Naar aanleiding van zijn eerste sterfdag
is
Harry Mulisch in brons beschreven. Een leven van een
groot vaderlands schrijver vertaald in brons,
als verdiend monument.
Naast deze bronzen buste is ook
een plaquette van Mulisch vervaardigd en
ontwerpen voor een mogelijk standbeeld.
Beschouwende toelichting op de ontwerpen van Menno Veenendaal
door drs C.H.M.A. Nelissen, MSc, kunsthistorica
Mulisch lezen in klei
Haarlem, februari 2011
Een goed portret van Mulisch zuigt je naar
zijn boeken, zijn leven, zijn gedachten. Minder mag niet, meer is overbodig.
Veenendaal’s Mulisch zet je aan het lezen: wat is de grammatica van deze
mens? Wat is de typografie van zijn gedachten?
Mulisch verdient het om gelezen te worden en gelezen te blijven worden. Hij
verdient het dat zoiets materieels als klei het volstrekt immateriële van de
gedachte suggereert, zoals die geleefd heeft achter dat hoge voorhoofd.
Veenendaal is dat gelukt. Wanneer de ene kunstenaar de andere leest, zoals
hier, dan blijkt dat Veenendaal Mulisch in de ogen kijkt, áchter de ogen
kijkt. Hij leest hoe Mulisch de wereld las: de interpunctie van een
gedachtenwereld staat in de ogen, die van de conclusies plooit de
mondhoeken. De ik-denk-er-het-mijne-van-glimlach, Mulisch’ handelsmerk, is
niet alleen een glimlachend tuiten van de lippen over de onbezonnenheid van
dit onder-maanse; er is ook aarzeling, aardig gevonden willen worden.
De boeken, de mens, de gedachten, de herkenbaarheid: het portret kijkt
Mulisch in de kop. Wat leeft daar? Is er twijfel, zekerheid, aarzeling,
zelf-bewustzijn? Hoe mengt dat alles zich tot een jukbeen dat gezag
uitstraalt en tot haar dat hij draagt als leeuwenmanen?
Strikt genomen is er de kilte van de rivierklei, niet meer dan de
oppervlakte. Maar, om met Rodin te spreken, je verwacht dit voorhoofd warm
aan te voelen. Niets menselijks is hem vreemd. Mulisch immers, getuige zijn hoog
gedragen hoofd toch wel God in het diepst van zijn gedachten, roept hier
tegelijk op: “Ga niet voorbij, maar blijf bij mij, en voel / Wat Ik voel in
het diepst van dit mijn wezen…” (Willem Kloos, 1894).
Techniek
Met een goed
portret van de schrijver reikt Haarlem Mulisch postuum de vriendschappelijke
hand; het beeld moet herkenbaar zijn voor wie hem gekend heeft, voor
omwonenden, voor wandelaars in de toekomst; het moet voor lange tijd
uitnodigen zijn boeken te lezen.
Technische
kwaliteit gaat zo samen met inhoudelijke diepgang. Technisch moet de kop de
uniciteit weergeven van zijn gelaatstrekken, zijn haar, zijn bril.
Inhoudelijk moet het portret aangeven hoe die trekken geëtst zijn door wat
achter de ogen omging aan gedachten en wat wij daarvan vonden en vinden.
Veenendaal’s
Mulisch, driedimensionaal of in reliëf, is niet alleen een gelijkenis. Het
is een onderzoek, parallel aan Mulisch’ schrijverschap: het portret van die
ene mens, maar dan als onderzoeker van de menselijke existentie. Als denker
dus, zet Veenendaal Mulisch neer: hoe graaft denken zich in in een gezicht?
Is dat ook in de verre toekomst nog te herkennen in de manier waarop iemand
het hoofd draagt, in de blik in de ogen, in de trek om de mond? Wat doet een
levenslange directe betrokkenheid bij de oorlog (“ik dank mijn bestaan aan
de eerste wereldoorlog, en ik bén de tweede wereldoorlog”) met de stand van
een mond? Wat doen gedachten over paradoxen en relaties (Eichmann’s
schokkende kleinheid, Twee Vrouwen, Ontdekking van de Hemel)
met iemands blik?
Veenendaal zet
de paradoxen neer, zo ‘simpel’ is het, en dat is belangrijk om Mulisch te
karakteriseren. Wat is die techniek, waar Veenendaal dat mee doet?
Veenendaal is
een beeldhouwer van het licht: volumen en holten kleuren lichter en
donkerder al naar gelang het licht eroverheen speelt; licht schildert zo
vanzelf het leven, schaduw donkert de toetsen van een gezichtsuitdrukking.
En de
paradoxen? Net als Mulisch in zijn romans en reportages, zoekt Veenendaal
die op door het fysieke van de gelijkenis te versterken met het niet
voor de hand liggende. Waar Mulisch onverwachte gedachten samenspon, worden
hier onverwachte details die een portret vergeestelijken naar voren
getrokken. Zo wordt de gelijkenis uit het tijdgebonden-zijn getild. Een
voorbeeld: waar in menig portret de kaaklijn een storende ‘streep’ is, is ze
hier een logisch vervolg op huidplooien, voortkomend uit een licht
aangezette glimlach, die de onvoltooide gedachte in de ogen onderstreept.
Waar in menig portret de haardracht als een ‘badmuts’ op het hoofd geplant
is, is ze hier onderdeel van de uitdrukking. Er zijn geen toevoegingen, geen
attributen, die de trots verbeelden; de trots zit in kin en kaaklijn. Er is
niets weggelaten dat technisch ingewikkeld is, zoals Mulisch’ bril: hij is
er en hij is er niet, een gedachte Mulisch waardig.
