Modellen

 

 

1. Crisis

 

Crisis: een periode waarin de groei van de productie wordt verstoord. Crises bestaan al sinds vroeger.

 

Productie: het voortbrengen van goederen en diensten met als doel het verwerven van een inkomen door de verkoop van deze producten.

 

Kapitaalgoederen: geproduceerde producten met als doel deze te gebruiken in het productieproces.

 

De 4 productiefactoren:

-         arbeid

-         natuur

-         kapitaal

-         ondernemersactiviteit

 

Aggregeren: productie van individuele bedrijven bij elkaar optellen.

 

Toegevoegde waarde (productie) = omzet – geldswaarde ingekochte grond- en hulpstoffen.

Totale opbrengst (omzet): het aantal verkochte producten (afzet) vermenigvuldigd met de verkoopprijs.

 

Nationaal product: productie van alle bedrijven samen.

Objectieve methode: het nationaal product vinden door het product van alle bedrijven bij elkaar op te tellen.

 

Nationaal inkomen = loon + pacht + huur + rente + winst (beloningen voor de productiefactoren).

Subjectieve methode: het nationaal inkomen vinden op de bovengenoemde manier.

 

Identiteit: noodzakelijke gelijkheid.

 

Nationaal inkomen = nationaal product. (identiteit)

 

Conjunctuurtheorie: een theorie die de verklaring van schommelingen in de omvang van de productie wijt aan schommelingen in de totale vraag naar goederen en diensten. (Keynes)

Conjunctuur = vraagkant van de economie.

 

Structuurtheorie: een theorie die de oorzaken van de crisis bij de productie zelf zoekt.

Structuur: aanbodzijde van de economie.

 

Structuur kant van de economie:

-         Vragers:

o        Consumenten: de particuliere consumptie bestaat uit de geldswaarde van alle goederen en diensten gekocht bij de bedrijven.

o        Ondernemingen: het kopen van kapitaalgoederen door bedrijven wordt investeren genoemd.

o        Overheid: overheidsbestedingen zijn te splitsen in:

§         Overheidsinvesteringen (wegen etc.)

§         Overheidsconsumptie (pennen, ambtenarensalarissen etc.)

o        Buitenland: in het geval van export oefent het buitenland vraag uit. Bij import oefent het land vraag uit in het buitenland. Import brengt men daarom in mindering op de totale vraag.

Effectieve vraag (EV): de feitelijke bestedingen uitgeoefend bij binnenlandse ondernemingen.

 

Conjunctuur: voortdurende golfbeweging van opgang en stagnatie van de productie veroorzaakt door veranderingen in de effectieve vraag.

 

Bezettingsgraad = productie/productiecapaciteit * 100%.

Bestedingsevenwicht: als de productie gelijk is aan de normale bezetting van de productiecapaciteit.

Onderbesteding leidt tot werkloosheid, bij overbesteding neemt de conjuncturele werkloosheid af, ondernemingen verhogen dan ook hun prijzen à bestedingsinflatie.

 

Dynamische analyse: de ontwikkelingen van de productie in de tijd bekijken.

 

Reëel: gecorrigeerd voor eventuele prijsstijgingen.

Nominaal: niet gecorrigeerd voor eventuele prijsstijgingen.

 

Conjunctuurcyclus: de golfbeweging (veroorzaakt door EV) die zich steeds (ongeveer elke 7 jaar) herhaalt.

Conjunctureel herstel: EV trekt weer aan en daarmee de productie (van het dal tot de trendwaarde, normale bezetting).

Hoogconjunctuur: bestedingen groeien verder, arbeidersplaatsen groeien. (van de trendwaarde tot de groei is gelijk aan de trendmatige groei).

Recessie: afzwakking productie (van de top tot het dal). Recessie wordt veroorzaakt door overschatting van de groeimogelijkheden.

Depressie: wanneer er sprake is van een negatieve economische groei.

Overbesteding = boven de trend.

Onderbesteding = onder de trend.

