|
[Terug naar Verhalen van vroeger] [Terug naar Welkom] [Terug naar Nieuws] |
||
|
|
||
|
|
||
|
EVEN VOORSTELLEN…………….
Naar aanleiding van mijn verhalen is mij verzocht, me nader bij u bekend te willen maken, waaraan ik hierbij gaarne voldoe.
Op 2 april 1946 in `t huwelijk getreden met een fantastische vrouw. Trotse vader van twee fijne dochters. Na mijn schoolopleiding (lagere school, ULO, Handelsavondschool Mercurius) ben ik 6 jaar werkzaam geweest bij de Gemeente Schiedam. Vervolgens 17 jaar bij de Marine Magazijnsdienst en daarna 17 jaar bij Lumag op Marine vliegkamp “De Kooy .” Hier was ik chef Administratie Ontvanglokaal, in de rang van Adjunct Commies A. Mijn werkzaamheden lagen voornamelijk op administratieve gebied, zoals het beheren van een uitgebreid archief en het voeren van correspondentie.
Ben voorzitter en erevoorzitter geweest van de personeels-en sportvereniging “MarMag” (marine-magazijnen), die nu ter ziele is. Mijn grootste hobby was toneelspelen. Dit heb ik plm. 30 jaar tezamen met mijn lieve en talentvolle (helaas op 23 september 2003 overleden) vrouw gedaan. De laatste 25 jaar heb ik ook de regie gevoerd. Heb 20 jaar basketbaltraining gegeven, en even zovele jaren wedstrijden gefloten. Basketbalcoach geweest van het dames- en herenteam van MarMag. Verdere hobby´s: tafeltennissen, bridgen, vissen en sinds kort computeren. Zo, ik denk dat u nu wel voldoende over mij te weten bent gekomen.
Naschrift: De door mij geschreven verhalen heb ik op herhaalde verzoeken van mijn dochter Mia en mijn schoonzoon Andy Pormes, en in overleg met mijn computerleraar Kees Bakker, op de computer gezet. Er komen regelmatig verhalen bij. De heer Bakker is zo vriendelijk mij behulpzaam te zijn bij het invoegen van plaatjes en foto´s. Tevens heeft hij mijn verhalen op zijn website gezet, waarvoor ik hem zeer erkentelijk ben.
W. Klinge
|
||
|
Onder deze titel zijn in dit document verschillende verhalen te vinden over de oorlogsjaren van de hand van de heer Klinge te Anna Paulowna
(Deze pagina downloaden? Klik dan op het Word-icoontje! Printen? Klik na het downloaden op Bestand, Afdrukken. Er kan ook bijv. een enkel verhaal geprint worden, door de betreffende tekst te selecteren en op de printerknop te klikken! )
(Deze pagina kan ook z.g. pdf-bestand worden gedownload. Klik dan op het PDF Adobe icoontje! Hiervoor is het wel nodig de Acrobat Reader geinstalleerd te hebben. Klik op het Acrobat Reader icoon om naar de installeerpagina te gaan, en volg daar de instructies..........)
Inhoud
NB.: Bovenstaande hoofdstukken zijn links. Klik hierop om ze te lezen!
Hongertocht in de barre winter van 1944/1945.
Allereerst wil ik het begrip honger in het kort omschrijven. Hoe ontstaat honger? Dikwijls zeggen we “ik sterf “ van de honger, maar dan hebben we eigenlijk alleen maar “trek” in eten. Honger ontstaat wanneer er steeds minder te eten valt, totdat er bijna geen voedsel meer is . Dan heb je echt honger en steekt ook “Hongeroedeem” de kop op. In de bar strenge winter van 1944/1945 heerste er in het westen van ons land en vooral in de grote steden zoals o.a. Amsterdam en Rotterdam grote hongersnood. Om aan etenswaar te komen moest men dan zgn. “hongertochten” naar het “platteland” maken om, meestal tegen inruil van gouden sieraden of anderszins, aan voedsel te komen. Geld had praktisch geen enkele waarde meer. Eten uit de zgn “gaarkeuken” werd ook niet meer verstrekt en op de “bon” kreeg je in hoofdzaak suikerbieten. Ook tulpenbollen werden gegeten. In het westen van het land stierven meer dan 20.000 mensen de hongerdood. Tot zover deze inleiding en dan nu een verhaal van één van mijn hongertochten.
Het zal eind december 1944 geweest zijn dat mijn zus Johanna en ik een hongertocht maakten naar Wijk bij Duurstede, waar mijn broer Rinus met z´n vrouw was ondergedoken in een kasteeltoren die bij een boerderij hoorde.
(Johanna)
We vertrokken ´s-morgens op fietsen met slechte banden. Over de slechtste gedeelten hadden we extra stukken van oude fietsbanden geklemd, zodat het net was alsof je op een hobbelpaard reed. Het was heel erg koud en er stond er ook een harde storm met af en toe fikse sneeuwbuien. Tegen schemerdonker fietsten we op een dijk langs een bevroren vaart. Mijn zus kon niet meer tegen de storm in fietsen en ging naast haar fiets lopen. Lopen ging mij erg moeilijk af, i.v.m. mijn handicap, ik heb rechts een prothese, maar kon daarmee toch beter fietsen dan lopen.
Met mijn zus had ik afgesproken dat ik een paar honderd meter vooruit zou fietsen en dan zou wachten tot zij mij lopend weer had ingehaald. Dat ging goed. Maar op een gegeven moment stond ik tevergeefs te wachten, omdat zij maar niet kwam opdagen. Ik besloot toen om een eind terug te fietsen om te kijken wat er aan de hand was. Op een gegeven moment hoorde ik een stem uit de diepte die riep “meneer, meneer, zoekt u uw zus?” Ik zei:”Ja”, en kreeg als antwoord:”Zij is van de dijk gewaaid en door het ijs gezakt, we hebben haar er uit gehaald en nu zit zij in onze boerderij om haar kleren te laten drogen. Komt u maar mee naar binnen ” En jawel hoor daar zat mijn zus met droge kleren aan van de boerin, tussen zes N.S.B.-ers. Ook hing er nog een levensgroot portret van Mussert aan de muur. Haar natte kleren hingen aan een droogrek rondom het haardvuur te drogen. Natuurlijk was ik erg blij dat ze mijn zus gered hadden en heb hun daarvoor bedankt, maar tegelijkertijd voelde ik me enorm opgelaten. N.S.B.-ers waren nu niet bepaald onze vrienden. Ze werden gehaat omdat ze met de Duitsers heulden. Maar ja, wat moet je? We kregen zelfs nog een paar boterhammen en wat te drinken. Op een gegeven moment begonnen ze tot overmaat van ramp strijdliederen te zingen. Maar daardoor hoefden we “God Zij Dank” geen gesprek met ze te voeren. Toen de kleren van m´n zus droog genoeg waren, konden we gelukkig weg. We kregen ook ieder nog 4 sneetjes brood mee voor onderweg, toch aardig. Inmiddels was het donker geworden en moesten we vóór 8 uur een slaapplaats zien te vinden. I.v.m. de Duitse verordeningen moest men na achten binnen blijven. Tegen 8 uur kwamen we bij een keuterboerderijtje aan waar een ouder echtpaar woonde, waar we op een zolderkamertje konden slapen. Net toen ik een hap van dat N.S.B.-brood had genomen, vroeg dat boerenvrouwtje of we eerst nog wat te eten wilde hebben, maar met een volle mond kon ik geen antwoord geven en daarom stootte ik mijn zus aan en die riep:”Nou, liever morgenochtend mevrouw, want we zijn nu zo moe, dat we liever gaan slapen.” De volgende morgen werden we door deze mensen erg verwend, we kregen brood en wat te drinken en na hun hartelijk bedankt te hebben, konden we onze tocht weer vervolgen. Zonder verdere noemenswaardige avonturen kwamen we ten slotte doodmoe bij m´n broer Rinus en z´n vrouw in Wijk bij Duurstede aan, waar m´n zus wel een paar traantjes moest wegpinken na alle doorstane emoties. Met hulp van mijn broer werd bij diverse boeren uiteindelijk voldoende voedsel op de kop getikt om de terugreis naar Schiedam te aanvaarden. De avond voor ons vertrek kregen we aardappelen in de schil gekookt met gebraden konijn, appelmoes en jus van konijnenvet te eten en dat heb ik geweten!
Toen we de andere dag vertrokken kreeg ik vreselijk diaree en moest geregeld overgeven. Toen we na verloop van tijd in Utrecht aankwamen werden wij om te overnachten ondergebracht in een zgn. “Passantentehuis.” Dat was meestal een oud schoolgebouw met stro om op te slapen en een paar bedden. Omdat ik inmiddels flink beroerd was, mocht ik op één van die bedden slapen. Toch moesten we de volgende morgen weer vertrekken op onze terugtocht naar Schiedam. Uiteindelijk kwamen we daar doodvermoeid, maar toch blij en gelukkig, met onze schat aan etenswaren aan. We hadden weer voor een paar weken te eten! Wel had ik “scabis” (schurft) opgelopen, wat gepaard gaat met enorme jeuk. Ik moest een week in bed blijven in de zwavelpoeder. Mijn kleren werden ontsmet. Tot zover mijn verhaal over deze bewogen hongertocht.
