Link naar het West-Fries Genootschap  
  De ondergang van de boerenvrijstaat West-Friesland  
  bron: West-Frieslands Oud en Nieuw, 64 ste bundel van het historisch genootschap 'Oud West-Friesland" jaarboek 1997.  
  Door: Dick Roth  
  Publicatie met toestemming van het historisch genootschap "Oud West-Friesland"  
 

Hoofdstukken: Dwangburchten:
Kaarten:

 
  Dit jaar (jaarboek 1997) is het 700 jaar geleden dat bij het toen, even ten noordoosten van Alkmaar gelegen dorp Vroonen, slag werd geleverd tussen een grafelijk Hollands-Zeeuws ridderleger en de gecombineerde strijdkrachten van de vier Westfriese ambachten; een treffen met voor West-Friesland dramatische gevolgen.
Deze veldslag, die plaats vond op 27 maart 1297, ligt in de schaduw van één van de grootste 'monumenten' uit onze vaderlandse geschiedenis, de moord op graaf Floris V en bleef mede daardoor onderbelicht. Contemporaine bronnen --oorkonden en kronieken, de laatste met die van Melis Stoke en Wilhelmus Procurator voorop-- bieden over deze voor de Westfriese geschiedenis belangrijke gebeurtenissen voldoende informatie. Zo ontstaat een beeld van het laatste, heroïsche verzet van de boerenvrijstaat West-Friesland tegen de feodalisering; een strijd die werd gestreden tegen de achtergrond van het in Holland en Zeeland ontstane machtsvacuüm na de dood van 'der keerlen God'.
 
     
  'Dat si met herten niet en ghered'  
 

In 1282 schrijft Floris V aan de Engelse koning Edward -- met wie hij goede relaties onderhoudt -- dat hij zijn 'doodsvijanden', de Friezen, in vier veldslagen heeft overwonnen en het lichaam van zijn vader Rooms-koning Willem II heeft teruggevonden. Aan het laatste voegt hij toe: 'Iets wat ik boven alles wenste' ,
Floris heeft reden trots te zijn. Na de eerste en mislukte poging in 1272 heeft de jonge vorst veel aan strategisch inzicht gewonnen en met behulp van een geniale aanvalsopzet zijn erfvijanden verslagen.

Op 28 januari 1256 sneuvelde Willem II Roomskoning en graaf van Holland en Zeeland bij een tocht tegen de (West)Friezen nabij Hoogwoud. Met zijn paard zakte hij er door het ijs en was weerloos.
(Uit. P. H. Witkamp: "Geschiedenis der zeventien Nederlanden", 1882).

Floris heeft zijn ridderleger niet opnieuw voor de in West-Friesland veelvuldig voorkomende waterbarrières gezet. Hij scheept zijn leger in en landt bij Wijdenes op Westfrieslands oostkust. Daar geeft een hoge landrug zijn zware ruiterij toegang tot het hart van het vijandelijke land. De Westfriezen worden op meerdere plaatsen --waaronder Schellinkhout-- verslagen. De hoogste eer behaalt Floris door in Hoogwoud het graf van zijn in 1256 door de Westfriezen gedode vader terug te vinden en zorg te dragen voor een eervolle begrafenis van deze Roomskoning en beoogd Keizer van het Duitse rijk. De teraardebestelling vindt plaats in Middelburg en ditmaal in gewijde aarde. De koningszoon heeft aan zijn ridderplicht voldaan.

In onze ogen is er een keerzijde met minder 'eer'. De kronieken melden óók dat Hoogwoud wordt geplunderd en verbrand. En dat veel Westfriezen worden gedood en maar weinigen gevangen genomen, 'uit wraak voor de eervolle vorst, de Roomskoning'!
Eervolle vorst? Daar zullen de Westfriezen anders over hebben gedacht. Het was deze Roomskoning die destijds gedurende zijn pogingen West-Friesland te onderwerpen, vanuit zijn legerplaats, een in oorkonde bewaard gebleven brief verstuurde met het opschrift: 'In castris in depopulatione Westfrisiae'. Dat is: in de legerplaats tijdens de verwoesting van West-Friesland!

Westflinge/West-Friesland

Kennemerland en West-Friesland in de 12e en 13e eeuw, met het dorp Vroonen, gesitueerd op de Vronergeest: een zandrug tussen de waterplassen van de Vronermeer en de Waerd (de latere Heerhugowaard). De Vronergeest als toegangspoort naar West-Friesland.
(Uit: R de Graaf "Oorlog om Holland: 1000 - 1375", Uitgeverij Verloren, Hilversum, 1996)

Het illustreert dat de al eeuwenlang durende strijd tussen de naar gebiedsuitbreiding strevende graven van Holland en de hun onafhankelijkheid verdedigende Westfriezen met grote meedogenloosheid en ten koste van veel offers werd gestreden.
En nog is het einde niet in zicht, want ondanks zijn overwinning is Floris niet in staat West-Friesland volledig in zijn macht te houden. Een permanente bezetting van het gehele land is buitengewoon kostbaar en gezien de vijandige bevolking ook niet te handhaven. Maar Floris heeft in de Engelse koning, die met Wales soortgelijke problemen ondervond, een goed voorbeeld en raadgever. Edward liet in Wales een aantal dwangburchten bouwen waarmee hij de bevolking onder de duim hield. De Hollandse graaf volgt zijn voorbeeld en spint een web van kastelen rond het Westfriese land.
De eerste kastelen verschijnen bij Wijdenes --om de landingsplaats aan de oostkust veilig te stellen-- en bij het strategisch gelegen, ook als stad belangrijke, Medemblik. In het noordwesten, tussen Eenigenburg en Krabbendam verrijst de Nieuwendoorn. Dit kasteel is daar mede gebouwd ter bescherming van de Rekerdam die in 1264 aan de mond van de Rekere was gelegd om de instroom van de zee te verhinderen. Tenslotte twee kastelen in de onmiddellijke omgeving van het al door Willem II in Alkmaar gebouwde meest noordelijke steunpunt in Kennemerland, de Torenburg. (ter plaatse van de huidige Friese brug). Deze twee burchten worden gebouwd aan de dijk (de huidige Munnikenweg) die Floris laat aanleggen tussen de Torenburg en de Vroonergeest. Aan het Westfriese eind daarvan, aan de rand van de Vroonergeest, wordt de Nieuwburg gebouwd. Halverwege de dijk een kleiner kasteel, de Middelburg. Drie kostbare kastelen binnen anderhalve kilometer! Beter kan het belang van de toegang tot de Vroonergeest en daarmee de toegang tot het waterbastion West-Friesland, niet worden aangegeven! Melis Stoke tekent hierbij aan dat de onderlinge afstand tussen de kastelen zodanig was dat men elkaar in geval van een beleg onderling met pijlen kon 'bestrijken'.