 

Structuur kant van de economie:

De productiecapaciteit verandert door veranderingen van in de kwantiteit en kwaliteit van de productiefactoren, arbeid, natuur en kapitaal: structurele ontwikkeling.

Knelpuntfactor: de beperkende factor, die het minst beschikbaar is. Deze bepaalt de omvang van de productiecapaciteit.

Veranderingen aan de aanbodzijde werken meer op langere termijn.

De structurele ontwikkeling volgt ook een golfbeweging (ongeveer 50 jaar).

 

De vraag- en aanbodtheorieën kunnen ook toegepast worden op de arbeidsmarkt (ruime en krappe arbeidsmarkt).

Conjuncturele werkloosheid: werkloosheid die het gevolg is van een te lage effectieve vraag.

Structurele werkloosheid: werkloosheid met als oorzaak veranderingen in de omvang, kwaliteit en prijzen van de productiefactoren. Het kan een kwantitatief probleem zijn (te weinig arbeidsplaatsen) of een kwalitatief probleem (de arbeiders passen niet bij de arbeidersplaatsen).

 

 

2. Hoofdstromingen van crisistheorieën

 

Klassieke theorie:

Uitgangspunt van de klassieke theorie is het prijsmechanisme/marktmechanisme: vraag en aanbod van goederen en diensten zijn vanzelf aan elkaar gelijk door prijsveranderingen: lage prijs à lage afzet à grote vraag à hogere prijs à grotere afzet à lagere vraag etc.

De ‘natuurlijke orde van de vrije markteconomie hoeft niet gestuurd te worden (door bijv. overheid).

De klassieke theorie kan ook toegepast worden op de arbeidsmarkt, vermogensmarkt en valutamarkt.

Wet van Say: elk aanbod schept zijn eigen vraag, als het maar voor de juiste prijs wordt verkocht.

Economische crises ontstaan door verstoring van het marktmechanisme. Mogelijke schuldigen: overheid, vakbonden en samenwerkende ondernemingen.

De overheid moet zorgen voor zaken die niet aan de markt overgelaten kunnen worden. (‘law and order’): justitie, politie, leger en algemeen bestuur.

Klassieken benaderen de economie vanuit de aanbodzijde. Werkloosheid die zij verklaren is structurele werkloosheid. Conjuncturele werkloosheid bestaat volgens hen niet omdat vraag en aanbod vanzelf aan elkaar gelijk zijn.

 

Theorie van Keynes:

Bij de crisis in de jaren ’30 hield men in eerste instantie de klassieke theorie aan. In de VS kwam in 1933 Roosevelt aan de macht die wel overheidsingrijpen wilde (de ‘New Deal’). De ‘New Deal’ had succes. Ook in Europa ging men over op meer overheidsingrijpen.

Volgens Keynes corrigeert het prijsmechanisme de conjunctuur niet, maar versterkt hem juist: dalende vraag à verminderde productie à stijgende werkloosheid à lonen dalen à koopkracht daalt à consumptie daalt à vraag daalt etc. De overheid moet ingrijpen om deze negatieve spiraal te doorbreken. De overheid kan op 2 manieren de bestedingen beïnvloeden (stimulerend / expansief beleid en afremmend / contractief beleid):

-         de bestedingen van de overheid zelf veranderen.

-         Zorgen dat de particuliere bestedingen vanderd worden.

Bij Keynes ligt de nadruk op de vraagzijde.

Bij laagconjunctuur loopt het begrotingstekort vanzelf op (mensen besteden en verdienen minder zodat ze minder belasting betalen) à door de dalende vraag en productie stijgt de werkloosheid à overheid ontvangt minder en betaalt meer à als het beleid succes heeft stijgt productie à inkomen en werkgelegenheid neemt toe à begrotingstekort daalt.