Op een dag in november
1944 was ik op weg naar mijn vriend Ad Klok in Rotterdam. Toen ik daar
aankwam was hij niet thuis en zijn ouders e
![]() Ik dacht dat mijn vriend tijdens een razzia door de Duitsers was opgepakt, maar gelukkig was dat niet het geval. Hij was bijtijds ergens ondergedoken. Zijn ouders en zijn zus hadden echter al een paar dagen zo goed als niets gegeten en daar wordt je echt niet vrolijk van. Ik vroeg aan Truus of zij nog een fiets had om met mij een hongertocht te maken. Zij vertelde dat haar fiets in een fietsenstalling bij hun om de hoek stond. Ik besloot om eerst even met haar naar de fiets te gaan kijken om te zien of er wel een hongertocht mee gemaakt kon worden. Dat bleek wel het geval en net toen we met de fiets weg wilde gaan kwamen er twee lui van de Duitse Veld-Gendarmerie binnen (Ad Klok) en vroegen wat wij daar hadden te zoeken. (Truus Klok)
Ik vertelde hun dat we de fiets van Truus op kwamen halen. Maar die mochten we niet meenemen omdat alles in beslag genomen was. De eigenaar van de fietsenstalling had n.l. zijn auto gesloopt en in onderdelen in de kelder opgeslagen. Zij zouden een “truck” op halen om alles in te laden en wij moesten de zaak zonder fiets verlaten. Ze vergaten echter de sleutel van de zaak die Truus nog in haar bezit had op te vragen. Buiten hebben we even gewacht tot ze uit ´t zicht waren. We zijn toen snel de zaak weer ingegaan om de fiets op te halen. Ik besloot echter om overal eerst eens rond te neuzen of er misschien nog wat te halen viel en tot m´n stomme verbazing was dat zo. We vonden een zak aardappelen, rogge, tarwe en nog veel meer . Vanzelfsprekend hebben we alles plus de fiets meegenomen. Zo kwamen we dus met de buit bij de ouders van Truus terug, die natuurlijk niet wisten wat ze zagen. We hebben de hele geschiedenis aan hen verteld. Aan die Duitsers had ik wel mijn legitimatiebewijs moeten laten zien. Daarop stond een stempel O.D. (ongeschikt Duitsland) . Ik heb n.l. een prothese. Dat is de reden waarom ik niet werd gearresteerd.
De moeder van Truus vroeg of ik niet bang was dat ze mijn adres onthouden hadden, maar ik stelde haar gerust met de mededeling dat het dan wel heel erg knappe Duitsers zouden zijn. We hebben alles eerlijk verdeeld en toen ik met de “bikkesementen” thuis kwam waren mijn moeder en m´n zus vanzelfsprekend ook met stomheid geslagen en kon ik het hele verhaal nog eens vertellen.
Mijn 2e hongertocht met Truus Klok
Het zal ongeveer twee weken na “mijn kortste hongertocht” geweest zijn, toen ik met Truus Klok een hongertocht ging maken naar Holten, waar ( naar men zei) nog wel wat voedsel te halen viel.
![]() Toen we al een eind onderweg waren vloog er op een gegeven moment plotseling een Engels jachtvliegtuig over dat op een Duits legervoertuig voor ons begon te schieten. Wij zochten zo vlug mogelijk dekking achter een hooischelf van een boerderij die (stom toeval) dicht in de buurt stond. Het toestel kwam diverse malen overvliegen en probeerde steeds (zonder succes) het legervoertuig te raken. Uiteindelijk vloog het weg en toen het uit ´t zicht verdwenen was konden wij opgelucht onze tocht vervolgen. Tegen 8 uur kregen kwamen we bij een boerderijtje aan en vroegen de boer of hij iets te eten en slaapgelegenheid voor ons had. Hij zei dat we in de schuur, waar het hooi opgeslagen was, konden overnachten. We kregen een paar sneetjes brood en een paar oude dekens mee en gingen in de schuur slapen. De volgende morgen kregen we van de boer nog wat te eten en na hem hartelijk bedankt te hebben gingen we weer op pad.
(Truus & Brandus)
Zonder verder noemenswaardige gebeurtenissen bereikten we de Deventerbrug en toen we daar over waren liep het alweer tegen achten en moesten we onderdak zien te vinden voor de nacht. Via via werden wij ondergebracht bij een leraar van de ambachtschool. Wij werden bij hem thuis bijzonder gastvrij ontvangen door zijn vrouw en 2 kinderen. Wij kregen flink wat te eten, terwijl er ook een slaapplaats voor ons geregeld werd. De volgende morgen
kregen we een stevig ontbijt en werd ons gezegd dat we ten alle tijden
welkom waren en terug mochten komen. Na hun uitvoerig bedankt te h Truus had een paar lappen stof meegenomen om die bij de boeren voor voedsel te ruilen. Dat viel echter bar tegen. Na de hele dag zowat alle boerderijen in de omgeving afgestroopt te hebben, kwamen we, u begrijpt het al, tegen achten in Holten aan. Hier kreeg Truus onderdak bij een bakkersgezin en ik bij het gezin van een kuiper, waar houten vaten met ijzeren banden er omheen werden gemaakt. Ik kan me nog herinneren dat ik zowel bij de bakker als bij die kuiper 12 boterhammen heb gegeten plus 2x tweemaal warm eten. Niet te geloven, ik snap nu ook niet waar ik het gelaten heb. Omdat we eigenlijk te weinig eten bij elkaar hadden gescharreld om de terugreis te aanvaarden, kregen we van de bakker een adres waar we eventueel voedsel konden kopen . Hij vertelde ons dat op een verlaten stuk weiland langs de spoorbaan een houten hutje stond waarin een man werkte die zeep fabriceerde. De boeren in de omtrek hadden n.l. een groot gebrek aan zeep. Hij ruilde de zeep dan in bij de boeren voor voedsel, dat hij dan weer verkocht (of ruilde) aan hongertochtgangers. De bakker legde ons uit waar we dat hutje konden vinden en wenste ons succes. Na enig zoeken hebben we het gevonden. Nou, dat hutje leek precies op het heksenhuisje uit het verhaal van Hans en Grietje. Het stond inderdaad éénzaam en op een afgelegen weilandje. In de deur van het hutje was een houten luikje waarop ik klopte. Het werd geopend en een man vroeg wat we kwamen doen. Ik zei tegen hem dat we uit Rotterdam kwamen waar enorme hongersnood heerste en vroeg hem of hij voedsel voor ons te koop had. Ik vertelde dat ik in Rotterdam als marinier op de Maasbrug had gevochten en een been was kwijt geraakt. Dat was hartstikke gelogen en ik zou het nu dan ook niet in mijn hoofd halen om zoiets te zeggen en men zegt wel eens: ”In oorlog en in de liefde is alles geoorloofd”.
Maar achteraf geneer ik me voor dat verhaal. Je verzon echter van alles om aan eten te komen, ook voor het thuisfront. Ik had wel een marinejack aan met op de linkermouw een rood anker. Vraag me niet hoe ik er aan gekomen ben, want tot op de dag van vandaag weet ik het niet. Na mijn (gelogen) verhaal vroeg ik aan hem of we misschien wat eten konden kopen, waarop er een stuk of zes grendels van de deur werden geschoven en we binnen mochten komen. We wisten werkelijk niet wat we zagen. Voor ons was het luilekkerland. Er stonden zakken met aardappelen, er was tarwe, rogge, flessen olie, kortom te veel om op te noemen. Ook hingen er een twee geslachte konijnen aan de muur.. We keken onze ogen uit, zoiets hadden we nog nooit gezien. De man gaf een klopje op m´n schouder en zei: ”Ik zal jullie helpen, ik zal jullie zoveel geven als je mee kan sjouwen.” En dat heeft hij gedaan ook. We kregen ieder voor plm. 60 kg. aan voedsel en moesten daarvoor ´slechts 60 gulden per persoon betalen. Dat was in die tijd een werkelijk een “schijntje.” We konden dan ook ons geluk niet op. Geen bedelpartijen meer bij de boeren. We wisten niet hoe deze man te bedanken. Ik geloof dat we hem wel 1000x bedankt hebben. We zijn weer naar onze overnachtadressen (bakker en kuiper) gegaan en hebben daar ons verhaal verteld en kregen weer te eten en te drinken. De volgende dag, na het bakkersgezin en het gezin van de kuiper hartelijk bedankt te hebben voor de genoten gastvrijheid, stapten we weer op de fiets richting Deventer. Daar aangekomen zijn we weer naar het huis van de leraar van de ambachtschool gegaan om te overnachten. Toen deze al dat eten zag dat we bij ons hadden zei hij dat we daarmee nooit door de Duitse controle bij de Deventerbrug kwamen. Hij stelde ons voor om alles in gonje zakjes te doen die hij dan zou meegeven aan zijn leerlingen. Die moesten aan de andere kant van de brug werken aan de IJssel-linie. Zij zouden ons dan aan de overkant opwachten en de zakjes weer aan ons teruggeven. Vanzelfsprekend gingen wij met dat voorstel akkoord. Waar hij al die gonje zakjes zo gauw vandaan heeft gehaald is me nog steeds een raadsel. Toen we de volgende morgen vertrokken (na eerst iedereen uitvoerig te hebben bedankt ) vroegen we ons wel af of het allemaal zou lukken. Tot onze verbazing kwamen we zonder moeilijkheden door de Duitse controle over de brug. Daar stonden, tot onze grote opluchting, de jongens van de ambachtschool ons op te wachten met de zakjes etenswaar die zij aan ons gaven. Wij bedankten hun hartelijk en vertelde hun dat we het bijzonder jammer vonden dat we niets terug konden doen. Maar dat vonden ze niets erg, ze vonden het fijn dat ze ons hadden kunnen helpen. Tjonge, tjonge wat waren wij blij dat alles was gelukt. Vol goede moed begonnen we aan onze terugtocht naar Rotterdam, niet wetende wat ons te wachten stond.