 
     
  ... singhen enen niwen sanc...'  
  Ondanks de dwangburchten vertonen de Westfriezen geen spoor van onderdanigheid en hun overgave had nog lang op zich kunnen laten wachten, als de natuur Floris niet had bijgestaan. De winter van 1287 op 1288 is een echte stormwinter. Twee stormvloeden doen in de lage landen de dijken breken en veroorzaken veel ellende. Ook West-Friesland heeft zwaar te lijden. Floris V slaat onmiddellijk toe, zoals zou blijken bij verrassing. De graaf geeft zijn baljuw in Kennemerland, Dirk II van Brederode, opdracht met strijdkoggen het ondergelopen land binnen te vallen. Dirk vaart van dorp tot dorp en van huis tot huis. De Friezen zijn kennelijk te plotseling overvallen om hun eigen schepen in de strijd te kunnen brengen en daarmee elkaar te hulp te schieten. Dirk bereikt op die manier een vrij gemakkelijke overwinning en eist, in naam van zijn leenheer, gijzelaars overal waar hij verschijnt. Het verzet van de Westfriezen komt aan zijn eind.
De dwangburchten, de watersnood, de gegijzelden, de grens van het draagbare is bereikt.
 
 

 

Met haast meetkundige precisie berekende Floris V de plaatsen, waar hij de dwangburchten wilde hebben om de Westfriezen eronder te houden. Wanneer de afstanden hemelsbreed tot Hoogwoud worden vergeleken blijkt deze plaats vrijwel op het snijpunt van twee diagonalen te liggen. De afstanden zijn in kilometers aangegeven.
(Uit: R de Graaf: "Oorlog om Holland 1000 - 1375" Uitgeverij Verloren, Hilversum, 1996).

 

A/T = Alkmaar / Torenburg
H = Hoogwoud
M = Medemblik

W = Wijdenes

N = Nuwendoorn

 
     
  Stoke dicht prachtig:  
 
'Nu sijn de Vresen so verre comen,
Dat si mosten an haren danc
Singhen enen niwen sanc,
Dat si met herten niet en gheren.
Si moesten hulden ende zweren
Den grave, ende onderdanich wesen'
 
     
  Inderdaad 'niet begeerd door het hart', maar er blijft de Westfriezen niets anders over dan de onderwerpingsverdragen die Floris ze begin 1289 per ambacht voorlegt, te aanvaarden. Voor hen begint dan toch, weliswaar honderden jaren later dan elders in Europa, het feodale tijdperk.
Er is één lichtpuntje, Floris lijft West-Friesland niet zonder meer bij het graafschap Holland in, het gebied blijft een afzonderlijke heerlijkheid. Floris V noemt zich vanaf dat moment: Graaf van Holland en Heer van West-Friesland.
De verdragen met de afzonderlijke ambachten zijn op hoofdpunten gelijk. In de eerste plaats zullen de Westfriezen en hun nakomelingen, de graaf en zijn nakomelingen 'ewelike onderdanich' zijn. Voorts zullen ze verschillende belastingen (tienden en vroneschuld) moeten betalen en, daartoe opgeroepen, de graaf met mankracht ter heervaart moeten ondersteunen.
De hoge rechtspraak zal worden gevoerd door een Hollandse rechter, uiteraard aan te stellen door de Hollandse graaf. Tenslotte verklaart Floris een aantal gedane zaken achteraf nog even rechtsgeldig, we lezen: 'dat wy borge ende veste mogen maken in hoir lant, wil wy groot, wil wy cleyne'...
De laatste toevoeging komt op ons wat grappig over, maar zal integendeel bedoeld zijn als dreigend blijk van opperste macht.
Een autonoom West-Friesland lijkt verder weg dan ooit
 
     
  ' ... ende vergaten den eedt die zy Grave Florys gedaen hadden...'  
 

Aan het eind van de dertiende eeuw wordt de grote politiek in West-Europa gedomineerd door de tweespalt tussen de koningen van Engeland en Frankrijk: Edward I en Philips IV (de Schone). Als Graaf Floris V op 26 juni 1296 tijdens een uit de hand gelopen ontvoering bij Muiderberg wordt vermoord, is zijn dood het directe gevolg van zijn politieke ommezwaai een halfjaar eerder. Een echte 'salto mortale'.
De Hollandse graaf is zijn leven lang een bondgenoot van Edward geweest en zijn enige nog in leven zijnde zoon Jan -voorbestemd te trouwen met Edwards dochter Elisabeth- wordt aan het Engelse hof opgevoed. In december 1295 neemt Floris een dramatische beslissing. Hij vertrekt in het geheim met een kleine groep vertrouwelingen naar Parijs, wordt daar de leenman van Philips de Schone en negeert daarbij het feit dat zijn zoon in handen is van de Engelse koning.

De hoofdoorzaak van Floris' verwisseling van kamp op het toneel van de buitenlandse politiek moet worden gezocht in de zogenaamde 'Zeeuwse kwestie'. Floris eist evenals de graaf van Vlaanderen de leenrechten op Zeeland bewester Schelde op. In de jaren negentig is dit geschil acuut geworden door de herhaalde rebellie van Zeeuwse edelen die overlopen naar de Vlaamse graaf Gwijde en door twee oorlogen met Vlaanderen.
Floris ziet in, dat hij in deze van de Engelse koning --die zelf toenadering tot de Vlaamse graaf zoekt om hem uit het Franse kamp los te weken-- geen steun kan verwachten. Als bovendien Philips de Schone in het najaar van 1295 aan Floris (ook financieel) zeer aanlokkelijke voorstellen doet, besluit Floris V de Franse koning als zijn leenheer te erkennen. Het door Engelsen, Brabanders en Vlamingen gesmede plan om Floris te ontvoeren is er het directe gevolg van.

Het land raakt na Floris' dood (zijn lichaam wordt naar Alkmaar gebracht en daar opgebaard) in een geweldige beroering. De jacht op Floris' moordenaars brandt los, een aantal vlucht naar het buitenland, anderen verschansen zich in het aan de Vecht gelegen kasteel de Kroonenburch.
Dan is er nog de vraag: welke edelen, buiten degenen aanwezig bij Floris' gevangenname, waren nog meer betrokken in het komplot? In dat verband worden namen genoemd: Dirk van Brederode en de Zeeuwen: Jan van Renesse en Wolfert van Borselen.

Intussen is ook de strijd om Floris' opvolging in volle gang. De eerste die recht op de graventroon kan doen gelden, is Floris' zoon Jan die nog geen 14 jaar oud is en zoals we weten in Engeland verblijft. Na hem is Floris' neef Jan van Avesnes, graaf van Henegouwen de rechthebbende. Daar steekt een adder onder het gras, want Jan van Avesnes is een bondgenoot van de Franse koning Philips de Schone! De tweespalt Engeland - Frankrijk tekent zich nu ook binnen Holland en Zeeland af. Niet alleen politieke, ook economische motieven spelen een rol. Edelen, steden en het volk raken verdeeld.
En dan zijn er Hollands vijanden, gaarne bereid gebruik te maken van de ontstane chaos en stuurloosheid.
Op de eerste rij ... natuurlijk de Westfriezen! Het bloed kruipt waar het niet gaan kan! Vergeten zijn de onderwerpingsverdragen, de beloftes van eeuwige trouw.
De opperknevelaar is dood en mogelijke opvolgers zijn ver weg.
Aan de horizon de dreigende kantelen van Floris' dwangburchten. Ze dwingen geen ontzag meer af, ze nodigen uit! Volgens de kroniek van de Procurator is de stormloop ertegen op 10 juli, amper 14 dagen na Floris' dood, al in volle gang. Het kasteel bij Wijdenes en de nog niet geheel voltooide Nieuwendoorn worden veroverd en vervolgens volledig verwoest. In dat laatste schuilt een belangrijke vingerwijzing. De Westfriezen wensen de kastelen niet in bezit te nemen om ze vervolgens in te schakelen bij de verdediging van het eigen territorium.

