[Terug naar Verhalen van vroeger]           [Terug naar Welkom]            [Terug naar Nieuws]

 

 
 

[Naar Brandus]                           [Naar Toneel]

 
 

 

 
   

   (Door op dit Word-icoontje te klikken, is "Even voorstellen............" te downloaden en te printen.)

 
 

 

 

EVEN VOORSTELLEN…………….

 

Naar aanleiding van mijn verhalen is mij verzocht, me nader bij u bekend te willen maken, waaraan ik hierbij gaarne voldoe.

 

Mijn naam is Wijbrandus Klinge en ik ben op 25 juli 1923 in Rotterdam geboren.

Op 2 april 1946 in `t huwelijk getreden met een fantastische vrouw.

Trotse vader van twee fijne dochters. 

Na mijn schoolopleiding (lagere school, ULO, Handelsavondschool Mercurius)

ben ik 6 jaar werkzaam geweest bij de Gemeente Schiedam.

Vervolgens 17 jaar bij de Marine Magazijnsdienst en daarna 17  jaar bij Lumag op Marine vliegkamp “De Kooy .” 

 Hier was ik chef Administratie Ontvanglokaal, in de rang van Adjunct Commies A.

Mijn werkzaamheden lagen voornamelijk op administratieve gebied, zoals het

beheren  van een uitgebreid archief en het voeren van correspondentie.

 

Ben voorzitter en erevoorzitter geweest van de personeels-en sportvereniging “MarMag” (marine-magazijnen), die nu ter ziele is.

Mijn grootste hobby was toneelspelen. Dit heb ik plm. 30 jaar tezamen met mijn lieve en talentvolle (helaas op 23 september 2003 overleden)

vrouw gedaan.

De laatste 25 jaar heb ik ook de regie gevoerd.

Heb 20 jaar basketbaltraining gegeven, en even zovele jaren wedstrijden gefloten.

Basketbalcoach geweest van het dames- en herenteam van MarMag.

Verdere hobby´s: tafeltennissen, bridgen, vissen en sinds kort computeren.

Zo, ik denk dat u nu wel voldoende over mij te weten bent gekomen.

                                                                                             

Naschrift:                                                                                                          

De door mij geschreven verhalen heb ik op herhaalde verzoeken van mijn dochter Mia en mijn schoonzoon Andy Pormes,

en in overleg met mijn computerleraar Kees Bakker, op de computer gezet.

Er komen regelmatig verhalen bij.

De heer Bakker is zo vriendelijk mij behulpzaam te zijn bij het invoegen van   plaatjes en foto´s.

Tevens heeft hij mijn verhalen op zijn website gezet,  waarvoor ik hem zeer erkentelijk ben.

 

                                                                                           W. Klinge    

 

 

 

 
     
 

1 9 4 0 - 1 9 4 5

 
     
 

 

 

Onder deze titel zijn in dit document verschillende verhalen te vinden over de oorlogsjaren van de hand van de heer Klinge te Anna Paulowna

 

 

   

(Deze pagina downloaden? Klik dan op het Word-icoontje! Printen? Klik na het downloaden op Bestand, Afdrukken. Er kan ook bijv. een enkel verhaal geprint worden, door de betreffende tekst te selecteren en op de printerknop te klikken! )

 

(Deze pagina kan ook z.g. pdf-bestand worden gedownload. Klik dan op het PDF Adobe icoontje! Hiervoor is het wel nodig de Acrobat Reader geinstalleerd te hebben. Klik op het Acrobat Reader icoon om naar de installeerpagina te gaan, en volg daar de instructies..........)

 

Inhoud

 

 

NB.: Bovenstaande hoofdstukken zijn links. Klik hierop om ze te lezen!

 

Hongertocht in de barre winter van 1944/1945.

 

 

Allereerst wil ik het begrip honger in het kort omschrijven.

Hoe ontstaat honger? Dikwijls zeggen we “ik sterf “ van de honger,

maar dan hebben we eigenlijk alleen maar “trek” in eten.

Honger ontstaat wanneer er steeds minder te eten  valt,

totdat er bijna geen voedsel meer is . Dan heb je echt honger en

steekt ook  “Hongeroedeem” de kop op. In de bar strenge winter van 1944/1945

heerste er in het westen van ons land en vooral in de grote steden zoals o.a. Amsterdam

en Rotterdam grote hongersnood. Om aan etenswaar te komen moest men dan zgn.

“hongertochten” naar het “platteland” maken om, meestal tegen inruil van  gouden

sieraden of anderszins, aan voedsel te komen. Geld had praktisch geen enkele waarde meer.

Eten uit de zgn “gaarkeuken” werd ook niet meer verstrekt en op de “bon” kreeg je in

hoofdzaak suikerbieten. Ook tulpenbollen werden gegeten.

In het westen van het land stierven meer dan 20.000 mensen de hongerdood.

Tot zover deze inleiding en dan nu een verhaal van één van mijn hongertochten.

 

Het zal eind december 1944 geweest zijn dat mijn zus Johanna en ik een

hongertocht maakten naar Wijk bij Duurstede, waar mijn broer Rinus met z´n

vrouw was ondergedoken in een kasteeltoren die bij een boerderij hoorde.

 

       (Johanna)

 

 

 We vertrokken ´s-morgens  op fietsen met slechte banden. Over de

slechtste gedeelten hadden we extra stukken van oude fietsbanden  geklemd,

zodat het net was alsof je op een hobbelpaard reed. Het was heel erg koud en

er stond  er ook  een harde storm met af en toe fikse sneeuwbuien.

Tegen schemerdonker fietsten we op een dijk langs een bevroren vaart.

 Mijn zus kon niet meer tegen de storm in fietsen en ging naast haar fiets lopen.

Lopen ging mij erg moeilijk af,  i.v.m. mijn handicap, ik heb  rechts

een prothese,  maar kon daarmee toch beter fietsen dan lopen.

 

Met mijn zus had ik afgesproken dat ik een paar honderd meter vooruit zou

fietsen en dan zou wachten tot zij mij lopend weer had ingehaald. Dat ging

goed. Maar op een gegeven moment stond ik tevergeefs te wachten, omdat

zij maar niet kwam opdagen.                 

Ik besloot toen om een eind terug te fietsen om te kijken wat er aan de

hand was. Op een gegeven moment hoorde ik een stem

uit de diepte die riep “meneer, meneer, zoekt u uw zus?” Ik zei:”Ja”, en

kreeg als antwoord:”Zij is van de dijk gewaaid en door het ijs gezakt, we

hebben haar er uit gehaald en nu zit zij in onze boerderij om  haar kleren te

laten drogen. Komt u maar mee naar binnen ” En jawel hoor daar zat mijn zus

met droge kleren aan van de boerin, tussen zes N.S.B.-ers.  

Ook hing er nog een levensgroot portret van Mussert  aan de muur.

Haar natte kleren hingen aan een droogrek rondom het haardvuur te drogen. Natuurlijk was ik erg blij dat ze mijn zus gered hadden en heb hun daarvoor bedankt, maar tegelijkertijd voelde ik me enorm opgelaten. N.S.B.-ers waren nu niet bepaald onze vrienden. Ze werden gehaat omdat ze met de Duitsers heulden. Maar ja, wat moet je?

We kregen zelfs nog een paar boterhammen en wat te drinken. Op een gegeven moment begonnen ze tot overmaat van ramp strijdliederen te zingen. Maar daardoor hoefden we “God Zij Dank” geen gesprek met ze te voeren.

Toen de kleren van m´n zus droog genoeg waren, konden we gelukkig weg.

We kregen ook ieder nog 4 sneetjes brood mee voor onderweg, toch aardig.

Inmiddels was het donker geworden en moesten we vóór 8 uur een slaapplaats zien te vinden. I.v.m. de Duitse verordeningen moest men na achten binnen blijven.

Tegen 8 uur kwamen we bij een keuterboerderijtje aan waar een ouder echtpaar

woonde, waar we op een zolderkamertje konden slapen. Net toen ik een hap van dat N.S.B.-brood had genomen, vroeg dat boerenvrouwtje of we eerst nog wat te eten wilde hebben, maar met een volle mond kon ik geen antwoord geven en daarom stootte ik mijn zus aan en die riep:”Nou, liever morgenochtend mevrouw, want we zijn nu zo moe, dat we liever gaan slapen.”

De volgende morgen werden we door deze mensen erg verwend, we kregen brood en wat te drinken en na hun hartelijk bedankt te hebben, konden we onze tocht weer vervolgen.

Zonder verdere noemenswaardige avonturen kwamen we

ten slotte doodmoe bij m´n broer Rinus en z´n vrouw in Wijk bij Duurstede aan, waar m´n zus wel een paar traantjes moest wegpinken na alle doorstane emoties.

Met hulp van mijn broer werd bij diverse boeren uiteindelijk voldoende voedsel op de kop getikt om de terugreis naar Schiedam te aanvaarden. De avond voor ons vertrek kregen we aardappelen in de schil gekookt met gebraden konijn, appelmoes en jus van konijnenvet te eten en dat heb ik geweten!

 

Toen we de andere dag vertrokken kreeg ik vreselijk diaree en moest geregeld  overgeven. Toen we na verloop van tijd in Utrecht aankwamen werden wij om te overnachten ondergebracht in een zgn. “Passantentehuis.” Dat was meestal een

oud schoolgebouw met stro om op te slapen en een paar bedden. Omdat ik inmiddels flink beroerd was, mocht ik op één van die bedden slapen.

Toch moesten we de volgende morgen weer vertrekken op onze terugtocht naar Schiedam. Uiteindelijk kwamen we daar doodvermoeid, maar toch blij en gelukkig, met onze schat aan etenswaren aan. We hadden weer voor een paar weken te eten! Wel had ik “scabis” (schurft) opgelopen, wat gepaard gaat met enorme jeuk. Ik moest  een week in bed blijven in de zwavelpoeder. Mijn kleren werden ontsmet. 

Tot zover mijn verhaal over deze bewogen hongertocht.

                                                                                             

                                                                                            

 

[Naar boven]

 

 

                                                                                                         

Mijn kortste hongertocht

 

Op een dag in november 1944 was ik op weg naar mijn vriend Ad Klok in Rotterdam. Toen ik daar aankwam was hij niet thuis en zijn ouders en zus Truus zaten er nogal “down” bij.

 

Ik dacht dat mijn vriend tijdens een razzia door de Duitsers was opgepakt, maar gelukkig was dat niet het geval. Hij was bijtijds ergens ondergedoken. Zijn ouders en zijn zus hadden echter al een paar dagen zo goed als niets gegeten en daar wordt je echt niet vrolijk van.

Ik vroeg aan Truus of zij nog een fiets had om met mij een hongertocht te maken. Zij vertelde dat haar fiets in een fietsenstalling bij hun om de hoek stond. Ik besloot om eerst even met haar naar de fiets te gaan kijken om te zien of er wel een hongertocht mee gemaakt kon worden.

Dat bleek wel het geval en net toen we met de fiets weg wilde gaan kwamen er twee lui van de Duitse Veld-Gendarmerie binnen         (Ad Klok)

en vroegen wat wij daar hadden te zoeken.

 

(Truus Klok)

 

Ik vertelde hun dat we de fiets van Truus op kwamen halen. Maar die mochten we niet meenemen omdat alles in beslag genomen was.

De eigenaar van de fietsenstalling had n.l. zijn auto gesloopt en in onderdelen in de kelder  opgeslagen. Zij zouden een “truck” op halen om alles in te laden en wij moesten de zaak zonder fiets verlaten.

 

Ze vergaten echter de sleutel  van de zaak die Truus nog in haar bezit had op te vragen. Buiten hebben we even gewacht tot ze uit ´t zicht waren.

We zijn toen snel de zaak weer ingegaan om de fiets op te halen. Ik besloot echter om overal eerst eens rond te neuzen of er misschien nog wat te halen viel en tot m´n stomme verbazing was dat zo. We vonden een zak aardappelen, rogge, tarwe en nog veel meer .

Vanzelfsprekend hebben we alles plus de fiets meegenomen. Zo kwamen we dus met de buit bij de ouders van Truus terug, die natuurlijk niet wisten wat ze zagen. We hebben de hele geschiedenis aan hen verteld.

Aan die Duitsers had ik wel mijn legitimatiebewijs moeten laten zien. Daarop stond een stempel O.D. (ongeschikt Duitsland) . Ik heb n.l. een prothese. Dat is de reden waarom ik niet werd gearresteerd.

 

De moeder van Truus vroeg of ik niet bang was dat ze mijn adres onthouden hadden, maar ik stelde haar gerust met de mededeling dat het dan wel heel erg knappe Duitsers zouden zijn.

We hebben alles eerlijk verdeeld en toen ik met de “bikkesementen” thuis kwam waren mijn moeder en m´n zus vanzelfsprekend ook met stomheid geslagen en kon ik het hele verhaal nog eens vertellen.

 

 

 

                                                                                 

                                       

 

[Naar boven]

 

 

 

                   Mijn 2e hongertocht met Truus Klok

 

Het zal ongeveer twee weken na “mijn kortste hongertocht” geweest zijn, toen ik met Truus Klok een hongertocht ging maken naar Holten, waar ( naar men zei) nog wel wat voedsel te halen viel.

 

Toen we al een eind onderweg waren vloog er op een gegeven moment plotseling een Engels jachtvliegtuig over dat  op een Duits legervoertuig voor ons begon te schieten. Wij zochten zo vlug mogelijk dekking achter een hooischelf van een boerderij die (stom toeval) dicht in de buurt stond.

Het toestel kwam diverse malen overvliegen en probeerde steeds (zonder succes) het legervoertuig te raken. Uiteindelijk vloog het weg en toen het uit ´t zicht verdwenen was konden wij opgelucht onze tocht vervolgen.

Tegen 8 uur kregen kwamen we bij een boerderijtje aan en vroegen de boer of hij iets te eten en slaapgelegenheid voor ons had. Hij zei dat we in de schuur, waar het hooi opgeslagen was, konden overnachten. We kregen een paar sneetjes brood en een paar oude dekens mee en gingen in de schuur slapen. De volgende  morgen kregen we van de boer nog wat te eten en na hem hartelijk bedankt te hebben gingen we weer op pad.

 

(Truus & Brandus)

 

 

Zonder verder noemenswaardige gebeurtenissen bereikten we de Deventerbrug en toen we daar over waren  liep het alweer tegen achten en

moesten we onderdak zien te vinden voor de nacht. Via via werden wij ondergebracht bij een leraar van de ambachtschool.

Wij werden bij hem thuis bijzonder gastvrij ontvangen door zijn vrouw en 2 kinderen. Wij kregen flink wat te eten, terwijl er ook  een slaapplaats voor ons geregeld werd.

