![]() |
|||||||
| De ondergang van de boerenvrijstaat West-Friesland | |||||||
| bron: West-Frieslands Oud en Nieuw, 64 ste bundel van het historisch genootschap 'Oud West-Friesland" jaarboek 1997. | |||||||
| Door: Dick Roth | |||||||
| Publicatie met toestemming van het historisch genootschap "Oud West-Friesland" | |||||||
|
|
|||||||
| Dit jaar (jaarboek
1997) is het 700 jaar geleden dat bij het toen, even ten noordoosten
van Alkmaar gelegen dorp Vroonen, slag werd geleverd tussen een grafelijk
Hollands-Zeeuws ridderleger en de gecombineerde strijdkrachten van de vier
Westfriese ambachten; een treffen met voor West-Friesland dramatische gevolgen.
Deze veldslag, die plaats vond op 27 maart 1297, ligt in de schaduw van één van de grootste 'monumenten' uit onze vaderlandse geschiedenis, de moord op graaf Floris V en bleef mede daardoor onderbelicht. Contemporaine bronnen --oorkonden en kronieken, de laatste met die van Melis Stoke en Wilhelmus Procurator voorop-- bieden over deze voor de Westfriese geschiedenis belangrijke gebeurtenissen voldoende informatie. Zo ontstaat een beeld van het laatste, heroïsche verzet van de boerenvrijstaat West-Friesland tegen de feodalisering; een strijd die werd gestreden tegen de achtergrond van het in Holland en Zeeland ontstane machtsvacuüm na de dood van 'der keerlen God'. |
|||||||
| 'Dat si met herten niet en ghered' | |||||||
| In 1282 schrijft Floris V aan
de Engelse koning Edward -- met wie hij goede relaties onderhoudt -- dat
hij zijn 'doodsvijanden', de Friezen, in vier veldslagen heeft overwonnen
en het lichaam van zijn vader Rooms-koning Willem II heeft teruggevonden.
Aan het laatste voegt hij toe: 'Iets wat ik boven alles wenste' ,
Floris heeft zijn ridderleger niet opnieuw voor de in West-Friesland veelvuldig voorkomende waterbarrières gezet. Hij scheept zijn leger in en landt bij Wijdenes op Westfrieslands oostkust. Daar geeft een hoge landrug zijn zware ruiterij toegang tot het hart van het vijandelijke land. De Westfriezen worden op meerdere plaatsen --waaronder Schellinkhout-- verslagen. De hoogste eer behaalt Floris door in Hoogwoud het graf van zijn in 1256 door de Westfriezen gedode vader terug te vinden en zorg te dragen voor een eervolle begrafenis van deze Roomskoning en beoogd Keizer van het Duitse rijk. De teraardebestelling vindt plaats in Middelburg en ditmaal in gewijde aarde. De koningszoon heeft aan zijn ridderplicht voldaan. In onze ogen is er een keerzijde met minder
'eer'. De kronieken melden óók dat Hoogwoud wordt geplunderd
en verbrand. En dat veel Westfriezen worden gedood en maar weinigen gevangen
genomen, 'uit wraak voor de eervolle vorst, de Roomskoning'! Het illustreert dat de al eeuwenlang durende
strijd tussen de naar gebiedsuitbreiding strevende graven van Holland
en de hun onafhankelijkheid verdedigende Westfriezen met grote meedogenloosheid
en ten koste van veel offers werd gestreden. |
|||||||
| ... singhen enen niwen sanc...' | |||||||
| Ondanks de dwangburchten vertonen de Westfriezen
geen spoor van onderdanigheid en hun overgave had nog lang op zich kunnen
laten wachten, als de natuur Floris niet had bijgestaan. De winter van 1287
op 1288 is een echte stormwinter. Twee stormvloeden doen in de lage landen
de dijken breken en veroorzaken veel ellende. Ook West-Friesland heeft zwaar
te lijden. Floris V slaat onmiddellijk toe, zoals zou blijken bij verrassing.