 
     
 
't Slot Nieuwburg, met het kasteel aan de linkerzijde. Met rondom het kasteel een slotgracht, en aan de voorzijde een houten toegangsbrug. Rechts een hoog palenhek met poort.
Evenals het kasteel Middelburg stond de Nieuwburg aan de Munnikenweg bij Oudorp.
Tekening van A. Rademaker (1675- 1735) uit 1715. (Afbeelding Regionaal Archief Alkmaar)
 
     
  De burchten zijn de gehate symbolen van een door hen verafschuwde feodale samenleving en in de eigen cultuur wezensvreemde elementen. Deze tekens van de grafelijke macht dienen uit het landschap te worden verwijderd. En zo geschiedt.
Vervolgens is het kasteel bij Medemblik aan de beurt. Het wordt verdedigd door een loot van een hoog adellijk geslacht, Floris van Egmond, en houdt stand.
De Westfriezen hebben inmiddels een bondgenoot, de bisschop van Utrecht Willem van Mechelen. Hij is nog maar net benoemd en druk bezig de vele rekeningen die Utrecht naar zijn opvatting nog met betrekking tot Holland heeft, te vereffenen. Hij belegert met succes het ooit door Floris V aan Utrecht ontfutselde Muiderslot, zet de Westfriese warf tot verdere opstand aan en stuurt de belegeraars van het kasteel bij Medemblik twee blijden (belegeringswerktuigen). Dat laatste helpt overigens niet en de Westfriezen besluiten de bewoners van het kasteel uit te hongeren. De Procurator daarover: 'Want de troupe der Edelen, die daer binnen lagen, leden hongersnoodt, soo dat sepaerden slachteden en het vleesch der selver met grooten smaeck op aten'.
Het zou een lange en koude winter worden...
 
     
  Een land in rep en roer  
  Inmiddels volgen in Holland en Zeeland de ontwikkelingen elkaar in hoog tempo op. De Kroonenburch is gevallen en de daar aanwezige moordenaars van Floris vinden een gruwelijk einde. De graaf van Kleef die het beleg had geleid neemt in Den Haag de regering waar. Hij moet echter na korte tijd het veld ruimen voor Jan van Avesnes die persoonlijk naar Holland komt om zijn hoge rechten op Floris' erfgoed te onderstrepen. De graaf van Henegouwen --die met name in Dordrecht veel aanhang heeft-- zegt, bij afwezigheid van zijn neefje Jan, diens belangen en die van het graafschap te zullen dienen. Dat hij daarbij ook zijn eigenbelang op het oog heeft en die van zijn soeverein Philips de Schone hoeft geen nader betoog. Bij de landszaken waar hij zich op richt heeft de Westfriese kwestie en met name het ontzetten van het kasteel te Medemblik een hoge prioriteit. Bekend is dat de Zeeuwen hem beloven twee man per hevene (een Zeeuwse landmaat) te zullen leveren voor een krijgstocht tegen West-Friesland , te houden na Nieuwjaarsdag.
Kort na de komst van Avesnes in Holland laat eindelijk ook de Engelse koning Edward van zich horen. Hij kan uiteraard niet toestaan dat een vazal van Philips de Schone de graafschappen van Floris in bezit neemt, dit terwijl nota bene Floris' directe opvolger zich in zijn macht bevindt. Een complicerende factor is de leeftijd van de jonge Jan, die hem feitelijk ongeschikt maakt zelfstandig te regeren en dat vraagt veel voorzorgsmaatregelen. Edward start dan ook een goed voorbereid en uitgebreid offensief. Een aantal gezanten brengt brieven gericht aan de edelen, poorters en alle ingezetenen van Holland, Zeeland, Kennemerland en West-Friesland. De brief bevat een uitnodiging voor twee of drie mannen per stad en voor drie of meer edelen per land, om op 11 november met volledige volmachten (!) in Bury-St.Edmunds te verschijnen om daar schikkingen te treffen ten aanzien van de graafschappen en het huwelijk van Jan met koningsdochter Elisabeth bij te wonen. De afgezanten hebben van Edward tevens opdracht meegekregen steun te verzoeken aan een aantal met name genoemde edelen, onder wie Wolfert van Borselen, en tevens aan de steden Dordrecht en Zierikzee.
We weten niets van de ongetwijfeld vele beraadslagingen die in het land zullen hebben plaatsgevonden over deze poging van Edward om de terugkeer van Jan I (onder het regime van deze Engelse vorst) tot stand te brengen. We kennen ook de namen niet van de uiteindelijke delegatie die op de genoemde elfde november met Edward overleg voert; maar het is aannemelijk dat het dezelfde zijn die op 7 januari 1297 te Ipswich het huwelijk van hun jonge graaf en Edwards dochter Elisabeth bijwonen onder wie: Jan van Renesse, Dirk van Brederode, Willem en Gerard van Egmond en Jan van Teilingen. Vertegenwoordigers van West-Friesland maken er om begrijpelijke redenen geen deel van uit. Ik neem aan dat de deputatie de gehele periode in Engeland is gebleven, getuige ook de Procurator, die schrijft: 'Als de Hollanders dan in Engeland vertoefden met verlies van tijdt...'
De Engelse koning zal ongetwijfeld de tijd hebben benut om zich van de steun van de aanwezige Hollandse en Zeeuwse edelen alsmede van de eveneens aanwezige vertegenwoordigers van een aantal steden te verzekeren en met hen plannen te bespreken om de graaf van Henegouwen het hoofd te bieden. De Procurator weet zelfs te melden dat hij Dirk van Brederode tot voogd van de jonge Hollandse graaf benoemde!
Alvorens het gezelschap op 20 januari 1297 uit Harwich vertrekt, voegt de Engelse koning er nog een aantal gevolmachtigden aan toe en belooft graaf Jan dat hij na aankomst in zijn landen uitsluitend diegenen als zijn raadslieden aan te stellen die hem door deze gevolmachtigden worden aangewezen. Edward laat weinig aan het toeval over! Uit een brief blijkt dat de Engelse koning twijfels heeft aan de gezindheid van de in Zeeland gebleven, machtige Wolfert van Borselen. Na later blijkt niet ten onrechte.
Drie dagen later komen de schepen in Zeeland aan, waarschijnlijk in het onder invloed van Jan van Renesse staande Zierikzee; in ieder geval ver weg van Holland en de daar vertoevende Jan van Avesnes!
 