De volgende morgen kregen we een stevig ontbijt en werd ons gezegd dat we ten alle tijden welkom waren en terug mochten komen. Na hun uitvoerig bedankt te hebben voor de gastvrijheid, stapten we  op de fiets en gingen op weg naar Holten. Onderweg probeerde we voldoende voedsel op de kop te tikken om de terugreis te aanvaarden.

Truus had  een paar lappen stof meegenomen om die bij de boeren voor voedsel te ruilen. Dat viel echter bar tegen. Na de hele dag zowat alle boerderijen in de omgeving afgestroopt te  hebben, kwamen we, u begrijpt het al, tegen achten in Holten aan. Hier kreeg Truus onderdak bij een bakkersgezin en ik bij het gezin van een kuiper, waar houten vaten met ijzeren banden er omheen werden gemaakt.

Ik kan me nog herinneren dat ik zowel bij de bakker als bij die kuiper 12 boterhammen heb gegeten  plus 2x tweemaal warm eten. Niet te geloven, ik snap nu ook niet waar ik het gelaten heb. Omdat we eigenlijk te weinig eten bij elkaar hadden gescharreld om de terugreis te aanvaarden, kregen we van de bakker een adres waar we eventueel voedsel konden kopen . Hij vertelde ons dat op een verlaten stuk weiland langs de spoorbaan een houten hutje stond waarin een man werkte die zeep fabriceerde.

De boeren in de omtrek hadden n.l. een groot gebrek aan zeep. Hij ruilde de zeep dan in bij de boeren  voor voedsel, dat hij dan weer verkocht (of  ruilde) aan hongertochtgangers.

De bakker legde ons uit waar we dat hutje konden vinden en wenste ons succes. Na enig zoeken hebben we het gevonden.

Nou, dat hutje leek precies op het heksenhuisje uit het verhaal van Hans en Grietje. Het stond inderdaad éénzaam en op een afgelegen weilandje.

In de deur van het hutje was een houten luikje waarop ik klopte. Het werd geopend en een  man vroeg wat we kwamen doen. Ik zei tegen hem dat we uit Rotterdam kwamen waar enorme hongersnood heerste en vroeg hem of hij voedsel voor ons te koop had. Ik vertelde dat ik in Rotterdam als marinier op de Maasbrug had gevochten en een been  was kwijt geraakt.

Dat was  hartstikke gelogen en ik zou het nu dan ook niet in mijn hoofd halen om zoiets te zeggen en men zegt wel eens: ”In oorlog en in de liefde is alles geoorloofd”.

 

Maar achteraf geneer ik me voor dat verhaal. Je verzon echter van alles om aan eten te komen, ook voor het thuisfront. Ik had wel een marinejack aan met op de linkermouw een rood anker. Vraag me niet hoe ik er aan  gekomen ben, want  tot op de dag van vandaag weet ik het  niet. Na mijn (gelogen) verhaal vroeg ik aan hem of we misschien wat eten konden kopen, waarop er een stuk of zes grendels van de deur werden geschoven en we binnen mochten komen.

We wisten werkelijk niet wat we zagen. Voor ons was het luilekkerland. Er stonden zakken met aardappelen, er was tarwe, rogge, flessen olie, kortom te veel om op te noemen. Ook hingen er een twee geslachte konijnen aan de muur..  We keken onze ogen uit, zoiets hadden we nog nooit gezien.

De man gaf een klopje op m´n schouder en zei: ”Ik zal jullie helpen, ik zal jullie zoveel geven als je mee kan sjouwen.” En dat heeft hij gedaan ook.

We kregen ieder voor plm. 60 kg. aan voedsel en moesten daarvoor ´slechts 60 gulden per persoon betalen. Dat was in die tijd een werkelijk een “schijntje.”

We konden dan ook ons geluk niet op. Geen bedelpartijen meer bij de boeren.

We wisten niet hoe deze man te bedanken. Ik geloof dat we hem wel 1000x bedankt hebben.

We zijn weer naar onze overnachtadressen (bakker en kuiper) gegaan en hebben daar ons verhaal verteld en kregen weer te eten en te drinken.

De volgende dag, na het bakkersgezin en het gezin van de kuiper  hartelijk bedankt te hebben voor de genoten gastvrijheid, stapten we weer op de fiets richting Deventer. Daar aangekomen zijn we weer naar het huis van de leraar van de ambachtschool gegaan om te overnachten. Toen deze al dat eten zag dat we bij ons hadden zei hij dat we daarmee nooit door de Duitse controle  bij de Deventerbrug kwamen.       

Hij stelde ons voor om alles in  gonje zakjes te doen die hij dan zou meegeven aan zijn leerlingen. Die moesten aan de andere kant van de brug werken aan de IJssel-linie.

Zij zouden ons dan aan de overkant opwachten en de zakjes weer aan ons teruggeven. Vanzelfsprekend gingen wij  met dat voorstel akkoord.  Waar hij al die gonje zakjes zo gauw vandaan heeft gehaald is me nog steeds een raadsel.

Toen we de volgende morgen vertrokken (na eerst iedereen uitvoerig te hebben bedankt ) vroegen we ons wel af of het allemaal zou lukken. Tot onze verbazing kwamen we zonder moeilijkheden door de Duitse controle over de brug.

Daar stonden, tot onze grote opluchting, de jongens van de ambachtschool ons op te wachten met de zakjes etenswaar die zij aan ons gaven. Wij bedankten hun hartelijk en vertelde hun dat we het bijzonder jammer vonden dat we niets terug konden doen. Maar dat vonden ze niets erg, ze vonden het fijn dat ze ons hadden kunnen helpen.

Tjonge, tjonge wat waren wij blij dat alles was gelukt.

Vol goede moed begonnen we aan onze terugtocht naar Rotterdam, niet wetende wat ons te wachten stond.

 

Alles verliep verder vlot, tot we vlakbij Rotterdam waren. Daar werden we  aangehouden door de C.C.D. (Crisis-Controle-Dienst *). Dat was een door de Duitsers ingestelde overheidsdienst die werd uitgeoefend door Hollanders en  opdracht hadden om het door hongertochtgangers opgehaalde voedsel  in beslag te nemen.

Blijkbaar kregen ook de Duitsers gebrek aan voedsel.

Wat ik toen heb meegemaakt zal ik nooit vergeten. Truus Klok liet zich voorover over het stuur van haar fiets vallen en begon te jammeren. “Ik ga dood, ik ga dood, laat ons toch a.u.b. gaan en m´n vader en moeder zijn ook doodziek en liggen op bed en sterven van de honger.”

Zo ging ze nog een tijdje door en droeg een zo aangrijpend en emotioneel verhaal op, dat ik er bijna bij stond te janken. Dit had ik nooit niet achter haar gezocht, want ze had nog nooit toneel gespeeld. Ze deed het echter zo voortreffelijk, dat die beambte medelijden kreeg en z´n hand over z´n hart streek. We mochten met onze schat aan levensmiddelen doorfietsen. Ongelooflijk!

 

Thuis gekomen werden we natuurlijk met grote blijdschap en vreugde  ontvangen.  Er was weer voor een paar weken “brood op de plank!”

 

Noot: Misschien zijn er nog mensen in leven die ons destijds hebben geholpen.   en dit verhaal onder ogen krijgen. Hierbij denk ik vooral aan de kinderen  van de leraar van de ambachtschool in Deventer en zijn leerlingen.

Tegen al die mensen wil ik zeggen:

 

                            “BEDANKT! BEDANKT! BEDANKT!”                  

 

 

*Zie ook http://nl.wikipedia.org/wiki/Controleurs_van_de_Centrale_Crisis_Controle_Dienst

 

 

 

 

                                                                                            

[Naar boven]

 

DE LUCIFER

 

In de oorlog droegen mensen die Oranjegezind waren, op Koninginnedag een lucifer met oranje kop in het knoopsgat van de revers van hun jasje.

Dit was tevens een O.Z.O. teken. (“ ORANJE ZAL OVERWINNEN.”) O.Z.O. werd in die tijd ook veel op muren en schuttingen gekalkt en iedereen wist de betekenis.

Het was op een zondagmorgen en Koninginnedag dat mijn moeder en ik met de tram naar de kerk gingen. In het knoopsgat van de revers van mijn jasje had ik een lucifer met oranje kop gestoken. Mijn moeder ging altijd binnen in de tram zitten. Ik bleef altijd op het balkon staan, omdat ik anders last kreeg van misselijkheid.

Bij een tramhalte stapte er een NSB-er in, die ook op´t balkon bleef staan. Toen hij de lucifer met oranje kop in de gaten kreeg, kwam hij op me af en trok de lucifer uit het knoopsgat en wierp hem weg. Ik zei tegen hem: ” Nou daar heb je mij niet mee, want ik heb nog een doosje vol.”  Waarop hij antwoordde: ”Wacht maar af, bij de volgende halte stappen er zes van m´n kameraden op en als je een nieuwe lucifer opdoet, smijten we je de tram uit.”

Mijn moeder had inmiddels in de gaten gekregen dat er wat “loos” was en kwam polshoogte nemen. Toen ze het hoorde wat er aan de hand was, werd ze doodnerveus en zenuwachtig.

Inmiddels stapten ook de andere zes NSB-ers (ook vaak “zwarthemden” genoemd) in de tram.

Op aandringen van mijn moeder en omdat ik ook wel inzag dat ik tegen zeven NSB-ers niet opgewassen was, heb ik toen maar gewacht tot we op de plaats van onze bestemming waren en na te zijn uitgestapt, een nieuwe lucifer met oranje kop in de revers van mijn jasje gestoken. O.Z.O.

Dit voorval is mede één van de redenen geweest waarom ik nooit een zwart overhemd heb willen dragen en nog steeds niet.                                                                                                                                                 

                                                                           

                                                                                       

                                                                                             

 

 

 

[Naar boven]

 

 

 

 

                             BRUUT GEWELD

 

In Schiedam was ik lid van de  toneelvereniging “Steeds Hoger.”

Het zal november 1940 geweest zijn, toen we met z´n vieren, s'avonds, na een toneelrepetitie, op weg waren naar huis. We liepen op de stoep naast elkaar, toen

er van de andere kant zeven aangeschoten en lallende matrozen van de

Duitse Kriegsmarine aankwamen. Omdat we niet snel genoeg (naar de heren hun zin) opzij gingen, begonnen ze er op los te slaan. De andere jongen en z´n meisje konden zich nog uit de voeten maken, maar mij lukte dat niet, i.v.m. mijn handicap (draag rechts een prothese). Het meisje dat bij mij was, Gré Begeer, liet me niet in de steek en bleef bij me, wat niet alleen hartstikke lief, maar ook erg moedig van haar was.

Helaas liep ze dan ook een paar rake klappen op en heeft enkele weken met haar arm in een mitella moeten lopen.

Zelf werd ik in elkaar geslagen, m´n  neus was opgezwollen en zo rood als een biet (ik leek wel een clown), ook zat m´n hele bovengebit los. Het gekke was, dat ik niet bang was, maar wel “witheet.” Met Gré Begeer ben ik naar de Ortscommandant (het hoofd van alle Duitse militairen in Schiedam) gegaan en heb daar in niet mis te verstane woorden gezegd hoe ik over de Duitse Wehrmacht dacht. Daarbij heb ik blijkbaar ook de opmerking gemaakt of de  Duitse krijgsmacht het als heldendaden beschouwde om invalide mensen en weerloze vrouwen in elkaar te slaan. Destijds sprak ik een aardig woordje Duits, want ik was pas van school, waar ik ook de Duitse taal geleerd heb.

Gré riep steeds: ” Brandus houd toch je mond, straks wordt je opgepakt en sturen ze je naar een concentratiekamp.”

Enfin, toen ik uitgeraasd was, belde de Ortscommandant naar (wat later bleek) de Hollandse politie, want even later kwamen er vier Hollandse agenten opdraven, die opdracht kregen om ons naar huis te brengen. Inmiddels was het ook “spertijd” en dan mochten er geen burgers meer op straat zonder speciale begeleiding.

Dit alles heeft me wel een tand gekost, maar gelukkig zijn m´n andere tanden, na verloop van tijd, weer vast gegroeid. Later bleek dat we er nog genadig waren afgekomen, want diezelfde matrozen hadden op een andere plek iemand neergestoken. Of zij later door de Ortscommandant op het “matje”zijn geroepen en bestraft, is mij niet bekend, maar ik denk het wel.   

 

                                                                                                                                                                                                                                                    

[Naar boven]

 

HONGERTOCHT MET BAAL ZOUT

&

BROOD SS-er

 

Als ik mijn verhalen aan het typen ben, is het net alsof ik het over een ander heb. Ik ben steeds verbaasd, dat ik het allemaal zelf heb beleefd en meegemaakt.

Ook het nu volgende verhaal is weer bijzonder.

 

Mijn broer Rins in Wijk bij Duurstede had mij op een vorige hongertocht verzocht om een volgende keer een baal zout mee te nemen. De boeren in de omgeving van Wijk bij Duurstede hadden n.l. gebrek aan zout en dan konden we het zout  ruilen voor levensmiddelen.

Vraag me niet hoe ik er aan gekomen ben, maar het is me gelukt om ergens een baal zout op de kop te tikken.

Met de baal zout (60 kg.) achter op de bagagedrager van m´n fiets, ben ik op weg gegaan naar Wijk bij Duurstede.

Onderweg (u weet het inmiddels wel), moest ik voor acht uur weer een onderdak   zien te vinden om te overnachten.

Tegen 8 uur kwam ik bij een herberg aan en dacht dat daar wel een plaatsje voor me zou zijn om de nacht door te brengen.

Toen ik naar binnen ging zat het vol met SS-ers. Ik vroeg aan de herbergier  of hij misschien een slaapplaatsje voor mij had, maar ik kreeg ik nul op het rekest. De herberg was gevorderd en er waren Hollandse SS-ers ingekwartierd.

Goede raad was duur, want er was inmiddels geen tijd meer om een andere slaapgelegenheid te zoeken.

Na enig heen en weer gepraat kwam er een Hollandse SS-er op me af en zei dat ik wel bij hem op de kamer kon slapen, omdat zijn maat met verlof was.

Ik had geen andere keus en zo raakte ik op de kamer van die SS-er verzeild.

Die begon gelijk wat eieren voor me te bakken en ik kreeg er een paar sneden

Duitse Kuch bij en wat te drinken.

Hoewel ik me niet erg op m´n gemak voelde, liet ik het me toch goed smaken, want ik verrekte van de honger.

Toen ik klaar was met eten en hem daarvoor had bedankt, raakte we in gesprek en vertelde hij me dat hij bij de SS was gegaan omdat hij wilde voorkomen dat zijn vrouw en kinderen zouden verhongeren en dat er nu, wat eten en drinken betreft, voor z´n gezin werd gezorgd.

Ik kon er weinig tegen in brengen, want ik wist maar al te goed wat honger betekende en wie ben ik om hem te veroordelen.