De graaf geeft zijn baljuw in Kennemerland, Dirk II van Brederode, opdracht
met strijdkoggen het ondergelopen land binnen te vallen. Dirk vaart van
dorp tot dorp en van huis tot huis. De Friezen zijn kennelijk te plotseling
overvallen om hun eigen schepen in de strijd te kunnen brengen en daarmee
elkaar te hulp te schieten. Dirk bereikt op die manier een vrij gemakkelijke
overwinning en eist, in naam van zijn leenheer, gijzelaars overal waar hij
verschijnt. Het verzet van de Westfriezen komt aan zijn eind. De dwangburchten, de watersnood, de gegijzelden, de grens van het draagbare is bereikt. |
|||||||
|
|||||||
| Stoke dicht prachtig: | |||||||
| 'Nu sijn de Vresen
so verre comen, Dat si mosten an haren danc Singhen enen niwen sanc, Dat si met herten niet en gheren. Si moesten hulden ende zweren Den grave, ende onderdanich wesen' |
|||||||
| Inderdaad 'niet begeerd door het hart', maar
er blijft de Westfriezen niets anders over dan de onderwerpingsverdragen
die Floris ze begin 1289 per ambacht voorlegt, te aanvaarden. Voor hen begint
dan toch, weliswaar honderden jaren later dan elders in Europa, het feodale
tijdperk. Er is één lichtpuntje, Floris lijft West-Friesland niet zonder meer bij het graafschap Holland in, het gebied blijft een afzonderlijke heerlijkheid. Floris V noemt zich vanaf dat moment: Graaf van Holland en Heer van West-Friesland. De verdragen met de afzonderlijke ambachten zijn op hoofdpunten gelijk. In de eerste plaats zullen de Westfriezen en hun nakomelingen, de graaf en zijn nakomelingen 'ewelike onderdanich' zijn. Voorts zullen ze verschillende belastingen (tienden en vroneschuld) moeten betalen en, daartoe opgeroepen, de graaf met mankracht ter heervaart moeten ondersteunen. De hoge rechtspraak zal worden gevoerd door een Hollandse rechter, uiteraard aan te stellen door de Hollandse graaf. Tenslotte verklaart Floris een aantal gedane zaken achteraf nog even rechtsgeldig, we lezen: 'dat wy borge ende veste mogen maken in hoir lant, wil wy groot, wil wy cleyne'... De laatste toevoeging komt op ons wat grappig over, maar zal integendeel bedoeld zijn als dreigend blijk van opperste macht. Een autonoom West-Friesland lijkt verder weg dan ooit |
|||||||
| ' ... ende vergaten den eedt die zy Grave Florys gedaen hadden...' | |||||||
| Aan het eind van de dertiende eeuw wordt
de grote politiek in West-Europa gedomineerd door de tweespalt tussen
de koningen van Engeland en Frankrijk: Edward I en Philips IV (de Schone).
Als Graaf Floris V op 26 juni 1296 tijdens een uit de hand gelopen ontvoering
bij Muiderberg wordt vermoord, is zijn dood het directe gevolg van zijn
politieke ommezwaai een halfjaar eerder. Een echte 'salto mortale'. De hoofdoorzaak van Floris' verwisseling van
kamp op het toneel van de buitenlandse politiek moet worden gezocht in
de zogenaamde 'Zeeuwse kwestie'. Floris eist evenals de graaf van Vlaanderen
de leenrechten op Zeeland bewester Schelde op. In de jaren negentig is
dit geschil acuut geworden door de herhaalde rebellie van Zeeuwse edelen
die overlopen naar de Vlaamse graaf Gwijde en door twee oorlogen met Vlaanderen.
Het land raakt na Floris' dood (zijn lichaam
wordt naar Alkmaar gebracht en daar opgebaard) in een geweldige beroering.