Alles verliep verder vlot, tot we vlakbij Rotterdam waren. Daar werden we aangehouden door de C.C.D. (Crisis-Controle-Dienst *). Dat was een door de Duitsers ingestelde overheidsdienst die werd uitgeoefend door Hollanders en opdracht hadden om het door hongertochtgangers opgehaalde voedsel in beslag te nemen. Blijkbaar kregen ook de Duitsers gebrek aan voedsel. Wat ik toen heb meegemaakt zal ik nooit vergeten. Truus Klok liet zich voorover over het stuur van haar fiets vallen en begon te jammeren. “Ik ga dood, ik ga dood, laat ons toch a.u.b. gaan en m´n vader en moeder zijn ook doodziek en liggen op bed en sterven van de honger.” Zo ging ze nog een tijdje door en droeg een zo aangrijpend en emotioneel verhaal op, dat ik er bijna bij stond te janken. Dit had ik nooit niet achter haar gezocht, want ze had nog nooit toneel gespeeld. Ze deed het echter zo voortreffelijk, dat die beambte medelijden kreeg en z´n hand over z´n hart streek. We mochten met onze schat aan levensmiddelen doorfietsen. Ongelooflijk!
Thuis gekomen werden we natuurlijk met grote blijdschap en vreugde ontvangen. Er was weer voor een paar weken “brood op de plank!”
Noot: Misschien zijn er nog mensen in leven die ons destijds hebben geholpen. en dit verhaal onder ogen krijgen. Hierbij denk ik vooral aan de kinderen van de leraar van de ambachtschool in Deventer en zijn leerlingen. Tegen al die mensen wil ik zeggen:
“BEDANKT! BEDANKT! BEDANKT!”
*Zie ook http://nl.wikipedia.org/wiki/Controleurs_van_de_Centrale_Crisis_Controle_Dienst
Dit was tevens een O.Z.O. teken. (“ ORANJE ZAL OVERWINNEN.”) O.Z.O. werd in die tijd ook veel op muren en schuttingen gekalkt en iedereen wist de betekenis. Het was op een zondagmorgen en Koninginnedag dat mijn moeder en ik met de tram naar de kerk gingen. In het knoopsgat van de revers van mijn jasje had ik een lucifer met oranje kop gestoken. Mijn moeder ging altijd binnen in de tram zitten. Ik bleef altijd op het balkon staan, omdat ik anders last kreeg van misselijkheid. Bij een tramhalte
stapte er een NSB-er in, die ook op´t balkon bleef staan. Toen hij de
lucifer met oranje kop in de gaten kreeg, kwam hij op me af en trok de
lucifer uit het knoopsgat en wierp hem weg. Ik zei tegen hem: ” Nou daar heb
je mij niet mee, want ik heb nog een doosje vol.” Waarop hij antwoor Mijn moeder had inmiddels in de gaten gekregen dat er wat “loos” was en kwam polshoogte nemen. Toen ze het hoorde wat er aan de hand was, werd ze doodnerveus en zenuwachtig. Inmiddels stapten ook de andere zes NSB-ers (ook vaak “zwarthemden” genoemd) in de tram. Op aandringen van mijn moeder en omdat ik ook wel inzag dat ik tegen zeven NSB-ers niet opgewassen was, heb ik toen maar gewacht tot we op de plaats van onze bestemming waren en na te zijn uitgestapt, een nieuwe lucifer met oranje kop in de revers van mijn jasje gestoken. O.Z.O. Dit voorval is mede één van de redenen geweest waarom ik nooit een zwart overhemd heb willen dragen en nog steeds niet.
In Schiedam was ik lid van de toneelvereniging “Steeds Hoger.” Het zal november 1940 geweest zijn, toen we met z´n vieren, s'avonds, na een toneelrepetitie, op weg waren naar huis. We liepen op de stoep naast elkaar, toen er van de andere kant zeven aangeschoten en lallende matrozen van de
Helaas liep ze dan ook een paar rake klappen op en heeft enkele weken met haar arm in een mitella moeten lopen. Zelf werd ik in elkaar geslagen, m´n neus was opgezwollen en zo rood als een biet (ik leek wel een clown), ook zat m´n hele bovengebit los. Het gekke was, dat ik niet bang was, maar wel “witheet.” Met Gré Begeer ben ik naar de Ortscommandant (het hoofd van alle Duitse militairen in Schiedam) gegaan en heb daar in niet mis te verstane woorden gezegd hoe ik over de Duitse Wehrmacht dacht. Daarbij heb ik blijkbaar ook de opmerking gemaakt of de Duitse krijgsmacht het als heldendaden beschouwde om invalide mensen en weerloze vrouwen in elkaar te slaan. Destijds sprak ik een aardig woordje Duits, want ik was pas van school, waar ik ook de Duitse taal geleerd heb. Gré riep steeds: ” Brandus houd toch je mond, straks wordt je opgepakt en sturen ze je naar een concentratiekamp.” Enfin, toen ik uitgeraasd was, belde de Ortscommandant naar (wat later bleek) de Hollandse politie, want even later kwamen er vier Hollandse agenten opdraven, die opdracht kregen om ons naar huis te brengen. Inmiddels was het ook “spertijd” en dan mochten er geen burgers meer op straat zonder speciale begeleiding. Dit alles heeft me wel een tand gekost, maar gelukkig zijn m´n andere tanden, na verloop van tijd, weer vast gegroeid. Later bleek dat we er nog genadig waren afgekomen, want diezelfde matrozen hadden op een andere plek iemand neergestoken. Of zij later door de Ortscommandant op het “matje”zijn geroepen en bestraft, is mij niet bekend, maar ik denk het wel.
& BROOD SS-er
Als ik mijn verhalen aan het typen ben, is het net alsof ik het over een ander heb. Ik ben steeds verbaasd, dat ik het allemaal zelf heb beleefd en meegemaakt. Ook het nu volgende verhaal is weer bijzonder.
Mijn broer Rins in Wijk bij Duurstede had mij op een vorige hongertocht verzocht om een volgende keer een baal zout mee te nemen. De boeren in de omgeving van Wijk bij Duurstede hadden n.l. gebrek aan zout en dan konden we het zout ruilen voor levensmiddelen. Vraag me niet hoe ik er aan gekomen ben, maar het is me gelukt om ergens een baal zout op de kop te tikken. Met de baal zout (60 kg.) achter op de bagagedrager van m´n fiets, ben ik op weg gegaan naar Wijk bij Duurstede. Onderweg (u weet het inmiddels wel), moest ik voor acht uur weer een onderdak zien te vinden om te overnachten.
Toen ik naar binnen ging zat het vol met SS-ers. Ik vroeg aan de herbergier of hij misschien een slaapplaatsje voor mij had, maar ik kreeg ik nul op het rekest. De herberg was gevorderd en er waren Hollandse SS-ers ingekwartierd. Goede raad was duur, want er was inmiddels geen tijd meer om een andere slaapgelegenheid te zoeken. Na enig heen en weer gepraat kwam er een Hollandse SS-er op me af en zei dat ik wel bij hem op de kamer kon slapen, omdat zijn maat met verlof was. Ik had geen andere keus en zo raakte ik op de kamer van die SS-er verzeild. Die begon gelijk wat eieren voor me te bakken en ik kreeg er een paar sneden Duitse Kuch bij en wat te drinken. Hoewel ik me niet erg op m´n gemak voelde, liet ik het me toch goed smaken, want ik verrekte van de honger. Toen ik klaar was met eten en hem daarvoor had bedankt, raakte we in gesprek en vertelde hij me dat hij bij de SS was gegaan omdat hij wilde voorkomen dat zijn vrouw en kinderen zouden verhongeren en dat er nu, wat eten en drinken betreft, voor z´n gezin werd gezorgd. Ik kon er weinig tegen in brengen, want ik wist maar al te goed wat honger betekende en wie ben ik om hem te veroordelen. Het bleek dus een zgn. “brood SS-er” te zijn, waar er wel meer van waren. De volgende morgen vroeg hij een andere SS-er, die er konijnen op na hield, of die een konijn wilde slachten om aan mij mee te geven, maar te vergeefs. Zelf gaf hij me nog een paar sneden Duitse Kuch mee voor onderweg en wenste me succes op m´n verdere tocht.
