Het Aanbod

 

 

1. Het bedrijfsleven

 

Externe effecten: gevolgen van de productie die niet in de prijs van het product zijn opgenomen. (bijv. geluidsoverlast en uitbreiding plaatselijke middenstand door meer werkgelegenheid)

 

Een jaarverslag bevat tenminste de volgende onderdelen:

1. De balans van het bedrijf, met een toelichting

2. De resultatenrekening van het bedrijf

3. Een toelichting van de directie op de cijfers

4. Een verklaring van een registeraccountant

 

Commerciële bedrijven (ondernemingen) vormen de marktsector van de economie.

 

Ondernemingsvormen:

-          Eenmanszaak: De aansprakelijkheid strekt zich uit tot privé en zakelijke bezittingen.

Het eigendom en de leiding is in één persoon verenigd.

De mogelijkheid om kapitaal aan te trekken is beperkt.

De belasting over de winst wordt betaald als inkomensheffing.

-          VOF (Vennootschap Onder Firma):

De aansprakelijkheid strekt zich uit tot privé en zakelijke bezittingen.

Het eigendom en de leiding zijn alle betrokkenen (firmanten) samen.

De mogelijkheid om kapitaal aan te trekken is minder beperkt.

De belasting over de winst wordt betaald als inkomensheffing.

-          BV (Besloten Vennootschap):

De aansprakelijkheid strekt zich uit tot het aandeelbedrag.

De directeuren zijn tevens aandeelhouder.

De mogelijkheid om kapitaal aan te trekken is minder beperkt.

De belasting over de winst wordt betaald als vennootschapsbelasting.

De BV is een rechtspersoon, inhoudende dat die ondermeer het recht zelfstandig schulden aan te gaan heeft. De aandeelhouders zijn voor deze schulden niet aansprakelijk.

De directeuren zijn in loondienst van de BV maar hebben meestal ook de aandelen in handen. Zij krijgen als werknemer een loon en als aandeelhouder een deel van de winst.

-          NV (Naamloze Vennootschap):

De aansprakelijkheid strekt zich uit tot het aandeelbedrag.

Het eigendom en de leiding zijn gesplitst.

De mogelijkheid om kapitaal aan te trekken is zeer groot.

De belasting over de winst wordt betaald als vennootschapsbelasting.

De aandelen van de NV zijn vrij verhandelbaar op de effectenbeurs omdat ze niet op naam staan.

 

Concern: een concern bestaat uit een groep samenhangende ondernemingen, geleid vanuit één centraal punt. Eenvoudig bestaat een concern uit een holding (=houdstermaatschappij) die de meerderheid van de aandelen heeft van een aantal dochterondernemingen. De holding geeft ook aandelen uit die verhandeld kunnen worden op de effectenbeurs.

Als een concern vestigingen heeft in meerdere landen spreek je van een multionationale onderneming (mno).

 

Administratieve lasten: de kosten die het naleven van wetten en regels en de controle daarop met zich meebrengt.

 

Deregulering: Ondernemers pleiten voor deregulering: het afschaffen of beperken van overbodige overheidsregels.

 

Concentratie: de groei van grote ondernemingen ten koste van de kleinere.

                       

Manieren waarop ondernemingen kunnen groeien:

-          Autonome groei: productiecapaciteit vergroten door middel van uitbreidingsinvesteringen.

-          Fusie: twee zelfstandige, min of meer gelijkwaardige ondernemingen gaan in elkaar op. (vrijwillig)

-          Overname (acquisitie): Een onderneming koopt een meestal kleinere onderneming op. (niet altijd vrijwillig)

-          Joint venture (gezamenlijke onderneming): Er wordt een nieuwe onderneming opgericht waaraan de deelnemende ondernemingen elk een bijdrage leveren. De ondernemingen werken samen en blijven toch zelfstandig.

