|
[Terug naar Verhalen van vroeger] [Terug naar Welkom] [Terug naar Nieuws] [Naar 1940-1945] [Naar Toneel] |
||||||
|
|
||||||
|
|
||||||
|
EVEN VOORSTELLEN…………….
Naar aanleiding van mijn verhalen is mij verzocht, me nader bij u bekend te willen maken, waaraan ik hierbij gaarne voldoe.
Op 2 april 1946 in `t huwelijk getreden met een fantastische vrouw. Trotse vader van twee fijne dochters. Na mijn schoolopleiding (lagere school, ULO, Handelsavondschool Mercurius) ben ik 6 jaar werkzaam geweest bij de Gemeente Schiedam. Vervolgens 17 jaar bij de Marine Magazijnsdienst en daarna 17 jaar bij Lumag op Marine vliegkamp “De Kooy .” Hier was ik chef Administratie Ontvanglokaal, in de rang van Adjunct Commies A. Mijn werkzaamheden lagen voornamelijk op administratieve gebied, zoals het beheren van een uitgebreid archief en het voeren van correspondentie.
Ben voorzitter en erevoorzitter geweest van de personeels-en sportvereniging “MarMag” (marine-magazijnen), die nu ter ziele is. Mijn grootste hobby was toneelspelen. Dit heb ik plm. 30 jaar tezamen met mijn lieve en talentvolle (helaas op 23 september 2003 overleden) vrouw gedaan. De laatste 25 jaar heb ik ook de regie gevoerd. Heb 20 jaar basketbaltraining gegeven, en even zovele jaren wedstrijden gefloten. Basketbalcoach geweest van het dames- en herenteam van MarMag. Verdere hobby´s: tafeltennissen, bridgen, vissen en sinds kort computeren. Zo, ik denk dat u nu wel voldoende over mij te weten bent gekomen.
Naschrift: De door mij geschreven verhalen heb ik op herhaalde verzoeken van mijn dochter Mia en mijn schoonzoon Andy Pormes, en in overleg met mijn computerleraar Kees Bakker, op de computer gezet. Er komen regelmatig verhalen bij. De heer Bakker is zo vriendelijk mij behulpzaam te zijn bij het invoegen van plaatjes en foto´s. Tevens heeft hij mijn verhalen op zijn website gezet, waarvoor ik hem zeer erkentelijk ben.
W. Klinge
|
||||||
|
|
||||||
B R A N D U S
|
||||||
|
(De verhalen van deze pagina downloaden om te printen? klik dan op het Word-icoontje! Er kan ook bijv. een enkel verhaal geprint worden, door de betreffende tekst te selecteren en op de printerknop te klikken! )
De volgende herinneringen en verhalen komen van de hand van ene Brandus:
PROFESSOR PICARD EN DE LUCHTBALLON DE GESLOTEN DEUR (Kees Doolaard) MIJN SJAANTJE (Verhaal nr. 100) GRIESMEELPUDDING met bessensap De schillenboer (en andere "boeren" van vroeger) Nostalgia, Motorcross en Kakelverse eieren WAT MIJ ALS KIND TOTAAL NIET INTERESSEERDE
*******************************************************************
Het was op een zaterdagmiddag dat ik alleen thuis was en naar Swiebertje zat te kijken op de TV. Het was een kinderprogramma, maar ik maak me sterk, als er niet evenveel volwassenen naar dit programma zaten te kijken als kinderen. Als het even kon bleef je er voor thuis.
Op het moment dat ik zat te kijken waren Swiebertje en Bromsnor in het huis van de barones. Zoals zo vaak was Swiebertje hevig aan het discuteren met Bromsnor. Op de achtergrond waren ook de barones, de freule en nog enige andere personages aanwezig. Vanzelfsprekend stonden er prachtig meubilair in de kamer, waaronder ook een tafel, pal achter de rug van de barones. Als kijker kreeg je de houten vloer waarop de meubelen stonden niet te zien. Terwijl Swiebertje hevig aan het bekvechten was met Bromsnor, stootte de barones per ongeluk tegen de tafel aan, die met z´n poten een stukje over de houten vloer schoof. Dit gaf werkelijk het geluid of er iemand een “vieze wind” liet, zo ongeveer van brrrt-brrrt-brrrt. U kent dat geluid vast wel. Swiebertje, die dit ook hoorde draaide zich om en zei verontwaardigd tegen de verschrikte barones met dat bekende stemmetje: “Wat doe je nou? Wat doe je nou?” Alle medespelenden, plus de cameramensen schaterden het uit, uitgezonderd Bromsnor, die bleef in z´n rol van veldwachter. Het duurde een tijdje voor er verder gespeeld kon worden, maar af en toe schoot er toch nog iemand in de lach.
Zelf heb ik in m´n uppie in de stoel krom gelegen, en de tranen rolde over m´n wangen, en nu nog, terwijl ik dit verhaal aan het tikken ben, schiet ik in de lach.