Zonder noemenswaardige gebeurtenissen kwam ik, met m´n baal zout, aan bij m´n broer en zijn vrouw. We hebben het zout in kleine porties verdeeld en bij de boeren geruild voor in hoofdzaak aardappelen, rogge en tarwe. Toen dit was gebeurd kon ik, na m´n broer en z´n vrouw voor de genoten gastvrijheid te hebben bedankt, de terugreis naar Schiedam aanvaarden. Thuis werd ik natuurlijk weer met blijdschap en open armen ontvangen. We konden ons weer een tijdje te goed doen aan al het meegebrachte “kostelijke” eten.
“VERZET”
In 1942 ben ik korte tijd bij het verzet geweest als ordonnans.
Besprekingen vonden plaats in een woning op het Rauwenhoffplein in Rotterdam. Op een dag was ik met de tram op weg naar zo´n bijéénkomst. Bij de tramhalte waar ik uit moest stappen stond iemand van het verzet mij op te wachten. Hij vertelde mij dat er een inval in de woning was geweest en dat iedereen was opgepakt. Hij raadde mij aan om te maken dat ik weg kwam. Die raad heb ik vanzelfsprekend opgevolgd en ben op de fiets naar mijn broer in Wijk bij Duurstede gereden, die daar was ondergedoken in een toren van een kasteel. Hier ben ik enige tijd gebleven en heb gelijk wat eten bij elkaar gestruind en ben toen toch maar weer naar huis terug gefietst. Ik was dus mooi aan de dans ontsprongen en het betekende tevens het einde van mijn kortstondige rol bij het verzet.
DE DANS ONTSPRONGEN (II)
“KEURING”
December 1944 kreeg ik een oproep om gekeurd te worden voor eventuele “Arbeitseinsatz” in Duitsland. Omdat ik een been mis, was ik er van overtuigd, dat ik niet voor uitzending naar Duitsland in aanmerking kwam.
Daar aangekomen, zag ik buiten allemaal gehandicapte mensen staan, waaronder ook enkele geestelijk gehandicapten. Zij waren allemaal “gepakt en gezakt” met koffers en dekens. Op mijn vraag waarom ze die bagage bij zich hadden, kreeg ik ten antwoord dat er in Duitsland gekeurd zou worden. Blijkbaar had ik de oproep niet goed gelezen of begrepen, maar u begrijpt, dat ik maakte dat ik weg kwam, met de smoes dat ik even m´n spullen op zou halen. Natuurlijk ging ik niet terug, maar zocht ook toen weer mijn toevlucht voor een tijdje bij mijn broer in Wijk bij Duurstede.
Wonderbaarlijke Hongertocht met mijn broer Maarten
Begin j Het plan was om naar het zgn. “ heksenhutje” te gaan, waarin door een man zeep gefabriceerd werd en om dan eerst te overnachten in Deventer bij het gezin van een leraar van de ambachtschool . Zie ook mijn verhaal “2e hongertocht met Truus Klok.” De Duitse controle bij de Deventerbrug was inmiddels dermate verscherpt, dat je er alleen over mocht als je een vereist soort legitimatiebewijs bezat. Mijn broer had destijds een soort legitimatiekaart van één of andere Duitse instelling weten te bemachtigen, waarmee hij zou proberen om over de brug te komen.
(Maarten)
Bloedje link natuurlijk. Maar voor eten nam je alle risico. Zelf moest ik op een andere manier proberen de brug over te komen. Omdat ik toentertijd als telefonist bij de luchtbescherming in Schiedam was, had ik van de Luchtbeschermingsdienst een zwarte helm en een E.H.B.O. band gekregen, zodat ik met luchtalarm te allen tijde de straat op mocht. Een band met “telefonist” had men niet en daarom hadden ze me maar zo lang een E.H.B.O. band gegeven, hoewel ik daar niets van af wist. Ik ging ik bij wijze van spreken al van m´n “kippengraatje” als ik bloed zag. Van m´n huisa De helm en E.H.B.O. band nam ik mee, met de hoop dat de Duitsers mij hiermee door zouden laten. De tocht verliep wonderwel zonder veel problemen. Vlak voor de Deventerbrug zette ik de helm op en deed de E.H.B.O. band om. M´n broer en ik hadden afgesproken dat ik als eerste zou proberen om over de brug te komen en als dat gelukt was, dat hij dan hij volgen. Ik fietste ik zo hard ik kon op de Deventerbrug af en de Duitsers die daar op wacht stonden en de zwarte helm en E.H.B.O.band zagen, hebben toen vast gedacht dat ik ergens hulp moest verlenen, en schreeuwden: “Fahr Los, Fahr Los” en lieten me tot m´n stomme verbazing doorrijden. Ook mijn broer lukte het om over de brug te komen en zo hadden we tot onze grote opluchting deze hindernis genomen. Niet te geloven! Toen we de brug over waren, werden we in Deventer door de leraar van de Ambachtschool en zijn gezin hartelijk en gastvrij ontvangen en mochten daar ook overnachten. De volgende morgen kregen we een heerlijk ontbijt en na de familie hartelijk voor alles te hebben bedankt, gingen we op weg naar Holten.
We waren nog maar net Deventer uit, toen er, tot onze schrik, door de Duitsers een controle werd gehouden. Ik zei tegen mijn broer: ik stap van mijn fiets af en ga lopen, dan zien ze dat ik invalide ben en laten ze me wel gaan. Fiets jij maar door. Mijn broer werd zonder problemen doorgelaten, maar ik werd aangehouden en na mijn persoonsbewijs te hebben getoond, vroegen ze me hoe het mij gelukt was over de brug te komen. Ik liet toen het briefje van mijn huisarts zien en m´n helm en E.H.B.O. band, maar het hielp niet hun te overtuigen dat ik aan de hand van deze bescheiden over de brug was gekomen. Ik moest met ze mee naar een gebouwtje, waar ik grondig werd gefouilleerd, zelfs de inhoud van m´n vulpotlood. Gelukkig had ik geen bezwarende papieren bij me. Maar wel kregen 2 Duitsers de opdracht mij naar de andere kant van de brug te brengen. Daar aangekomen, heb ik toen voor het eerst aan de kant van de weg een potje zitten janken, het was me even teveel. Na een poosje kwam het idee bij me op, om weer naar mijn broer in Wijk bij Duurstede te fietsen, om te proberen daar wat voedsel bijéén te scharrelen. Zo gedacht, zo gedaan. Ik heb die avond ergens onderdak gekregen en ook geslapen.
Ik besloot ook eens te gaan kijken om te zien of ik wel de goede weg was. Bij het bord aangekomen keek ik de man aan en hij keek mij aan en geloof het of niet, het was mijn eigen broer Maarten. Zegt u het maar, was het toeval of een wonder? Wat was het geval, mijn broer die gezien had dat ik weer naar de andere kant van de brug werd gebracht, besloot, om voor hij terug ging, eerst nog even naar het hutje van de “zeepman” te gaan om voedsel te kopen. Helaas was het hutje, dat langs een spoorbaan stond, tijdens een bombardement geraakt en er viel dus niets meer te halen. Mijn broer besloot toen ook om naar onze broer Rinus in Wijk bij Duurstede te fietsen. En zo kwam het dat wij de andere dag elkaar weer ontmoetten bij dat A.N.W.B. bord. Samen zijn we naar Wijk bij Duurstede gefietst en is het ons, na een paar dagen gelukt, om met hulp van onze broer Rinus, genoeg voedsel op de kop te tikken om de terugreis naar huis te aanvaarden. Onderweg kregen we met extreme kou en enorme sneeuwstormen te maken en moesten vaak schuilen en hele stukken lopen, omdat tegen de storm niet in te fietsen viel. Na een nacht t
Ik was doodmoe en aan het einde van m´n “Latijn” en had een open lies door het vele lopen. Maar na een week was alle leed geleden en konden er weer voorbereidingen worden gemaakt voor een volgende tocht.
Heel veel dank zijn wij verschuldigd aan mijn broer Rinus en zijn vrouw Aad, die ons gedurende de hongerwinter steeds vele malen gastvrij hebben ontvangen en enorm behulpzaam zijn geweest.
