Welvaart

 

 

1. Vakantie en werken

 

Schaars goed: je moet moeite doen om het te krijgen.

Vrij goed: het tegenovergestelde van een schaars goed.

 

Micro-economie: binnen een bedrijf.

Meso-economie: binnen een bedrijfstak.

Macro-economie: op (inter)nationaal niveau.

 

 

2. Productie en inkomen    

 

Met het ontstaan van de landbouw ontwikkelde zich de ruilhandel. In de loop van de tijd werd directe ruil vervangen door indirecte ruil (ze ruilden iets bijv. eerst om in schelpen en dan kochten ze daar weer wat van) Het geld verdrong later alle andere ruilmiddelen.

 

De ontwikkeling in de ruil ging gepaard met technische arbeidsverdeling en specialisatie. De arbeidsverdeling werd steeds verder doorgevoerd, het productieproces is steeds verder opgesplitst in allerlei deelbewerkingen.

 

Produceren: het voortbrengen van goederen of diensten met als doel het verwerven van een geldinkomen door de verkoop van die goederen of diensten.

 

De 4 productiefactoren:

-         Arbeid (beloning: loon)

-         Kapitaal (beloning: huur + rente)

-         Natuur (beloning: pacht)

-         Ondernemersschap (beloning: winst)

 

Eigen vermogen: eigen geld dat een ondernemer in zijn bedrijf stopt.

Vreemd vermogen: geleend geld dat een ondernemer in zijn bedrijf stopt.

 

Het productieproces: een proces dat bestaat uit het toevoegen van productiewaarde aan de ingekochte grond- en hulpstoffen.

 

Productiewaarde = toegevoegde waarde = inkomen in een bedrijf (loon + pacht/huur + rente + winst)

 

Balans: een momentopname van de bezittingen van een bedrijf en van de manier waarop de bezittingen zijn betaald. De bezittingen (activa) staan links op de balans. Het vermogen (passiva) (hoe de bezittingen zijn betaald) staat rechts op de balans.

Activa

Passiva

Vaste activa

Vlottende activa

  Voorraden

  Debiteuren

Liquide middelen en effecten

 

Totaal:

Eigen vermogen

Lang vreemd vermogen

Voorzieningen

Kort vreemd vermogen

  Crediteuren

 

Totaal:

Activa:

-         Vaste activa: vaste kapitaalgoederen. Deze kunnen langer dan een jaar worden gebruikt (bijv. kantoorgebouw).

-         Vlottende activa: activa waarvan het geld dat erin is gestoken binnen een jaar weer vrijkomt (bijv. voorraden en debiteuren (vorderingen op afnemers = afnemers die nog moeten betalen))

-         Liquide middelen zijn de direct voorhanden zijnde betaalmiddelen (kasgeld en geld op de bankrekening (rekening courant). De effecten die hierbij staan zijn beleggingen in aandelen of obligaties die gemakkelijk om zijn te zetten in geld.

Passiva:

-         Eigen vermogen: geld dat door de eigenaar in het bedrijf is gestoken.

-         Lang vreemd vermogen: leningen die pas na jaren hoeven te worden afgelost.

-         Voorzieningen: je weet dat je een keer moet betalen, wanneer en hoeveel precies is onbekend.

-         Kort vreemd vermogen: leningen die binnen een jaar moeten worden terugbetaald.

-         Crediteuren: schulden aan bedrijven/mensen die nog betaald moeten worden.

 

Resultatenrekening: hierop staan alle opbrengsten en kosten over een bepaalde periode.

Kosten

Opbrengsten

Inkoopkosten

Loon

Huur

Rente

Pacht

(saldo)

 

Totaal:

Omzet

 

 

 

 

(saldo)

 

Totaal:

Het saldo is het verschil tussen de opbrengsten en de kosten. Zijn de opbrengsten groter dan de kosten dan is het saldo positief en is er winst gemaakt. Een winstsaldo zet je aan de kostenkant, een verliessaldo komt aan de opbrengstenkant.

 

De waarde van de overheidsproductie wordt gelijkgesteld aan het salaris van de ambtenaren.

 

Productie van de marktsector (particuliere sector) + collectieve sector = binnenlands product

Binnenlands product + ontvangen inkomen uit het buitenland – betaalde inkomen aan het buiteland = nationaal product (nationaal inkomen)

 

Officieuze (zwarte) circuit: het deel van de productie en inkomen waarbij fiscale regels worden overtreden.