     
 
Kasteel Torenburg te Alkmaar, zoals dat nabij de Friesche brug
heeft gestaan. Dit kasteel is gebouwd in
1254, het jaar dat graaf Willem II Alkmaar stadsrechten verleende.
Tekening van A. Rademaker uit 1730, naar Middeleeuwse situatie. Torenburg is verdwenen in de vijftiende eeuw.
(Afbeelding Regionaal Archief Alkmaar)
 
     
  'Mijn lieve neve'  
 

Terwijl in Engeland de Hollands-Zeeuwse afvaardiging feest viert op de bruiloft van de jonge Jan begint Jan van Avesnes zijn geplande krijgstocht tegen de Westfriezen. De tocht heeft het karakter van een straf expeditie en is daarnaast vooral gericht op de bevoorrading van het nu al vele maanden belegerde kasteel bij Medemblik. Ook hij scheept zijn leger in en landt bij Enkhuizen; daar overwint hij de Westfriese tegenstand, 'ende bernden torp algheheel'.
De brand wordt gezien door de belegerden op het kasteel van Medemblik. In verzen van Melis Stoke :

'Doe si opt huus saghen de brant,
Riepen si lude altehant:
God danc! Ons comt nu troest
Wi sullen tavont sijn verloest'

De bevelvoerende Florens van Egmont geeft opdracht aan zijn mannen om uit te breken, om de door de Friezen aangebrachte palen uit de grond te trekken die de doorvaart naar het aan de havenmond gelegen kasteel belemmeren. Zo werd het de inmiddels naar Medemblik gevaren vloot van Jan van Avesnes mogelijk het kasteel te bevoorraden met koren, wijn en bier en ook met rundvlees en spek zoals Stokes' rijmkroniek vermeldt. Ook zwavel en pek werden niet vergeten, want het zou wel niet lang duren alvorens na het vertrek van Avesnes' expeditieleger de belegering weer zou beginnen. Maar het vertrek werd wordt door de zeer strenge vorst problematisch. De terugtocht per schip wordt door het ijs onmogelijk en Jan van Avesnes trekt met spoed over land richting Haarlem. Hij raakt daarbij van zijn leger gescheiden en zijn hoofdmacht valt in groepen uiteen die bij hun terugtocht door het vijandelijke land grote verliezen lijden. Zo eindigt de krijgstocht van de Henegouwse graaf in een roemloze, vlucht uit West-Friesland.

In Haarlem aangekomen hoort van Avesnes van de aanwezigheid van zijn bloedverwant in Zeeland. Stoke laat de graaf dan zeggen:

'Moete Jan nu comen wesen,
Mijn lieve neve'...

Stoke schildert daarna een ontroerend beeld van Jan van Avesnes als iemand die volkomen belangeloos de hete kastanjes voor zijn neefje uit het vuur heeft gehaald. Hij stuurt vanuit Dordrecht een bericht met het verzoek hem snel te mogen spreken. Hoewel van Avesnes zeker niet zo onbaatzuchtig en argeloos zal zijn geweest als Stoke ons wil doen geloven, zal het antwoord uit Zeeland niet zijn meegevallen.
Namens de jonge graaf wordt hem medegedeeld dat, als hij zijn neef wil spreken, hij naar Schouwen (dus binnen de invloedssfeer van Jan van Renesse) kan komen, maar dan wel met een gevolg kleiner dan 100 man! Een ongehoorde belediging --die Van Renesse veel later nog duur te staan zal komen-- maar ook een boodschap die aan de graaf uit Henegouwen duidelijk maakt hoe de verhoudingen liggen.
De eerst rechthebbende op de gravenhoed is in zijn landen teruggekeerd en een groep Engelsgezinde edelen heeft zich om zijn troon geschaard. Zij vormen zijn Raad en zijn, gezien de leeftijd van de jonge vorst --hij was bij aankomst in Zeeland waarschijnlijk net 14 jaar-- de feitelijke machthebbers. Melis Stoke, die het in dit soort zaken niet aan inzicht mankeerde:

'Hi mach hebben moghenthede,
Die de grave hebbe in handen..

Jan van Avesnes realiseert zich dat deze Raad niet van zins is de macht met hem te delen. De Engelse koning heeft hem de wind uit de zeilen genomen en hij besluit naar zijn eigen graafschap terug te keren.

... bi ghernene rade...


In de rijmkroniek valt te lezen dat de leden --van de op aanwijzing van de Engelse koning en diens gevolmachtigden samengestelde Raad-- onderling zijn overeengekomen alle besluiten in algemeen overleg te zullen nemen:

'Want men altoes overeen droech
Dat men ghene dinc en dade
Hen waer bi ghemene rade '

Op deze wijze toont de adelsfactie, met in haar midden de jonge knaap, naar buiten toe een gesloten front; en blijft het mogelijke voogdijschap van Dirk van Brederode beperkt tot het voorzitterschap van 'de Raad in vergadering', bijeenkomsten waarin zeker ook de Engelse gevolmachtigden aanzitten. Een conspirerend consortium!
Maar het is niet alles goud wat er blinkt.
De Raad heeft, met name door de wijze waarop ze tot stand is gekomen het karakter van een komplot en is zeker niet onomstreden; bij tal van edelen en ook bij een aantal steden heerst naijver en achterdocht. Heeft deze Raad, naast het eigen gewin wellicht uitsluitend oog voor de belangen van de Engelse koning ?
En als de graaf niet het gezag kan voeren binnen de Raad, wie doet of doen dat dan wel? Om met de laatste vraag te beginnen, de eerste weken van zijn aanwezigheid in Zeeland, verblijft de graaf in Zierikzee, wat af te leiden is uit zes oorkonden, aldaar door (of namens) hem bezegeld. Het merendeel ervan regelt of bevestigt maatregelen in het voordeel van de burgers van Zierikzee Jan van Renesse, de belangrijkste edelman in Zeeland beoosten de Schelde is heer en meester op Schouwen en heeft dus ook grote invloed op (en belang bij) de stad Zierikzee. Het is duidelijk dat Van Renesse in die periode een zware stem heeft in de Raad en de jonge graaf profijtelijk manipuleert.
En Dirk van Brederode ?
Hij is de halfbroer van Jan van Renesses vader en heeft er ook in het verleden blijk van gegeven de familierelatie met de Van Renessens op hoge waarde te schatten!
Wat de achterdocht ten aanzien van de Raad in het land betreft, zint men op een gelegenheid aan te tonen wat men voor de graaf en zijn graafschappen veil heeft, zodat de graad van erkenning van de adelsregering kan worden vergroot.
Het wordt ... een krijgstocht tegen de Westfriezen! Deze hebben niet alleen in het recente verleden al aanleiding genoeg gegeven om in te grijpen; bericht komt nu ook dat de erfvijanden van het Hollandse huis weigeren Jan I als een echte zoon van Floris V te erkennen. Zij zijn kennelijk definitief naar hun aloude opstandigheid teruggekeerd. Zo meldt de Procurator, die deze terugkeer --met weinig warme gevoelens voor de Westfriezen-- toelicht met de woorden:

'Sicut canis ad vomitum'
Als een hond naar zijn braaksel !

De Raad laat Jan I eervaart gebieden met als verzamelplaats opvallend genoeg: Alkmaar. Opnieuw, zoals in vroeger tijden, een poging om via de hooggelegen geestgronden achter Alkmaar in West-Friesland te penetreren en niet via de in de laatste tijd gebezigde landingsplaatsen aan de oostkust. De keuze zal bepaald zijn door het feit dat Floris' dwangburchten tussen Alkmaar en de genoemde geestgronden nog niet in de handen van de Westfriezen zijn gevallen. Op de transen van de Torenburg, Middelburg en Nieuwburg wappert onveranderlijk de grafelijke banier en bovendien staat het lichaam van Floris V nog steeds in de kerk van Alkmaar opgebaard!

 
     
  '...een finale oorlog.'  
 