(Aad en Rinus in hun jonge jaren)
Op een hongertocht met mijn broer Maarten maakten wij de volgende komische gebeurtenis mee. Het was tegen acht uur en wij waren op zoek naar een slaapplaats voor de nacht. Bij een boerderijtje aangekomen klopten we aan om te vragen of er misschien slaapgelegenheid voor ons was. De boer die open deed, zei dat hij al drie meiden op zolder te slapen had in een ijzeren ledikant. Als die geen bezwaar maakten als wij op de grond aan het einde van het ledikant gingen slapen, dan vond hij het ook best. Hij zou het wel even gaan vragen en erbij zeggen dat wij broers waren. Nou, de boer heeft zeker een heel goed woordje voor ons gedaan, want de dames vonden het goed en zo konden wij ons, na eerst nog wat gezellig met elkaar gekletst te hebben, aan het voeteneinde te slapen leggen. Onder het bed stond zo´n grote ouderwetse ijzeren piespot, voor als er iemand hoge nood zou krijgen.
Op een gegeven moment hoorden we de meiden onderdrukt fluisteren en zachtjes giechelen. Dan was het weer even stil en dan begon het fluisteren en gegiechel weer opnieuw. Dat ging zo een tijdje door. Want wat was het geval, één van die meiden moest plassen, maar durfde niet, omdat wij aan het voeteneinde lagen. Ze stelde het dus steeds maar uit. Maar dat gaat goed, voor zo lang het kan. Uiteindelijk nam ze toch de pot en toen kletterde de plas met een luid geweld in de ijzeren pot. Het leek wel een waterval! De meiden in het ledikant gilden het uit van de lach. Gelukkig hoefden wij onze lach toen ook niet langer in te houden en we proesten het uit. Het slachtoffer lachte even later hartelijk mee. Het waren “ toffe”meiden, het werd allemaal sportief opgevat, maar van slapen kwam niet veel meer terecht. De volgende morgen namen we vrolijk afscheid en wensten elkaar veel succes op onze verdere hongertocht.
Inleiding De eerste actie van verzet begon reeds 15 mei 1940.Hieronder laat ik het geschreven bericht no. 2 volgen dat door de verzetsbeweging “ De Geuzen” werd gepubliceerd.Citaat
Geuzenactie Bericht no.2.
Spoedig krijgen we het bonnenstelsel voor alles en nog wat en daarna kunnen we zelfs op de bonnen niets meer krijgen. Onze jonge mannen zullen worden gedwongen elders te gaan werken voor den overweldiger. We krijgen spoedig een nieuwe Alva met bloedraad en inquisitie (of een Quisling). Maar de Geuzenactie zal ons geleidelijk organiseren en eenmaal zullen we, evenals in de tachtigjarige oorlog, onze vrijheid heroveren. Moed en vertrouwen. Ons land zal geen onderdeel van Duitsland worden!
De Geuzenactie bestaat uit het volgende: Schrijf elk bericht twee of meer keer volledig over met verdraaide hand. Doe ongemerkt elk papiertje (ook dit exemplaar) toekomen aan een betrouwbare Nederlander, die weer hetzelfde doet als gij. Onderbreek deze actie nooit, ook al krijgt ge soms een bericht voor de tweede maal. Overal stellen we geheime agenten aan. Spoedig hoort ge meer. Laat ieder deze Geuzenplicht doen! Eén voor allen, allen één! Dit bericht is uitgezonden op 18 mei 1940. Tot zover dit bericht.
Onwaarschijnlijk dat al deze voorspellingen ook zijn uitgekomen. Helaas werden in maart 1941 één en twintig van hen opgepakt, waarvan er 18 zijn gefusilleerd i.v.m. gepleegde sabotage of anderszins. (Bekend is het gedicht van Jan Campert: “Het lied der achttien doden”, wat hierover gaat.)
Eén van die drie was Bill Minco, een oudere broer van een vriend van mij Hugo Minco, zonen van een Joodse familie. Bill Minco was nog scholier en 17 jaar. Hij werd eerst overgebracht naar het Oranjehotel (gevangenis in Scheveningen). Historisch zijn de woorden die één van de verzetstrijders in zijn cel op de muur heeft geschreven, t.w.:
"IN DEZE BAJES ZIT GEEN GAJES, MAAR HOLLANDS GLORIE, POTJANDORIE!"
Bil Minco heeft daarna de volgende concentratiekampen overleefd: Untermaszfeld – Mauthausen – Auschwitz en Dachau.
Bijna niet te geloven, als je bedenkt, dat er 6 miljoen Joden zijn omgebracht. Hier kan je echt spreken van een wonder! Wel had hij T.B.C. opgelopen en werd hij na zijn bevrijding in 1945 opgenomen in het T.B.C.-sanatorium in Davos. Naar ik vermoed heeft hij daar ook zijn boek geschreven: “ Koude voeten.” (Tweede druk, mei 1997, softcover, 205 pag.)
Bill Minco heb ik voor het laatst op de TV gezien toen hij 90 jaar was. Ook wonderlijk, als je zoveel heb meegemaakt en dan toch nog zo´n leeftijd bereikt.
vroeg aan mij of ik mijn persoonsbewijs aan Hugo wilde geven, dan kon die op mijn persoonsbewijs onderduiken.
Zelf was ik amper 17 jaar en me niet helemaal bewust van het gevaar dat ik opliep en ik deed het voor mijn vriend. De aantekening “rechts kunstbeen” probeerde ik met een mesje weg te te schrappen, wat niet erg lukte en heb het daarna aan hem gegeven. Als hij was aangehouden had iedereen onmiddellijk gezien dat er met het persoonsbewijs was geknoeid. Maar ja, het is hem toch gelukt om op mijn naam onder te duiken. Zelf durfde ik nauwelijks de straat op, bang als ik was te worden aangehouden. Mijn moeder zei wel eens tegen me: ” Knul ga nou eens de straat op, je zit steeds maar op je kamertje”. Zij wist n.l. van het hele geval niets af. Gelukkig kreeg ik mijn persoonsbewijs na enige tijd over de post terug. Toen was men er bij het verzet n.l. in geslaagd om valse persoonsbewijzen te maken en Hugo heeft er toen één gekregen.
Het verzet publiceerde inmiddels ook o.a. ook de illegale blaadjes “TROUW” en “DE WAARHEID.” De familie Minco woonde destijds in de Graaf Florisstraat in Rotterdam en kort na de bevrijding ben ik er heen gegaan om te zien of zij de oorlog hadden overleefd en, oh wonder, gelukkig was dat zo. Maar Bill Minco was opgenomen in het T.B.C.- sanatorium in Davos, zoals ik reeds eerder heb vermeld.
Op de familiefoto ziet u op de tafel een kleine foto staan van Bill Minco (die toen in de gevangenis zat) en daarachter mijn vriend Hugo en links en rechts zijn vader en moeder.
Knap hoe sommige lieden in de oorlog dingen wisten te verzinnen om toch nog wat geld te verdienen. Op het Boerhavenplein in Schiedam was destijds een ijssalon gevestigd. De eigenaar hiervan had het volgende verzonnen toen hij geen ijs meer kon verkopen, omdat er geen stroom meer was. Hij deed in een soort grote badkuip een bepaalde hoeveelheid taptemelkpoeder en wat aardbeien, frambozen, of een andere smaak essence en vermengde dat met een flinke hoeveelheid water. In de badkuip stond een rad en voor de badkuip een fiets op een soort stellage, zodat de wielen niet in aanraking kwamen met de grond.
Hij had twee jonge knapen in dienst plm. 13/14 jaar oud (kunnen ook wel z´n zoontjes geweest zijn), die om de beurt gingen fietsen. Het rad in de badkuip begon dan te draaien en in de badkuip ontstond, na verloop van tijd, een enorme hoeveelheid schuim, vergelijkbaar met de substantie die je op de kermis koopt als je de kinderen op een zgn. “suikerspin” trakteert. Dit spul was te koop voor 50 cent per flinke pollepel. Als je een paar lepels van dat spul ophad, kreeg je een volle maag en was je hongergevoel, voor zo lang het duurde, verdwenen. Regelmatig ging ik met een flinke pan wat van dat spul voor de hele familie halen. Voor ik er mee naar huis ging, kocht ik eerst wat voor mezelf en at dat in de ijssalon op, in de veronderstelling dat ik er dan thuis niets meer van hoefde. Moest je onderweg naar huis echter een harde “wind” laten of een flinke “boer,” dan verrekte je weer van de honger. Ook hiervoor stonden de mensen in de rij!