De jacht op Floris' moordenaars brandt los, een aantal vlucht naar het
buitenland, anderen verschansen zich in het aan de Vecht gelegen kasteel
de Kroonenburch. Intussen is ook de strijd om Floris' opvolging
in volle gang. De eerste die recht op de graventroon kan doen gelden,
is Floris' zoon Jan die nog geen 14 jaar oud is en zoals we weten in Engeland
verblijft. Na hem is Floris' neef Jan van Avesnes, graaf van Henegouwen
de rechthebbende. Daar steekt een adder onder het gras, want Jan van Avesnes
is een bondgenoot van de Franse koning Philips de Schone! De tweespalt
Engeland - Frankrijk tekent zich nu ook binnen Holland en Zeeland af.
Niet alleen politieke, ook economische motieven spelen een rol. Edelen,
steden en het volk raken verdeeld. |
|||||||
|
|||||||
| De burchten zijn de gehate symbolen van een
door hen verafschuwde feodale samenleving en in de eigen cultuur wezensvreemde
elementen. Deze tekens van de grafelijke macht dienen uit het landschap
te worden verwijderd. En zo geschiedt. Vervolgens is het kasteel bij Medemblik aan de beurt. Het wordt verdedigd door een loot van een hoog adellijk geslacht, Floris van Egmond, en houdt stand. De Westfriezen hebben inmiddels een bondgenoot, de bisschop van Utrecht Willem van Mechelen. Hij is nog maar net benoemd en druk bezig de vele rekeningen die Utrecht naar zijn opvatting nog met betrekking tot Holland heeft, te vereffenen. Hij belegert met succes het ooit door Floris V aan Utrecht ontfutselde Muiderslot, zet de Westfriese warf tot verdere opstand aan en stuurt de belegeraars van het kasteel bij Medemblik twee blijden (belegeringswerktuigen). Dat laatste helpt overigens niet en de Westfriezen besluiten de bewoners van het kasteel uit te hongeren. De Procurator daarover: 'Want de troupe der Edelen, die daer binnen lagen, leden hongersnoodt, soo dat sepaerden slachteden en het vleesch der selver met grooten smaeck op aten'. Het zou een lange en koude winter worden... |
|||||||
| Een land in rep en roer | |||||||
| Inmiddels volgen in Holland en Zeeland de ontwikkelingen
elkaar in hoog tempo op. De Kroonenburch is gevallen en de daar aanwezige
moordenaars van Floris vinden een gruwelijk einde. De graaf van Kleef die
het beleg had geleid neemt in Den Haag de regering waar. Hij moet echter
na korte tijd het veld ruimen voor Jan van Avesnes die persoonlijk naar
Holland komt om zijn hoge rechten op Floris' erfgoed te onderstrepen. De
graaf van Henegouwen --die met name in Dordrecht veel aanhang heeft-- zegt,
bij afwezigheid van zijn neefje Jan, diens belangen en die van het graafschap
te zullen dienen. Dat hij daarbij ook zijn eigenbelang op het oog heeft
en die van zijn soeverein Philips de Schone hoeft geen nader betoog. Bij
de landszaken waar hij zich op richt heeft de Westfriese kwestie en met
name het ontzetten van het kasteel te Medemblik een hoge prioriteit. Bekend
is dat de Zeeuwen hem beloven twee man per hevene (een Zeeuwse landmaat)
te zullen leveren voor een krijgstocht tegen West-Friesland , te houden