De Westfriezen zijn, zoals uit de kronieken blijkt, vroegtijdig bekend met de tegen hen gerichte aanvalsplannen en beschikken over een eeuwenlang beproefde organisatie voor het plegen van intern overleg en het treffen van tegenmaatregelen. Dit keer is de uitkomst van het beraad tussen de ambachten echter buitengewoon verrassend en op het eerste gezicht onbegrijpelijk. Zij besluiten de verzamelde strijdmachten van de vier ambachten op de Vroonergeest bijeen te brengen voor een finale confrontatie met het Hollands-Zeeuwse leger. Dat betekent een breuk met de door hen in het verleden doorgaans gevolgde strategie die gebaseerd was op het element verrassing en op een optimaal gebruik van voor de tegenstander ongunstige terrein- of weersomstandigheden. Met name het landinwaarts (beter is hier waterinwaarts) lokken van een zwaargewapend ridderleger te paard binnen hun door meren, moerassen, wadden en killen doorsneden grondgebied was een geliefkoosde tactiek. De gekozen optie gaat echter aan al deze voordelen voorbij en biedt daar voor in de plaats het nadeel van een gevecht tussen een relatief licht bewapend voetleger en een zwaar bewapend ridderleger, op een terrein dat voor de laatste geen onoverkomelijke problemen biedt. Bovendien heeft tot op dat moment nooit eerder een voetleger hoe bedreven met zwaard, spies, piek of knuppel dan ook, een bereden ridderleger in een reguliere veldslag, verslagen.
Om welke reden toch deze beslissing?
Nemen ze aan dat hun ditmaal verzamelde macht het verenigde Hollands-Zeeuwse leger in omvang zal overtreffen? Wellicht geloven ze niet dat de oproep tot heirvaart van de 'gelegenheids Raad' rond de jonge graaf tot veel bijval zou leiden; dit mede ingegeven door de wetenschap dat bij de expeditie van Jan van Avesnes de helft van het door de Zeeuwen beloofde aantal mannen niet was komen opdagen. Bovendien was die krijgstocht bepaald geen onverdeeld succes geworden.
Of, mijns inziens waarschijnlijker, leidde het besef van de ernst van de gepleegde misdaden --de gebroken eden, de verbroken verdragen en de afgebroken kastelen-- tot de overtuiging dat alleen een totale overwinning hen weer jaren kan vrijwaren van Hollandse wraak en expansiedrift ?
Wetend dat hun tegenstanders zich verzamelen in het versterkte Alkmaar, planten ze uitdagend hun ambachtsvaandels in het zicht van de vijand op de Vroonergeest, daarmee feitelijk bepalend dat dit de plaats is waar slag zal worden geleverd.
De Vroonergeest was destijds een zeer duidelijk in het landschap zichtbare langwerpige 'heuvel' van oud duinzand die zich vanaf het kasteel de Nieuwburg ruim twee kilometer in noordelijke richting uitstrekte; de breedte was ongeveer vierhonderd meter, de hoogte maximaal drie meter boven het zomerpeil. In het westen grensde de zacht glooiende heuvel vrijwel direct aan het Vroonermeer, in het oosten daalde ze af naar de rietlanden grenzend aan het Waardermeer. Midden op de geest het al in de achtste eeuw genoemde en uit waarschijnlijk een 72 tal hoeven bestaande dorp Vroonen, gemarkeerd door kerk en kerkhof

Inmiddels bereidt het grafelijke leger zich binnen de omwalde muren van Alkmaar voor op de strijd. Uit een oorkonde bezegeld in die stad op halfvasten, zondag 24 maart 1297, blijkt opnieuw de grote invloed van Jan van Renesse binnen de Raad. Graaf Jan I verklaart namelijk dat de grafelijke lenen van Jan van Renesse en diens vrouw Sofie van der Gouwe voortaan onversterfelijk zullen zijn. Een vorstelijke beloning voor diensten die nog niet waren geleverd. Maar de Zeeuw zal geredeneerd hebben dat hij deze keer zijn leven op het spel gaat zetten en het verre van zeker is dat, na zijn eventuele dood op het slagveld, anderen achteraf zijn vrouw en kinderen zullen belonen.
Eerst proberen edelen namens de graaf, de Westfriezen echter in onderhandelingen te bewegen tot overgave. Maar voor hen is er geen weg meer terug. De Procurator daarover:

'zij stuurden met hardnekkige hoogmoed en met
hoogmoedige hardnekkigheid aan op een finale oorlog'

Dat wordt het, op die woensdag 27 maart 1297, nu 700 jaar geleden.
Om te beginnen hebben de Hollandse en Zeeuwse edelen een verrassing in petto. Zij hebben tijdens de onderhandelingen met 'ridderlijke openheid' verklaard, dat indien het overleg niet tot het door hen gewenste resultaat zal leiden, zij op donderdag 28 maart tegen de Westfriezen in het veld zullen treden. Een openheid trouwens die tussen ridderlegers niet ongebruikelijk was. Maar de Westfriezen stonden bij hun tegenstanders bepaald niet bekend als ridderlijke vechters en men heeft er dan ook niet de minste moeite mee, bedrieglijk, een dag eerder ten strijde te trekken.
Het zal de Westfriezen niet echt verrast hebben!

