Markten 1

 

 

1. Naar de markt van arbeid

 

Arbeidsethos: betekenis die mensen toekennen aan arbeid.

 

Het arbeidsethos is toegenomen naarmate de geschiedenis vorderde. Deze toename hing samen met de organisatie van productie en arbeidsverhoudingen.

 

Onder druk van de vakbeweging werd via sociale wetgeving het systeem in fabrieken aangepakt.

 

Werkloosheid leidt tot financiŽle, individuele en sociale problemen.

 

Beroepsbevolking (= arbeidsaanbod) bestaat uit:

-         Werkende beroepsbevolking

~ zelfstandig werkenden

~ werkenden in loondienst

-         werkloze beroepsbevolking

 

Afhankelijke beroepsbevolking bestaat uit:

-         werklozen

-         werkenden in loondienst

 

In de werkgelegenheid vallen vraag en aanbod van arbeid samen.

 

Vraag naar arbeid:

-         Werkgelegenheid (= werkende beroepsbevolking)

-         Openstaande vacatures

 

Krappe/gespannen arbeidsmarkt: veel vraag en weinig aanbod op de arbeidsmarkt.

Ruime arbeidsmarkt: er is weinig vraag en veel aanbod.

 

Krapte op de arbeidsmarkt -> loon-prijsspiraal.

 

Deelmarkten kunnen opgedeeld worden aan de hand van:

-         beroepsklassen

-         functieverdelingen (7 niveaus)

 

Onderkant van de arbeidsmarkt: ongeschoold en laagbetaald personeel.

 

Geografische mobiliteit: of men graag/vaak verhuist voor zijn werk (in Nederland is deze erg laag).

 

Klassieke theorie/vrije markt theorie: de arbeidsmarkt wordt behandeld als elke andere willekeurige markt.

 

Aanbodoverschot (werkloosheid) wordt volgens de vrije markt theorie als een storing in het prijsmechanisme.

 

Oorzaken van storingen in het prijsmechanisme kunnen zijn (volgens de vrije markt theorie):

-         werknemers- en werkgeversorganisaties

-         Overheid (wetten)

 

Kritiekpunten op de vrije markt theorie:

-         bestedingen (lonen worden alleen gezien als kosten)

-         gebrekkige informatie (van tevoren is er geen volledige informatie werknemer/-gever).

-         Gebrekkige mobiliteit (grote verschillen tussen deelmarkten.

 

Functies van arbeidsmarkt:

-         allocatiefunctie: de taken worden verdeeld onder de mensen.

-         Verdelingsfunctie: verdeling van de opbrengst van de productie.

 

De Nederlandse overheid streeft naar:

-         volledige werkgelegenheid (niemand is ongewenst werkloos)

-         Rechtvaardige inkomensverdeling (ahv verdelingsfunctie van de arbeidsmarkt en minimumloon)

 

 

2. Aanbod en vraag

 

PotentiŽle beroepsbevolking:

-         participanten (beroepsbevolking)

-         Niet-participanten:

~ Jongeren die doorleren

~ Ouderen die gebruik maken van de Vut-regeling (vervroegde uittreding)

~ Arbeidsongeschikten

~ Mensen die zich richten op onbetaalde arbeid (bijv. huishouden)

~ Mensen die rijk genoeg zijn

~ Onmogelijkheid tot werken (mensen die bijv. in de gevangenis zitten).

 

Bruto participatiegraad (deelnemingspercentage); beroepsbevolking in procenten van de potentiŽle beroepsbevolking.

Netto participatiegraad (werkgelegenheidsgraad): werkende beroepsbevolking in procenten van de potentiŽle beroepsbevolking.

 

De overheid streeft naar een vermindering tussen de verhouding van het aantal inactieven en het aantal actieven (i/a ratio). Dit om de sociale zekerheid beter betaalbaar te maken.

 

Actieven: werkenden.

Inactieven: werklozen en mensen die niet bij de beroepsbevolking horen.

 

Een stroomschema wordt gebruikt om inzicht te krijgen in oorzaken van veranderingen in de beroepsbevolking:

-         Voorraadgrootheden (kaders)

-         Stroomgrootheden (pijlen en lijnen)

 

Deeltijdbanen leveren een telproblemen op. Banen worden omgerekend in arbeidsjaren (voltijdbaan gedurende een heel jaar).

 

p/a ratio: verhouding personen/arbeidsjaren.

 

Arbeidsvolume: term die gebruikt wordt als er bij de beroepsbevolkingtelling arbeidsjaren of arbeidsuren gebruikt worden.

 

Gepremieerde en gesubsidieerde sector (g en g sector): organisaties waarvan de overheid de salarissen betaalt.

 

Personeelswerving gebeurt op de volgende manieren:

-         advertenties

-         Arbeidsbureaus (overheid)

-         Uitzendbureaus (particulier) (tot voor kort alleen voor tijdelijk werk).

 

Leveranciersmarkten: de klant koopt (kocht) wat hem werd aangeboden.