Het bleek dus een zgn. “brood SS-er” te zijn, waar er wel meer van waren.

De volgende morgen vroeg hij een andere SS-er, die er konijnen op na hield, of die een konijn wilde slachten om aan mij mee te geven, maar te vergeefs.

Zelf gaf hij me nog een paar sneden Duitse Kuch mee voor onderweg en wenste me succes op m´n verdere tocht.

Na hem nogmaals voor alles het bedankt te hebben, stapte ik weer op de fiets en vervolgde m´n weg naar Wijk bij Duurstede.

 

Zonder noemenswaardige gebeurtenissen kwam ik, met m´n baal zout, aan bij m´n broer en zijn vrouw.

We hebben het zout in kleine porties verdeeld en bij de boeren geruild voor in hoofdzaak aardappelen, rogge en tarwe.

Toen dit was gebeurd kon ik, na m´n broer en z´n vrouw voor de genoten gastvrijheid te hebben bedankt, de terugreis naar Schiedam aanvaarden.

Thuis werd ik natuurlijk weer met blijdschap en open armen ontvangen.

We konden ons weer een tijdje te goed doen aan al het meegebrachte  “kostelijke” eten.

 

[Naar boven]

                                                                                                                                                                           

 

 

 

 

DE DANS ONTSPRONGEN (I)

 

“VERZET”

 

In 1942 ben ik korte tijd bij het verzet geweest als ordonnans.

Mijn taak was het, om berichten in een gesloten enveloppe op bepaalde  adressen te bezorgen.

Besprekingen vonden plaats in een woning op het Rauwenhoffplein in Rotterdam.

Op een dag was ik met de tram op weg naar zo´n bijéénkomst.

Bij de tramhalte waar ik uit moest stappen stond iemand van het verzet mij op te wachten.

Hij vertelde mij dat er een inval in de woning was geweest en dat iedereen was opgepakt. Hij raadde mij aan om te maken dat ik weg kwam.

Die raad heb ik vanzelfsprekend opgevolgd en ben op de fiets naar mijn broer in Wijk bij Duurstede gereden, die daar was ondergedoken in een toren van een kasteel. Hier ben ik enige tijd gebleven en heb gelijk wat eten bij elkaar gestruind en ben toen toch maar weer naar huis terug gefietst.

Ik was dus mooi aan de dans ontsprongen en het betekende tevens het einde van mijn kortstondige rol bij het verzet.  

 

                                                                                      

 

 

DE DANS ONTSPRONGEN (II)

 

“KEURING”

 

December 1944 kreeg ik een oproep om gekeurd te worden voor eventuele “Arbeitseinsatz” in Duitsland.

Omdat ik een been mis, was ik er van overtuigd, dat ik niet voor uitzending naar Duitsland in aanmerking kwam.

Deze keuring zou, naar ik veronderstelde, plaats vinden in een gebouw op de Botermarkt in Schiedam.

Daar aangekomen, zag ik buiten allemaal gehandicapte mensen staan, waaronder ook enkele geestelijk gehandicapten. Zij waren allemaal “gepakt en gezakt” met koffers en dekens.

Op mijn vraag waarom ze die bagage bij zich hadden, kreeg ik ten antwoord dat er in Duitsland gekeurd zou worden.

Blijkbaar had ik de oproep niet goed gelezen of begrepen, maar u begrijpt, dat ik maakte dat ik weg kwam, met de smoes dat ik even m´n spullen op zou halen.

Natuurlijk ging ik niet terug, maar zocht ook toen weer mijn toevlucht voor een tijdje bij mijn broer in Wijk bij Duurstede.

                                                                                           

 

[Naar boven]

 

 

  

 

Wonderbaarlijke Hongertocht met mijn broer Maarten

 

Begin januari 1945 besloten mijn broer Maarten (die in Vlaardingen woonde), en ik op de fiets een hongertocht te maken naar Holten.

Het plan was om naar het zgn. “ heksenhutje” te gaan, waarin door een man zeep gefabriceerd werd en om dan eerst te overnachten in Deventer bij het gezin van een leraar van de ambachtschool .

Zie ook mijn verhaal “2e hongertocht met Truus Klok.”

De Duitse controle bij de Deventerbrug was inmiddels dermate verscherpt, dat je er alleen over mocht als je een vereist soort legitimatiebewijs bezat.

Mijn broer had destijds een soort legitimatiekaart van één of andere Duitse instelling weten te bemachtigen, waarmee hij zou proberen om over de brug te komen.

 

              (Maarten)

 

Bloedje link natuurlijk. Maar voor eten nam je alle risico.

Zelf moest ik op een andere manier proberen de brug over te komen.       

Omdat ik toentertijd als telefonist bij de luchtbescherming in Schiedam  was, had ik van de Luchtbeschermingsdienst een zwarte helm en een E.H.B.O. band gekregen, zodat ik met luchtalarm te allen tijde de straat op mocht.

Een band met “telefonist” had men niet en daarom hadden ze me maar zo lang een E.H.B.O. band gegeven, hoewel ik daar niets van af wist. Ik ging ik bij wijze van spreken al van m´n “kippengraatje” als ik bloed zag.

Van m´n huisarts had ik een briefje gekregen met het verzoek om mij bij de brug doorgang te verlenen, i.v.m. de grote hongersnood die er in Schiedam heerste.

De helm en E.H.B.O. band nam ik mee, met de hoop dat de Duitsers mij hiermee door zouden laten.

De tocht verliep wonderwel zonder veel problemen.

Vlak voor de Deventerbrug zette ik de helm op en deed de E.H.B.O. band om.

M´n broer en ik hadden afgesproken dat ik als eerste zou proberen om over de brug te komen en als dat gelukt was, dat hij dan hij volgen.

Ik fietste ik zo hard ik kon op de  Deventerbrug af en de Duitsers die daar op wacht stonden en de zwarte helm en E.H.B.O.band zagen, hebben toen vast gedacht dat ik ergens hulp moest verlenen, en schreeuwden: “Fahr Los, Fahr Los” en lieten me tot m´n stomme verbazing doorrijden.

Ook mijn broer lukte het om over de brug te komen en zo hadden we tot onze grote opluchting deze hindernis genomen. Niet te geloven!

Toen we de brug over waren, werden we in Deventer door de leraar van de Ambachtschool en zijn gezin hartelijk en gastvrij ontvangen en mochten daar ook overnachten.

De volgende morgen kregen we een heerlijk ontbijt en na de familie hartelijk voor alles te hebben bedankt, gingen we op weg naar Holten.

 

We waren nog maar net Deventer uit, toen er, tot onze schrik, door de Duitsers een controle werd gehouden. Ik zei tegen mijn broer: ik stap van mijn fiets af en ga lopen, dan zien ze dat ik invalide ben en laten ze me wel gaan. Fiets jij maar door. Mijn broer werd zonder problemen doorgelaten, maar ik werd aangehouden en na mijn persoonsbewijs te hebben getoond, vroegen ze me hoe het mij gelukt was over de brug te komen. Ik liet toen het briefje van mijn huisarts zien en m´n helm en E.H.B.O. band,  maar het hielp niet  hun te overtuigen dat ik aan de hand van deze bescheiden over de brug was gekomen.  Ik moest met ze mee naar een gebouwtje, waar ik grondig werd gefouilleerd, zelfs de inhoud van m´n vulpotlood. Gelukkig had ik geen bezwarende papieren bij me. Maar wel kregen 2 Duitsers de opdracht mij naar de andere kant van de brug te brengen.

Daar aangekomen, heb ik toen voor het eerst aan de kant van de weg een potje zitten janken, het was me even teveel.

Na een poosje kwam het idee bij me op, om weer naar mijn broer in Wijk bij Duurstede te fietsen, om te proberen daar wat voedsel bijéén te scharrelen.

Zo gedacht, zo gedaan.

Ik heb die avond ergens onderdak gekregen en ook geslapen.

hongertochtDe volgende morgen weer vroeg op pad en na de nodige kilometertjes gefietst te hebben, zag ik in de verte een man die op een richtingaanwijzer van de A.N.W.B. stond te kijken. Dat was vreemd, omdat de Duitsers praktisch alle A.N.W.B. borden hadden  verwijderd i.v.m. de oorlogstoestand. Dit bord waren zij blijkbaar vergeten.

Ik besloot ook eens te gaan kijken om te zien of ik wel de goede weg was.

Bij het bord aangekomen keek ik de man aan en hij keek mij aan en geloof het of niet, het was mijn eigen broer Maarten.

Zegt u het maar, was het toeval of een wonder?

Wat was het geval, mijn broer die gezien had dat ik weer naar de andere kant van de brug werd gebracht, besloot, om voor hij terug ging, eerst nog even naar het hutje van de “zeepman” te gaan om voedsel te kopen.

Helaas was het hutje, dat langs een spoorbaan stond, tijdens een bombardement geraakt en er viel dus niets meer te halen. Mijn broer besloot toen ook om naar onze broer Rinus in Wijk bij Duurstede te fietsen. En zo kwam het dat wij de andere dag elkaar weer ontmoetten bij dat A.N.W.B. bord.

Samen zijn we naar Wijk bij Duurstede gefietst en is het ons, na een paar dagen gelukt, om met hulp van onze broer Rinus, genoeg voedsel op de kop te tikken om de terugreis naar huis te aanvaarden.

Onderweg kregen we met extreme kou en enorme sneeuwstormen te maken en

moesten vaak schuilen en hele stukken lopen, omdat tegen de storm niet in te fietsen viel.

Na een nacht te hebben doorgebracht in een “passantenhuis”, zijn we toch veilig en wel thuis gekomen.

 

Ik was doodmoe en aan het einde van m´n “Latijn” en had een open lies door het vele lopen. Maar na een week was alle leed geleden en konden er weer voorbereidingen worden gemaakt voor een volgende tocht.

 

 

Heel veel dank zijn wij verschuldigd aan mijn broer Rinus en zijn vrouw Aad, die ons gedurende de hongerwinter steeds vele malen gastvrij hebben ontvangen en enorm behulpzaam zijn geweest.  

 

    

(Aad en Rinus in hun jonge jaren)

                                                                    

     

 

 

                                                                                                                                                   

 

[Naar boven] 

 

 

DE POT!

 

Op een hongertocht met mijn broer Maarten maakten wij de volgende komische gebeurtenis mee.

Het was tegen acht uur en wij waren op zoek naar een slaapplaats voor de nacht. Bij een boerderijtje aangekomen klopten we aan om te vragen of er misschien slaapgelegenheid voor ons was.

De boer die open deed, zei dat hij al drie meiden op zolder te slapen had in een ijzeren ledikant. Als die  geen bezwaar maakten als wij op de grond aan het einde van het ledikant gingen slapen, dan vond hij het ook best. Hij zou het wel even gaan vragen en erbij zeggen dat wij broers waren.

Nou, de boer heeft zeker een heel goed woordje voor ons gedaan, want de dames vonden het goed en zo konden wij ons, na eerst nog wat gezellig met elkaar gekletst te hebben, aan het voeteneinde te slapen leggen.

Onder het bed stond zo´n grote ouderwetse ijzeren piespot, voor als er iemand hoge nood zou krijgen.

Na elkaar welterusten te hebben gewenst, zouden wij dan eindelijk gaan slapen.

Op een gegeven moment hoorden we de meiden onderdrukt fluisteren en zachtjes giechelen.

Dan was het weer even stil en dan begon het fluisteren en gegiechel weer opnieuw.

Dat ging zo een tijdje door.

Want wat was het geval, één van die meiden moest plassen, maar durfde niet, omdat wij aan het voeteneinde lagen.

Ze stelde het dus steeds maar uit.

Maar dat gaat goed, voor zo lang het kan.

Uiteindelijk nam ze toch de pot en toen kletterde de plas met een luid geweld in de ijzeren pot. Het leek wel een waterval!

De meiden in het ledikant gilden het uit van de lach. Gelukkig hoefden wij onze lach toen ook niet langer in te houden en we proesten het uit.

Het slachtoffer lachte even later hartelijk mee.

Het waren “ toffe”meiden, het werd allemaal sportief opgevat, maar van slapen kwam  niet veel meer terecht.

De volgende morgen namen we vrolijk afscheid en wensten elkaar veel succes op onze verdere hongertocht.

 

                                                                                                                                                                                            

  

[Naar boven]

 

 

 

 

VERZET EN JODENVERVOLGING

 

Inleiding

De eerste actie van verzet begon reeds 15 mei 1940.

Hieronder laat ik het geschreven bericht no. 2 volgen dat door de verzetsbeweging “ De Geuzen” werd gepubliceerd.

 

Citaat

 

Geuzenactie        Bericht no.2.

 

De Geuzenactie is ingezet op 15 Mei 1940 te Amsterdam. Ons eerste bericht heeft nu zelfs Nijmegen al bereikt. Nederland zal zijn vrijheidsberoving niet voor zoete koek opeten. We weten wat ons te wachten staat. Al onze voorraden zullen worden weggehaald, voedsel, kleding, schoeisel.

Spoedig krijgen we het bonnenstelsel voor alles en nog wat en daarna kunnen we zelfs op de bonnen niets meer krijgen.

Onze jonge mannen zullen worden gedwongen elders te gaan werken voor den overweldiger. We krijgen spoedig een nieuwe Alva met bloedraad en inquisitie (of een Quisling). Maar de Geuzenactie zal ons geleidelijk organiseren en eenmaal zullen we, evenals in de tachtigjarige oorlog, onze vrijheid heroveren. Moed en vertrouwen.

Ons land zal geen onderdeel van Duitsland worden!

 

De Geuzenactie bestaat uit het volgende:

Schrijf elk bericht twee of meer keer volledig over met verdraaide hand. Doe ongemerkt elk papiertje (ook dit exemplaar) toekomen aan een betrouwbare Nederlander, die weer hetzelfde doet als gij. Onderbreek deze actie nooit, ook al krijgt ge soms een bericht voor de tweede maal. Overal stellen we geheime agenten aan. Spoedig hoort ge meer.

Laat ieder deze Geuzenplicht doen!

Eén voor allen, allen één!

Dit bericht is uitgezonden op 18 mei 1940.

Tot zover dit bericht.

 

Onwaarschijnlijk dat al deze voorspellingen ook zijn uitgekomen.

Helaas werden in maart 1941 één en twintig van hen opgepakt, waarvan er 18 zijn gefusilleerd i.v.m. gepleegde sabotage of  anderszins.

(Bekend is het gedicht van Jan Campert: “Het lied der achttien doden”, wat hierover gaat.)

 

Drie van de 21 kregen levenslange tuchthuisstraf omdat zij nog geen 18 jaar waren.

Eén van die drie was Bill Minco, een oudere broer van een vriend van mij Hugo Minco, zonen van een Joodse familie.  Bill Minco was nog scholier en 17 jaar.