na Nieuwjaarsdag. Kort na de komst van Avesnes in Holland laat eindelijk ook de Engelse koning Edward van zich horen. Hij kan uiteraard niet toestaan dat een vazal van Philips de Schone de graafschappen van Floris in bezit neemt, dit terwijl nota bene Floris' directe opvolger zich in zijn macht bevindt. Een complicerende factor is de leeftijd van de jonge Jan, die hem feitelijk ongeschikt maakt zelfstandig te regeren en dat vraagt veel voorzorgsmaatregelen. Edward start dan ook een goed voorbereid en uitgebreid offensief. Een aantal gezanten brengt brieven gericht aan de edelen, poorters en alle ingezetenen van Holland, Zeeland, Kennemerland en West-Friesland. De brief bevat een uitnodiging voor twee of drie mannen per stad en voor drie of meer edelen per land, om op 11 november met volledige volmachten (!) in Bury-St.Edmunds te verschijnen om daar schikkingen te treffen ten aanzien van de graafschappen en het huwelijk van Jan met koningsdochter Elisabeth bij te wonen. De afgezanten hebben van Edward tevens opdracht meegekregen steun te verzoeken aan een aantal met name genoemde edelen, onder wie Wolfert van Borselen, en tevens aan de steden Dordrecht en Zierikzee. We weten niets van de ongetwijfeld vele beraadslagingen die in het land zullen hebben plaatsgevonden over deze poging van Edward om de terugkeer van Jan I (onder het regime van deze Engelse vorst) tot stand te brengen. We kennen ook de namen niet van de uiteindelijke delegatie die op de genoemde elfde november met Edward overleg voert; maar het is aannemelijk dat het dezelfde zijn die op 7 januari 1297 te Ipswich het huwelijk van hun jonge graaf en Edwards dochter Elisabeth bijwonen onder wie: Jan van Renesse, Dirk van Brederode, Willem en Gerard van Egmond en Jan van Teilingen. Vertegenwoordigers van West-Friesland maken er om begrijpelijke redenen geen deel van uit. Ik neem aan dat de deputatie de gehele periode in Engeland is gebleven, getuige ook de Procurator, die schrijft: 'Als de Hollanders dan in Engeland vertoefden met verlies van tijdt...' De Engelse koning zal ongetwijfeld de tijd hebben benut om zich van de steun van de aanwezige Hollandse en Zeeuwse edelen alsmede van de eveneens aanwezige vertegenwoordigers van een aantal steden te verzekeren en met hen plannen te bespreken om de graaf van Henegouwen het hoofd te bieden. De Procurator weet zelfs te melden dat hij Dirk van Brederode tot voogd van de jonge Hollandse graaf benoemde! Alvorens het gezelschap op 20 januari 1297 uit Harwich vertrekt, voegt de Engelse koning er nog een aantal gevolmachtigden aan toe en belooft graaf Jan dat hij na aankomst in zijn landen uitsluitend diegenen als zijn raadslieden aan te stellen die hem door deze gevolmachtigden worden aangewezen. Edward laat weinig aan het toeval over! Uit een brief blijkt dat de Engelse koning twijfels heeft aan de gezindheid van de in Zeeland gebleven, machtige Wolfert van Borselen. Na later blijkt niet ten onrechte. Drie dagen later komen de schepen in Zeeland aan, waarschijnlijk in het onder invloed van Jan van Renesse staande Zierikzee; in ieder geval ver weg van Holland en de daar vertoevende Jan van Avesnes! |
|||||||
|
|||||||
| 'Mijn lieve neve' | |||||||
| Terwijl in Engeland de Hollands-Zeeuwse
afvaardiging feest viert op de bruiloft van de jonge Jan begint Jan van
Avesnes zijn geplande krijgstocht tegen de Westfriezen. De tocht heeft
het karakter van een straf expeditie en is daarnaast vooral gericht op
de bevoorrading van het nu al vele maanden belegerde kasteel bij Medemblik.