Afnemersmarkten: bedrijven houden sterk rekening met de wensen van de klant

 

 

3. De arbeidsvoorwaarden

 

CAO (Collectieve arbeidsovereenkomst): deze wordt afgesloten tussen een werknemersorganisatie en een werkgever of werkgeversorganisatie. Deze geldt voor het gros van de werknemers.

 

Eerste vakbonden: organisaties van personen die een zelfde vak uitoefenden.

Later ontstonden bedrijfsvakbonden: deze streefden ernaar zoveel mogelijk werknemers uit een bedrijfstak te verenigen.

De meeste bonden worden overkoepeld door vakcentrales. Nu is FNV Bondgenoten de grootste vakbond.

 

Werkgevers richtten ook werkgeversorganisaties op. De grootste werkgeversorganisatie is VNO/NCW. De kleine en middelgrote bedrijven zijn georganiseerd in het MKB-Nederland.

 

Belangrijkste activiteit van werkgevers- en werknemersorganisaties: onderhandelen over de arbeidsvoorwaarden.

 

Primaire arbeidsvoorwaarden: bijv. loon en normale arbeidstijd.

Secundaire arbeidsvoorwaarden: Deze komen boven het loon en de normale arbeidstijd: vakantieregelingen, middagpauzes, reiskostenvergoedingen etc.

 

Poldermodel: stelsel van onderhandelingen tussen de sociale partners.

 

Sociale partners: werkgevers- en werknemersorganisaties.

 

STAR (Stichting van de Arbeid): hierin treffen de sociale partners elkaar voor overleg over sociaal-economische vraagstukken.

 

SER (Sociaal economische raad): deze adviseert de overheid op sociaal-economisch terrein. Bestaat uit:

-         Afgevaardigden van werknemersorganisaties.

-         Afgevaardigden van werkgeversorganisaties.

-         Mensen door de overheid aangesteld.

 

Manieren waarop de overheid invloed kan uitoefenen op de arbeidsvoorwaarden:

-         CAOís goedkeuren/afkeuren.

-         Delen van een CAO kunnen algemeen verbindend verklaard (avv) worden: deze gaan dan gelden voor een hele bedrijfstak.

-         Algemene loonmaatregel: alle bestaande arbeidsvoorwaarden worden voor een half jaar bevroren.

 

Het overleg voor over de arbeidsvoorwaarden volgt elk jaar een zelfde patroon:

-         In mei voorspelt het CPB de verdere ontwikkeling van de economie in dat jaar.

-         De werknemers- en werkgeversorganisaties gaan hun overleg voorbereiden.

-         Op Prinsjesdag maakt de regering bekend welk sociaal-economisch beleid ze wil gaan voeren.

-         Ook op Prinsjesdag verschijnt de mev (Macro Economische Verkenningen) van het CPBB.

-         Centrale organisaties van werknemers publiceren een centrale arbeidsvoorwaardennota, waarin staat met welke globale inzet ze de komende onderhandelingen ingaan.

-         In oktober/november praten de centrales van werkgevers en werknemers met elkaar in de STAR.

-         Afspraken worden dan vasstgelegd in een centraal akkoord.

-         Periode december tot mei: onderhandelingen binnen bedrijf en bedrijfstak.

De laatste decennia wordt er nauwelijks nog een centraal akkoord afgesloten (komt door decentralisatie: centrales bemoeien zich op de achtergrond bij de onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden). Centrales spelen nu een coŲrdinerende rol op de achtergrond.

 

Loonstijgingen:

-         Prijscompensatie: het loon wordt gecompenseerd met de prijsstijging.

-         InitiŽle loonstijging: loonstijging ten gevolge van een hogere arbeidsproductiviteit.

-         Incidentele loonstijging: loonstijging die niet voor iedereen geldt, en daarom niet in de CAO vermeld staat (bijv: overurentoeslag, promotietoeslag, winstuitkering).

 

Verdelingsneutraal (ook: loonruimte): loonstijging met daarin de nominale arbeidsproductiviteit (stijging van de arbeidsproductiviteit met de winst daarin verwerkt).

Macro-economische loonruimte: deze is te berekenen uit de landelijke stijging van de arbeidsproductiviteit en de inflatie (erg grof).

 

Loonmatiging: de loonstijging is kleiner dan de loonruimte.

 

Herbezettingsgraad: percentage van opengevallen uren die door nieuwe arbeidskrachten bezet worden.

 

Adv = arbeidsduurverkorting.

 

Als werkgever streeft de overheid naar nomalisatie van de arbeidsvoorwaarden: ze wil zo veel mogelijk dezelfde arbeidsverhoudingen- en voorwaarden als in het bedrijfsleven.

 

Stijging van de (minimum)lonen heeft gevolgen voor de overheid:

-         Deze moet meer loonsuitgaven maken.

-         Tevens worden de uitkeringskosten hoger, doordat deze een vast percentage van het minimumloon zijn.

 

Contractloon: het loon dat in de CAOís is voortgekomen.