Het Hollands-Zeeuwse leger trekt die dag via en onder dekking van de Torenburg en Middelburg op naar de aan de rand van de Vroonergeest gelegen Nieuwburg, zo 'dat een den anderen mochte sien' (Stoke). Het is waarschijnlijk, maar is niet in de kronieken beschreven, dat vanaf dat moment de jonge graaf, vergezeld door de oudere leden van de Raad en de Engelse gevolmachtigden vanaf de oostelijke hoofdtoren van de Nieuwburg de verdere gebeurtenissen gadeslaat. Volgens de Procurator zijn de Engelsen zeer onder de indruk bij het overzien van beide legers. Men hoorde ze zeggen: 'Waren deze legers eendrachtig, ze zouden in Engeland zijnde, van het ene einde van het land naar het andere kunnen gaan, met of tégen de wil van de koning!'
De Westfriezen wetende dat bij hun tegenstanders, Hollanders en Zeeuwen in afzonderlijke legergroepen (bataelgen is het middeleeuwse woord) opereren, delen hun strijdkrachten in twee separate eenheden op. Het grafelijke leger scheidt nog een derde eenheid af;, die wordt ingescheept en vaart --naar ik aanneem via het Vroonermeer-- naar het noordeinde van de Vroonergeest, om daar aan land gezet te worden.
De kronieken berichten ons niet over de samenstelling van de onderscheiden legergroepen, noch over hun aanvoerders. Evenmin is bekend of de partijen gebruik maken van boogschutters.
De strijd begint, één van de bataelgen --Hollands of Zeeuws, dat is niet duidelijk-- trekt vanaf de Nieuwburg recht op de Westfriezen aan; de ander gaat eerst via de rand van het Waardermeer noordwaarts, om dan vervolgens de vijand vanuit het oosten aan te vallen. Tenslotte is daar de derde legergroep die vanuit het noorden nadert en de insluiting compleet maakt. Zeker een knappe tactiek.
Aannemende dat het grafelijke leger voltallig is opgekomen, liggen zoals gezegd militair gesproken de kansen van het Westfriese voetleger slecht.
Een voetleger staat gebruikelijk vele rijen diep geschaard, waarbij de krijgers in het eerste gelid knielen, met de steel van de schuin naar voren gehouden pieken in de grond gestoken. Zo dienen ze het zwaar gepantserde ridderleger te paard op te vangen. Deze stormen, eveneens in rijen, onder trompetgeschal en het slaken van strijdkreten, in een zeer dicht gesloten front en met gevelde lans op hen af.
Het resultaat van die eerste botsing is meestal bepalend voor het gehele treffen. Voor de ridderschare is het buitengewoon belangrijk dicht bijeen te blijven, de rijen gesloten te houden en de snelheid voor de botsing zo hoog mogelijk op te voeren. Door de enorme massa wordt dan niet zelden het voetvolk in één loop verpletterd.
Ridders daarentegen die bij de botsing door de pieken van het voetvolk uit het zadel worden gestoten zijn door hun zware wapenrusting op de grond tamelijk weerloos tegen de slagwapens van de krijgslieden uit de achterstaande gelederen.
Bij het voetvolk speelt vooral de mentale factor een cruciale rol. Op je post te blijven, terwijl een muur van paarden, ijzer en geluid met grote snelheid op je afkomt, is geen geringe prestatie. In dit verband spelen de aanvoerders een grote rol, zij gaan voor de slag hun mannen in gebed voor, spreken ze vervolgens toe en nemen dan zelf in het eerste gelid plaats. Bij de ridders vindt trouwens een soortgelijk ritueel plaats.
Zonder een spoor van dramatische overdrijving kan worden gesteld dat op de Vroonergeest de mogelijkheden van de Westfriezen beperkt zijn tot: overwinnen of sterven. Terugtrekken of ontsnappen zijn behalve ongewenste ook onhaalbare opties geworden en op genade van hun 'ridderlijke' tegenstanders hoeft niet te worden gerekend.
De strijd ontwikkelt zich tot een groot debácle voor de Westfriezen. De Zeeuwen banen zich een weg dwars door de gelederen van één van de Westfriese bataelgen, de Hollanders omsluiten het andere en overlopen het. Naar het noorden vluchtende Friezen sneuvelen tegen de hen tegemoet stormende derde grafelijke legergroep. Velen verdrinken er in meer of moeras. Het in de kronieken genoemde aantal doden aan Westfriese kant varieert tussen de drie- en vier duizend. Dat is weliswaar zeer hoog, maar waarschijnlijk correct. De Westfriezen hadden ditmaal hun totale macht in het veld gebracht en uit een bewaard gebleven document uit het begin van de veertiende eeuw blijkt dat toentertijd het aantal weerbare mannen in West-Friesland werd berekend op ongeveer 3500. Bovendien werden ze door het grotere militaire potentieel, het superieure tactische concept en het meedogenloze optreden van hun tegenstanders niet slechts verslagen, maar ook vernietigd.

Na de slag werd opdracht gegeven de gesneuvelde Westfriezen te begraven en het dorp Vroonen in brand te steken. Stoke daarover:

'Des si langhe groten toren
Hebben moghen, de daer leven
Entie daer inden lande bleven,
Ghinc men doe ansteken brant
Ende verbernde altehant
Dat dorp te Vronen al te male.'

Opdat ze er lang verdriet van zullen hebben! Stokes gruwelijke adstructie is méér dan een indicatie van de hardvochtigheid van die tijd. Het is een symptoom van de sterk negatieve gevoelens die men destijds in de feodale samenleving ten aanzien van de Westfriezen koesterde. Gevoelens die ook door Stoke's tijdgenoot de Vlaamse letterkundige en historicus Van Maerlant werden verwoord en zelfs gewettigd. Hij dreef in zijn Spiegel historiael de spot met het Friese vrijheidsprivilege door te stellen dat het met 'botren was ghebullet', dat wil zeggen dat het met boter was bezegeld en dus het zonlicht niet kon verdragen. Meer specifiek met betrekking tot hun weigering het feodale stelsel te accepteren, met andere woorden voor geen vreemde heer te buigen, dicht Van Maerlant:

'Die dan genen here es onderdaen
Hijs jegen Gode, willement verstaen!
Nu, ghi Vriesen, laet u genoeghen
Leert u onder die heren voeghen! '

Ergo, de Westfriezen handelden tegen de wil van God. Tegen zo'n volk kon zonder erbarmen worden opgetreden! Maar na 'Vroonen' konden de heren en hun hofdichters tevreden zijn: op 27 maart 1297 werd niet alleen een dorp van de aardbodem weggevaagd, er werd ook een natie vernietigd!

De tot op heden gebruikelijke voorstelling van zaken, dat Floris V de Westfriezen definitief onderworpen zou hebben is in wezen een fictie. De bewoners van de vier ambachten accepteerden destijds de verdragen omdat er op dat moment feitelijk geen verzet meer mogelijk was. Daarbij speelden waarschijnlijk de vele door Floris' bevelhebber Dirk van Brederode gegijzelde landgenoten een grote rol.
In de geest onverslagen, was de wil onafhankelijk te zijn ongebroken. Ook Floris' dwangburchten hadden daar niets aan kunnen veranderen, integendeel.
Maar ditmaal had de adelsfactie rond Floris' jeugdige en machteloze zoon, ter versterking van de eigen geloofwaardigheid, de Westfriezen een onherstelbare slag toegebracht.
De boerenvrijstaat zou nooit meer opstaan!

 
     
  'Sulc met bliscap, sulc met rouwen'  
 

De Procurator weet te melden dat 'door Gods genade', het 'heijrleger van de graaf bijkants geheel behouden bleef' en slechts het verlies van vier (!) mannen kende waarvan twee 'Edelluijden' te weten: Jan van Arkel en Jan van der Dortoge. Waarom de Procurator aannam dat zijn lezers dat zouden geloven gaat mijn twintigste-eeuwse inzicht ver te boven. Melis Stoke bezondigt zich niet aan dit soort absurde overdrijving, noemt met betrekking tot de verliezen van het grafelijke leger geen aantallen en beperkt zich tot het nuchtere: 'der scade was niet vele'.
Als de Hollands-Zeeuwse legerschare zich terugtrekt op Alkmaar, rest op de hoge geestgronden, temidden van gloeiende puinhopen en versgedolven graven, nog Vroonens stenen kerktoren.

De komplotterende edelen rond de graventroon hebben hun doel bereikt. Hollands erfvijanden zijn verpletterend verslagen; stad en land zullen dat spoedig horen. De positie van de Raad is aanzienlijk versterkt en de leden ervan zullen zeker de vruchten plukken van hun inspanningén verricht in het belang van Hollands dynastie!

Het tot dan in Alkmaar opgebaarde lichaam van Floris V wordt op de terugtocht meegevoerd om in het klooster van Rijnsburg naast vrouw en dochter begraven te worden. Stoke:

Men hoeven op ende droeghen daen
Sulc met bliscap, sulc met rouwen...

Blijdschap om de overwinning, rouw om de dode in hun midden. Het is om vele redenen een dramatische stoet die de eens zo roemruchte Floris op zijn laatste reis op aarde begeleidt.
Aan het hoofd zijn zoon, omgeven door de edelen van de grafelijke Raad en feitelijk hun gevangene. In hun midden een aantal op wie verdenking rust van medeplichtigheid aan de ontvoering van Floris of op zijn minst van stilzwijgend gedogen: Jan van Renesse, Dirk van Brederode en Wolfert van Borselen. Daar dient aan te worden toegevoegd dat de aanwezigheid in Vroonen van de laatste twee, ook gezien het verdere verloop van de geschiedenis, weliswaar meer dan waarschijnlijk is, maar niet uit kronieken of oorkonden kan worden aangetoond.
Dan rijden daar ook nog, zoals altijd in de onmiddellijke omgeving van de Raad, de gevolmachtigden van de door Floris zo verraderlijk in de steek gelaten Engelse koning. Voorwaar een curieuze lijkstoet!

