Overheid

 

 

1. Markt en concurrentie

 

Klassieke theorie: vraag en aanbod van goederen en diensten zijn vanzelf aan elkaar gelijk door prijsveranderingen (marktmechanisme).

Wet van Say: elk aanbod schept zijn eigen vraag, als het maar voor de juiste prijs wordt verkocht.

 

Conjunctuurtheorie (Keynes): om de conjunctuur in evenwicht te houden moet de overheid maatregelen nemen om de vraagkant van de economie te beïnvloeden.

 

Sleutelbegrippen van de tegenwoordige Klassieke revival:

-         privatisering

Redenen van privatisering:

-         de concurrentie dwingt bedrijven tot efficiënt werken (optimale allocatie van productiefactoren -> consument profiteert).

-         Concurrentie stimuleert innovaties.

-         Marktwerking: voldoende marktwerking is nodig voor de concurrentie. Om de marktwerking te waarborgen heeft de overheid nieuwe instituties in het leven geroepen.

-         Deregulering: de overheid vereenvoudigt en beperkt de voorschriften waaraan burgers, bedrijven en lagere overheden zich moeten houden zo veel mogelijk.

-         Decentralisatie: taken van het rijk worden overgedragen naar lagere overheden.

 

 

2. Uitgaven en ontvangsten van de collectieve sector

 

Collectieve sector:

-         Overheid

·         Rijksoverheid (ministeries)

·         Overige publiekrechtige lichamen (OPL), oa lagere overheid: gemeenten en provincies.

-         Sociale verzekeringssector / sociale fondsen

·         werknemersverzekeringen

·         volksverzekeringen

 

Collectieve uitgaven:

-         Overheidsbestedingen (met tegenprestatie)

·         Overheidsconsumptie

~ personele overheidsconsumptie (ambtenarensalarissen)

~ materiële overheidsconsumptie (bijv. schrijfbenodigdheden)

·         Overheidsinvesteringen (bijv. wegen en spoorlijnen)

-         Overheidsoverdrachten

·         Inkomensoverdrachten (bijv. uitkeringen)

·         Vermogensoverdrachten (bijv. subsidies aan bedrijven)

 

Uitgaven van het Rijk kan je ook indelen op departement (ministeries).

 

Collectieve lastendruk: betalingen die burgers verplicht moeten afstaan aan de overheid zonder dat er een samenhangende tegenprestatie tegenover staat.

-         Belastingdruk

-         Sociale premiedruk

-         Niet-belastingmiddelendruk

 

Draagkrachtbeginsel of rechtvaardigheidprincipe: de mensen met het hoogste inkomen betalen relatief de meeste belasting.

Profijtbeginsel: mensen moeten belasting betalen naarmate ze voordeel hebben van het gebruik van collectieve voorzieningen.

Doelmatigheidsbeginsel of inningsbeginsel: de kosten die gemaakt moeten worden om belasting te innen moeten zo laag mogelijk blijven.

 

Het ontwijken van belasting: mensen proberen zo min mogelijk belasting te betalen door alle mogelijke constructies binnen de wet.

Het ontduiken van belasting (fraude): mensen betalen minder belasting, buiten de wet.

Afwenteling van belasting: men laat de belasting die voor hen is bedoeld, door iemand anders dragen.

 

Oude belastingstelsel:

Bruto inkomen

Aftrekposten

Belastbaar inkomen

Belastingvrije som

Belastbare som

De belastbare som werd opgedeeld in vier schijven. Er waren 3 directe belastingen:

-         inkomensheffing

-         vermogensbelasting

-         vennootschapsbelasting

En indirecte belastingen, waaronder BTW en accijnzen.

 

Nieuwe belastingstelsel 2001: een belastingstelsel met een bredere grondslag en lagere tarieven.

-         Verbreding van de belastinggrondslag: over een groter bedrag wordt belasting betaald (minder aftrekposten, vermogensrendementheffing,

-         Verschuiving: er wordt meer belasting betaald over kapitaal en indirecte belastingen, en minder over arbeid.