 

Strategieën van samengaan en splitsing:

-          Integratie: De leveranciers en afnemers worden in een eigen onderneming ondergebracht. (Bijv. bij oliemaatschappijen)

-          Differentiatie: het afstoten van delen van het productieproces. (Bijv. bij auto’s)

-          Diversificatie (parallellisatie): Ondernemingen bieden producten aan die aan het oorspronkelijke product verwant zijn. Ze zoeken uitbreiding naar parallelle bedrijfskolommen. (conglomeraat: onderneming met een onsamenhangend pakket van producten)

-          Specialisatie: Ondernemingen gaan zich weer specialiseren op hun eigen product.

 

Naar boven

 

2. Prijzen, kosten en het aanbod

 

-          Omzet = totale opbrengst = afzet x verkoopprijs

TO = q x p

-          Totale winst = totale opbrengst – totale kosten

TW = TO - TK

-          Totale kosten = afzet x kostprijs

TK = q x GTK

-          Totale winst = afzet (verkoopprijs – kostprijs)

TW = q (p – GTK)

 

De prijs heeft invloed op het aanbod:

-          Individuele aanbodvergelijking: hierin wordt het verband aangegeven tussen prijs en aangeboden hoeveelheid. De mate waarin het aanbod reageert op prijsveranderingen wordt aangegeven in prijselasticiteit van het aanbod.

-          Collectieve aanbodvergelijking: deze geeft aan hoeveel bij elke prijs wordt aangeboden door de hele bedrijfstak.

-          Macro-economisch aanbod: Deze is te vinden door het aanbod van alle bedrijfstakken te aggregeren (samen te voegen).

 

Ook de kosten hebben invloed op het aanbod:

-          Constante kosten (of vaste kosten of capaciteitskosten): deze kosten reageren niet op een verandering van de productieomvang.

o        De gemiddelde constante kosten nemen af naarmate de bezettingsgraad hoger is.

-          Variabele kosten: kosten die (in totaal) variëren met de productieomvang.

o        Wanneer de totale variabele kosten evenredig stijgen met de productieomvang noemen we ze proportioneel variabel.

o        De (totale) variabele kosten kunnen ook meer dan evenredig (progressief) of minder dan evenredig (degressief) stijgen.

 

Break-evenpoint: het punt waar de totale kosten en de totale opbrengsten precies even hoog zijn. Er is geen winst en geen verlies.

Break-evenafzet (of kritische afzet) en break-evenomzet (of kritische omzet): de bijbehorende afzet en omzet.

 

-          Marginale kosten: de kostentoename bij uitbreiding van de productieomvang met één eenheid.

MK = (∆TK)/(∆q)

-          Marginale opbrengst: de opbrengsttoename bij uitbreiding van de productieomvang met één eenheid.

MO = (∆TO)/(∆q)

 

Wanneer is de winst het grootst?

-          Bij proportioneel variabele kosten: naarmate er meer wordt geproduceerd.

-          Bij eerst degressief en vervolgens progressief stijgende variabele kosten: Zolang MO > MK neemt de TW toe bij uitbreiding, zodra MO < MK neemt de TW af bij uitbreiding. De TW is maximaal waar de toename overgaat in de afname dus waar MO = MK.

 

Naar boven

 

3. Productietechnieken

 

Technische veranderingen hebben behalve op de aarbeidsproductiviteit, ook invloed op de kapitaalproductiviteit.

 

Arbeidsproductiviteit: productie per werknemer per tijdseenheid.

Productie / aantal werknemers

Kapitaalproductiviteit: productie die een geinversteerde gulden kapitaal gemiddeld oplevert.

Productie / kapitaal

 

Kapitaalintensiteit: het kapitaal (geinvesteerd bedrag) per werknemer.

Kapitaalintensief productieproces: naarmate er per werknemer meer kapitaal wordt ingezet.

Arbeidsintensief of kapitaalextensief productieproces: naarmate er per werkenemer minder kapitaal wordt ingezet.

 

Er kan op 2 verschillende manieren geinversteerd worden:

-         Breedte-investering: per werknemer blijft evenveel kapitaal in gebruik.