 
     
  'Wy jonc zijn en qualike moghen peynsen...'  
 

Terwijl West-Friesland rouwt om zijn vele doden en wacht op de straf die de Hollandse graaf zeker over hen zal uitspreken, doen zich spectaculaire ontwikkelingen voor in de strijd om de macht in Holland en Zeeland.
Een maand na de slag bij Vroonen belooft Jan I in alles de raad van Wolfert van Borselen te zullen opvolgen en draagt hij ook het financiële beheer van de graafschappen aan hen op. Hoe deze wisseling van de macht binnen de Raad tot stand is gekomen is niet geheel duidelijk. Opvallend aan de oorkonden waarin dit is vastgelegd, en waarvan de eerste op Nyenrode (een burcht aan deVecht) is opgesteld, is mijns inziens dat ze behalve de namen van de twee hoofdrolspelers, geen andere namen bevatten. Noch van de overige leden van de Raad, noch van getuigen.
Duidelijk is dat Wolfert nu de macht heeft en hij hard werkt aan het behouden daarvan. Daartoe rekent hij op buitengewoon slinkse wijze af met Dirk van Brederode en Jan van Renesse. Hij ontvoert de jonge graaf naar zijn kasteel bij Veere, en beschuldigt Jan van Renesse van hoogverraad. Van Brederode trekt zich van het hoogste politieke toneel terug. Jan van Renesse vlucht naar Vlaanderen en zal daar eeuwige roem verwerven als opperbevelhebber van het Vlaamse voet(!)leger dat in 1302 in de befaamde Guldensporenslag het Franse ridderleger bij Kortrijk vernietigend verslaat. Het is zeer opvallend dat de Vlamingen het opperbevel van hun ca 9000 man sterke leger toevertrouwden aan een Zeeuwse huurling. Maar Jan van Renesse had zich door zijn optreden in de slag bij Vroonen een grote reputatie verworven, dat vermeldt ook de kroniek van de Vlaming van Velthem. In deze kroniek zegt Godfried van Brabant, één van de Franse aanvoerders:

'Dats die gene, dat segic die,
Daer ic mi meest af ontsie.
Hets mijn her Jan van Rinesse.
In die werelt en esser niet sesse
Omgaens wijt en breet,
Die bet van orloge weet.'

Van Renesse heeft ongetwijfeld veel geleerd van de slag bij Vroonen, waar het voetleger nog een kansloze strijd streed tegen de bereden ridderscharen. Het is overigens in dit verband curieus om te lezen dat Van Renesse tijdens de slag bij Kortrijk, in het Vlaamse leger de enige man te paard was !

Na Van Renesses vlucht is Wolfert van Borselen in zijn rol van opperste Raadsheer feitelijk alleenheerser geworden. Holland, Zeeland, en West-Friesland geregeerd vanuit .. Veere! Hij is een eerzuchtig en hooghartig man met veel vijanden, al dient ook vermeld te worden dat de Zeeuw een verstandige en zo onafhankelijk mogelijke landspolitiek voert. In zijn regeerperiode van twee jaar zijn geen feiten opgetekend met betrekking tot West-Friesland. Het land is door de verschrikkelijke slag die het is toe gebracht geen machtsfactor van belang meer en Wolfert heeft zijn aandacht nodig voor belangrijker zaken.
In het jaar 1299 valt het doek voor Van Borselen. Een conflict van beperkte omvang met de stad Dordrecht leidt mede door toedoen van een groep samenspannende edelen tot zijn dood. Vluchtend naar Zeeland, de jonge graaf als zijn onmisbaar werktuig met zich meevoerend, wordt hij gevangen genomen en naar Delft gebracht. Daar wordt de trotse Van Borselen op 1 augustus 1299 uit het huis waarin hij gevangen wordt gehouden gegooid en door het gepeupel vermoord.
De cirkel is bijna rond, want onmiddellijk na ontvangst van het bericht van Wolferts dood, rept Jan van Avesnes zich weer naar Holland om als raadsman voor de jonge Hollandse graaf op te treden. Ditmaal ontmoet hij weinig weerstand. In een oorkonde gedateerd 27 october 1299, dragen Graaf Jan I en zijn vrouw Elisabeth het bestuur over hun landen voor vier jaar op aan Jan van Avesnes, graaf van Henegouwen omdat:

'wy jonc zyn ende qualike moghen peynsen…'

Die woorden maken een wat zielige indruk. Zielig dat was de jonge Jan ook eigenlijk wel. Ziekelijk naar het schijnt --alle kinderen uit Floris' huwelijk stierven jong-- was hij een speelbal van de machthebbers.
Nauwelijks veertien dagen later sterft hij als laatste van zijn dynastie. Niet zoals velen van zijn voorouders op het slag- of toernooiveld, of anderszins door geweld, maar op zijn ziekbed in Haarlem.
Het betekent na vier eeuwen het einde van het Hollandse huis, de graven van Henegouwen nemen het bewind over en zwaaien de scepter over Holland, Zeeland en West-Friesland.

 
     
  ' ... van der groeter mesdaet die wi mesdaen hebben...'  
  Na de slag bij Vroonen wacht het Westfriese volk jarenlang op een door de graaf van Holland te wijzen vonnis, vanwege de vele delicten gepleegd tegen de met Floris V gesloten verdragen.
Van Borselen kent het regelen van deze kwestie geen hoge prioriteit toe, dit in tegenstelling tot Jan van Avesnes. Diens uitspraak laat niet lang op zich wachten, het is een van zijn eerste regeringsdaden als graaf van Holland en vindt plaats nog vóór het overlijden van de dan al zieke Jan I
Er bestaan met betrekking tot het vonnis drie oorkonden, alle gedateerd 7 november 1299.
 
 
 
 

In één ervan erkennen raad, schepenen en gemeenten van West-Friesland hun jegens graaf Jan I gepleegde misdrijven en onderwerpen zich aan het vonnis dat Jan van Avesnes hierover zal wijzen.
De oorkonde vangt aan met de, in de middeleeuwen in dit soort gevallen gebruikelijke, dramatische bekentenis:

'Wi raet, scepene ende ghemeente van al Westvrieslant,
maken cont allen lieden, dat van der groeter mesdaet
die wi mesdaen hebben...
... alse van den wighe die wi tieghens hem vochten
te Vroene, ende van dat wi sine huse braken...'

De oorkonde is bezegeld met de landszegels van: Houtwoutdingher ambocht, Drechtingher ambocht, Nedorpingher ambocht ende Gheestmanner ambocht.