Conjunctuurpolitiek: overheidsbeleid dat bij Keynes voorstond. (anticyclisch begrotingsbeleid)

 

Toepassingen van Keynesiaanse theorie:

-         New Deal (VS, jaren ’30)

-         Beleid van Hitler (jaren ’30)

-         Oa. Door Nederland na de Tweede Wereldoorlog ingevoerd (zo’n 25 jaar lang) om regelmatige groei te bevorderen. (tot +/- 1980)

-         In veel Europese landen komt de Keynesiaanse politiek op dit moment weer terug.

 

 

3. De theorie van Keynes in modelvorm

 

Drie manieren waarop modellen gebruikt worden:

-         analytisch model (werkelijkheid verklaren)

-         voorspellingsmodel

-         beslissingsmodel (om aan te geven op welke wijze de economie beïnvloed wordt door bepaalde maatregelen)

 

In dit hoofdstuk gaat het om een conjunctuurmodel voor een gesloten economie zonder overheid gebaseerd op de theorie van Keynes.

 

-         stroomgrootheid / periodegrootheid (bijv. investeringen)

-         voorraadgrootheid / tijdstipgrootheid (bijv. kapitaalgoederenvoorraad)

 

S = Iep

Iep = Iea + de gedwongen extra investering in de voorraad

Tijdelijk kan de productie niet gelijk zijn aan de vraag, dat komt omdat de vraag lager of hoger is dan verwacht. De producenten blijven met voorraden zitten (gedwongen extra investering in de voorraad), en gebruiken ook de extra besparingen (omdat de consumenten minder consumeren) om deze investeringen te financieren.

Het inkomensevenwicht komt hierdoor automatisch tot stand:

Iea = Iep = S

 

Vraagzijde conjunctuurmodel:

W = EV         (evenwichtsvoorwaarde)

Y = W           (identiteit)

Ev = C + I     (definitievergelijking)

C = cY + Co   (gedragsvergelijking)

I = Io          (gedragsvergelijking)

 

Vraagzijde conjunctuurmodel met spaarfunctie:

S = I                      (evenwichtsvoorwaarde)

S = (1-c)Y – Co       (spaarfunctie (gedragsvergelijking))

I = Io                     (investeringsfunctie (gedragsvergelijking))

 

Exogenen: grootheden die buiten het model om bepaald worden (bijv. Co).

Endogenen: grootheden die binnen het model verklaard worden (bijv. C).

 

Autonome consumptie (investeringen): bedrag dat sowieso al geconsumeerd (geïnvesteerd) wordt, niet afhankelijk van een andere factor in het model).

Marginale consumptiequote: welk deel van het inkomen wordt geconsumeerd.

Geïnduceerde consumptie: consumptie die afhankelijk is van het verdiende inkomen.

 

C/Y              gemiddelde consumptiequote.

∆C / ∆Y        marginale consumptiequote.

Gemiddelde – marginale consumptiequote: autonome consumptie.

 

Multiplierwerking: de nawerking van een verandering van een autonome grootheid in het model. De multiplier kan je vinden door de desbetreffende autonome besteding onbekend te laten en het model zo ver mogelijk op te lossen.

 

Aanbodzijde conjunctuurmodel met arbeid als knelpuntfactor:

Y* = a . Aa   (productiefunctie)

Aa = Ao       

Av = Y/a       (werkgelegenheidsfunctie)

U = Aa – Av   (definitievergelijking)

 

De bestedingen kunnen op 3 manieren veranderd worden om bestedingsevenwicht te bereiken:

-         een verandering van de autonome investeringen: gebruik maken van de multiplier.

-         een verandering van de autonome consumptie: gebruik maken van de multiplier.

-         een verandering van de marginale consumptiequote: c als onbekende invullen en voor Y de gewenste waarde invullen.

 

Volgens Keynes zijn er twee soorten evenwicht, het inkomensevenwicht en het bestedingsevenwicht. Bij inkomensevenwicht W = EV, inkomensevenwicht wordt vanzelf bereikt doordat ondernemers hun productie aanpassen aan EV.

Bij bestedingsevenwicht wordt de productiecapaciteit volledig benut. Dit evenwicht wordt niet vanzelf bereikt en de overheid moet ingrijpen om de zorgen dat de afwijking van het bestedingsevenwicht kleiner wordt door de bestedingen te beïnvloeden.