-         Diepte-investering: men kiest voor een kapitaalintensievere techniek. Per werknemer wordt meer kapitaal gebruikt. (dezelfde productie behalen met minder werknemers of met bestaande werknemers meer produceren).

 

Input van het productieproces: benodigde productiefactoren.

Output van het productieproces: de eindproducten.

 

Productiefunctie: q = f (A,K)

q = hoeveelheid (eind)product

A = hoeveelheid arbeid

K = hoeveelheid kapitaal

 

De totale kosten van het productieproces: TK = Pa * A  + Pk * K

TK = totale kosten

Pa = prijs van arbeid

A = hoeveelheid arbeid

Pk = prijs van kapitaal

K = hoeveelheid kapitaal

 

Zien we de geproduceerde hoeveelheid als een gegeven, dan hangen de totale productiekosten af van de prijzen van arbeid en kapitaal (Pa en Pk) en van de gekozen productietechniek.

De prijsontwikkeling van de productiefactoren kan invloed hebben op de techniekkeuze.

 

Schaalvoordelen: voordelen die uitsluitend het gevolg zijn van een grotere productieomvang. (inkoopkorting of ze besparen kosten doordat ze de organisatie efficienter kunnen inzetten)

Bij een diepte-investering kunnen de schaalvoordelen verder toenemen. Als de productie toeneemt, worden de GCK lager. (als de bezettingsgraad daalt stijgen de GCK)

 

R&D = Research & Development = onderzoek en ontwikkeling.

 

Productinnovatie: invoering van een nieuw product.

Procesinnovatie: wanneer een productieproces vernieuwd wordt.

 

Een licentie verlenen: het octrooi verhuren.

 

Op basis van R&D uitgaven worden industriele producten verdeeld in high-tech, medium-tech en low-tech producten.

 

De overheid kan invloed uitoefenen op de aard van de productietechniek, bijv.:

-         milieueisen

-         hoge lasten die op arbeid drukken (loonbelasting, sociale premies)

 

Macro-economische productiecapaciteit: dit geeft aan wat een land kan produceren, als alle productiefactoren van dat land worden benut.  Hoe groot de capaciteit is hangt af van de structuur van de economie: de mate waarin arbeid, natuur en kapitaal beschikbaar zijn en hun hoedanigheid (=kwaliteit)(bijv. opleidingsniveau van de inwoners).

De capaciteit hangt ook af van veel niet-economische factoren (bij.v geografische ligging).

De markt bepaalt de allocatie van productiefactoren (de markt bepaald hoeveel en hoe productiefactoren worden ingezet).

Strucurele ontwikkeling: de veranderingen in de kwantiteit en kwaliteit van de beschikbare productiefactoren die daaraan ten grondslag liggen.

Macro-economisch kunnen naast kapitaal ook goed arbeid of natuur de capaciteit bepalen.

 

Naar boven

 

4. Internationale handel en concurrentie

 

Kostenverschillen kunnen internationale handel veroorzaken. Als iets in bijv. Duitsland goedkoper geproduceerd kan worden dan in de VS, heeft Duitsland een absoluut kostenvoordeel.

 

David Ricardo: het komt niet aan op absolute kostenverschillen maar op comparatieve (of relatieve) kostenverschillen. Je vergelijkt de kosten van een product met die van een ander product uit hetzelfde land. De kosten bij Ricardo bestonden uitsluitend uit arbeidskosten. De theorie pleit voor een arbeidsverdeling waarbij elk land zijn werkenemers inzet in de bedrijfstakken die comparatieve kostenvoordelen kennen.

 

Ruilvoet = (prijspeil export)/(prijspeil import) * 100

Een land heeft alleen profijt van internationale handel als de internationale ruilverhouding gunstiger is dan de ruilverhouding in eigen land.

 

In de praktijk is de internationale handel vrijwel nooit volledig vrij.

Vooral in tijden van economische tegenspoed neigen overheden tot het nemen van protectionistische maatregelen: maatregelen die producenten beschermen tegen buitenlandse concurrentie:

-         heffing van invoerrecht of tarief op producten die afkomstig zijn uit het buitenland.