Hij werd eerst overgebracht naar het Oranjehotel (gevangenis in Scheveningen).

Historisch zijn de woorden die één van de verzetstrijders in zijn cel op de muur heeft geschreven, t.w.:

 

"IN DEZE BAJES ZIT GEEN GAJES,

MAAR HOLLANDS GLORIE, POTJANDORIE!"

 

 Bil Minco heeft daarna de volgende concentratiekampen overleefd:

Untermaszfeld – Mauthausen – Auschwitz en Dachau.

 

Bijna niet te geloven, als je bedenkt, dat er 6 miljoen Joden zijn omgebracht.

Hier kan je echt spreken van een wonder!

Wel had hij T.B.C. opgelopen en werd hij na zijn bevrijding in

1945 opgenomen in het T.B.C.-sanatorium in Davos.

Naar ik vermoed heeft hij daar ook zijn boek geschreven:

“ Koude voeten.”  (Tweede druk, mei 1997, softcover, 205 pag.)

 

Bill Minco heb ik voor het laatst op de TV gezien toen hij 90 jaar was.

Ook wonderlijk, als je zoveel heb meegemaakt en dan toch nog zo´n

leeftijd bereikt.

 

In 1941 werd door de Duitsers begonnen met de Jodenvervolging en de vader van mijn vriend Hugo ( die toen een jaar of 15/16 was)

vroeg aan mij of ik mijn persoonsbewijs aan Hugo wilde geven, dan kon die op mijn persoonsbewijs onderduiken.

 

Zelf was ik amper 17 jaar en me niet helemaal bewust van het gevaar

dat ik opliep en ik deed het voor mijn vriend.

De aantekening “rechts kunstbeen” probeerde ik met een mesje weg te

te schrappen, wat niet erg lukte en heb het daarna aan hem gegeven.

Als hij was aangehouden had iedereen onmiddellijk gezien dat er

met het persoonsbewijs was geknoeid.

Maar ja, het is hem toch gelukt om op mijn naam onder te duiken.

Zelf durfde ik nauwelijks de straat op, bang als ik was te worden

aangehouden. Mijn moeder zei wel eens tegen me: ” Knul ga

nou eens de straat op, je zit steeds maar op je kamertje”.

Zij wist n.l. van het hele geval niets af.

Gelukkig kreeg ik mijn persoonsbewijs na enige tijd over de post

terug.

Toen was men er bij het verzet n.l. in geslaagd om valse persoonsbewijzen te maken en Hugo heeft er toen één gekregen.

   

Het verzet publiceerde inmiddels ook o.a. ook de illegale blaadjes “TROUW” en “DE WAARHEID.”

 

De familie Minco woonde destijds in de Graaf Florisstraat in Rotterdam en kort na de bevrijding ben ik er heen gegaan om te zien of zij de oorlog hadden overleefd en, oh wonder, gelukkig was dat zo. Maar Bill Minco was opgenomen in het T.B.C.- sanatorium in Davos, zoals ik reeds eerder heb vermeld.

 

Het contact met de familie Minco is in de loop der jaren door verhuizingen en dergelijke verloren gegaan.

 

Op de familiefoto ziet u op de tafel een kleine foto staan van Bill Minco (die toen in de gevangenis zat) en daarachter mijn vriend Hugo en links en rechts zijn vader en moeder.

 

                                                                                           

 

[Naar boven]

 

 

UITVINDINGEN

 

Knap hoe sommige lieden in de oorlog dingen wisten te verzinnen om toch nog wat geld te verdienen.

Op het Boerhavenplein in Schiedam was destijds een ijssalon gevestigd. De eigenaar hiervan had het volgende verzonnen toen hij geen ijs meer kon verkopen, omdat er geen stroom meer was.

Hij deed in een soort grote badkuip een bepaalde hoeveelheid taptemelkpoeder en wat aardbeien, frambozen, of een andere smaak essence en vermengde dat met een flinke hoeveelheid water.

In de badkuip stond een rad en voor de badkuip een fiets op een soort stellage, zodat de wielen niet in aanraking kwamen met de grond.

De fietsketting was met het rad in de badkuip verbonden.

Hij had twee jonge knapen in dienst plm. 13/14 jaar oud (kunnen ook wel z´n zoontjes geweest zijn), die om de beurt gingen fietsen. Het rad in de badkuip

begon dan te draaien en in de badkuip ontstond, na verloop van tijd, een enorme hoeveelheid schuim, vergelijkbaar met de substantie die je op de kermis koopt als je de kinderen op een zgn. “suikerspin” trakteert.

Dit spul was te koop voor 50 cent per flinke pollepel.

Als je een paar lepels van dat spul ophad, kreeg je een volle maag en was je hongergevoel, voor zo lang het duurde, verdwenen.

Regelmatig ging ik met een flinke pan wat van dat spul voor de hele familie halen. Voor ik er mee naar huis ging, kocht ik eerst wat voor mezelf en at dat in de ijssalon op, in de veronderstelling dat ik er dan thuis niets meer van hoefde.

Moest je onderweg naar huis echter een harde “wind” laten of een flinke “boer,” dan verrekte je weer van de honger.

Ook hiervoor stonden de mensen in de rij!

 

Op 13 mei 1943 werden alle radiotoestellen verbeurd verklaard en moest je ze inleveren. Dit werd echter door lang niet iedereen gedaan.

De Duitsers hoopten hiermee te bereiken, dat je dan niet meer naar de B.B.C. kon luisteren, waarop ook “Radio Oranje“ werd uitgezonden.

Toen er later dan ook geen stroom meer was,  hebben “knappe koppen” het zgn. “kristalontvangertje” uitgevonden.

Dat zat in een jampotje. In het jampotje zat ook een stuk zilverpapier.

In het dekseltje van het jampotje zat een gaatje waaruit een draadje stak. Met het draadje moest je dan over het zilverpapier strijken en via een koptelefoon kon je dan met veel geruis en gekraak op de Engelse zender “Radio Oranje” ontvangen.

Dat ging dan als volgt: eerst hoorde je driemaal de eerste 4 tonen van de vijfde symfonie van Beethoven, dadada dom, dadada dom, dadada dom, en dan:

“Hier de stem van strijdend Nederland, op de 1500 en 373 meter, en in de 41, 31, 25, 19, 16, en 13 meterband.”

Ik kan het me nog als de dag van gisteren herinneren.                 

                                                                      

                                                                                                                                                               

                                                                                                                         

[Naar boven]

                                              

 

MIJN VADER en MOEDER

 

In al mijn verhalen wordt mijn vader praktisch niet genoemd.

Dat komt omdat mijn vader vaak van huis was en op zee verbleef. 

Hij was hoofdmachinist op het stoomschip s.s. ” Friesland” van de Scheepvaart en Steenkolen Maatschappij te Rotterdam.

Meestal was hij maar enkele dagen thuis, moest dan weer varen en was weer maandenlang van huis.

Vóór 1940 voer hij o.a. op Engeland, Schotland, Finland, Estland, Letland, Litauen en Rusland.

Vaak nam hij (uit Estland. Letland en Litauen) barnstenen sieraden voor mijn moeder en zussen mee. Het bijzondere hieraan was, dat er nog vliegjes of andere insecten in het barnsteen zaten.

De schepen werden destijds nog met kolen gestookt.

Mijn vader heeft twee wereldoorlogen overleefd.

In de oorlog van 1914-1918 werd het schip waar hij toen op voer getorpedeerd en in een roeiboot is hij toen op de Schotse kust aangespoeld.

Ons gezin bestond uit negen personen. Ik had vier broers en vier zussen, waarvan de eerste vier vóór 1918 zijn geboren, de vijf anderen (waar ik ook bij hoor)) na 1918.

In ons gezin werd wel eens gekscherend gesproken over de eerste leg en de tweede leg.

Mijn vader was een verwoed postzegelverzamelaar, hij verzamelde postzegels uit alle landen.

Gedurende de tweede wereldoorlog heeft hij, in dienst van de geallieerden, op s.s.” Friesland” in konvooi naar Canada gevaren.

(Zie geplaatste foto.)

 

Vooral in het begin van de oorlog werden de koopvaardij schepen in groten getale door de Duitse onderzeeboten (zgn. U-boten) de grond in geboord.

Andere schepen hadden dan strikte opdracht om door te varen. Zij mochten onder geen beding drenkelingen redden en aan boord nemen, omdat dan het gevaar bestond zelf getorpedeerd te worden.

Mijn vader heeft verschrikkelijke dingen meegemaakt en gezien.

Toen  m´n vader een keer met z´n schip in Londen terug kwam,  moest hij in het ziekenhuis aldaar worden opgenomen, om behandeld te worden aan steenpuisten.

Op het moment dat mijn vader in het zieken huis lag, is het ss Friesland op 1 november 1940 onderweg van Immingham naar Dover bij lichtschip South Goodwin op een mijn gelopen en gezonken. Daarbij viel 1 slachtoffer te betreuren.

M´n vader heeft dus alle geluk van de wereld gehad, dat hij juist toen in het ziekenhuis lag.

Na het einde van de oorlog heeft hij een “Margriet” speldje gekregen en een medaille voor het tijdens de oorlog varen voor de geallieerden.

 Mijn vader was geen spraakzaam mens. Met mij heeft hij nooit over die periode gesproken.

Aan mijn oudere zus Adrie en aan mijn zwager Gerard ( waar m´n vader later een tijdje in huis is geweest) heeft hij wel het één en ander  verteld.

Van hen ben ik sommige van eerder gestelde belevenissen  aan de weet gekomen.

 

Mijn vader kon niet zwemmen en dat vond hij, als zeeman zijnde, een groot gebrek. Aan hem heb ik het te danken dat ik het wel kan.

Hij stond er n.l. op dat ik, ondanks m´n handicap, zwemles nam en vader´s wil was wet!

Op m´n 11e jaar haalde ik in een maand tijd het A- en B- diploma.

 

Bij zijn terugkeer uit Engeland (na de bevrijding) had mijn vader voor mij een fiets meegebracht, als blijk van waardering van de door mij gemaakte hongertochten.

Van mijn zus Martha , die telefoniste was in Rotterdam bij de R.T.M stoomtram (ook wel de “moordenaar” genoemd vanwege de vele dodelijke ongevallen)  kreeg ik een horloge.

 

 

Vermeldenswaard is nog, dat dit horloge werd gekocht op  een zgn. “horlogebon.” Aan alle mensen  die een horloge nodig hadden voor hun beroep, werd zo´n “horlogebon” verstrekt, dus ook aan mijn zus

Martha.    

 

Het moge ook duidelijk zijn, dat mijn moeder het lang niet altijd  makkelijk heeft gehad met een man die vaak op zee was.

Tijdens de oorlog 1940-1945 kreeg zij af en toe een berichtje via het Rode Kruis dat alles nog goed was met haar man en “that was it!”

Vaak stond zij er alleen voor om de kinderen groot te brengen en op te voeden, en ik kan u verzekeren, dat was geen gemakkelijke taak, want we waren nu niet bepaald “lieverdjes.”

En vooral met mij heeft ze heel wat te stellen gehad.

Sorry moeder.

 

                                                                                                      

 

      

 

 

 

              NOODKACHELTJES

 

In de winter 1944-1945 was praktisch in elk gezin een zgn. “noodkacheltje” aanwezig, omdat men niet meer over gas en elektra

kon beschikken. 

Wanneer je in het bezit was van tarwe, rogge en dergelijke, dan moest dat eerst gemalen worden tot meel en als je dan warme pap wilde maken, of andere etenswaar wilde verwarmen, dan gebeurde dat op een noodkacheltje. (Zie geplaatste afbeelding.)

Lieden met “gouden handjes” maakte zo´n kacheltje zelf, maar als je niet zo handig was,  kon je ook zo´n noodkacheltje kopen.

Wij hadden er één gekocht, want ik heb twee linkse handen.

Dat kacheltje werd aangemaakt en gestookt met papier, karton en hout.

Om aan hout te komen werden deuren gesloopt, houten blokjes die naast de tramrails lagen weggehaald, en ook de  houten bielzen tussen de treinrails.

Er reden in die tijd n.l. geen tram´s, bussen en treinen meer.

Honden en katten zag je ook niet meer op straat, want die waren hun leven niet zeker als u begrijpt wat ik bedoel.

Met levensgevaar zijn ´s-nachts veel bomen omgehakt.

Wij woonden in die tijd in de Boerhavelaan in Schiedam, een laan die vol stond met bomen. Al die bomen zijn in één nacht om gehakt.

Mijn zwager Gerard en z´n broer Bouke, die bij ons waren ondergedoken, hielpen daarbij een handje mee, wat voor hen helemaal  “bloedje link” was.

Zij zaten n.l. in het verzet, waren gepakt en uit een rijdende trein in de sneeuw gesprongen en wisten zo te ontkomen. Gelukkig hebben zij toen ons huis in Schiedam weten te bereiken. 

Het bomen omhakken is ook allemaal goed afgelopen en zodoende hadden wij een flink partijtje hout voor ons noodkacheltje.

Men kroop ´s-avonds vroeg onder de wol, om niet in de kou te zitten.

Ondanks alle ellende werden er toch, gek genoeg, nog de nodige baby´s verwekt. Wellicht het resultaat van het vroege naar bed gaan!

Ja, ja, het was een rare tijd!

 

                                                                                          

 

 

[Naar boven]

 

 

 

 

BOMBARDEMENT ROTTERDAM

 

 

[Citaat:]

 

Op de rampzalige 14e mei 1940 werd de hemel boven Rotterdam verduisterd door 54 Heinkel bommenwerpers geladen met 100 ton brand- en brisantbommen.

Het bombardement begon om 13.20 uur. Twintig minuten later waren er 900 doden te betreuren.

Duizenden (het juiste aantal is nooit bekend geworden) waren gewond geraakt.

In totaal waren buiten kerken, winkels en openbare gebouwen 25.000 woningen vernield. Het aantal daklozen steeg tot 78.000.”

 

[Tot zover dit citaat.]

 

Wij woonde destijds in de Boerhavelaan in Schiedam, en op het dak stond ik met vele buurtbewoners het bombardement gade te slaan.

We beseften niet dat wij ook gevaar liepen gebombardeerd te worden en het drong niet geheel tot ons door wat voor een verschrikking er gaande was.

Op een gegeven moment zag ik een Nederlands jachtvliegtuig een Fokker G1 opstijgen om de strijd tegen de Duitse bommenwerpers aan te binden.

Het was natuurlijk een ongelijke strijd en de Fokker G1 werd dan ook neer geschoten.

Het was een rot gezicht dat ik nooit vergeten zal. Het greep me aan en ik geloof dat bij mij toen ook de haat tegen de Duitsers is ontstaan.

Een dag later kwamen we aan de weet wat een dood en verderf de Duitsers in de Rotterdamse binnenstad hadden aangericht.