 

Aangepaste aanbodzijde conjunctuurmodel met arbeid als knelpuntfactor:

Y* = a . Aia

Aa = Aao

Aia = Aiao

Av = Y/a

U = Aa – Av

Us = Aa – Aia

Uc = Aia – Av = U – Us

De structurele werkloosheid wordt bepaald door het niet inzetbare deel van de arbeidsmarkt (bijv. arbeidsongeschikten). De conjuncturele werkloosheid bestaat uit het inzetbare deel van de arbeidsmarkt waar geen vraag naar is.

 

Aanbodzijde conjunctuurmodel met kapitaal als knelpuntfactor:

Y* = k . K

K = Ko

Aa = Aao

Av = Y/a

Av* = Y*/a

U = Aa – Av

Us = Aa – Av*

Uc = Av* - Av = U – Us

De productiecapaciteit wordt nu bepaald door het aanwezige kapitaal. De vraag naar arbeid wordt begrensd door de productiecapaciteit (Av* is de maximaal haalbare werkgelegenheid). De conjuncturele werkloosheid wordt nu bepaald door de maximaal haalbare werkgelegenheid minus de arbeidsvraag (de productiecapaciteit is hierbij dus niet volledig benut).

 

 

4. De gesloten economie met overheid

 

Vraagkant conjunctuurmodel voor een gesloten economie met overheid:

W = EV

Y = W

EV = C + I + O

C = c(Y-B) + Co

I = Io

O = Oo

B = bY + Bo

De overheidsbestedingen (O) vallen ook onder de EV. De belastingen (B) hebben invloed op de consumptie. Met het netto-inkomen wordt geconsumeerd.

 

Particuliere spaarsaldo                                              : S – I

Overheidssaldo / financieringssaldo / begrotingssaldo     : B – O

Nationaal spaarsaldo (0 bij inkomensevenwicht)            : (S – I) + (B-0)

 

Vraagkant conjunctuurmodel voor een gesloten economie met overheid met spaarfunctie:

S + B = I + O

I = Io

O = Oo

S = (1-c)(Y-B) – Co

B = bY + Bo            

 

belasting)               : Bo > 0

 

 

5. De open economie met overheid

 

Vraagkant conjunctuurmodel voor een open economie met overheid:

W = EV                           (evenwichtsvoorwaarde)

Y = W                             (identiteit)

EV = C + I + O + E – M       (definitievergelijking)

C = c(Y – B) + Co             (gedragsvergelijking)

I = Io                              (gedragsvergelijking)

O = Oo                            (institutionele vergelijking)

B = bY + Bo                      (institutionele vergelijking)

E = Eo                             (gedragsvergelijking)

M = mY                            (gedragsvergelijking)

 

Besparingen = investeringen bedrijven + tekort overheid + tekort buitenland

 

Saldo lopende rekening: E- M

Als Nederland een tekort heeft op de lopende rekening, dan leent het buitenland geld aan Nederland (kapitaalimport), en andersom. Hierdoor is er een evenwicht op de betalingsbalans.

 

Vraagkant conjunctuurmodel voor een open economie met overheid met spaarfunctie: evenwichtsvoorwaarde:

(S – I) + (B – O) = E – M

 

6. De economische kringloop

 

De economische kringloop gaat altijd uit van de situatie achteraf (ex post), in tegenstelling tot de modellen.

 

Soorten investeringen:

-         uitbreidingsinvesteringen (productiecapaciteit wordt vergroot)

-         investeringen in voorraden

-         vervangingsinvesteringen, deze worden gefinancierd uit afschrijvingen: bedragen die te zijner tijd opzij gelegd worden voor de vervangingsinvesteringen (afschrijvingen = vervangingsinvesteringen)

 

Bruto nationaal product = C + Iv + I(=voorraadinvesteringen en uitbreidingsinvesteringen)

Netto nationaal product = I(=voorraadinvesteringen en uitbreidingsinvesteringen) + C(productie van consumptiegoederen)

Aan de productiezijde vormen de vervangingsinvesteringen het verschil tussen bruto en netto nationaal product, aan de inkomenszijde vormen de afschrijvingen het verschil tussen bruto en netto nationaal inkomen.