Officiële circuit: de productie van ondernemingen en de overheid, waarvan de belastingdienst wel op de hoogte is.

 

 

3. Welvaart

 

Materiële welvaart / welvaart in enge zin: de hoeveelheid goederen en diensten die je tot je beschikking hebt.

-         Veelgebruikte indicator: hoogte van het inkomen (reëel of nominaal inkomen).

Indexcijfer koopkracht = indexcijfer nominaal inkomen / prijsindexcijfer * 100%

Zaken zoals huishouden en betalingen in natura kunnen niet meegerekend worden, omdat ze niet meetbaar zijn.

Niet-geldeconomie of parallelle economie: activiteiten die de welvaart vergroten maar geen geldstroom op gang brengen. (bijv. dus huishouden) (Niet te verwarren met het officieuze of zwarte circuit, hierbij wordt namelijk wel geld gebruikt. Ze hebben gemeen dat het allebei niet geregistreerd wordt)

Welvaart in ruime zin: ook immateriële behoeften spelen hier een rol bij. (daarom moeilijk meetbaar). Je kijkt onder andere naar:

-         Kwaliteit van producten (gezondheidszorg etc.)

-         Natuur / Milieu(gebruiksruimte): natuur wordt niet (zoals vroeger) “gewoon” als productiefactor gezien, maar als randvoorwaarde voor de economie

à Duurzame ontwikkeling / duurzaamheid: men let op een economische ontwikkeling die zodanig is dat ook in de toekomst welvaart mogelijk blijft

De spanning tussen het streven naar welvaart en enge zin en het streven naar welvaart in ruime zin kan tot conflicten leiden.

 

Instrumenten voor milieubeleid:

-         Verbods- en gebodswetgeving (het Nederlandse bedrijfsleven houdt niet van dit soort dwingende regels)

-         Milieuconvenanten: bedrijven / bedrijfstakken sluiten overeenkomsten af met de overheid waarin bedrijven worden verplicht de uitstoot van vervuilende stoffen te verminderen, maar hoe ze dat doen mogen ze zelf bepalen

-         Emissierechten: een land heeft een bepaald emissieplafond (maximum) voor uitstoot van vervuilende stoffen. De overheid kan vergunningen verkopen aan bedrijven voor een bepaalde hoeveelheid uitstoot. Deze vergunningen kunnen verhandeld worden.

 

Economen pleiten voor een marktconforme aanpak van het milieuprobleem: de externe effecten worden intern gemaakt / er wordt geïnternaliseerd. De externe effecten (hier milieuvervuiling) worden dan in de prijs doorberekend, dus milieuvervuilende producten met veel externe effecten worden dan duurder gemaakt, waardoor de vraag naar milieuvervuilende producten afneemt, en de vraag naar (goedkopere) milieuvriendelijke producten toeneemt. Dit wordt nog niet op grote schaal toegepast, want:

-         Het milieu is vaak een internationaal probleem, terwijl overheden nog sterk nationaal zijn georganiseerd

-         als de vervuiling verdwijnt naar het buitenland is dat voor overheden vaak een reden om maatregelen te laten

-         het blijft onduidelijk in hoeverre toekomstige generaties hinder ondervinden van de huidige productie.

 

Een aantal economie pleit ervoor om milieuvervuiling in het nationaal inkomen te verwerken, maar het blijft lastig om het milieu in geld uit te drukken.

 

 

4. De collectieve sector

 

De collectieve sector bestaat uit:

-         De overheid bestaat uit publiekrechtige organen:

~ Nationale overheid

~ Lagere overheden (gemeente, waterschappen etc.)

-         Instellingen voor sociale zekerheid (meningen verschillen over of ze wel of niet tot de overheid behoren, maar ze hebben in ieder geval een paar publiekrechtige bevoegdheden)

 

-         Zuiver collectieve goederen: het is voor iedereen, iedereen maakt er gebruik van en ze kunnen alleen door de overheid geleverd worden (bijv. veiligheid)

-         Individueel goed: het product / de dienst is individueel leverbaar (t-shirt)

-         quasi-collectief goed: de overheid neemt de productie van een individueel goed gedeeltelijk of geheel op zich. Dit doet de overheid bijv. omdat het product zo belangrijk is, dat iedereen er gebruik van moet (kunnen) maken (bijv. onderwijs)

 

