-         hypotheek afsluiten op hun onroerend goed

-         onderhandse lening opnemen

-         NV’s/BV’s: aandelen uitgeven: bewijs op mede-eigendom van een bedrijf en geeft recht op een uitkering uit de winst (dividend)

-         Grotere bedrijven: obligaties uitgeven: schuldbekentenis voor een langlopende lening met een vaststaand rentepercentage

-         Een bedrijf dat aandelen uitgeeft vergroot het eigen vermogen, terwijl bij uitgifte van een obligatielening het vreemd vermogen toeneemt.

 

Instutionele beleggers: instellingen die de beste belegging zoeken voor de enorme sommen premiegelden die ze ontvangen.

 

-         Primaire kapitaalmarkt / eerstehandsmarkt: de uitgifte van (nieuwe) aandelen en obligaties vindt hier plaats

-         Secundaire kapitaalmarkt / tweedehandsmarkt: hier worden reeds bestaande effecten verhandeld

 

Beleggingen:

-         storting op een spaarrekening

-         gedwongen besparingen (premies)

-         effecten (aandelen en obligaties)

-         via een beleggingsfonds

 

Speculatieve bel: door speculatie staan prijzen niet meer in verhouding met onderliggende waarden

 

Financiële deelmarkten beïnvloeden elkaar, maar hebben ook invloed op goederen- en dienstenmarkten.

 

-         Goederensfeer / reële sector van de economie: productie en verdeling van goederen en diensten

-         Geldsfeer / monetaire sector van de economie: geldverkeer en de financiële markten

De reële sector en de monetaire sector beïnvloeden elkaar.

 

 

4. Monetaire politiek

 

Oorzaken van inflatie:

-         in de vraagkant (bestedingsinflatie of demandpull-inflatie: de effectieve vraag overtreft de productiecapaciteit)

-         in de aanbodkant (kosteninflatie of costpush-inflatie: stijgende productiekosten doorberekend in prijs; en winstinflatie: ondernemingen willen winstmarge vergroten)

Het ESCB voert een beleid voor een stabiel prijsniveau.

 

Interne waarde: koopkracht euro binnen de eurozone

Externe waarde: koopkracht euro in alle landen buiten de EU

 

Beleid om de interne waarde van de euro te bewerkstelligen:

-         geldhoeveelheidsbeleid: ECB probeert invloed uit te oefenen op de liquiditeitenmassa

-         houdt rekening met inflatie-indicatoren (zoals grondstoffen en lonen)

-         houdt het verloop van de conjunctuur in de gaten

-         geen actief wisselkoeersbeleid ten behoeve van stabiele externe waarde van de euro. Eurozone is een relatief gesloten economisch blok waardoor een daling van de externe waarde maar een kleine invloed heeft op de interne waarde

 

Grote liquiditeitenmassa à meer bestedingen.

Oorzaken groeiende liquiditeitenmassa:

-         overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans à transformatie

-         kapitaalstromen via kapitaalrekeningen (bijv. beleggingen en direct investeringen)

-         kredietverlening van de banken aan gezinnen, bedrijven en overheid

ECB heeft praktisch geen invloed op liquiditeitstoevoer uit het buitenland, dus wordt de kredietverlening beteugeld bij het geldhoeveelheidbeleid.

 

Geldmarkt in ruime zin: het totaal van vraag en aanbod op de geldmarkt

Geldmarkt in enge zin: het deel van de geldmarkt waar alleen de banken en de ECB actief zijn

 

Instrumenten monetaire beleid: als een band een geldtekort heeft (tekort aan dekkingsmiddelen) kan hij een kortlopende lening opnemen bij een bank met een overschot. Indien allemaal tekort, lenen bij de ECB. Alle banken geldtekort: geldmarkttekort. Geldmarkttekort à ECB verhoogt geldmarktrente à banken lenen bij ECB à rente van de bank wordt ook hoger à mensen gaan minder geld lenen à lagere bestedingen.

 

Hoe kan de ECB de hoogte van de geldmarktrente sturen?

-         direct instrument (prijsinstrument)

·         De banken zijn afhankelijk van ECB dus de ECB kan de prijs bepalen waartegen de banken bij haar kunnen lenen. Deze prijs wordt refirente genoemd. De hoogte van de refirente is maatgevend voor de geldmarktrente

-         indirecte instrumenten (hoeveelheidinstrumenten)

·         open-markttransacties, hiermee kan de ECB de omvang van de dekkingsmiddelen van de bank manipuleren (bijv. valutaswaps) Probleem: het verplicht de banken tot niets

·         de verplichte kasreserve: de ECB verplicht de banken bij een geldmarktoverschot een gedeelte van de dekkingsmiddelen op een aparte rekening bij de ECB te plaatsen, de kasreserverekening à valt buiten dekkingsmiddelen à banken krijgen geldtekort à banken gaan geld lenen bij ECB à geldmarkttekort.

 

Herfinancieringtransacties: kredieten die de banken bij de ECB opnemen. Deze vallen onder de open-markttransacties

 

Dilemma’s voor de ECB:

-         de Europese landen zitten in een verschillende Europese fase (rente verhogen of verlagen?)

-         wat te doen als de Euro te veel daalt tov de dollar? (officieel voert de ECB namelijk geen wisselkoersbeleid)