Ook hij scheept zijn leger in en landt bij Enkhuizen; daar overwint hij
de Westfriese tegenstand, 'ende bernden torp algheheel'. 'Doe si opt huus saghen
de brant, De bevelvoerende Florens van Egmont geeft opdracht aan zijn mannen om uit te breken, om de door de Friezen aangebrachte palen uit de grond te trekken die de doorvaart naar het aan de havenmond gelegen kasteel belemmeren. Zo werd het de inmiddels naar Medemblik gevaren vloot van Jan van Avesnes mogelijk het kasteel te bevoorraden met koren, wijn en bier en ook met rundvlees en spek zoals Stokes' rijmkroniek vermeldt. Ook zwavel en pek werden niet vergeten, want het zou wel niet lang duren alvorens na het vertrek van Avesnes' expeditieleger de belegering weer zou beginnen. Maar het vertrek werd wordt door de zeer strenge vorst problematisch. De terugtocht per schip wordt door het ijs onmogelijk en Jan van Avesnes trekt met spoed over land richting Haarlem. Hij raakt daarbij van zijn leger gescheiden en zijn hoofdmacht valt in groepen uiteen die bij hun terugtocht door het vijandelijke land grote verliezen lijden. Zo eindigt de krijgstocht van de Henegouwse graaf in een roemloze, vlucht uit West-Friesland. In Haarlem aangekomen hoort van Avesnes van de aanwezigheid van zijn bloedverwant in Zeeland. Stoke laat de graaf dan zeggen: 'Moete Jan nu comen wesen, Stoke schildert daarna een ontroerend beeld
van Jan van Avesnes als iemand die volkomen belangeloos de hete kastanjes
voor zijn neefje uit het vuur heeft gehaald. Hij stuurt vanuit Dordrecht
een bericht met het verzoek hem snel te mogen spreken. Hoewel van Avesnes
zeker niet zo onbaatzuchtig en argeloos zal zijn geweest als Stoke ons
wil doen geloven, zal het antwoord uit Zeeland niet zijn meegevallen.
'Hi mach hebben moghenthede, Jan van Avesnes realiseert zich dat deze Raad niet van zins is de macht met hem te delen. De Engelse koning heeft hem de wind uit de zeilen genomen en hij besluit naar zijn eigen graafschap terug te keren. ... bi ghernene rade...
'Want men altoes overeen
droech Op deze wijze toont de adelsfactie, met in
haar midden de jonge knaap, naar buiten toe een gesloten front; en blijft
het mogelijke voogdijschap van Dirk van Brederode beperkt tot het voorzitterschap
van 'de Raad in vergadering', bijeenkomsten waarin zeker ook de Engelse
gevolmachtigden aanzitten. Een conspirerend consortium! 'Sicut canis ad vomitum' De Raad laat Jan I eervaart gebieden met als verzamelplaats opvallend genoeg: Alkmaar. Opnieuw, zoals in vroeger tijden, een poging om via de hooggelegen geestgronden achter Alkmaar in West-Friesland te penetreren en niet via de in de laatste tijd gebezigde landingsplaatsen aan de oostkust. De keuze zal bepaald zijn door het feit dat Floris' dwangburchten tussen Alkmaar en de genoemde geestgronden nog niet in de handen van de Westfriezen zijn gevallen. Op de transen van de Torenburg, Middelburg en Nieuwburg wappert onveranderlijk de grafelijke banier en bovendien staat het lichaam van Floris V nog steeds in de kerk van Alkmaar opgebaard! |
|||||||
| '...een finale oorlog.' | |||||||
| De Westfriezen zijn, zoals uit de kronieken
blijkt, vroegtijdig bekend met de tegen hen gerichte aanvalsplannen en
beschikken over een eeuwenlang beproefde organisatie voor het plegen van
intern overleg en het treffen van tegenmaatregelen. Dit keer is de uitkomst
van het beraad tussen de ambachten echter buitengewoon verrassend en op
het eerste gezicht onbegrijpelijk. Zij besluiten de verzamelde strijdmachten
van de vier ambachten op de Vroonergeest bijeen te brengen voor een finale
confrontatie met het Hollands-Zeeuwse leger. Dat betekent een breuk met
de door hen in het verleden doorgaans gevolgde strategie die gebaseerd
was op het element verrassing en op een optimaal gebruik van voor de tegenstander
ongunstige terrein- of weersomstandigheden. Met name het landinwaarts
(beter is hier waterinwaarts) lokken van een zwaargewapend ridderleger
te paard binnen hun door meren, moerassen, wadden en killen doorsneden
grondgebied was een geliefkoosde tactiek. De gekozen optie gaat echter
aan al deze voordelen voorbij en biedt daar voor in de plaats het nadeel
van een gevecht tussen een relatief licht bewapend voetleger en een zwaar
bewapend ridderleger, op een terrein dat voor de laatste geen onoverkomelijke
problemen biedt. Bovendien heeft tot op dat moment nooit eerder een voetleger
hoe bedreven met zwaard, spies, piek of knuppel dan ook, een bereden ridderleger
in een reguliere veldslag, verslagen. Inmiddels bereidt het grafelijke
leger zich binnen de omwalde muren van Alkmaar voor op de strijd. Uit
een oorkonde bezegeld in die stad op halfvasten, zondag 24 maart 1297,
blijkt opnieuw de grote invloed van Jan van Renesse binnen de Raad. Graaf
Jan I verklaart namelijk dat de grafelijke lenen van Jan van Renesse en
diens vrouw Sofie van der Gouwe voortaan onversterfelijk zullen zijn.