Overheidsuitgaven:

-         Overheidsbestedingen:

~ overheidsinvesteringen: bijv. wegen

~ overheidsconsumptie: bijv. pennen (materieel) en ambtenarensalarissen (personeel)

-         Overdachten, hier staat geen zichtbare tegenprestatie tegenover:

~ Inkomensoverdrachten (bijv. uitkeringen)

~ Vermogensoverdrachten (bijv. subsidies aan bedrijven)

 

Onderscheidende kenmerken sociale voorzieningen en sociale verzekeringen:

-         sociale verzekeringen worden betaald uit premies

1.      volksverzekeringen: deze zijn er voor iedereen

2.      werknemersverzekeringen: deze worden uit premies van lonen betaald

-         sociale voorzieningen worden betaald uit algemene middelen

 

Sociale zekerheid:

-         inkomensvervangende verzekeringen

-         bijdrage in hoge kosten (vb. kinderbijslag)

 

Waardevaste uitkering: de koopkracht van de uitkering blijft gelijk

Welvaartsvaste uitkering: uitkeringen stijgen mee met de welvaart (vaak wordt het loon als maatstaf gebruikt)

 

Zie (opdracht) 4.11 voor alles over de: ZW/Wulbz, ZWF, AWBZ, WAZ, WAO, WW, ANW, AKW, ABW

 

draagkrachtbeginsel: degenen met de meeste draagkracht moeten het zwaarst worden belast. 
profijtbeginsel: de hoogte van de belasting hangt af van het voordeel dat je hebt van de voorziening. (bijv. wegenbelasting)

 

Belastingen: gedwongen betaling aan de overheid zonder dat daar een directe prestatie tegenover staat.

-         Directe belastingen: belastingen opgelegd aan personen

-         Indirecte belastingen: belastingen over (ver)kooptransacties. Degene die de belasting afdraagt kan hem doorberekenen aan iemand anders. (bijv. BTW)

 

Progressief belastingstelsel: de hoogste inkomens betalen relatief de meeste belasting (inkomensnivellering)

Proportioneel belastingstelsel: iedereen betaald relatief evenveel belasting

Degressief belastingstelsel: de laagste inkomens betalen relatief de meeste belasting

 

Gemiddelde belastingdruk: de belastindruk in procenten van het inkomen

Marginale belastingdruk: het percentage belasting dat erbij komt bij een verandering van het inkomen à de verandering van de belasting gedeeld door de verandering van het inkomen

 

Arbeidskosten: brutoloon + werknemersdeel in de sociale premies + pensioenpremie

Brutoloon: belastingen + werknemersaandeel van de sociale premies + pensioenpremie + nettoloon

Wig op de arbeidsmarkt: het verschil tussen arbeidskosten en netooloon.

 

loonheffing : premies volksverzekeringen + loonbelasting

De loonheffing is een voorschot op de inkomensheffing. De inkomensheffing wordt geheven over het hele jaarinkomen.

 

 

5. Verdeling en herverdeling

 

Primair inkomen: inkomen (loon + pacht + interest + winst) ontvangen voor het ter beschikking stellen van de productiefactoren (= arbeid + natuur + kapitaal + management)

Secundair inkomen (besteedbaar inkomen): primair inkomen – inkomensheffing + sociale uitkeringen

Tertiair inkomen: het profijt dat men heeft van de overheid via allerlei voorzieningen - indirecte belastingen (bijv. BTW, accijns).

 

Nivellering: de inkomens naar elkaar “toetrekken”.

Door middel van een progressief belastingstelsel, uitkeringen etc. worden primaire inkomens gelijkmatiger verdeeld à je krijgt dan meer gelijke secundaire inkomens.

 

Waarom inkomens nivelleren:

-         Geen nivellering / denivellering: meer prikkels tot (meer) economische activiteit. Uitkeringen zouden demotiverend werken.

-         Wel veel nivellering: minder criminaliteit etc. (dat brengt net zo goed als uitkeringen hoge kosten met zich mee)

 

Lorenzkromme / Lorenzcurve:

Op de x-as staan de (cumulatieve) percentages van de bevolking, en op de y-as staan de percentages van het inkomen (cumulatief). Je kan dus zien hoe gelijkmatig het inkomen over de bevolking is verdeeld.

 

Subjectgebonden heffingen: heffingen op personen

Objectgebonden heffingen: heffingen op goederen en diensten