 

Middelen om bij arbeidsconflicten kracht bij te zetten:

-         Voor werknemers:

~ Werkstaking:

         Prikstaking: om de aandacht te trekken word een klein deel van het bedrijf stilgelegd.

         Stiptheidsactie: werknemers zorgen voor werkvertraging door overdreven nauwkeurige werkhouding.

         Selectieve staking: de vitale delen van een bedrijf worden stilgelegd, zodat de rest van het bedrijf ook niet meer kan functioneren.

~ Speerpuntactie: ťťn belangrijk bedrijf wordt gekozen als doelwit, hierna zal de rest waarschijnlijk volgen.

~ Bedrijfsbezetting: de arbeiders nemen zelf de controle van het bedrijf over.

-         Voor werkgevers:

~ Uitsluiting: de werknemers voor de duur van de staking zonder loon naar huis sturen.

~ Werknemers collectief ontslaan.

~ Kort geding aanspannen tegen de vakbonden.

 

 

4. De werkloosheid

 

Er zijn veel verschillende definities voor werkloosheid. Verschillen tussen definities:

-         Het aantal uren waarvoor werk wordt gezocht.

-         Hoe actief wordt er naar werk gezocht.

-         Beschikbaarheid: of men zich meteen beschikbaar stelt voor een baan.

 

Werkloosheidsdefinities:

-         Geregistreerde Werkloosheid (GWL): Het werkloosheidscijfer (in procenten) dat in officiŽle publicaties wordt gebruikt.†††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††††

-         Werkloze Beroepsbevolking: Ruimer dan de GWL

-         International Labout Organisation: Werkloosheidscijfer dat meestal bij internationale vergelijkingen gebruikt wordt.

 

Verborgen werkloosheid:

-         Mensen ouder dan 57,5 jaar.

-         Een groep mensen in de WAO, die eigenlijk gewoon werkloos is.

-         Mensen die niet op zoek willen en gaan naar een baan. (ontmoedigd)

 

Geregistreerde werklozen die niet Ďechtí werkloos zijn:

-         Mensen met een tijdelijke baan (bestandsvervuiling)

-         Mensen die bezig zijn aan een opleiding.

-         Mensen die geen zin hebben om te zoeken (vrijwillig werkloos).

-         Verborgen werkgelegenheid: moeilijk vervulbare vacatures.

 

Oorzaken van werkloosheid:

-         Conjuncturele werkloosheid: deze werkloosheid ontstaat door een terugval van de bestedingen. Deze terugval doet zich voor bij laagconjunctuur.

-         Structurele werkloosheid: het gevolg van veranderingen aan de aanbodzijde van de economie. De kwantiteit, de kwaliteit en/of de prijzen van de productiefactoren zijn veranderd. Deeloorzaken:

~ Kwantitatieve structuurwerkloosheid: een tekort aan arbeidersplaatsen of banen. Dit is het verschil tussen de beroepsbevolking en het aantal arbeidersplaatsen. Dit komt voor bij desinvesteringen of diepte-investeringen (arbeiders worden vervangen door kapitaalgoederen).~ ~ Seizoenwerkloosheid: Mensen die maar een deel van het jaar werk hebben.

~ Kwalitatieve structuurwerkloosheid: Er zijn tegelijkertijd werklozen en vacatures waar geen geschikte kandidaten voor zijn.

~ Frictiewerkloosheid: Er moet een tijd worden overbrugd om een baan te vinden. Deze werkloosheid is van korte duur.

 

Bestrijding van werkloosheid:

-         Conjuncturele werkloosheid: het beÔnvloeden van de bestedingen door de overheid: de particuliere consumptie, de particuliere investeringen, de overheidsbestedingen, de uitvoer.

-         Kwantitatieve structuurwerkloosheid: ingrijpen in de omvang van de beroepsbevolking of het aantal arbeidersplaatsen beÔnvloeden: emigratie stimuleren, gastarbeiders aantrekken, arbeidsduur verkorten etc.

-         Kwalitatieve structuurwerkloosheid:

~ De mobiliteit tussen de verschillende deelmarkten moet toenemen (geografische mobiliteit moet toenemen (bijv. reiskostenvergoeding))

~ minimumloon verlagen (voor meer simpele baantjes)

~ arbeidsbureaus houden zich bezig met arbeidsvoorziening (scholing)

~ er zijn mogelijkheden gecreŽerd om werklozen ervaring te laten opdoen (I/D banen, instroom/doorstroom banen)

~ functiedifferentiatie (sommige onderdelen van een functie worden afgesplitst)

~ individuele trajectbegeleiding voor langdurig werklozen

~ startsubsidie voor werklozen die een eigen bedrijf willen beginnen

~ sollicitatietrainingen voor werklozen etc. etc.

†††† ~ etc. etc.

 

Wig op de arbeidsmarkt: deze ontstaat door de hoge heffingen die door de collectieve sector opgelegd worden (het verschil tussen het bruto- en nettoloon).