Een vorstelijke beloning voor diensten die nog niet waren geleverd. Maar
de Zeeuw zal geredeneerd hebben dat hij deze keer zijn leven op het spel
gaat zetten en het verre van zeker is dat, na zijn eventuele dood op het
slagveld, anderen achteraf zijn vrouw en kinderen zullen belonen. 'zij stuurden met hardnekkige
hoogmoed en met Dat wordt het, op die woensdag 27 maart 1297,
nu 700 jaar geleden. Het Hollands-Zeeuwse leger trekt die dag via
en onder dekking van de Torenburg en Middelburg op naar de aan de rand
van de Vroonergeest gelegen Nieuwburg, zo 'dat een den anderen mochte
sien' (Stoke). Het is waarschijnlijk, maar is niet in de kronieken
beschreven, dat vanaf dat moment de jonge graaf, vergezeld door de oudere
leden van de Raad en de Engelse gevolmachtigden vanaf de oostelijke hoofdtoren
van de Nieuwburg de verdere gebeurtenissen gadeslaat. Volgens de Procurator
zijn de Engelsen zeer onder de indruk bij het overzien van beide legers.
Men hoorde ze zeggen: 'Waren deze legers eendrachtig, ze zouden in Engeland
zijnde, van het ene einde van het land naar het andere kunnen gaan, met
of tégen de wil van de koning!' Na de slag werd opdracht gegeven de gesneuvelde Westfriezen te begraven en het dorp Vroonen in brand te steken. Stoke daarover: 'Des si langhe groten toren Opdat ze er lang verdriet van zullen hebben! Stokes gruwelijke adstructie is méér dan een indicatie van de hardvochtigheid van die tijd. Het is een symptoom van de sterk negatieve gevoelens die men destijds in de feodale samenleving ten aanzien van de Westfriezen koesterde. Gevoelens die ook door Stoke's tijdgenoot de Vlaamse letterkundige en historicus Van Maerlant werden verwoord en zelfs gewettigd. Hij dreef in zijn Spiegel historiael de spot met het Friese vrijheidsprivilege door te stellen dat het met 'botren was ghebullet', dat wil zeggen dat het met boter was bezegeld en dus het zonlicht niet kon verdragen. Meer specifiek met betrekking tot hun weigering het feodale stelsel te accepteren, met andere woorden voor geen vreemde heer te buigen, dicht Van Maerlant: 'Die dan genen here es onderdaen Ergo, de Westfriezen handelden tegen de wil van God. Tegen zo'n volk kon zonder erbarmen worden opgetreden! Maar na 'Vroonen' konden de heren en hun hofdichters tevreden zijn: op 27 maart 1297 werd niet alleen een dorp van de aardbodem weggevaagd, er werd ook een natie vernietigd! De tot op heden gebruikelijke voorstelling
van zaken, dat Floris V de Westfriezen definitief onderworpen zou hebben
is in wezen een fictie. De bewoners van de vier ambachten accepteerden
destijds de verdragen omdat er op dat moment feitelijk geen verzet meer
mogelijk was. Daarbij speelden waarschijnlijk de vele door Floris' bevelhebber