Ook hadden de Duitsers een groot aantal parachutisten gedropt en hoewel de Mariniers op de Maasbrug werkelijk met “leeuwenmoed” tegen de Duitsers  hebben gevochten, was de overmacht veel te groot en moesten zij uiteindelijk de ongelijke strijd opgeven.

 

 

 

 

 

 

Het korps Mariniers staat bij de Rotterdammers heel hoog in aanzien.

 

Zij willen over de Mariniers dan ook geen kwaad woord horen.

En nu nog als zij door de stad marcheren is een warm applaus hun aandeel.

 

Zelf ben ik ook “apentrots” dat zowel mijn schoonzoon Andy Pormes als mijn kleinzoon Danny Pormes, bij het korps Mariniers hebben gediend.

Maar wat wil je? Ik ben ook een Rotterdammer!

 

 

[Naar boven]

 

 

      

BEVRIJDING

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Eindelijk, eindelijk, eindelijk kwam op 5 mei 1945 de lang verwachte bevrijding. Eindelijk kwam een einde aan de jarenlange Duitse onderdrukking en kwam er ook een einde aan de hongersnood.

Tot mijn grote verrassing kreeg ik van mijn moeder op de dag van de bevrijding een pakje Chief Whip sigaretten, dat zij voor mij in de linnenkast had verstopt.  Vlug stak ik een sigaretje op, inhaleerde, en ging zowat van m´n  kippengraatje.

Ik was natuurlijk geen nicotine meer gewend. Ik maakte de sigaret vlug uit en heb daarna voorlopig geen sigaret meer opgestoken.

Mijn moeder had ook een fles Oranje Bitter bewaard voor deze heugelijke dag. Deze werd uitgeschonken aan familieleden, vrienden en kennissen, om te proosten op de bevrijding!

 

Een paar dagen voor het einde van de oorlog hadden de geallieerden toestemming van de Duitsers gekregen om met vliegtuigen voedsel te droppen in het westen van Nederland voor de uitgehongerde bevolking.

Dit gebeurde met Amerikaanse B17 bommenwerpers ook wel “Vliegende Forten” genoemd. Deze vliegtuigen vlogen met minimum snelheid en op zeer lage hoogte over, tot groot enthousiasme van de mensen.

Op de grond en op de daken van de huizen stonden zij naar de vliegtuigen te zwaaien met zakdoeken, lakens en sommige zelfs met vlaggen.

Eén van de vliegvelden waar zo´n dropping plaats vond was vliegveld Ypenburg bij Den Haag. Toen ik op m´n gammele fiets daar heen fietste om naar de voedseldropping te kijken, werd ik zowat door een vliegtuig  van m´n fiets gevlogen, zo laag kwam die over.  Ik heb me plat op de grond moeten werpen om dit te voorkomen.

Dit laag vliegen noemde men in de volksmond:

 

“Huissie, boompie, beessie!”

 

Het gedropte voedsel bestond o.a. uit blikken zgn. “kakies” (een soort zeekaken), kaas, meel, chocolade met vitaminen, blikjes “meat en vegetables” (vlees en groenten) en nog wat andere levensmiddelen. Ze werden  “tien in één blikken” genoemd.

Engeland zag kans om in twee weken tijd elf miljoen kilo voedsel aan te maken om uit te strooien.

 

De Zweedse regering had schepen met meel gestuurd. Hiervan werden witte broden gebakken, het zgn. “Zweedse wittebrood”. Men stond urenlang voor de winkels in de rij waar het brood op bonnen werd verstrekt.

De mensen vergeleken de smaak van dit brood met cake.

Een Zweedse boterham belegd met meat en vegetables was “het einde!”

De gedropte “kakies” waren zo keihard, dat je ze met een kunstgebit niet kon eten. Je moest ze dan eerst te weken leggen in water of surrogaat thee.

Dat mocht de pret echter niet drukken. Je had wat te eten!

Het verhaal deed toen de ronde, dat de magen van sommige mannen barsten, toen zij een stelletje van die “kakies” hadden opgepeuzeld en daarna een paar glazen bier dronken. Of dit ook werkelijk is gebeurd, is mij niet bekend.

 

Van de intocht van de geallieerden troepen heb ikzelf weinig  gemerkt, omdat er geen tanks e.d.  door de Boerhavelaan in Schiedam, (waar ik woonde) kwamen. Af en toe reed er een Engelse legerwagen door de straat.

 

Weken lang werden er iedere avond straatfeesten georganiseerd tot diep in de nacht op het Boerhaveplein. Er werd gehost en gedanst op muziek van grammofoonplaten, van een draaiorgel, of van in de haast samengestelde “bandjes.”

 

Er werden wedstrijden gehouden wie zich het leukste of gekste had verkleed. Ook verklede groepen namen hieraan deel. Het leek net Carnaval!

In die tijd vond voor mij ook de belangrijkste gebeurtenis van mijn leven plaats.

Ik leerde namelijk mijn fantastische en lieve vrouw kennen en werd verliefd. Gelukkig was de liefde wederzijds.

Wij zijn denk ik één van de eerste stelletjes geweest die gingen samen wonen,  voor we trouwden (toen zei men: ”Hokken”)  wat in die tijd “een schande” was.

Op 2 april 1946 zijn we in Rotterdam getrouwd en hebben ruim 57 jaar lief en leed samen gedeeld.

 

                                                                                                           

 

 

 

[Naar boven]

 

                                                                

RINUS EN DE GROENTEZAAK

 

Gedurende de oorlog in de meidagen van 1940 was mijn broer Rinus  gelegerd op vliegveld Valkenburg, gelegen tussen Katwijk aan de Rijn en Leiden, waar hij heeft deel genomen aan de gevechten tegen de Duitsers.

Tijdens deze gevechten hebben veel Nederlandse militairen het leven gelaten.

Een dag na de capitulatie ben ik direct op mijn fiets gestapt en naar  het vliegveld gereden, om te kijken of mijn broer de strijd had overleefd..

Gelukkig was dat het geval en konden wij elkaar met blijdschap begroeten.

Na wat bijgepraat te hebben, en bij de soldaten gegeten te hebben, aanvaardde ik zo vlug mogelijk de terugtocht naar Schiedam, om de familieleden  van het heugelijke feit, dat Rinus ongedeerd was, op de hoogte te stellen.

Mijn broer en zijn vrouw Aad hadden in die tijd een groentezaak in Rotterdam, in Spangen op de hoek van de van Lennepstraat, waar hij na enige tijd weer aan het werk ging. Dit heeft echter niet lang geduurd, want kort daarna werden alle gewezen militairen opgeroepen om zich te melden om op transport te worden gesteld naar Duitsland.

Dit was voor mijn broer het moment om te maken dat hij weg kwam. Samen met zijn vrouw is hij toen gedurende de Duitse bezetting onder gedoken in de toren van een voormalig kasteel in Wijk bij Duurstede. Deze toren stond vlak naast een boerderij, waar zij aan het nodige voedsel konden komen.

Hoe hij aan dit onderduikadres is gekomen weet ik niet, maar ik vermoed via een familielid van zijn vrouw.

Tijdens de hongerwinter in 1944/1945 ben ik er diverse malen naar toe gefietst, omdat daar in de omgeving, zij het met moeite, nog wel aan de nodige etenswaren te komen was.

 

Om de groentezaak te runnen had hij een oudere man gecharterd, oome Dirk genaamd. Of dit ook werkelijk een oom van zijn vrouw was weet ik niet, maar men noemde hem zo.

Het was in de tijd dat er nog aardappelen op de bon verkrijgbaar waren.

De aardappelen lagen opgeslagen in de kelder onder de zaak.

Op een keer was er via het kelderraampje ingebroken en waren er aardappelen gestolen. Wel begrijpelijk als je verrekt van de honger.

Om dit in het vervolg te voorkomen werd mij gevraagd om in de woning van mijn broer te overnachten en eventuele inbrekers te verjagen.

Nu was ik bepaald geen held en ik besefte dat  ik in m´n “uppie”  weinig tegen een stelletje inbrekers kon beginnen.

Ik heb toen aan een vriend van me (de musicus Dick Steenbrink, zie foto!) gevraagd of hij mee wilde gaan als een soort versterking, want twee zijn nu éénmaal sterker dan één.

Gelukkig was hij daartoe bereid.

Nou, de eerste de beste avond was het meteen raak. s-Avonds om een uur of elf werd er aan het (inmiddels herstelde) kelderraampje gemorreld.

Vlug staken we een kaars aan en gingen met een hoop kabaal en geschreeuw, zo van: “Willen jullie als de donder maken dat je weg komt, anders slaan we jullie finaal in mekaar” het keldertrapje af.

En tot onze grote opluchting namen ze de benen..

Die nacht hebben we zowat geen oog dicht gedaan, en waren blij dat het tegen achten liep, want om 8 uur kwam oome Dirk om de zaak te openen.

Even voor achten werd er echter al aan de deur gerammeld en stond er een klant voor de deur.

Nou dacht ik, die kan ik ook wel even helpen deed de deur open, ging achter de toonbank staan en vroeg beleefd aan hem waarmee ik hem van dienst kon zijn.

Hij zei:” Een, een, een. een  p-p-p-p-pond  p-p-peen en en een een ki-ki-kilo

ui-ui-uien.”  Mijn vriend Dick, die in de deuropening stond schoot in een schater- lach, en toen kon ook ik mijn lachen niet bedwingen, met als resultaat, dat de man boos de zaak uit liep.

Het is echt niet mijn gewoonte om iemand uit te lachen die stottert, maar dit overviel me, en kwam zo onverwacht, dat ik er volkomen door werd verrast.

Even later kwam oome Dirk, aan wie ik het verhaal vertelde. Die wist precies wie ik bedoelde.

Gelukkig is de man niet boos gebleven en heeft even later toch zijn pond peen en kilo uien bij oome Dirk gehaald.

Ik heb me nadien niet meer laten verleiden om een vroege klant te helpen, maar geduldig de komst van oome Dirk af gewacht.

 

 

Noot:

Wat me van mijn broer Rinus altijd bij zal blijven is, dat hij zo´n enorme bewondering had voor het Korps Mariniers. Wanneer de Mariniers Kapel voorbij marcheerde, raakte hij zo geëmotioneerd, dat hij nauwelijks nog een woord uit kon brengen.

                                                                                                                                        

      

        

 

Foto van de Marinierkapel voor de Van Ghentkazerne, Toepad, Rotterdam

 

 

 

 

Deze kazerne is destijds gebouwd door de schoonvader van Rinus, aannemer Mosselman.

Rinus en zijn vrouw Aad hebben, toen de kazerne nog in aanbouw was, in één van de gereed zijnde zalen, hun bruiloftsfeest gevierd.

Wellicht heeft e.e.a. ook mede gespeeld dat Rinus gauw geëmotioneerd raakte, als hij de Marinierskapel voorbij zag marcheren.

 

Wat ik mij ook nog kan herinneren is, dat ter opluistering van hun bruiloftsfeest, mijn vriend Ad Klok en ik enkele toneelschetsjes hebben opgevoerd.

 

 

                        W. Klinge              

 

[Naar boven]

 

Opdat men ze niet vergeet!

 

In maart 1941 werden 18 verzetsmensen gefusilleerd in de duinen op de Waaldorpervlakte nabij Zandvoort.

Dit i.v.m. gepleegde sabotage  tegen de Duitse bezetting en overheersing.

Zie ook mijn verhaal VERZET EN JODENVERVOLGING onder deze rubriek. Over deze gebeurtenis verscheen onderstaand ontroerend gedicht van Jan Campert:

 

“HET LIED DER ACHTTIEN DODEN.”

 

Een cel is maar twee meter lang

en nauw twee meter breed,

wel kleiner nog is het stuk grond,

dat ik nu nog niet weet,

maar waar ik naamloos rusten zal,

mijn makkers bovendien,

wij waren achttien in getal,

geen zal de avond zien.

 

O lieflijkheid van licht en land,

van Hollands vrije kust,

eens door de vijand overmand

had ik geen uur meer rust.

Wat kan een man oprecht en trouw,

nog doen in zulk een tijd ?

Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw

en strijd den ijlden strijd.

 

Ik wist de taak die ik begon,

een taak van moeite zwaar,

maar ‘t hart dat het niet laten kon

schuwt nimmer het gevaar;

het weet hoe eenmaal in dit land

de vrijheid werd geëerd,

voordat de vloekbre schennershand

het anders heeft begeerd.

 

Voordat die eeden breekt en bralt

het miss’lijk stuk bestond

en Holland’s landen binnenvalt

en brandschat zijnen grond;

voordat die aanspraak maakt op eer

en zulk Germaans gerief

ons volk dwong onder zijn beheer

en plunderde als een dief.

 

De Rattenvanger van Berlijn

pijpt nu zijn melodie, -

zoo waar als ik straks dood zal zijn,

de liefste niet meer zie

en niet meer breken zal het brood

en slapen mag met haar -

verwerp al wat hij biedt of bood

die sluwe vogelaar.

 

Gedenk die deze woorden leest

mijn makkers in den nood

en die hen nastaan ‘t allermeest

in hunnen rampspoed groot,

gelijk ook wij hebben gedacht

aan eigen land en volk -

er daagt een dag na elke nacht,

voorbij trekt iedre wolk.

 

Ik zie hoe ‘t eerste morgenlicht

door ‘t hooge venster draalt.

Mijn God, maak mij het sterven licht -

en zoo ik heb gefaald

gelijk een elk wel falen kan,

schenk mijn dan Uw genâ,

opdat ik heenga als een man

als ik voor de loopen sta.

 

 

[Naar boven]

 

 

GEDROPTE FOTO´S

 

 

 

In de oorlog zijn er foto´s van koningin Wilhelmina en de Koninklijke familie uit Engelse vliegtuigen in Nederland gedropt.

Dit, om de toen bekende leuze O.Z.O. (Oranje Zal Overwinnen), kracht bij te zetten, en om de Nederlandse bevolking een hart onder de riem te steken om in de bevrijding te blijven geloven.

Deze foto´s vonden gretig aftrek bij de Nederlandse bevolking.

 

Op deze pagina enkele van deze destijds gedropte foto´s, waarvoor speciale aandacht voor de foto waarop, na enig zoeken, 5 profielen van gezichten van de Koninklijke familie te zien zijn, aan de zijkanten van de blaadjes van de tak.

Was je in het bezit van één of meerdere van deze foto´s, dan was dat niet zonder gevaar, want als de Duitsers deze bij een razzia of aanhouding vonden, dan werd je opgepakt, met alle gevolgen van dien.

 

Onderstaande foto´s vond ik onlangs terug in een oude kartonnen doos waarin ik vroeger de foto´s bewaarde.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                                                                          

Gedicht bij foto Koningin Wilhelmina 1940.