Veenendaal
heeft twee karakteriseringen van Mulisch gekozen: enerzijds, in
drie-dimensionale vorm, een denker, houdend van de onvoltooide
gedachte-als-voortschrijdend-inzicht; anderzijds, in de vorm van een
plaquette, een representant van zijn tijd, een “Koninklijke volksschrijver”,
zoals Mulisch ook wel genoemd is. De eerste is neergezet in toetsen die de
passie, de beweging onderstrepen, de tweede is gladder afgewerkt in hoekiger
vormen, wat meer de statuur van de schrijver neerzet. Veenendaal verstaat
beide technieken.
drs C.H.M.A. Nelissen, kunsthistorica
Haarlems Dagblad Interview d.d. 11
februari 2011 door Cees van Hoore, red
stad
Menno Veenendaal maakt prachtig beeld
Mulisch
Gepubliceerd op 11 februari 11, 12:00Laatst bijgewerkt op 11 februari 11, 16:04
Haarlems Dagblad
DOOR CEES VAN HOORE
HAARLEM - Het Haarlemse beeld van Harry Mulisch is er! Dat wil zeggen:
het hoogst interessante ontwerp daarvan. Het is gemaakt door de
beeldhouwer Menno Veenendaal.
De kop die Veenendaal in klei heeft gemaakt,
vertoont niet alleen een treffende gelijkenis met ‘the grand old man’
van de Nederlandse literatuur maar het lijkt ook alsof het beeld er
altijd al is geweest. En dat is een goed teken. Mulisch volgt je met
de ogen in de werkruimte van Veenendaal. Eén zuchtje, denk je, en je
blaast weer leven in dat hoofd. Zowel en face als en profil laat het
de ene keer de wat arrogante, de andere keer een in berusting
verkerende, Mulisch zien. Op de een of andere manier heeft de kop iets
klassieks, het is geen gelikt beeld maar een met vakmanschap en groot
empathisch vermogen gemaakt kunstwerk.
We zien Mulisch in zijn gloriejaren, toen hij
nog zo’n bril droeg met van die grote glazen, in die tijd hoogst
modieus. Maar die bril is door Veenendaal prachtig gecamoufleerd.
Alleen de randen ervan zijn te zien. Veenendaal: ,,Ik hou niet van die
beelden waarbij je de bril tot in de details ziet. Het wordt zo snel
lullig. Bij mij moest die bril bijna organisch overgaan in het gelaat
van Mulisch. Het gaat uiteindelijk om de ogen. Ik heb die kop van
Mulisch gemaakt met een losse toets. Dat is mijn handelsmerk. Zo’n
beeld moet markant zijn. We hebben hier te maken met iemand die een
zekere invloed heeft gehad op zijn tijd. En die tijd en Mulisch denken
daarover zitten in dit ontwerp. Althans, die heb ik geprobeerd erin te
krijgen.’’
Menno Veenendaal heeft een goed gelijkend
beeld van Mulisch willen maken, maar dan wel een waarin niet alleen de
buitenkant ‘zichtbaar’ wordt gemaakt, maar ook de ziel, om maar eens
een ouderwets woord te gebruiken. Hij vindt dat je Mulisch karakter en
zijn denkwereld aan het beeld moet kunnen ‘aflezen’. ,,Ik weet niet
precies hoe ik dat moet zeggen. Picasso heeft eens gezegd: ‘Beeldende
kunstenaars die overal woorden voor hebben, wantrouw ik.’ En daar
klamp ik me maar aan vast. In elk geval heb ik niet iets conceptueels
willen maken. Dat mag van mij, hoor, maar ik doe dat niet. In Haarlem
moet de Mulisch staan zoals-ie was. Een schrijver die het onzegbare
probeerde te vatten, een filosoof ook, hoe verschillend men ook over
een boek als ‘De compositie van de wereld’ kan denken.’’
Veenendaal heeft niet alleen een ‘portret’
van Mulisch gemaakt maar ook een plaquette, die al in brons is
gegoten. Beide zijn nog in de ontwerpfase. ,,Natuurlijk heb ik ook
ontwerpen voor een standbeeld van Mulisch gemaakt. Je zou kunnen
denken aan een zuil van boeken waarop dan die kop van Mulisch komt te
staan. Voor de pagina’s van die boeken zou je hard en
vandalismebestendig glas kunnen gebruiken, glas waar licht doorheen
speelt als flitsen van inspiratie. Het gaat mij er vooral om dat
Mulisch met enige waardigheid wordt afgebeeld. Ik heb hem niet lachend
of zo willen maken. Vaak wordt zoiets erg karikaturaal. En die lach is
ook maar een moment. Als ik een beeld maak moet je iemands hele leven
aan die kop kunnen aflezen. Ik heb eens een beeld gemaakt van een
vriend van me. Hij was gescheiden en wilde dat bij zijn ex thuis
zetten, zodat zijn kinderen hem nog konden zien als hij weg was. Die
vrouw heeft dat beeld meteen het raam uit geflikkerd. Ik had hem dat
kunnen voorspellen. Dat beeld was namelijk zo echt.’’
Cees van Hoore
Tekst
en foto's uit deze website mag niet zonder
uitdrukkelijke toestemming van Menno Veenendaal
op enigerlei wijze worden gebruikt.