-         Vergroening: milieuonvriendelijke zaken zijn duurder gemaakt.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen 3 soorten inkomens, die verdeeld worden in drie boxen.

Box 1 bestaat uit loon/salaris en winst en inkomsten en uitgaven van de hoofdwoning. Op box 1 zijn de (nieuwe) schijventarieven van toepassing. De belastingvrije som is geschrapt, hiervoor in de plaats is de heffingskorting gekomen. De heffingskorting wordt na het betalen van de belasting geheven.

Box 2 is belangrijk voor mensen met een ‘aanmerkelijk’ aandelenbedrag in een bedrijf.

Box 3 zijn de inkomens uit het vermogen.

 

De overheid probeert de verzorgingsstaat wat terug te dringen:

-         volumebeleid: instroom (beroep op de sociale zekerheid) terugdringen en uitstroom te bevorderen zodat er een groter sociaal draagvlak ontstaat.

-         Prijsbeleid: beleid ten aanzien van de hoogte van de uitkeringen.

 

Voorbeelden om het beroep op de sociale zekerheid terug te dringen:

- privatiseren (bijv. ziektewet).

- Ministelsel: sociale verzekeringen worden over de hele linie verlaagd tot het sociaal minimum, je kunt je particulier bijverzekeren (tegen sociale fraude). (plan is niet in werking gesteld)

- vergroting verschil tussen netto-uitkering en netto-loon.

- het scheppen van ID-banen (instroom-doorstroom-banen / Melkertbanen).

 

Invloed van de sociale zekerheid op de economie:

-         personele inkomensverschillen worden kleiner.

-         Sociale uitkeringen vormen een stabiliserend element in de nationale consumptie.

-         Vicieuze cirkel: hoge premies -> hoge loonkosten -> investeringen waarbij minder arbeid nodig is -> structurele werkloosheid -> hogere premies etc…

 

 

3. Het saldo van de overheid

 

Begrotingssaldo: staatsinkomsten - staatsuitgaven
Financieringssaldo: begrotingssaldo + schuldaflossing

 

Begrotingstekort (financieringsbehoefte): het bedrag dat de staat in een jaar moet lenen om haar uitgaven die niet gedekt worden door de inkomsten te kunnen betalen.

 

Financieringstekort: begrotingstekort – aflossingen.

 

Verschillen tussen de gangbare definities van saldo en schuld en die van de EMU:

-         De EMU rekent ook de lagere overheden mee (het betreft dan vrijwel de gehele collectieve sector)

-         De EMU houdt de verkoop van staatsdeelnemingen buiten beschouwingen (financieringssaldo =niet verandering staatsschuld)

 

EMU financieringsquote: EMU-saldo in procenten van het BBP.

EMU schuldquote: EMU-schuld in procenten van het BBP.

 

Leningen van het rijk worden afgesloten op de vermogensmarkt:

-         geldmarkt: voor kortlopende leningen (minder dan 2 jaar)

-         kapitaalmarkt: voor langer lopende leningen (langer dan 2 jaar). Soorten leningen:

·         Onderhandse lening: één vrager en één aanbieder die onderling de voorwaarden bespreken.

·         Obligatieleningen / openbare leningen (grootste deel): iedereen mag inschrijven op de obligaties en ze zijn vrij verhandelbaar op de beurs.

~ Grootste deel van obligaties wordt gekocht door instutionele beleggers: instellingen die een grote hoeveelheid aan premies ontvangen en hier een veilige belegging voor zoeken.

 

Begrotingsnormen:

-         Klassieke normen: de beste overheidsbegroting is de kleinste overheidsbegroting. De overheid moet de uitgaven aanpassen aan de inkomsten.

·         Gulden financieringsregel: deze staat toe dat de overheid leent voor investeringen, de overige uitgaven moeten betaald worden uit lopende inkomsten (belasting).

-         Conjuncturele normen (Keynes): anticyclische begrotingspolitiek: maatregelen nemen om de effectieve vraag te vergroten of te verkleinen, inkomsten (belastingen) en uitgaven kunnen hierbij als middel dienen.