 

 

Neen, ´t was geen vlucht die U deed gaan

Maar volgen, waar God riep

´k Vraag niet, wat in U is doorstaan,

Een strijd, hoe zwaar, hoe diep.

 

Wij knielen met en naast u neer

Tot God de blik, de hand;

Geef Neerland aan Oranje weer,

Oranje aan Nederland.

 

En kome dan, wat komen mag,

W´aanbidden, zwijgen stil

De nacht zij zwart, omfloerst de dag,

Geschiede Heer, Uw wil.

 

 

Tekst foto tak met bladeren.

 (Zoek de profielen aan de randen van de bladeren.)

 

 

 

 

Verhuld zijn vruchten in de

harde schaal,

verscholen zijn de waarden

in dit leven,

nochtans verstaat ons hart

de klare taal

van het symbool

aan Nederland te geven.

 

 

 

Verder nog een foto waarop, toen nog, prinses Juliana met haar kinderen, waarvan de voorste nu Koningin Beatrix.

Deze foto werd gemaakt in Canada.

 

 

 

                                                                                                            W. Klinge            

               

.

 

                                                                          

[Naar boven]

 

 

 

HET VERGETEN BOMBARDEMENT

 

Op 31 maart 1943 (om 14uur 45) werd het westen van Rotterdam gebombardeerd door Engelsen vliegtuigen.

De bommenwerpers vlogen op zo´n grote hoogte, dat ze nauwelijks te zien waren.

De bedoeling was om de havens van Rotterdam te bombarderen, t.w. de Merwedehavens,  alsmede het spoorwegemplacement aan de Hudsonstraat en de daarachter gelegen haven.

Door, vermoedelijk een kapitale navigatiefout, werden de beoogde doelen echter

gemist en viel helaas een regen van bommen op de woonhuizen.

 

De meeste bommen vielen op de Schiedamscheweg, een gedeelte op de Mathenesseweg, verder op de Hudsonstraat, Gijsingstraat en praktisch alle omliggende straten.

Een triest voorval was, dat het hele gezin van Dr.Vader op de Schiedamscheweg hierbij om het leven kwam.

 

(de Schiedamscheweg)

 

 

Er vielen 750 doden te betreuren en er werden 2500 huizen plat gebombardeerd.

 

Een groot deel van mijn jeugd (van m´n  6 e tot 14e jaar)  heb ik met mijn broers en zussen op de Schiedamscheweg 267A gewoond. Toch bijzonder, dat ik me zelfs nu nog het huisnummer herinner.

Ook deze woning werd tijdens dit bombardement weggevaagd.

 

 

 

 

 

 

(bovenstaande foto´s zijn resp. de Gijsingstr., Rosenermanstraat en Mathenesserweg.)

 

Om gezondheidsredenen van mijn moeder zijn wij in 1937 verhuisd.

Mijn zus Adrie nog maar 14 jaar oud moest (nood gedwongen) op zoek naar een andere woning.

Wij  zijn toen verhuisd naar de Beatrijsstraat in Rotterdam, en omdat mijn moeder daar niet wennen kon, niet lang daarna  naar de Boerhavelaan 64A in Schiedam.

Wij waren dus, gelukkig, bijtijds uit de Schiedamscheweg vertrokken.

Het bombardement op het westen van Rotterdam was zo hevig, dat de bominslagen zelfs in Schiedam hoorbaar en merkbaar waren en wij ook angstige momenten hebben beleefd.

Mijn zus Mien (Willemien zoals ik haar altijd noemde) woonde met haar man en gezin in de Catharine Beersmanstraat in het westen van Rotterdam, waar zij een kapperszaak hadden. Als door een wonder zijn zij tijdens dit bombardement gespaard gebleven, want de kapperszaak lag midden tussen al de getroffen straten.

 

Op de foto staat het Boschpolderplein dat eveneens aan dit bombardement ontsnapt is en waarop je vanuit de kapperszaak uitkeek.

 

Het is pijnlijk om te zeggen, maar dit bombardement is een enorme “miskleun” geweest en wordt daarom vaak verzwegen, omdat de Amerikanen* in die

tijd tot onze geallieerde vrienden behoorden en het Duitse bombardement op het centrum van Rotterdam op 14 mei 1940 nog vele malen erger is geweest.

Als men dan ook over het bombardement op Rotterdam spreekt, wordt meestal het Duitse bombardement bedoeld.

 

Dit is trouwens niet het enige zgn. “vergeten bombardement” geweest.

 

Meerdere plaatsen die tijdens de oorlog door een bombardement zijn getroffen, waren onder meer:

 

Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Den Helder, Deventer, Eindhoven, Enschede, Leeuwarden en Nijmegen.

 

                                                                                                       

                                                                                                               

 

Naschrift:

 

Een monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van het vergeten bombardement te Rotterdam is geplaatst in het Gijzingsplantsoen van Park ´43 gelegen in de wijk  Bospolder- Tussendijke van de deelgemeente Delfshaven Rotterdam.

 

 

 

 * Het bombardement werd uitgevoerd door vliegtuigen van de 8e American Airforce die in Engeland hun basis hadden.

 

 

   W. Klinge

 

 

 

 

[Naar boven]

 

 

 

 

WAAROM DE DUITSERS NEDERLAND BINNENVIELEN

 

 

Zelf heb ik eigenlijk nooit precies geweten waarom de Duitse troepen op bevel van Hitler Nederland zijn binnen gevallen.

Pas nu ben ik de door Hitler opgegeven reden in het boek

 

“Een eeuw in voorpagina´s” (1900-1999)

 

uitgegeven door NRC Handelsblad, aan de weet gekomen.

Omdat ik veronderstel dat velen onder u dit ook niet weten, hieronder een citaat dat op vrijdag 10 mei 1940 in de “Nieuwe Rotterdamsche Courant stond.

 

 

[Aanvang citaat]

In Oorlog

 

De slag is gevallen. Vanochtend in de vroegte is Nederland opgeschrikt door het geronk van motoren en het gedonder van afweergeschut. Mocht men hier en daar nog meenen, dat men te doen had met waarschuwingen tegen vreemde vliegtuigen, die hun weg zochten over ons land, spoedig bleek uit verschillende verschijnselen, dat wij bloot stonden aan een aanval op eigen land gericht.

Ondanks de oprechte en krachtige pogingen van onze regering en ons volk, om naar alle zijden een eerlijke neutraliteit te handhaven, heeft het Duitsche rijk ons onverhoeds aangevallen, zulks, gelijk het in de proclamatie van Hare Majesteit de Koningin heet, niettegenstaande de plechtige toezegging dat de neutraliteit van ons land zou worden ontzien, zoolang we haar zelf handhaafden.

De inval van ons land blijkt gepaard te gaan met een inval in België en de bezetting van Luxemburg.

Evenals bij de inval in Noorwegen het geval was, motiveert men van Duitsche zijde het militaire optreden tegen ons land met de bewering, dat ons een inval van Frankrijk en Engeland te wachten zou hebben gestaan, en men voegt daaraan nog toe, dat deze inval met medeweten van Nederland en België sinds lang was voorbereid, omdat men via beide Nederlanden een aanval wenschte te doen op het Roergebied.

Deze motivering is vanochtend om zes uur ----- let wel, drie uur nadat blijkens het eerste communique van het algemeen hoofdkwartier, de Duitsche opmars begonnen was -----  aan onze regering medegedeeld, met de bijvoeging, dat tegenstand doelloos zou zijn en met de bedreiging, dat ons land aan vernietiging zou bloot staan, wanneer verzet geboden werd.

 

[Einde citaat]

 

Vanzelfsprekend werd door de Nederlandse regering bovenstaande beweringen ten stellichtste ontkent. Het enige juiste antwoord werd gegeven, t.w. dat Nederland zich in oorlog beschouwde met het Duitse rijk.

 

                                                                                                           W. Klinge               

 

 

 

 

 

[Naar boven]

 

 

 

Mobilisatie Oorlogskruis   

 

 

Enige tijd geleden ging één van mijn verhalen over het waarom de Duitsers Nederland  op 10 mei 1940 binnenvielen. 

Voor een kennis van mij, heb ik dit verhaal uitgeprint en aan haar gegeven. Zij is n.l. nogal geïnteresseerd in mijn verhalen en wil die graag lezen. Zelf heeft ze geen computer en kan dus niet op website www.cjbonline.nl van mijn computerleraar kijken waar mijn verhalen te vinden zijn. (Klik op persoonlijk en klik op Verhalen.)  Een dag nadat ik haar het betreffende verhaal had gegeven werd ik gebeld en toen ik de telefoon opnam hoorde ik : “ Ja, met Johanna.”

Nu heet mijn 2 jaar geleden overleden zus Johanna. Ik schrok en dacht een telefoontje uit de hemel te ontvangen. Omdat ik geen antwoord gaf en het enige tijd stil bleef, zei de stem: “Ja, met Johanna van de kerk.”

Toen ging mij een “licht op” en wist ik wie het was.

Zij vertelde dat het verhaal haar enorm van pas kwam. Zij had n.l. een speech gemaakt over haar vader die in de oorlog bij het 14e Regiment had gediend, maar dat zij geen goede inleiding wist. En het verhaal “Waarom de Duitsers Nederland op 10 mei 1940 binnenvielen” bracht de oplossing.

Het verhaal dat zij over haar vader heeft geschreven en alles er om heen is zo indrukwekkend, dat ik dit in z´n geheel onderstaand laat volgen.

W. Klinge

 

 

-------------------DEN VADERLAND GETROUWEN -------------------

Op 22 februari 2006 zijn de versierselen van het - Mobilisatie Oorlogskruis -

door Inspecteur Generaal der Krijgsmacht, Luitenant-generaal van Baal aan mijn vader J. van den Hoek, te Ellemeet opgespeld.

 

[Citaat uit de krant van vrijdag 10 mei 1940.]

“IN OORLOG”

“De slag is gevallen. Vanochtend in de vroegte is Nederland opgeschrikt door het geronk van motoren en het gedonder van afweergeschut. Mocht men hier en daar nog menen, dat men te doen had met waarschuwingen tegen vijandige vliegtuigen die hun weg zochten in ons land. Spoedig bleek uit verschillende verschijnselen dat wij bloot stonden aan een aan val op eigen land gericht.

Ondanks de oprechte en krachtige pogingen van onze regering en ons volk, om naar alle zijden een eerlijke neutraliteit te handhaven, heeft het Duitse Rijk ons onverhoeds aangevallen, zulks, gelijk het in de proclamatie van Hare Majesteit de Koningin heet, “niettegenstaande de plechtige toezegging, dat de neutraliteit van ons land zou worden ontzien ……, zolang wij haar zelf handhaafden.”

 

[Einde citaat.]

 

 

[Gedeelte speech generaal van Baal:]

 

“In een korte maar hevige strijd, streden zij tegen een overweldigende Duitse overmacht…..” Het is vaak onthutsend om terug te kijken op die periode.”

“Veel mensen leefden in de veronderstelling dat de neutraliteit van Nederland gerespecteerd zou worden. Zij werden wakker met een boze droom.”

Aldus generaal van Baal.

 

[Speech Johanna:]

 

Op dat moment diende mijn vader bij het 14e Regiment aan de Peel-Raamstelling.

Ook de legerplaats waar vader gelegerd was kwam onder zwaar vijandelijk vuur te liggen. Men deed wat men kon. Helaas was de overmacht te groot. Langzaam moesten de mannen zich richting Den Bosch terugtrekken. Uiteindelijk bereikte men de brug bij Den Dungen.

Het regiment was inmiddels in kleine groepjes verdeeld.

Nadat hun kapitein door vijandelijk vuur dodelijk was getroffen, trachtte vader met nog een aantal anderen Vught te bereiken, om zich daar, min of meer, als leger te hergroeperen. Om, op die manier, opnieuw te proberen de vijandelijke aanvallen te stoppen.

Helaas….., ook die plaats was al in handen van de Duitsers.

Toen bleek dat vader alleen met nog een andere soldaat over was, zat er niets anders op dan samen verder te trekken.

Op handen en voeten moesten ze door het roggeveld kruipen, om maar niet door de Duitsers gezien te worden …..

Toen ze uiteindelijk niet meer konden, zijn ze, vanwege de door de regen doorweekte grond, boven op hun geweer gaan liggen. De pijn verbijtend door de ongemakkelijke houding. Doornat van het water.

Doch lang kon dit niet duren. De vijand kwam er aan …!! De nacht brak aan.

Toen ze een beetje waren bij gekomen, besloten ze weer verder te gaan.

Zonder maan of sterren. Het was pik en pik donker. Ze hoorden het schieten achter zich. Na die lange donkere nacht werd het eindelijk licht en waren ze in een bos aangekomen.

“Kijk, daar staat een klein huisje.” Ze klopten op de deur en daar stond een bange man en vrouw. Ze durfden deze twee soldaten niet binnen te laten.

Wel kregen ze alle twee “burgerkleren,” weliswaar drie maten te groot, maar dat was niet zo erg, met een riem en een stuk touw bleef het zitten. Daarna moesten ze zo snel mogelijk weer weg, voordat de vijand zou ontdekken, dat ze bij dit boshuisje als Hollandse soldaten, burgerkleren hadden ontvangen.

De uniformen en alle papieren moesten natuurlijk verdwijnen. Nadat ze die diep onder de grond hadden begraven, konden ze een stuk rustiger hun weg vervolgen. Niets verraadde immers dat ze eigenlijk twee soldaten waren.

 

Na lange tijd te hebben gezworven kwamen zij bij een café aan.

Uitgeput vroegen ze: “Is hier ergens onderdak voor ons?”

Na enig heen en weer gepraat werden ze naar de familie W. Welvaarts gestuurd.

Daar werden ze door bijzonder vriendelijke mensen ontvangen en kregen ze

 “de Opperkamer” als onderkomen.

Voor kost en inwoning hielpen ze mee op de boerderij. De veel te ruime kleren  

die ze onderweg in het boshuisje hadden gekregen, werden vervangen door een goed passend ketelpak (overall).

Na een week wilden ze toch wel graag naar huis. Vader naar Schouwen en

Willem Smits, zo heette de andere soldaat, naar zijn familie op St.Annaland.

Helaas was het overvaren naar ons eiland een groot probleem, immers je kon er zeker van zijn dat de vijand juist daar op de loer lag en iedereen goed zou controleren. Maar nadat ze beiden een fiets hadden gekregen, weliswaar met houten banden!!!, gingen ze toch maar vanaf Oost-Brabant richting Zeeland.

Halverwege kwam Willem met het goede idee, dat vader eerst mee zou gaan naar St.Annaland, om dan daarna met een klein privé-bootje de overtocht te wagen naar Duiveland.