-         Invoerquotum of –contigent: de overheid stelt een maximum aan invoer vast.

-         Het opwerpen van administratieve invoerbelemmeringen (bijv. langdurige controles aan de grens of hoge eisen aan het product)

-         Overheden kunnen de producenten die in een concurrentiestrijd zijn verwikkeld met het buitenland, subsiedies- of belastingvoordelen verstrekken. Overheden kunnen ook de export rechtstreeks subsidiëren. Soms maakt men door de hoge subsidies gebruik van dumping (= producten worden aangeboden tegen een prijs die lager ligt dan de kostprijs).

 

Argumenten die men gebruikt voor protectie:

-         beschermende maatregelen kunnen nodig zijn om de werkgelegenheid in zwakke bedrijfstakken in stand te houden tijdens recessie.

-         Veiligheid: er kan worden voorkomen dat vitale bedrijfstakken (voedselvoorziening en defensie) kunnen worden weggeconcurreerd door het buitenland. (anders is het land kwetsbaarder bij politieke conflicten)

-         (vooral voor ontwikkelingslanden) Protectie vergemakkelijkt diversificatie.

Argumenten voor vrijhandel:

-         de ervaring in het verleden heeft geleerd dat overheden, die binnenlandse ondernemingen beschermen vroeg of laat te maken krijgen met represailles. Buitenlandse overheden zien zich gedwongen hun ondernemingen eveneens te beschermen. (handelsoorlog)

-         door het beschermen van bedrijfstakken worden de ingevoerde, goedkopere producten buiten de deur gehouden waardoor binnenlandse bedrijven zich niet genoodzaakt zien te investeren in innovaties. (kunnen makkelijk een technologische achterstand oplopen)

 

Een van de oorspronkelijke doelen van de EU was het vrijmaken van het onderlinge verkeer van goederen en diensten. Daarvoor was het nodig de ondelringe handelsbelemmeringen  af te schaffen.

-         in 1968 waren de onderlinge invoerrechtenvan de lidstaten min of meer verdwenen.

-         De verschillende tarieven voor niet EU-landen werden gelijkgeschakeld.

-         Alle producteisen moesten worden gestandaardiseerd.

-         De overheden beschermden (en beschermen) de binnenlandse producenten tgen concurrentie uit andere lidstaten.

 

Vooral het landbouwbeleid van de EU bevat sterk protectionistische trekken. (invoerrechten en exportsubsidies). Vanuit andere landen bestaat er kritiek op het landbouwbeleid. De EU heeft besloten tot een langzame afbouw van de beschermende maatregelen.

 

Wisselkoers: prijs van een vreemde valuta (deviezen). Door de schommeling van de koers schommelen de prijzen van in- en uitgevoerde producten ook. Hoe sterk de afzet reageert op deze prijswijzigingen hangt af van de prijselasticiteit.

 

Prijselasticiteit van de invoer: hoe groot is de procentuele verandering van het invoervolume als gevolg van een prijsverandering van de invoer.

Prijselasticiteit van de uitvoer: hoe sterk reageert het uitvoervolume op prijsveranderingen van het exportpakket.

 

De hoogte van de wisselkoers heeft invloed op het volume van de in- en uitvoer. Overheden van landen met een eigen munteenheid hebben de mogelijkheid de hoogte van de wisselkoers te beïnvloeden, hier door kunnen ze invloed uitoefenen op het volume van de in- en uitvoer.

 

Euro: Handelaars binnen het Eurogebied lopen geen koersrisico meer. Daar staat tegenover dat de deelnemende landen nu geen eigen wisselkoersbeleid meer kunnen voeren.

 

Structuurbeleid, aanbodbeleid, groeipolitiek: als de overheid maatregelen neemt met als doel in te grijpen in de aanbodkant van de economie.

Voorbeelden:

-         arbeiderskosten

-         industriebeleid