Dirk van Brederode gegijzelde landgenoten een grote rol. |
|||||||
| 'Sulc met bliscap, sulc met rouwen' | |||||||
| De Procurator weet te melden dat 'door
Gods genade', het 'heijrleger van de graaf bijkants geheel behouden
bleef' en slechts het verlies van vier (!) mannen kende waarvan twee
'Edelluijden' te weten: Jan van Arkel en Jan van der Dortoge. Waarom
de Procurator aannam dat zijn lezers dat zouden geloven gaat mijn twintigste-eeuwse
inzicht ver te boven. Melis Stoke bezondigt zich niet aan dit soort absurde
overdrijving, noemt met betrekking tot de verliezen van het grafelijke
leger geen aantallen en beperkt zich tot het nuchtere: 'der scade was
niet vele'. De komplotterende edelen rond de graventroon hebben hun doel bereikt. Hollands erfvijanden zijn verpletterend verslagen; stad en land zullen dat spoedig horen. De positie van de Raad is aanzienlijk versterkt en de leden ervan zullen zeker de vruchten plukken van hun inspanningén verricht in het belang van Hollands dynastie! Het tot dan in Alkmaar opgebaarde lichaam van Floris V wordt op de terugtocht meegevoerd om in het klooster van Rijnsburg naast vrouw en dochter begraven te worden. Stoke: Men hoeven op ende droeghen
daen Blijdschap om de overwinning, rouw om de dode
in hun midden. Het is om vele redenen een dramatische stoet die de eens
zo roemruchte Floris op zijn laatste reis op aarde begeleidt. |
|||||||
| 'Wy jonc zijn en qualike moghen peynsen...' | |||||||
| Terwijl West-Friesland rouwt om zijn vele
doden en wacht op de straf die de Hollandse graaf zeker over hen zal uitspreken,
doen zich spectaculaire ontwikkelingen voor in de strijd om de macht in
Holland en Zeeland. 'Dats die gene, dat segic
die, Van Renesse heeft ongetwijfeld veel geleerd van de slag bij Vroonen, waar het voetleger nog een kansloze strijd streed tegen de bereden ridderscharen. Het is overigens in dit verband curieus om te lezen dat Van Renesse tijdens de slag bij Kortrijk, in het Vlaamse leger de enige man te paard was ! Na Van Renesses vlucht is Wolfert van Borselen
in zijn rol van opperste Raadsheer feitelijk alleenheerser geworden. Holland,
Zeeland, en West-Friesland geregeerd vanuit .. Veere! Hij is een eerzuchtig
en hooghartig man met veel vijanden, al dient ook vermeld te worden dat
de Zeeuw een verstandige en zo onafhankelijk mogelijke landspolitiek voert.
In zijn regeerperiode van twee jaar zijn geen feiten opgetekend met betrekking
tot West-Friesland. Het land is door de verschrikkelijke slag die het
is toe gebracht geen machtsfactor van belang meer en Wolfert heeft zijn
aandacht nodig voor belangrijker zaken. 'wy jonc zyn ende qualike moghen peynsen ' Die woorden maken een wat zielige indruk.