·         Deze begrotingspolitiek kan procyclisch uitvallen door de enorm trage besluitvorming.

·         De uitgaven kunnen in deze begrotingspolitiek oplopen (politici geven liever geld uit dan te bezuinigen).

-         Trendmatige norm: zorgen voor evenwicht op de begroting. Deze norm voldoet aan de EU-eis. Kenmerken:

·         Ontvangsten en uitgaven zijn streng gescheiden.

·         Het bestaan van afspraken over mee- en tegenvallers

 

 

4. Economische politiek

 

De 5 doelstellingen van de Nederlandse economische politiek:

-         evenwichtige arbeidsmarkt: zo veel mogelijk volledige werkgelegenheid

-         prijsstabiliteit: zo min mogelijk inflatie

-         evenwichtige betalingsbalans: moeilijk te verwezenlijken, sinds de komst van de euro werkt het evenwichtsherstellend prijsmechanisme niet meer.

-         rechtvaardige inkomensverdeling: ook wel aanvaardbare inkomensverdeling (mening verschilt per politieke partij)

-         evenwichtige (duurzame) economische groei: economische groei waarbij rekening wordt gehouden met gevolgen van de economische groei.

 

Economische orde: manier waarop het economische leven is georganiseerd. Twee uitersten:

-         vrije markteconomie

-         centraal geleide economie

Nederland: gemengde economie (tussenvorm).

 

Nederlandse overheid vervult drie functies in het economische leven:

-         allocatiefunctie: verdeling van productiefactoren over de productiecapaciteit:

·         Collectieve en quasi-collectieve goederen worden door overheid geproduceerd

·         Afremmen of stimuleren van producten met negatieve respectievelijk positieve externe effecten

·         (de)merit goods à productie proberen af te remmen respectievelijk stimuleren door iets duurder, respectievelijk goedkoper te maken, voorlichting, reclame etc. etc.

-         Stabilisatiefunctie: zorgen voor zo klein mogelijke conjunctuurgolven voor evenwichtige economische groei en stabiele economische factoren.

-         Herverdelingfunctie: zorgen voor een herverdeling van het inkomen, het vermogen, de kansen op opleiding/werk en de zeggenschap.

 

De instrumenten van de economische politiek voor:

-         Allocatiefunctie: hier zijn talloze instrumenten voor. De macht om wetten uit te vaardigen is hier van allergrootst belang. Belasting is ook een erg goed middel (belasting over inkomen en consumptie).

-         Stabilisatiefunctie: vooral anticyclisch begrotingsbeleid.

-         Herverdelingsfunctie: afsluiten CAO’s ambtenaren, wetten (minimumloon). Voor rechtvaardige inkomensverdeling wordt vooral belastingen gebruikt (nivellering).

 

Economische groei- en structuurpolitiek: het beleid zetten op het nastreven van evenwichtige duurzame economische groei à ook in de toekomst moeten alle doelstellingen van de economische politiek worden bereikt:

-         Goed investeringsklimaat.

-         Bevordering van innovatie en productiviteitsverbetering.

 

Herstructureringspolitiek: de activiteiten van de overheid die erop gericht zijn levensvatbare onderdelen van verouderde bedrijfstakken te behouden en verder nieuwe bedrijven op te roepen die voor vervangende werkgelegenheid kunnen zorgen.

 

Spreidingspolitiek: economische groei evenwichtig over Nederland spreiden.

 

Waarom het bereiken van de doelstellingen zo moeilijk is:

-         strijdigheid tussen verschillende doelstellingen

-         het optreden van onvoorziene storingen

-         het ontbreken van de mogelijkheid economisch politieke maatregelen uit te testen.

-         Het bijzondere karakter van een gemengde economische orde.

 

Door de EU is het moeilijk een eigen nationaal economische politiek te voeren, monetaire zaken worden geregeld door de ECB. Ook wordt het economische beleidsmogelijkheden belemmerd doordat de EU regels en wetgeving kan opleggen aan de lidstaten.