De Duitsers hoopten hiermee te bereiken, dat je dan niet meer naar de B.B.C. kon luisteren, waarop ook “Radio Oranje“ werd uitgezonden. Toen er later dan ook geen stroom meer was, hebben “knappe koppen” het zgn. “kristalontvangertje” uitgevonden. Dat zat in een jampotje. In het jampotje zat ook een stuk zilverpapier. In het dekseltje van het jampotje zat een gaatje waaruit een draadje stak. Met het draadje moest je dan over het zilverpapier strijken en via een koptelefoon kon je dan met veel geruis en gekraak op de Engelse zender “Radio Oranje” ontvangen. Dat ging dan als volgt: eerst hoorde je driemaal de eerste 4 tonen van de vijfde symfonie van Beethoven, dadada dom, dadada dom, dadada dom, en dan: “Hier de stem van strijdend Nederland, op de 1500 en 373 meter, en in de 41, 31, 25, 19, 16, en 13 meterband.” Ik kan het me nog als de dag van gisteren herinneren.
In al mijn verhalen wordt mijn vader praktisch niet genoemd. Dat komt omdat mijn vader vaak van huis was en op zee verbleef. Hij was hoofdmachinist op het stoomschip s.s. ” Friesland” van de Scheepvaart en Steenkolen Maatschappij te Rotterdam. Meestal was hij maar enkele dagen thuis, moest dan weer varen en was weer maandenlang van huis. Vóór 1940 voer hij o.a. op Engeland, Schotland, Finland, Estland, Letland, Litauen en Rusland.
De schepen werden destijds nog met kolen gestookt. Mijn vader heeft twee wereldoorlogen overleefd. In de oorlog van 1914-1918 werd het schip waar hij toen op voer getorpedeerd en in een roeiboot is hij toen op de Schotse kust aangespoeld. Ons gezin bestond uit negen personen. Ik had vier broers en vier zussen, waarvan de eerste vier vóór 1918 zijn geboren, de vijf anderen (waar ik ook bij hoor)) na 1918. In ons gezin werd wel eens gekscherend gesproken over de eerste leg en de tweede leg. Mijn vader was een verwoed postzegelverzamelaar, hij verzamelde postzegels uit alle landen. Gedurende de tweede wereldoorlog heeft hij, in dienst van de geallieerden, op s.s.” Friesland” in konvooi naar Canada gevaren. (Zie geplaatste foto.)
Vooral in het begin van de oorlog werden de koopvaardij schepen in groten getale door de Duitse onderzeeboten (zgn. U-boten) de grond in geboord. Andere schepen hadden dan strikte opdracht om door te varen. Zij mochten onder geen beding drenkelingen redden en aan boord nemen, omdat dan het gevaar bestond zelf getorpedeerd te worden. Mijn vader heeft verschrikkelijke dingen meegemaakt en gezien. Toen m´n vader een keer met z´n schip in Londen terug kwam, moest hij in het ziekenhuis aldaar worden opgenomen, om behandeld te worden aan steenpuisten. Op het moment dat mijn vader in het zieken huis lag, is het ss Friesland op 1 november 1940 onderweg van Immingham naar Dover bij lichtschip South Goodwin op een mijn gelopen en gezonken. Daarbij viel 1 slachtoffer te betreuren. M´n vader heeft dus alle geluk van de wereld gehad, dat hij juist toen in het ziekenhuis lag. Na het einde van de oorlog heeft hij een “Margriet” speldje gekregen en een medaille voor het tijdens de oorlog varen voor de geallieerden. Mijn vader was geen spraakzaam mens. Met mij heeft hij nooit over die periode gesproken. Aan mijn oudere zus Adrie en aan mijn zwager Gerard ( waar m´n vader later een tijdje in huis is geweest) heeft hij wel het één en ander verteld. Van hen ben ik sommige van eerder gestelde belevenissen aan de weet gekomen.
Hij stond er n.l. op dat ik, ondanks m´n handicap, zwemles nam en vader´s wil was wet! Op m´n 11e jaar haalde ik in een maand tijd het A- en B- diploma.
Bij zijn terugkeer uit Engeland (na de bevrijding) had mijn vader voor mij een fiets meegebracht, als blijk van waardering van de door mij gemaakte hongertochten. Van mijn zus Martha , die telefoniste was in Rotterdam bij de R.T.M stoomtram (ook wel de “moordenaar” genoemd vanwege de vele dodelijke ongevallen) kreeg ik een horloge.
Vermeldenswaard is nog, dat dit horloge werd gekocht op een zgn. “horlogebon.” Aan alle mensen die een horloge nodig hadden voor hun beroep, werd zo´n “horlogebon” verstrekt, dus ook aan mijn zus Martha.
Tijdens de oorlog 1940-1945 kreeg zij af en toe een berichtje via het Rode Kruis dat alles nog goed was met haar man en “that was it!” Vaak stond zij er alleen voor om de kinderen groot te brengen en op te voeden, en ik kan u verzekeren, dat was geen gemakkelijke taak, want we waren nu niet bepaald “lieverdjes.” En vooral met mij heeft ze heel wat te stellen gehad. Sorry moeder.
kon beschikken. Wanneer je in het bezit was van tarwe, rogge en dergelijke, dan moest dat eerst gemalen worden tot meel en als je dan warme pap wilde maken, of andere etenswaar wilde verwarmen, dan gebeurde dat op een noodkacheltje. (Zie geplaatste afbeelding.) Lieden met “gouden handjes” maakte zo´n kacheltje zelf, maar als je niet zo handig was, kon je ook zo´n noodkacheltje kopen. Wij hadden er één gekocht, want ik heb twee linkse handen. Dat kacheltje werd aangemaakt en gestookt met papier, karton en hout. Om aan hout te komen werden deuren gesloopt, houten blokjes die naast de tramrails lagen weggehaald, en ook de houten bielzen tussen de treinrails.
Honden en katten zag je ook niet meer op straat, want die waren hun leven niet zeker als u begrijpt wat ik bedoel. Met levensgevaar zijn ´s-nachts veel bomen omgehakt. Wij woonden in die tijd in de Boerhavelaan in Schiedam, een laan die vol stond met bomen. Al die bomen zijn in één nacht om gehakt. Mijn zwager Gerard en z´n broer Bouke, die bij ons waren ondergedoken, hielpen daarbij een handje mee, wat voor hen helemaal “bloedje link” was. Zij zaten n.l. in het verzet, waren gepakt en uit een rijdende trein in de sneeuw gesprongen en wisten zo te ontkomen. Gelukkig hebben zij toen ons huis in Schiedam weten te bereiken. Het bomen omhakken is ook allemaal goed afgelopen en zodoende hadden wij een flink partijtje hout voor ons noodkacheltje. Men kroop ´s-avonds vroeg onder de wol, om niet in de kou te zitten. Ondanks alle ellende werden er toch, gek genoeg, nog de nodige baby´s verwekt. Wellicht het resultaat van het vroege naar bed gaan! Ja, ja, het was een rare tijd!
BOMBARDEMENT ROTTERDAM
[Citaat:]
“Op de rampzalige 14e mei 1940 werd de hemel boven Rotterdam verduisterd door 54 Heinkel bommenwerpers geladen met 100 ton brand- en brisantbommen. Het bombardement begon om 13.20 uur. Twintig minuten later waren er 900 doden te betreuren. Duizenden (het juiste aantal is nooit bekend geworden) waren gewond geraakt. In totaal waren buiten kerken, winkels en openbare gebouwen 25.000 woningen vernield. Het aantal daklozen steeg tot 78.000.”
[Tot zover dit citaat.]
We beseften niet dat wij ook gevaar liepen gebombardeerd te worden en het drong niet geheel tot ons door wat voor een verschrikking er gaande was.
Het was natuurlijk een ongelijke strijd en de Fokker G1 werd dan ook neer geschoten. Het was een rot gezicht dat ik nooit vergeten zal. Het greep me aan en ik geloof dat bij mij toen ook de haat tegen de Duitsers is ontstaan. Een dag later kwamen we aan de weet wat een dood en verderf de Duitsers in de Rotterdamse binnenstad hadden aangericht.
Ook hadden de
Duitsers een groot aantal parachutisten gedropt
Het korps Mariniers staat bij de Rotterdammers heel hoog in aanzien.
Zij willen over de Mariniers dan ook geen kwaad woord horen. En nu nog als zij door de stad marcheren is een warm applaus hun aandeel.
Maar wat wil je? Ik ben ook een Rotterdammer!
BEVRIJDING
Eindelijk, eindelijk, eindelijk kwam op 5 mei 1945 de
lang verwachte bevrijding Tot mijn grote verrassing kreeg ik van mijn moeder op de dag van de bevrijding een pakje Chief Whip sigaretten, dat zij voor mij in de linnenkast had verstopt. Vlug stak ik een sigaretje op, inhaleerde, en ging zowat van m´n kippengraatje. Ik was natuurlijk geen nicotine meer gewend. Ik
maakte de sigaret vlug uit en
Mijn moeder had ook een fles Oranje Bitter bewaard voor deze heugelijke dag. Deze werd uitgeschonken aan familieleden, vrienden en kennissen, om te proosten op de bevrijding!