Zielig dat was de jonge Jan ook eigenlijk wel. Ziekelijk naar het schijnt
--alle kinderen uit Floris' huwelijk stierven jong-- was hij een speelbal
van de machthebbers. |
|||||||
| ' ... van der groeter mesdaet die wi mesdaen hebben...' | |||||||
| Na de slag bij Vroonen wacht het Westfriese
volk jarenlang op een door de graaf van Holland te wijzen vonnis, vanwege
de vele delicten gepleegd tegen de met Floris V gesloten verdragen. Van Borselen kent het regelen van deze kwestie geen hoge prioriteit toe, dit in tegenstelling tot Jan van Avesnes. Diens uitspraak laat niet lang op zich wachten, het is een van zijn eerste regeringsdaden als graaf van Holland en vindt plaats nog vóór het overlijden van de dan al zieke Jan I Er bestaan met betrekking tot het vonnis drie oorkonden, alle gedateerd 7 november 1299. |
|||||||
![]() |
|||||||
| In één ervan erkennen raad,
schepenen en gemeenten van West-Friesland hun jegens graaf Jan I gepleegde
misdrijven en onderwerpen zich aan het vonnis dat Jan van Avesnes hierover
zal wijzen. 'Wi raet, scepene ende ghemeente
van al Westvrieslant, De oorkonde is bezegeld met de landszegels van: Houtwoutdingher ambocht, Drechtingher ambocht, Nedorpingher ambocht ende Gheestmanner ambocht. Een tweede oorkonde bevat het eigenlijke door
Jan van Avesnes gewezen vonnis. De hoofdstraf is een boete van 18000 Hollandse
ponden, in delen te betalen over een periode van vier jaar. Om enig gevoel
te krijgen voor de betekenis van dat bedrag: de totale inkomsten van Floris
V over het jaar 1281 bedroegen 21000 Hollandse ponden. Een formidabele
boete dus. De oorkonde vermeldt slechts dat het bedrag door 'die Vriesen'
moet worden 'gegheven'. Er wordt niet gerept over een verdeling
van de boete over de ambachten of de dorpen. Wel verordoneert Van Avesnes
dat een aantal met name genoemde dorpen niet hoeft mee te betalen; dit
overigens zonder te vermelden waarom. De reden zal in de meeste gevallen
gelegen zijn in het feit dat die dorpen -zoals bijvoorbeeld Oudorp- niet
aan de opstand hadden deelgenomen, maar in het geval van Vroonen was de
oorzaak een geheel andere. 'uijtghenomen Vroenen ende
alle dat goed dat diere van Vroenen was Géén boete dus voor de inwoners
van Vroonen, maar erger: hun totale bezit aan onroerende goederen wordt
verbeurd verklaard en toegewezen aan Jan I van Holland. Dat betekende
overigens wel dat deze bezittingen, waaronder praktisch het gehele grondgebied
van Vroonen, een week later toen Jan I overleed toevielen aan Jan van
Avesnes! Terug naar het vonnis van Jan van Avesnes. Na de boetebepalingen verordineert deze, dat zijn neef Jan I van Holland aan eenieder zijn schuld aan de misdaden zal kwijtschelden en vergeven. Dit uiteraard in de verwachting dat de opgelegde boetes betaald zullen worden. Maar ook hier een uitzondering. Jan van Avesnes wijst vier met name genoemde mannen, 'omme hair grote misdaet' voor 'ewelike uyt den lande ' We weten niet waaruit hun 'misdaad' bestond. Maar gezien het politieke karakter van het vonnis is het niet onaannemelijk dat zij Westfrieslands hoogste bestuurscollege vormden en uit dien hoofde verantwoordelijk voor de beslissing in Vroonen slag te leveren. Vanwege het belang van deze beslissing en de dramatische gevolgen ervan voor West-Friesland onttrekken we hier hun namen aan zeven eeuwen vergetelheid: Brune Jan, Pieter Benninc, Vedde van Vroenen, Oubal op den Oudendijc. We laten de overige bepalingen uit het vonnis van Jan van Avesnes voor wat ze zijn en werpen een blik op de derde en laatste oorkonde. Hierin verleent Jan I van Holland, bij gezag en met instemming van Jan van Avesnes een landrecht aan West-Friesland en bepaalt op die wijze Westfrieslands perspectief voor de komende tijden. Het is hier niet de plaats dieper in te gaan op de verschillen tussen dit landrecht en de onder Floris V afgesloten verdragen, we volstaan met de constatering dat het op belangrijke punten overeenkomt met het landrecht in 1292 door Floris V aan Kennemerland verleend. De invoering van een nieuw rechtscollege (baljuwsgerechten) en een daaraan gepaard gaande verdergaande feodalisering zijn de meest bepalende elementen voor West-Frieslands nieuwe toekomst. |
|||||||
| Heerhugowaard, februari 1997 | |||||||
| 1. Dit dorp heette eerst: Bancreas wat later via St. Pancreas veranderde in St. Pancras. |
|||||||