“Nee, dat doe ik niet,” zei mijn vader, “want daar is het water zo breed, als er iets gebeurd kan ik de overkant niet halen! Ik ga over Zijpe, want die bootsmannen kennen mij en dan vraag ik of ik mij mag verschuilen in de machinekamer.

En zo is mijn vader veilig aangekomen op “Diepegat” te Ouwerkerk, (mijn vader en moeder waren toen nog niet getrouwd.)

Toen, vier jaar later, in 1944 Schouwen-Duiveland door de Duitsers onder water werd gezet, moest mijn vader opnieuw, maar nu met zijn vrouw en twee kinderen, vluchten.

Uiteraard herinnerde mijn vader zich de familie Welvaarts in Oost-Brabant waar hij immers een paar jaar daarvoor zo´n goed en gastvrij onthaal had ervaren.

Hij nam contact  met ze op en vroeg of hij en zijn gezin daar als evacués een tijdje mochten verblijven. Dit verblijf duurde echter zo´n anderhalf jaar.

Nu….., ruim zestig jaar later ….., komen de kinderen Welvaarts nog steeds bij Papa en Mama op bezoek!!

Afgelopen 31 januari 2006, toen Papa 91 jaar werd, waren er 14 personen van diezelfde familie Welvaarts in Ellemeet, om hem te feliciteren.

Geloof maar dat er toen heel veel herinneringen zijn opgehaald.

 

Joke van den Hoek. (Johanna)

 

[Naar boven]

 

 

RAZZIA´S

 

In november 1944 moesten alle mannen in de leeftijd van 17 tot 40 jaar zich melden voor de arbeidsinzet in Duitsland. De oorlog verliep n.l. niet goed voor de Duitsers. Zij zaten dringend om arbeidskrachten te springen omdat alle weerbare Duitse mannen en knapen in dienst moesten om aan de oorlog deel te nemen.

 

                                                (Zie onderstaand bevel.)

Tevens werden er huiszoekingen gedaan. Om uitzending naar Duitsland te voorkomen had ik mijn kunstbeen af gedaan en verstopt en was zo demonstratief in een fauteuil gaan zitten. Toen een stel jonge Duitse soldaatjes bij ons in de Boerhavelaan in Schiedam de woonkamer binnen kwamen en mij met één been in de fauteuil zagen zitten vroegen ze hoe het kwam dat ik maar één been had.

Ik vertelde hun dat de Duitsers hiervan de oorzaak waren, wat niet waar was.

Ik was n.l. op jeugdige leeftijd door een ongeluk een been kwijt geraakt.

Maar dat wisten die Duitse soldaatjes niet. Zij waren dan ook rap verdwenen.

En zo wist ik andermaal aan transport naar Duitsland te ontkomen.

 

 

 

(Zie ook mijn verhaal “AAN DE DANS ONTSPRONGEN II KEURING.)

 

 

W. Klinge     

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[Naar boven]

 

 

INLEVEREN  KOPERWERK

 

Tegen het einde van de oorlog moest ieder huisgezin alle koperen voorwerpen die in huis waren bij een Duitse instantie inleveren om in Duitsland tot oorlogstuig te worden omgewerkt.

Natuurlijk voelde de meerderheid van de bevolking hier niets voor en werd het koperwerk, dat men in huis had verstopt, niet ingeleverd.

Na de bevrijding werd het dan weer  te voorschijn gehaald.

 

Hieronder ter illustratie twee getekende afbeeldingen op rijm.

Deze alleraardigste oorlogs-cartoons werden door mij op Internet gevonden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(Uit: Jan met de Motorhand, tekeningen van Cees Verhagen, tekst Huib van Randenbroek)

 

 

W.Klinge

 

 

 

[Naar boven]

 

 

KERKKLOKKEN etc. GEVORDERD!

 

In 1943 werden in vele gemeenten op grote schaal kerkklokken gevorderd en uit de kerktorens getakeld om te worden omgesmolten voor de Duitse oorlogsindustrie.

Het toppunt van brutaliteit was wel, dat de Nederlandse overheid zelfs 75 cent per kilo aan vergoeding moest bijdragen.

Maar niet alleen kerkklokken, ook auto´s, motoren, fietsen, ja zelfs paarden werden gevorderd.

Vanzelfsprekend was de Nederlandse bevolking hevig verontwaardigd over al deze maatregelen en protesteerde hevig, echter tevergeefs.

 

In hetzelfde jaar werd ook het muntgeld vervangen door papiergeld.

 

Meer over al deze vorderingen en maatregelen kunt u vinden via WWW.GOOGLE.NL  Type in “kerkklokken gevorderd” en daarna zoek.

 

Onderstaand enkele afbeeldingen van deze vorderingen en maatregelingen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

W. Klinge

[Naar boven]

 

 

 

 

 

 

 

 

VOEDSELDROPPING 29 april 1945

 

 

De naam van deze voedseldropping was “OPERATIE MANNA.”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een paar dagen voor het einde van de oorlog hadden de geallieerden toestemming van de Duitsers gekregen om met vliegtuigen voedsel te droppen in het westen van Nederland voor de uitgehongerde bevolking.

Dit gebeurde met Amerikaanse B17 bommenwerpers ook wel “Vliegende Forten” genoemd. Deze vliegtuigen vlogen met minimum snelheid en op zeer lage hoogte over, tot groot enthousiasme van de mensen.

Op de grond en op de daken van de huizen stonden zij naar de vliegtuigen te zwaaien met zakdoeken, lakens en sommige zelfs met vlaggen.

Eén van de vliegvelden waar zo´n dropping plaats vond was vliegveld Ypenburg bij Den Haag. Toen ik op m´n gammele fiets daar heen fietste om naar de voedseldropping te kijken, werd ik zowat door een vliegtuig  van m´n fiets gevlogen, zo laag kwam die over.  Ik heb me  plat op de grond moeten werpen om  te voorkomen dat m´n kop er af gevlogen werd.

Dit laag vliegen noemde men in de volksmond:

 

“Huissie, boompie, beessie!”

 

Het gedropte voedsel bestond o.a. uit blikken zgn. “kakies” (een soort zeekaken), kaas, meel, chocolade met vitaminen, blikjes “meat en vegetables” (vlees en groenten) en nog wat andere levensmiddelen. Ze werden  “tien in één blikken” genoemd. Van de lege blikken werden door de jeugd zgn. “vlotjes” gebouwd om in sloten en vaarten mee “vlotje” te varen.

Engeland zag kans om in twee weken tijd elf miljoen kilo voedsel aan te maken om uit te strooien.

 

De Zweedse regering had schepen met meel gestuurd. Hiervan werden witte broden gebakken, het zgn. “Zweedse wittebrood,.” Men stond  urenlang voor de     winkels in de rij waar het brood op bonnen werd verstrekt.

De mensen vergeleken de smaak van dit brood met cake.

Een Zweedse boterham belegd met meat en vegetables was “het einde!”

De gedropte “kakies” waren zo keihard, dat je ze met een kunstgebit niet kon eten. Je moest ze dan eerst te weken leggen in water of surrogaat thee.

Dat mocht de pret echter niet drukken. Je had wat te eten!

 

 

 

 

Ps. Klik op de volgende linken voor het bekijken van enkele foto´s

 

http://www.tweede-wereldoorlog.org/voedseldropping-rotterdam.html

 

en een kort filmpje

 

http://appl.gemeentearchief.rotterdam.nl/rotterdamtweedewereldoorlog/index.cfm?fuseaction=film.play&src=/4%20Voedseldropping%2029%20april%201945.flv

 

 

 

 

 

 

W. Klinge

 

 

 

 

[Naar boven]

 

 

 

 

 

 

MOBILISATIE 1939-1940.

 

 

 

 

 

Ofschoon Nederland zolang mogelijk de neutraliteit trachtte te handhaven van de door Duitsland ontketende en heersende oorlog,

o.a. door het binnenvallen Polen, vond de Nederlandse regering de dreiging van het Duitse geweld zodanig toenemen, dat op maandag 28 augustus 1939 de Algemene Mobilisatie werd afgekondigd.

Dinsdag 29 augustus 1939 werden de mannen in Nederland voor hun nummer opgeroepen en moesten, toch nog onverwacht, huis en haard verlaten. Ook mijn broers Jan en Rinus waren de “klos.”

 

 

 

Als ik nu terug denk aan de onpraktische uniformen die bij het Nederlandse leger in gebruik waren dan is het onbegrijpelijk dat men tot deze keuze is gekomen. Denk alleen maar aan de beenwindsels “puttees” (uitspraak “poeties”) genaamd. 

Een soort zwachtels van grove veldgrijze wol die om de benen gewikkeld moesten worden. Een secuur en tijdrovend karweitje.

Niet erg handig als haast geboden is.

 

 

 

 

Dan de hoge kragen van de officierenjasjes die hinderlijk in de nek knelde en de vreemde hoge petten met oranje embleem.

Het bronzen leeuwtje op de helm dat niet bestand bleek te zijn tegen geweerkogels en moest worden verwijderd.

Kortom dit alles komt nu uitermate onbegrijpelijk over.

Desalniettemin waren wij toentertijd  “apentrots” op ons leger en verkeerden in de waan dat het onverslaanbaar was.

 

 

 

 

 

In de tabakswinkels waren zelfs pakjes sigaretten van het merk “Ergens in Nederland” te koop. Op de buitenkant van de verpakking stond de landkaart van Nederland gedrukt. Als ik me niet vergis kostte zo´n pakje sigaretten van 20 stuks toen 15 cent.

Bijna niet te geloven in vergelijking met de huidige prijs. Maar dat is nu met veel artikelen het geval.

In die tijd ontstonden er heel veel soldatenliedjes die vooral door het radio programma “De Bonte Dinsdagavondtrein,” de nodige bekendheid kregen en uit volle borst werden meegezongen.

Denk maar aan het liedje “ Rats, Kuch en Bonen.”

 

“Rats” was door elkaar gestampte groente en aardappelen.

“Kuch” het bruine en nogal harde soldatenbrood.

 

Veel van deze liedjes werden tijdens het marcheren ook door onze soldaten gezongen.

Het is ondoenlijk om al deze soldatenliedjes in z´n geheel te vermelden. Een uitzondering voor het lied “Het Regiment.”

Van de overige liedjes alleen de refreintjes, die vooral bij de wat ouderen onder u heel veel herinneringen zullen oproepen.

De volledige teksten van alle soldatenliedjes en nog veel meer over de mobilisatietijd zijn te vinden via Internet op de volgende website:

http://www.leger1939-1940.nl/

 

Het wereldberoemde “Nederlandsche Wielrijders Muziekcorps” (enige ter wereld) opgericht in 1927, was toen vaak te bewonderen. Dit korps bestaat nog steeds. Enige tijd geleden gaven zij acte de présance tijdens een taptoe in …jawel Duitsland en oogstte enorm veel succes.

Geplaatste foto van dit wereldberoemde korps is gemaakt in 1939.

 

 

 

 

 

 

 

Op 10 mei 1940 viel het Duitse leger onverhoeds Nederland binnen en waren ook wij in oorlog met Duitsland.

Ondanks hevige en dappere tegenstand van het Nederlandse leger, vooral bij Den Haag, de Grebbeberg, op de Afsluitdijk en de Mariniers in Rotterdam, duurde de ongelijke strijd slechts 4 dagen. De Duitse overmacht was te groot, en het zware verwoestende bombardement op de binnenstad van Rotterdam d.d. 14 mei 1940, heeft mede de doorslag gegeven dat Nederland op 15 mei 1940 capituleerde. Er sneuvelden ongeveer 2200 Nederlandse soldaten.

 

Gelukkig hebben mijn broers de oorlog overleefd.

 

Mijn broer Jan werd krijgsgevangen gemaakt. Na per trein op transport te zijn gezet belandde hij na een erbarmelijke reis ergens tegen de grens van Wit Rusland en, vreemd genoeg, werd hij na verloop van tijd weer op transport naar Nederland gezet.

In Nederland aangekomen werd hij ingedeeld bij de Luchtbeschermingsdienst. Omdat hij weigerde bekeuringen uit te schrijven indien ´s-avonds de verduistering niet in orde was , belandde hij uiteindelijk in Noorwegen waar hij als “sanitheter” tot het einde van de oorlog werkzaam is geweest.

Na de capitulatie van Duitsland is hij zo vlug als mogelijk was naar Nederland afgereisd.

 

Bovenstaande  heb ik uit overleveringen en geplaatst met de nodige reserves.

 

Mijn broer Rinus die gelegerd was nabij het vliegveld Valkenburg werd niet krijgsgevangen genomen na de capitulatie, maar kon zonder dat hem iets in de weg werd gelegd rustig naar zijn vrouw en groentezaak in Rotterdam vertrekken.

Ook veel andere militairen konden ongehinderd naar huis en haard.

Enige tijd later kregen zij echter een oproep zich te melden, om als krijgsgevangenen c.q. “Arbeitseinsatz” (inschakeling oorlogsindustrie) naar Duitsland te worden getransporteerd.

 Natuurlijk gaven velen aan deze oproep geen gehoor en doken onder. Zo ook mijn broer Rinus.

Hij vluchtte met zijn vrouw Aad naar Wijk bij Duurstede waar zij ondergedoken zaten in een toren van een kasteel tot het einde van de oorlog. Hoe zij aan dit onderduikadres zijn gekomen is mij niet bekend.

 

Noot:   Meerdere verhalen over deze oorlog staan eveneens onder deze rubriek.

W.Klinge

 

Liedjes, foto´s en de afbeeldingen op volgende pagina´s spreken voor zich.

 

 

 

 

 

Blonde Mientje heeft een hart met prikkeldraad,
Blijf maar thuis .... prikkeldraad!
En die vesting overwint niet één soldaat

' t Is en blijft ....prikkeldraad!
Alle jongens maken haar het hof, om strijd,
maar zij lacht en voor de rest neutraliteit
Blonde Mientje heeft een hart met prikkeldraad.
Blijf maar thuis......prikkeldraad!

 

 

Wanneer we het hele regiment zo kranig zien marcheren,
dan staan de meisjes, 't is bekend, heel schalks te kokketeren.

 

 

 

 

 

(1) Voorop daar gaat de kolonel,
ki-ka-kolonel
daarachter komt 't heele stel,
van onzen kolonel.

Zo defileert de hele troep waarvan de magen jeuken,
na fijne rats of erwtensoep van kokkie in de keuken

(2) Vervolgens komt de kapitein,
ki-ka-kapitein
drie sterren in de zonneschijn,
dat is de kapitein.

Ze lopen keurig bij elkaar, de tamboer roert de trommel.
De jonkheer X. van Wassenaar, naast Krelis Biet uit Bommel.

(3) En daarna komt de luitenant,
li-la-luitenant
de sabel moedig in z'n hand,
die knappe luitenant.

't Verwende zoontje, juist zo een van "Mensen, alle zielen" ...
trappen ze vooraan op zijn teen, van acht'ren op z'n hielen.