Dit gebeurde met Amerikaanse B17 bommenwerpers ook wel “Vliegende Forten” genoemd. Deze vliegtuigen vlogen met minimum snelheid en op zeer lage hoogte over, tot groot enthousiasme van de mensen. Op de grond en op de daken van de huizen stonden zij naar de vliegtuigen te zwaaien met zakdoeken, lakens en sommige zelfs met vlaggen. Eén van de vliegvelden waar zo´n dropping plaats vond was vliegveld Ypenburg bij Den Haag. Toen ik op m´n gammele fiets daar heen fietste om naar de voedseldropping te kijken, werd ik zowat door een vliegtuig van m´n fiets gevlogen, zo laag kwam die over. Ik heb me plat op de grond moeten werpen om dit te voorkomen. Dit laag vliegen noemde men in de volksmond:
“Huissie, boompie, beessie!”
Het gedropte voedsel bestond o.a. uit blikken zgn. “kakies” (een soort zeekaken), kaas, meel, chocolade met vitaminen, blikjes “meat en vegetables” (vlees en groenten) en nog wat andere levensmiddelen. Ze werden “tien in één blikken” genoemd. Engeland zag kans om in twee weken tijd elf miljoen kilo voedsel aan te maken om uit te strooien.
De mensen vergeleken de smaak van dit brood met cake. Een Zweedse boterham belegd met meat en vegetables was “het einde!” De gedropte “kakies” waren zo keihard, dat je ze met een kunstgebit niet kon eten. Je moest ze dan eerst te weken leggen in water of surrogaat thee. Dat mocht de pret echter niet drukken. Je had wat te eten! Het verhaal deed toen de ronde, dat de magen van sommige mannen barsten, toen zij een stelletje van die “kakies” hadden opgepeuzeld en daarna een paar glazen bier dronken. Of dit ook werkelijk is gebeurd, is mij niet bekend.
Van de intocht van de geallieerden troepen heb ikzelf weinig gemerkt, omdat er geen tanks e.d. door de Boerhavelaan in Schiedam, (waar ik woonde) kwamen. Af en toe reed er een Engelse legerwagen door de straat.
Weken lang werden er iedere avond straatfeesten georganiseerd tot diep in de nacht op het Boerhaveplein. Er werd gehost en gedanst op muziek van grammofoonplaten, van een draaiorgel, of van in de haast samengestelde “bandjes.”
In die tijd vond voor mij ook de belangrijkste gebeurtenis van mijn leven plaats. Ik leerde namelijk mijn fantastische en lieve vrouw kennen en werd verliefd. Gelukkig was de liefde wederzijds. Wij zijn denk ik één van de eerste stelletjes geweest die gingen samen wonen, voor we trouwden (toen zei men: ”Hokken”) wat in die tijd “een schande” was. Op 2 april 1946 zijn we in Rotterdam getrouwd en hebben ruim 57 jaar lief en leed samen gedeeld.
RINUS EN DE GROENTEZAAK
Gedurende de oorlog in de meidagen van 1940 was mijn broer Rinus gelegerd op vliegveld Valkenburg, gelegen tussen Katwijk aan de Rijn en Leiden, waar hij heeft deel genomen aan de gevechten tegen de Duitsers. Tijdens deze gevechten hebben veel Nederlandse militairen het leven gelaten.
Gelukkig was dat het geval en konden wij elkaar met blijdschap begroeten. Na wat bijgepraat te hebben, en bij de soldaten gegeten te hebben, aanvaardde ik zo vlug mogelijk de terugtocht naar Schiedam, om de familieleden van het heugelijke feit, dat Rinus ongedeerd was, op de hoogte te stellen. Mijn broer en zijn vrouw Aad hadden in die tijd een groentezaak in Rotterdam, in Spangen op de hoek van de van Lennepstraat, waar hij na enige tijd weer aan het werk ging. Dit heeft echter niet lang geduurd, want kort daarna werden alle gewezen militairen opgeroepen om zich te melden om op transport te worden gesteld naar Duitsland. Dit was voor mijn broer het moment om te maken dat hij weg kwam. Samen met zijn vrouw is hij toen gedurende de Duitse bezetting onder gedoken in de toren van een voormalig kasteel in Wijk bij Duurstede. Deze toren stond vlak naast een boerderij, waar zij aan het nodige voedsel konden komen. Hoe hij aan dit onderduikadres is gekomen weet ik niet, maar ik vermoed via een familielid van zijn vrouw. Tijdens de hongerwinter in 1944/1945 ben ik er diverse malen naar toe gefietst, omdat daar in de omgeving, zij het met moeite, nog wel aan de nodige etenswaren te komen was.
Het was in de tijd dat er nog aardappelen op de bon verkrijgbaar waren. De aardappelen lagen opgeslagen in de kelder onder de zaak. Op een keer was er via het kelderraampje ingebroken en waren er aardappelen gestolen. Wel begrijpelijk als je verrekt van de honger. Om dit in het vervolg te voorkomen werd mij gevraagd om in de woning van mijn broer te overnachten en eventuele inbrekers te verjagen. Nu was ik bepaald geen held en ik besefte dat ik in m´n “uppie” weinig tegen een stelletje inbrekers kon beginnen. ![]() Ik heb toen aan een vriend van me (de musicus Dick Steenbrink, zie foto!) gevraagd of hij mee wilde gaan als een soort versterking, want twee zijn nu éénmaal sterker dan één. Gelukkig was hij daartoe bereid. Nou, de eerste de beste avond was het meteen raak. s-Avonds om een uur of elf werd er aan het (inmiddels herstelde) kelderraampje gemorreld. Vlug staken we een kaars aan en gingen met een hoop kabaal en geschreeuw, zo van: “Willen jullie als de donder maken dat je weg komt, anders slaan we jullie finaal in mekaar” het keldertrapje af. En tot onze grote opluchting namen ze de benen.. Die nacht hebben we zowat geen oog dicht gedaan, en waren blij dat het tegen achten liep, want om 8 uur kwam oome Dirk om de zaak te openen. Even voor achten werd er echter al aan de deur gerammeld en stond er een klant voor de deur. Nou dacht ik, die kan ik ook wel even helpen deed de deur open, ging achter de toonbank staan en vroeg beleefd aan hem waarmee ik hem van dienst kon zijn. Hij zei:” Een, een, een. een p-p-p-p-pond p-p-peen en en een een ki-ki-kilo ui-ui-uien.” Mijn vriend Dick, die in de deuropening stond schoot in een schater- lach, en toen kon ook ik mijn lachen niet bedwingen, met als resultaat, dat de man boos de zaak uit liep. Het is echt niet mijn gewoonte om iemand uit te lachen die stottert, maar dit overviel me, en kwam zo onverwacht, dat ik er volkomen door werd verrast. Even later kwam oome Dirk, aan wie ik het verhaal vertelde. Die wist precies wie ik bedoelde. Gelukkig is de man niet boos gebleven en heeft even later toch zijn pond peen en kilo uien bij oome Dirk gehaald. Ik heb me nadien niet meer laten verleiden om een vroege klant te helpen, maar geduldig de komst van oome Dirk af gewacht.
Noot: Wat me van mijn broer Rinus altijd bij zal blijven is, dat hij zo´n enorme bewondering had voor het Korps Mariniers. Wanneer de Mariniers Kapel voorbij marcheerde, raakte hij zo geëmotioneerd, dat hij nauwelijks nog een woord uit kon brengen.
Foto van de Marinierkapel voor de Van Ghentkazerne, Toepad, Rotterdam
Deze kazerne is destijds gebouwd door de schoonvader van Rinus, aannemer Mosselman. Rinus en zijn vrouw Aad hebben, toen de kazerne nog in aanbouw was, in één van de gereed zijnde zalen, hun bruiloftsfeest gevierd. Wellicht heeft e.e.a. ook mede gespeeld dat Rinus gauw geëmotioneerd raakte, als hij de Marinierskapel voorbij zag marcheren.
Wat ik mij ook nog kan herinneren is, dat ter opluistering van hun bruiloftsfeest, mijn vriend Ad Klok en ik enkele toneelschetsjes hebben opgevoerd.
W. Klinge
Dit i.v.m. gepleegde sabotage tegen de Duitse bezetting en overheersing. Zie ook mijn verhaal VERZET EN JODENVERVOLGING onder deze rubriek. Over deze gebeurtenis verscheen onderstaand ontroerend gedicht van Jan Campert:
“HET LIED DER ACHTTIEN DODEN.”
Een cel is maar twee meter lang en nauw twee meter breed, wel kleiner nog is het stuk grond, dat ik nu nog niet weet, maar waar ik naamloos rusten zal, mijn makkers bovendien, wij waren achttien in getal, geen zal de avond zien.
O lieflijkheid van licht en land, van Hollands vrije kust, eens door de vijand overmand had ik geen uur meer rust. Wat kan een man oprecht en trouw, nog doen in zulk een tijd ? Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw en strijd den ijlden strijd.
Ik wist de taak die ik begon, een taak van moeite zwaar, maar ‘t hart dat het niet laten kon schuwt nimmer het gevaar; het weet hoe eenmaal in dit land de vrijheid werd geëerd, voordat de vloekbre schennershand het anders heeft begeerd.