Een tweede oorkonde bevat het eigenlijke door Jan van Avesnes gewezen vonnis. De hoofdstraf is een boete van 18000 Hollandse ponden, in delen te betalen over een periode van vier jaar. Om enig gevoel te krijgen voor de betekenis van dat bedrag: de totale inkomsten van Floris V over het jaar 1281 bedroegen 21000 Hollandse ponden. Een formidabele boete dus. De oorkonde vermeldt slechts dat het bedrag door 'die Vriesen' moet worden 'gegheven'. Er wordt niet gerept over een verdeling van de boete over de ambachten of de dorpen. Wel verordoneert Van Avesnes dat een aantal met name genoemde dorpen niet hoeft mee te betalen; dit overigens zonder te vermelden waarom. De reden zal in de meeste gevallen gelegen zijn in het feit dat die dorpen -zoals bijvoorbeeld Oudorp- niet aan de opstand hadden deelgenomen, maar in het geval van Vroonen was de oorzaak een geheel andere.
Het venijn schuilt in de staart van de boetebepalingen, waarin Jan van Avesnes bepaalt dat eenieder zijn grond en huis welke in zijn bezit waren vóór dat de misdrijven werden gepleegd, weer in bezit mocht nemen,

'uijtghenomen Vroenen ende alle dat goed dat diere van Vroenen was
soe wairt ghelegen es, dat onse neve selve behouden sal. '

Géén boete dus voor de inwoners van Vroonen, maar erger: hun totale bezit aan onroerende goederen wordt verbeurd verklaard en toegewezen aan Jan I van Holland. Dat betekende overigens wel dat deze bezittingen, waaronder praktisch het gehele grondgebied van Vroonen, een week later toen Jan I overleed toevielen aan Jan van Avesnes!
Deze bijzonder zware straf kan wellicht worden verklaard door het feit dat Vroonen was gelegen in het reeds in 1254 door Roomskoning Willem II veroverde gebied rond Alkmaar, waarvoor toentertijd al een onderwerpingsverdrag werd opgesteld, waarvan we, de inhoud overigens niet kennen. Misschien hadden de inwoners van Vroonen zich vanaf die tijd loyaal betoond en genoten ze als gevolg hiervan een zeker vertrouwen. Dat vertrouwen hadden ze dan in 1297 --inmiddels ook onderhevig aan het met Floris V gesloten verdrag-- in de ogen van de graaf van Holland ernstig beschaamd.
De resterende inwoners van Vroonen kunnen dus niet meer naar hun geboortegrond terug en vestigen zich op de Coedyc. Zo is het ontstaan van het dorp Koedijk het gevolg van Vroonens ondergang. Eerst in het begin van de vijftiende eeuw ontstaat op het noordeinde van de Vroonergeest een nieuwe woonkern: Sint Pancras.

Terug naar het vonnis van Jan van Avesnes. Na de boetebepalingen verordineert deze, dat zijn neef Jan I van Holland aan eenieder zijn schuld aan de misdaden zal kwijtschelden en vergeven. Dit uiteraard in de verwachting dat de opgelegde boetes betaald zullen worden. Maar ook hier een uitzondering. Jan van Avesnes wijst vier met name genoemde mannen,

'omme hair grote misdaet' voor 'ewelike uyt den lande …'

We weten niet waaruit hun 'misdaad' bestond. Maar gezien het politieke karakter van het vonnis is het niet onaannemelijk dat zij Westfrieslands hoogste bestuurscollege vormden en uit dien hoofde verantwoordelijk voor de beslissing in Vroonen slag te leveren. Vanwege het belang van deze beslissing en de dramatische gevolgen ervan voor West-Friesland onttrekken we hier hun namen aan zeven eeuwen vergetelheid:

Brune Jan, Pieter Benninc, Vedde van Vroenen, Oubal op den Oudendijc.

We laten de overige bepalingen uit het vonnis van Jan van Avesnes voor wat ze zijn en werpen een blik op de derde en laatste oorkonde.

Hierin verleent Jan I van Holland, bij gezag en met instemming van Jan van Avesnes een landrecht aan West-Friesland en bepaalt op die wijze Westfrieslands perspectief voor de komende tijden. Het is hier niet de plaats dieper in te gaan op de verschillen tussen dit landrecht en de onder Floris V afgesloten verdragen, we volstaan met de constatering dat het op belangrijke punten overeenkomt met het landrecht in 1292 door Floris V aan Kennemerland verleend. De invoering van een nieuw rechtscollege (baljuwsgerechten) en een daaraan gepaard gaande verdergaande feodalisering zijn de meest bepalende elementen voor West-Frieslands nieuwe toekomst.

 
     
  Heerhugowaard, februari 1997  
     
     
 

1. Dit dorp heette eerst: Bancreas wat later via St. Pancreas veranderde in St. Pancras.

2.Vronlegheist/Vroelen/Vronergeest/Vroonen/Vronen.

 
     
     
 
Bronnen en literatuur  
Beke, J, de, Croniken van de stichte van Utrecht en van Hollant. Ed. H. Bruch, S,Gravenhage, 1982.
Berg, L.Ph. C., van den, Oorkondenboek van Holland en Zeeland 11,1873.
Cock, J.K., de, Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland. Groningen, 1956. Eikelenberg, S., Gedaante en gesteldheid van Westvriesland voor den jaare MCCC en teffens Den ondergang van het dorp Vroonen. Alkmaar, 1714.
Goede, A. de, Swannotsrecht Westfriese rechtsgeschiedenis. Utrecht, 1940. Hage, A.L.H. Sonder favele, sonder lieghen. Groningen, 1989.
Graaf, R. de, Oorlog om Holland. Hilversum, 1996.
Hattinga van 't Sant, Elian, Willem Procurator en de Brederodes. In: Convivium Hilversum , 1988.
Hof, J., De abdij van Egmond van de aanvang tot 1573: Haarlem, 1973.
Hugenholtz, F.W.N., Floris V. Bussum, 1973.
Klerk, Chronyk van Holland van den klerk uit de laage landen by der zee. Ed. F.van Mieris. Leyden 1740.
Kruisheer, J.G., De oorkonden en de kanselarij van de graven van Holland tot 1299. I en II s'Gravenhage, 1971.
Mieris, F. van, Groot Charterboek der Graaven van Holland van Zeeland en Heeren van Vriesland II, Leiden, 1754
Obreen, H., Floris V graaf van Holland en Zeeland heer van Friesland 1256-1296. Gent, 1907.
Obreen, H., De eerste jaren na den dood van Floris V. In: BVGO 5e reeks. s'Gravenhage, 1913-1915.
Oostrom, Frits, Van Maerlants wereld. Amsterdam, 1996.
Peeters, H.C., De rijmkroniek van Holland, haar auteur en Melis Stoke. Antwerprn, 1966.
Pols, M.S., Graaf Jan I van Holland. In: BVGO 3e reeks deel 10. s'Gravenhage, 1899.
Prestwich, M., Edward I London, 1988.
Procurator, W., Chronicon. Ed. Pijnacker Hordijk. Amsterdam: 1904.Scriverius, P., Hollandsche, Zeelandsche ende Vriese Chronyk. Ed. Brugrnan. s'Gravenhage, 1677.
Stoke, Melis, Rijmkroniek. Ed. B.Huydecoper. Leiden, 1772.
Stoke, Melis, Rijmkroniek. Ed. W.G.Brill. Utrecht, 1885.
Verkaik, J.W., De moord op graaf Floris V. Hilversum , 1996.
Verbruggen, J.F., De krijgskunst in West-Europa in de middeleeuwen. Brussel, 1959.