(4) En dan komt de sergeant-majoor,
si-sergeant-majoor,
die gaat in de modeldienst voor,
dat is de sergeant-majoor.

En Hein de Kikker die loopt schuin, klaagt bleek van wintervoeten
zijn slapie ziet toevallig bruin van al z'n zomersproeten.

(5) En daarna komt de korporaal,
ki-ka-korporaal,
de meeste praats van allemaal,
dat heeft de korporaal
.

En zo marcheert de troep voorbij, een schare uitgelezen
Elk die ze ziet, roept trots en blij: "Ons leger mag er wezen!"

(6) Vervolgens komt 't regiment,
ri-ra-regiment,
de ziekendragers op 't end
die sluiten 't regiment.

 

Heel de stad die staat op stelten,
is volkomen uit d'r doen.
heel de stad zingt opgetogen
"Hiep, hiep, hoera voor 't garnizoen!"

 

  

Wie! Wie! Wie!

Wie! Wie! Wie!

Wie heeft er suiker in de erwtensoep gedaan?

Wie heeft dat gedaan?

Wie heeft dat gedaan?

De hele Compagnie heeft het eten laten staan!

Wie heeft er suiker in de erwtensoep gedaan?

 

Holderdebolder!
Wij hebben een koe op zolder!
Een groote vier cylinder-koe,
A-boe, a-boe, a-boe!
Holderdebolder!
Wij hebben een koe op zolder!
Een bonte koe, een hamsterkoe,
a-boe, a-boe, a-boe!

 

Ik denk aan jou, terwijl m'n ogen turen,
over die hei, waar ik op schildwacht sta.
Ik denk aan jou, in lange bange uren,
ik blijf je trouw, oh mijn Hortensia.

 

Marie die vrijt, met een huzaar.
Een hele tijd, al haast een jaar.
En als hij kwam, oh lieve heer,
dan kreeg hij ham en nog heel veel meer.
Een kaas, een worst,
een volgend keer.
Zijn liefde nam geen einde meer.

 

 

Rats, kuch en boonen,
is het soldatendiner.
Rats, kuch en boonen,
doe daar je maaltje maar mee.
Vree is ons streven,
vrijheid van grenzen tot strand,
Hollandse soldaten leven voor het Vaderland!

 

 

 

 

 

Terang boelan, terang boelan di kali,
Boewaja Timboel katanjalak mati.
Djangan pertjaja orang lelaki,
Brani soempa dia takoet mati.
Djangan pertjaja orang lelaki,
Brani soempa dia takoet mati.

 

Oh sergeant, ze hebben m'n sokken gestolen.
Oh sergeant, ze hebben m'n schoenen gepikt.
Mijn puttees zijn verdwenen, nu zien ze m'n blote benen.
Ze hebben het in de sectie op mij gemikt.

 

 

Turf in je ransel
Turf in je ransel
Stroozak is geen mode meer
Turf in je ransel
Turf in je ransel
Flink je kop op, deze keer!
Ieder grijpt je, ieder knijpt je,
Tot je boel behoorlijk zit.
Daar komt ie aan!
Geeft Acht!

 

Vraag niet mijn jongen, dat wat niet gaat.
Vaste verkering, dat is niks voor een soldaat.
Al wat je hebt aan liefde en trouw,
hoort aan het vaderland en niet aan jou!

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[Naar boven]

 

HONGERTOCHT OP HERHALING

 

In het Algemeen Dagblad en de Telegraaf verscheen in de maand juli 2007 een artikel over de heer Anthony van Vugt (thans woonachtig in Amerika) die het plan had opgevat om een hongertocht op herhaling te organiseren van Rotterdam naar Zwolle.

Deze hongertocht had hij in de barre winter 1944/45 met zijn moeder en zusje Annie van 6 jaar gemaakt. Zelf was hij toen 11 jaar. Zijn vader zat op zee.

Zijn moeder had dit besluit genomen opdat zij niet van de honger om zouden komen en omdat men, als men de brug over de IJssel bij Zwolle over was, daar voldoende voedsel te halen viel.

Veel moeders met kinderen ondernamen dergelijke tochten.

Onderweg werd bij boeren en anderen iets te eten gevraagd.

Mannen zag men praktisch niet op deze tochten, want die waren te werk gesteld in Duitsland of zaten ondergedoken.

In deze hongerwinter zijn in het westen van het land 20.000 mensen de hongerdood gestorven.

Ook tijdens de hongertochten kwamen er mensen om van de honger.

 

Omdat Anthony van Vugt altijd de bovengenoemde hongertocht is bijgebleven, heeft hij na jaren van uitstel toch het besluit genomen, als eerbewijs aan zijn moeder en ook als dank aan al die mensen die destijds behulpzaam zijn geweest met het geven van voedsel, onderdak en wat dies meer zij, om deze hongertocht op herhaling te organiseren en wel van 

04 t/m 12 augustus 2007. Bij dit besluit heeft ook zijn zus Annie een voorname rol gespeeld.

In genoemde kranten werd verzocht mensen die toentertijd deze hongertocht  hebben gemaakt, zich op te geven als deelnemer aan deze tocht.

Als lopen niet meer gaat, dan desnoods per fiets of auto. Kinderen van deze mensen werden eveneens uitgenodigd, zodat zij konden ervaren wat hun moeders destijds hebben gepresteerd.

Ook werden verhalen gevraagd over deze hongertocht.

Tevens werd een website geopend onder:   www.hongertocht.org

Op deze site is ook het bijzondere en ontroerende verhaal te lezen dat Ton zelf heeft geschreven en dat u beslist moet lezen.

Met mijn broer Maarten heb ik toentertijd  een soortgelijke tocht gemaakt. Wij staken de IJssel over via de Deventer brug.

Hierover heb ik het verhaal geschreven “De wonderbare hongertocht.”

Dit verhaal heb ik per e-mail aan de heer van Vugt toegezonden, niet te weten dat hij mij gelijk als “eredeelnemer” bombardeerde en dit verhaal op bovenstaande website heeft geplaatst onder de naam W.Klinge .

Op 11 augustus j.l. heb ik alleen de dag in Hattem (plm. 6 km. voor Zwolle) meegemaakt met mijn schoonzoon Andy Pormes, omdat het, gezien mijn leeftijd en handicap, niet doenlijk was alle dagen deel te nemen.

Wij moesten ons om 09.45 uur in Hattem in Hof van Blom melden.

I.v.m. eventuele files waren wij om 7 uur ´s-morgens uit Anna Paulowna vertrokken. Het was gelukkig prachtig weer en even over 9 kwamen we bij Hof van Blom aan.

We waren de eerste en konden zodoende de auto vlak voor Hof van Blom parkeren. Dat was wel fijn, omdat ik niet veel hoefde te lopen.

Tegen tienen kwam de heer van Vugt (door iedereen Ton genoemd) aangelopen met zijn vrouw, zoon en kleinzoon en hebben we kennis met hun gemaakt.

Ik moet zeggen dat deed me wel wat, mede omdat ik de hele geschiedenis ken van wat hij als jochie van 11 en zijn zusje Annie van 6 jaar allemaal hebben meegemaakt.

 

Ton werd als pleegkind opgenomen bij Graaf en Gravin van Limburg-Stirum op het landgoed “Flip Hul” en zijn zusje Annie bij de

Familie Septer een winkelier.

Voor moeder was nergens plaats en op een gekregen oude fiets keerde zij terug naar Rotterdam.

Na de bevrijding kwam moeder hun weer ophalen en vanuit Harderwijk keerde zij per “aak” (een vaartuig) terug naar Rotterdam. 

[Zie eventueel ook www.hongertocht.org]

 

Om verder te gaan met mijn verhaaI, in “Hof van Blom” werden alle deelnemers hartelijk met koffie en cake ontvangen en er werden enkele speeches gehouden.

Nadat Ton zijn wederwaardigheden had verteld werd ik benaderd door enkele lieden van de plaatselijke TV voor een interview. Aan hun heb ik 2 verhalen over door mij gemaakte hongertochten verteld.

Om 10 uur 45 was het vertrek van de lopers naar de binnenstad.

Bij de uitgang van “ Hof van Blom” kregen alle deelnemers een bon voor een gratis maaltijd welke bestond uit boerenkool met worst, of zuurkool met worst of hutspot. Bovendien kregen we nog 2 consumptiebonnen.

 

Om 11 uur kon men de oude legervoertuigen bekijken die door de organisatie “Keep them rolling” op het Kerkplein stonden opgesteld.

Hattemse dames in klederdracht (St. Hist. Kleding Hattem.) kon men eveneens bewonderen en ook een bezoek aan het museum behoorde tot de mogelijkheden.

Op het plein stond een  mobiele radiowagen van radio Hattem waar mensen werden geïnterviewd en waar zij hun belevenissen van hun hongertochten konden vertellen. Daar waren dikwijls ontroerende en emotionele verhalen bij. Het viel mij op dat zij het nog steeds hadden over “de moffen” i.p.v. de Duitsers. De haat tegen de Duitsers (van toen) kwam weer helemaal naar boven.

Zelf heb ik als tegenhanger een nogal grappig verhaal getiteld “De Pot” verteld, dat ik met mijn broer Maarten op een hongertocht had beleefd en waarom men wel kon lachen. Dit verhaal is o.a. te vinden op de website van mijn computerleraar Kees Bakker, t.w.: www.cjbonline.nl (Ga naar Persoonlijk en hierna naar Verhalen  en kies 1940-1945).

 

Tussen 12.00 en 14.00 uur was het eten geblazen bij de gaarkeuken van De Tinne/Delimeal.

Deze was ook geopend voor het publiek tegen betaling van 3 euro per maaltijd. Hiervan werd gretig gebruik gemaakt. Wel dient gezegd dat, als wij in de hongerwinter een dergelijke maaltijd voorgeschoteld hadden gekregen, het echt een “Koningsmaaltijd” geweest zou zijn.

Mijn schoonzoon Andy had tegen me gezegd: “Pa wacht jij maar even aan de kant, ik neem je portie zuurkool wel mee. Dan hoef je niet in de rij te staan.

Terwijl ik langs de kant op Andy stond te wachten kreeg ik plotseling een arm van een mevrouw die zei: “Uw schoonzoon heeft tegen mij gezegd dat ik u maar mee naar binnen moet nemen, dan eten we in het café. En ze sleepte me mee het café in. Deze vrouw was zo goed als blind en had thuis een aangepaste computer waarop zij haar verhalen tikte.

Onder haar naam: Fiet Rodenburg-Peer, heeft zij een boekje laten drukken met verhalen over de door haar gemaakte hongertochten met als titel:

 

“Eten vonden wij over de brug”

 

Dit boekwerkje is voor 7 euro te koop. De opbrengst ervan is bestemd voor een voedselproject van “Mensen in nood.”

 

Na even wachten kwam Andy met het eten opdraven, en onder het genot van een glaasje wijn kwamen de tongen los.

Fiet vertelde o.a. een komisch verhaal dat, toen zij met haar vader, broertje, en zus op hongertocht waren, zij te eten werden gevraagd op een boerderij.

Het was op een vrijdag.

Gezeten in de boerenkeuken vroeg de boerin aan haar vader. “ Zijn jullie Katholiek?” Waarop vader haastig en vol trots antwoordde: “JAAAA!”

Het antwoord van de boerin was: “ Dan hebben jullie pech gehad. Dan krijgen jullie gewone pannenkoeken i.p.v. spekpannenkoeken.”

Even later (de glaasjes wijn begonnen blijkbaar te werken) zei ze dat ze meeuwen zulke pracht vogels vond die zo schitterend konden zweven en zwieren, gebruik makend van de wind en zonder energie te gebruiken.

En zo ging ze nog even door. Op het laatst zei ze:

 “Als ik dood ben hoop ik als meeuw terug te komen.”

 Ik kon toen niet nalaten te antwoorden (en vergeef me de uitdrukking):

“Als je dan maar niet op mijn auto schijt!”

Op dit antwoord lag haar man zowat onder tafel van het lachen en kon je Andy achter in z´n strot kijken. Gelukkig kon zij er zelf ook om lachen.

Het geval was, dat een week daarvoor m´n auto onder de meeuwenstront zat.

  

Even later met Andy wat rondgeslenterd op het Kerkplein en op een terrasje wat gedronken.

Grappig was, dat verscheidene mensen mij regelmatig aanhielden voor een praatje. Dit gebeurde zowel op het plein, op het terrasje, als in de kerk.

Ik voelde mij soms net een filmster!

 Om half 4 begon het inloopconcert bij Harm Jansen in de Grote Kerk, waarna om 5 uur de officiële afsluiting van het bezoek aan Hattem plaats vond.

Verschillende sprekers, waaronder de burgemeester, de dominee en Jan Terlouw hielden een toespraak over de toestanden en schrijnende gebeurtenissen in die barre hongerwinter.

Als slot nam Ton van Vugt het woord. Op bewogen en ontroerende wijze sprak hij zijn dank uit aan de inwoners van Hattem voor hun gastvrijheid en voor wat zij destijds voor de hongertochtgangers hebben gedaan.

 

Aan het eind daarvan  kreeg hij een spontane staande ovatie.

 

Om 19.30 uur was er nog een gezellig diner in voormalig Dorpshuis ´t Spyker in Wapenveld. Tijdens dit diner werd Riet Soeters bedankt voor het vele werk dat zij voor het welslagen van deze “Hongertocht op herhaling” had verricht.

 

Het zal ongeveer een uur of 10 geweest zijn dat Andy en ik, na afscheid genomen te hebben van Ton en de rest van zijn familie, met de auto naar huis vertrokken. Doodmoe van alle belevenissen en emoties, dook ik om half 12 in bed,

maar het was middernacht voor ik eindelijk in slaap viel.

 

Andy, bij deze nogmaals hartelijk dank voor het vervoer, je begeleiding en de mooie foto´s.

 

Ton van Vugt enorm bedankt dat je uiteindelijk toch het initiatief hebt genomen om deze “Hongertocht op Herhaling” te organiseren.

Ik ben me er terdege van bewust dat het een gigantisch karwei is geweest.

Maar de wijze waarop het is gedaan was perfect!!!

En dat het een geweldig succes is geworden heb je dik verdiend!

Graag wil ik ook zijn zus Annie en haar   schoonzus Riet bedanken die hem hebben bijgestaan en onnoemelijk veel werk hebben verzet.

 

Persoonlijk heb ik de organisatie van de “ Hongertocht op Herhaling “ ervaren als een nog late blijk van waardering voor de hongertochten die ik destijds zelf heb gemaakt.

 

W. Klinge (Brandus)

 

[Naar boven]

 

 

 

 

 

 

 
 

 [Terug naar verhalen van vroeger]             [Terug naar Welkom]            [Terug naar Nieuws]