Voordat die eeden breekt en bralt het miss’lijk stuk bestond en Holland’s landen binnenvalt en brandschat zijnen grond; voordat die aanspraak maakt op eer en zulk Germaans gerief ons volk dwong onder zijn beheer en plunderde als een dief.
De Rattenvanger van Berlijn pijpt nu zijn melodie, - zoo waar als ik straks dood zal zijn, de liefste niet meer zie en niet meer breken zal het brood en slapen mag met haar - verwerp al wat hij biedt of bood die sluwe vogelaar.
Gedenk die deze woorden leest mijn makkers in den nood en die hen nastaan ‘t allermeest in hunnen rampspoed groot, gelijk ook wij hebben gedacht aan eigen land en volk - er daagt een dag na elke nacht, voorbij trekt iedre wolk.
Ik zie hoe ‘t eerste morgenlicht door ‘t hooge venster draalt. Mijn God, maak mij het sterven licht - en zoo ik heb gefaald gelijk een elk wel falen kan, schenk mijn dan Uw genâ, opdat ik heenga als een man als ik voor de loopen sta.
GEDROPTE FOTO´S
In de oorlog zijn er foto´s van koningin Wilhelmina en de Koninklijke familie uit Engelse vliegtuigen in Nederland gedropt. Dit, om de toen bekende leuze O.Z.O. (Oranje Zal Overwinnen), kracht bij te zetten, en om de Nederlandse bevolking een hart onder de riem te steken om in de bevrijding te blijven geloven. Deze foto´s vonden gretig aftrek bij de Nederlandse bevolking.
Op deze pagina enkele van deze destijds gedropte foto´s, waarvoor speciale aandacht voor de foto waarop, na enig zoeken, 5 profielen van gezichten van de Koninklijke familie te zien zijn, aan de zijkanten van de blaadjes van de tak. Was je in het bezit van één of meerdere van deze foto´s, dan was dat niet zonder gevaar, want als de Duitsers deze bij een razzia of aanhouding vonden, dan werd je opgepakt, met alle gevolgen van dien.
Onderstaande foto´s vond ik onlangs terug in een oude kartonnen doos waarin ik vroeger de foto´s bewaarde.
Gedicht bij foto Koningin Wilhelmina 1940.
Neen, ´t was geen vlucht die U deed gaanMaar volgen, waar God riep´k Vraag niet, wat in U is doorstaan, Een strijd, hoe zwaar, hoe diep.
Wij knielen met en naast u neerTot God de blik, de hand; Geef Neerland aan Oranje weer, Oranje aan Nederland.
En kome dan, wat komen mag, W´aanbidden, zwijgen stilDe nacht zij zwart, omfloerst de dag, Geschiede Heer, Uw wil.
Tekst foto tak met bladeren. (Zoek de profielen aan de randen van de bladeren.)
Verhuld zijn vruchten in deharde schaal, verscholen zijn de waarden in dit leven, nochtans verstaat ons hart de klare taal van het symbool aan Nederland te geven.
Verder nog een foto waarop, toen nog, prinses Juliana met haar kinderen, waarvan de voorste nu Koningin Beatrix. Deze foto werd gemaakt in Canada.
W. Klinge
.
Op 31 maart 1943 (om 14uur 45) werd het westen van Rotterdam gebombardeerd door Engelsen vliegtuigen.De bommenwerpers vlogen op zo´n grote hoogte, dat ze nauwelijks te zien waren. De bedoeling was om de havens van Rotterdam te bombarderen, t.w. de Merwedehavens, alsmede het spoorwegemplacement aan de Hudsonstraat en de daarachter gelegen haven. Door, vermoedelijk een kapitale navigatiefout, werden de beoogde doelen echter gemist en viel helaas een regen van bommen op de woonhuizen.
Een triest voorval was, dat het hele gezin van Dr.Vader op de Schiedamscheweg hierbij om het leven kwam.
(de Schiedamscheweg)
Er vielen 750 doden te betreuren en er werden 2500 huizen plat gebombardeerd.
Een groot deel van mijn jeugd (van m´n 6 e tot 14e jaar) heb ik met mijn broers en zussen op de Schiedamscheweg 267A gewoond. Toch bijzonder, dat ik me zelfs nu nog het huisnummer herinner. Ook deze woning werd tijdens dit bombardement weggevaagd.
(bovenstaande foto´s zijn resp. de Gijsingstr., Rosenermanstraat en Mathenesserweg.)
Om gezondheidsredenen van mijn moeder zijn wij in 1937 verhuisd. Mijn zus Adrie nog maar 14 jaar oud moest (nood gedwongen) op zoek naar een andere woning. Wij zijn toen verhuisd naar de Beatrijsstraat in Rotterdam, en omdat mijn moeder daar niet wennen kon, niet lang daarna naar de Boerhavelaan 64A in Schiedam. Wij waren dus, gelukkig, bijtijds uit de Schiedamscheweg vertrokken. Het bombardement op het westen van Rotterdam was zo hevig, dat de bominslagen zelfs in Schiedam hoorbaar en merkbaar waren en wij ook angstige momenten hebben beleefd. Mijn zus Mien (Willemien zoals ik haar altijd noemde)
woonde met haar man en gezin in de Catharine Beersmanstraat in het westen
van Rotterdam, waar zij een kapper
Op de foto staat het Boschpolderplein dat eveneens aan dit bombardement ontsnapt is en waarop je vanuit de kapperszaak uitkeek. Het is pijnlijk om te zeggen, maar dit bombardement is een enorme “miskleun” geweest en wordt daarom vaak verzwegen, omdat de Amerikanen* in die tijd tot onze geallieerde vrienden behoorden en het Duitse bombardement op het centrum van Rotterdam op 14 mei 1940 nog vele malen erger is geweest. Als men dan ook over het bombardement op Rotterdam spreekt, wordt meestal het Duitse bombardement bedoeld.
Dit is trouwens niet het enige zgn. “vergeten bombardement” geweest.
Meerdere plaatsen die tijdens de oorlog door een bombardement zijn getroffen, waren onder meer:
Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Den Helder, Deventer, Eindhoven, Enschede, Leeuwarden en Nijmegen.
Naschrift:
Een monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van het vergeten bombardement te Rotterdam is geplaatst in het Gijzingsplantsoen van Park ´43 gelegen in de wijk Bospolder- Tussendijke van de deelgemeente Delfshaven Rotterdam.
* Het bombardement werd uitgevoerd door vliegtuigen van de 8e American Airforce die in Engeland hun basis hadden.
W. Klinge
WAAROM DE DUITSERS NEDERLAND BINNENVIELEN
Zelf heb ik eigenlijk nooit precies geweten waarom de Duitse troepen op bevel van Hitler Nederland zijn binnen gevallen. Pas nu ben ik de door Hitler opgegeven reden in het boek
“Een eeuw in voorpagina´s” (1900-1999)
uitgegeven door NRC Handelsblad, aan de weet gekomen. Omdat ik veronderstel dat velen onder u dit ook niet weten, hieronder een citaat dat op vrijdag 10 mei 1940 in de “Nieuwe Rotterdamsche Courant stond.
[Aanvang citaat] In Oorlog
Ondanks de oprechte en krachtige pogingen van onze regering en ons volk, om naar alle zijden een eerlijke neutraliteit te handhaven, heeft het Duitsche rijk ons onverhoeds aangevallen, zulks, gelijk het in de proclamatie van Hare Majesteit de Koningin heet, niettegenstaande de plechtige toezegging dat de neutraliteit van ons land zou worden ontzien, zoolang we haar zelf handhaafden. De inval van ons land blijkt gepaard te gaan met een inval in België en de bezetting van Luxemburg. Evenals bij de inval in Noorwegen het geval was, motiveert men van Duitsche zijde het militaire optreden tegen ons land met de bewering, dat ons een inval van Frankrijk en Engeland te wachten zou hebben gestaan, en men voegt daaraan nog toe, dat deze inval met medeweten van Nederland en België sinds lang was voorbereid, omdat men via beide Nederlanden een aanval wenschte te doen op het Roergebied. Deze motivering is vanochtend om zes uur ----- let wel, drie uur nadat blijkens het eerste communique van het algemeen hoofdkwartier, de Duitsche opmars begonnen was ----- aan onze regering medegedeeld, met de bijvoeging, dat tegenstand doelloos zou zijn en met de bedreiging, dat ons land aan vernietiging zou bloot staan, wanneer verzet geboden werd.
[Einde citaat]
Vanzelfsprekend werd door de Nederlandse regering bovenstaande beweringen ten stellichtste ontkent. Het enige juiste antwoord werd gegeven, t.w. dat Nederland zich in oorlog beschouwde met het Duitse rijk.
W. Klinge
|
||
|
[Terug naar verhalen van vroeger] [Terug naar Welkom] [Terug naar Nieuws] |
||