 

Bruto investeringen: alle investeringen

Netto investeringen: I (dus voorraadinvesteringen en uitbreidingsinvesteringen)

 

Vaste kapitaalgoederen: kapitaalgoederen die langer dan 1 productieproces meegaan.

Vlottende kapitaalgoederen: kapitaalgoederen die korter dan 1 productieproces meegaan.

 

Economie met overheid:

De belastingen zijn te splitsen in:

-         directe belastingen (inkomensbelasting, vennootschapsbelasting)

-         indirecte belastingen (BTW, accijnzen)

 

De overheidsuitgaven bestaan uit:

-         Overdrachtsuitgaven (zonder zichtbare tegenprestatie, bijv. uitkeringen)

-         Overheidsbestedingen:

o        Overheidsinvesteringen (aanschaf vaste kapitaalgoederen, bijv. wegen)

o        Overheidsconsumptie:

§         Materiële overheidsconsumptie (aanschaf vlottende kapitaalgoederen, bijv. pennen)

§         Personele overheidsconsumptie (ambtenarensalarissen = toegevoegde waarde overheid)

 

Tekort van de overheid: overheidsuitgaven - overheidsinkomsten

 

Besparingen = netto investeringen bedrijven + overheidstekort à S + B = I + O à S = I + (O – B)

 

Netto nationaal inkomen: inkomens gezinnen van bedrijven en overheid

Netto nationale investeringen: netto investeringen van bedrijven en overheid

Netto nationale consumptie: consumptie van gezinnen en overheid

 

Open economie met overheid:

Saldo primair inkomen uit buitenland: primair inkomen uit buitenland – primair inkomen naar buitenland

 

Nationaal inkomen: binnenlands inkomen + saldo

 

Besparingen = netto investeringen bedrijven + tekort overheid + tekort buitenland

 

Netto binnenlands inkomen tegen factorkosten = inkomen bedrijven + inkomen overheid

Netto nationaal inkomen tegen factorkosten = inkomen bedrijven + inkomen overheid + saldo primair inkomen uit buitenland

Netto nationaal inkomen tegen marktprijzen = netto nationaal inkomen tegen factorkosten + indirecte belastingen – subsidies

Bruto nationaal inkomen tegen marktprijzen = netto nationaal inkomen tegen marktprijzen + afschrijvingen

(binnen de EU is afgesproken om zo veel mogelijk te werken met het bruto binnenlands product tegen marktprijzen)

 

Middelen   = bestedingen

Y + M      = C + I + O + E

 

Middelen

Bestedingen

Netto nationaal product

Import

Particuliere consumptie

Particuliere investeringen

Overheidsbestedingen

Export

Totale middelen

Totale bestedingen

 

Nationaal spaarsaldo = nationaal inkomenssaldo = (S – I)+(B – O)

 

 

7. De categoriale inkomensverdeling

 

Categoriale inkomensverdeling: hoe het nationale inkomen verdeeld is over de verschillende inkomensgroepen (of inkomenscategorieën).

 

Loonquote = lonen / nationaal inkomen x 100%

 

Per zelfstandige wordt het loon afgerekend wordt het gemiddelde loon van de winst afgetrokken.

TLZ: het totale bedrag waarmee de winst wordt verminderd: Toegerekend Loon Zelfstandigen.

 

Arbeidsinkomen = lonen + TLZ

Kapitaalinkomen = (winst – TLZ) + rente + huur + pacht

 

AIQ: het deel van het nationaal inkomen dat door arbeid verdiend wordt.

 

AIQ = arbeidsinkomen / Y * 100% = (L.A)/(P.y) * 100% = (L.(Aw + Az))/P.y * 100%

AIQ = L/(P.a) * 100%

AIQ = l/a * 100%