Mijn buurman Wiebe Bakker was destijds werkzaam als landarbeider. Als er op het land gewerkt werd, was er altijd één persoon die op gezette tijd met de broek af moest. Omdat de W.C. een behoorlijk eind uit de buurt was, zocht hij altijd een plekje tussen een paar struiken om zijn behoefte te doen. Op een dag was het weer zover, en zonder dat hij er erg in had, liep mijn buurman voorzichtig met een schop gewapend achter hem aan. Toen het zover was dat hij met de broek af op zijn hurken zat, hield mijn buurman de schop onder zijn billen, zodat de “hoop” netjes op de schop terecht kwam en wierp deze met een flinke zwaai over z´n schouder het land in. Zelf maakte hij zich ook vliegensvlug uit de voeten.
Het slachtoffer haalde eerst op z´n dooie gemak z´n broek omhoog en keek toen achterom wat hij gefabriceerd had. Tot z´n stomme verbazing zag hij natuurlijk niets. Hij liep nog een tijdje in het rond, maar kon de “hoop” niet vinden. Verbouwereerd kwam hij weer bij z´n maten terug en zei: ”Hier begrijp ik niks van. Ik begrijp er niks van. Heb ik een “hoop” gedraaid, kijk om, en wat denk je en wat denk je, niks te zien. Niks te zien. Ik snap er niks van. Ik snap er niks van. Onbegrijpelijk. Onbegrijpelijk. Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt. Ik begrijp er niks van.” En zo ging hij nog een tijdje door. Al z´n maten zeiden: ” Je hebt hij natuurlijk niet goed gekeken, of je probeert ons in de maling te nemen”. Ze hadden echter de grootste moeite om hun lachen te bedwingen.
En, geloof het of niet, tot op de dag van vandaag weet hij nog niet waar z´n “hoop” gebleven is.
Als jongentje van een jaar of tien speelde ik vaak met andere jongens op het land bij de Merwedehavens tussen Rotterdam en Schiedam. Op dat land stonden ook veel struiken waarachter je kon schuilen. We speelden dikwijls Cowboytje (als Rotterdamse straatjochie´s spraken we dat uit als “Kombootje) en Indiaantje. De ene partij waren dan de cowboys en de andere partij de Indianen. Het ging er dan om wie de meeste gevangenen kon maken en natuurlijk ging dat vaak met veel “ruzie” gepaard. Op een keer spraken we af om ook eens poffertjes te gaan bakken. Iedereen moest dan van thuis iets mee nemen. De één een fles melk, een ander bloem, enz. enz. Zelf moest ik een poffertjespan meenemen.
We hadden thuis een prachtige grijze emaillen poffertjespan, en die had ik vast niet gekregen als ik het aan m´n moeder had gevraagd. Dus heb ik gewacht tot de kans schoon was, en toen de poffertjespan uit het gootsteenkastje gepikt. Toen we allemaal met onze buit bij elkaar waren, moest er eerst een soort oventje gebouwd worden. Eerst werden er dan wat stenen gezocht, dan werd er een kuiltje gegraven en daar omheen de stenen gelegd, zodat daar de poffertjespan op kon staan. Vervolgens werden er drogen takken opgezocht die in het kuiltje werden gelegd. En dan werd er beslag gemaakt, met een stuk in brand gestoken papier de takken aan gestoken (wat de nodige tijd koste) en dan kon het bakken en de pret beginnen. Iedereen bakte z´n eigen portie poffertjes en natuurlijk werd daarbij heel wat af gekakeld zo van: “schiet ‘s een beetje op en…. nou is het mijn beurt en….. ze zijn al lang gaar.” Enfin, u kent dat wel. Natuurlijk zat je meer zand dan poffertjes naar binnen te werken, maar dat mocht de pret niet drukken, je vond ze toch overheerlijk. Toen het eetfestijn was afgelopen, en ik naar de onderkant van m´n poffertjespan keek, was deze roet en roetzwart. Die kon ik zo niet mee naar huis nemen. Ik besloot hem in het water van de Merwedehaven schoon te maken. Maar als je op de kade stond was het water drie meter beneden je. Gelukkig had ik altijd een soort lasso bij me. Ik bond het éne eind van de lasso aan de steel van de poffertjespan vast en liet de pan toen voorzichtig in het water zakken. Het andere eind haalde ik steeds op en neer om zo met “plompen” te proberen de pan schoon te krijgen. Toen ik daar een tijdje mee bezig was en de lasso omhoog trok, gleed de steel uit de lasso en jawel, …. weg poffertjespan. Ik zag hem, tot m´n grote schrik, nog net naar de bodem van de Merwedehaven dwarrelen. Nou, het is daar zeker zo´n 20 meter diep, dus de poffertjespan kon ik wel gedag zeggen! Thuis durfde ik niet tegen m´n moeder te zeggen wat er was gebeurd, bang als ik was een pak ransel te krijgen. Nu had m´n moeder de gewoonte om één keer in de veertien dagen op een zaterdag poffertjes voor ons te bakken. Met de zenuwen in m´n lijf zag ik naar die zaterdag uit en toen die aanbrak, gebeurde wat te verwachten was. M´n moeder kon, ook na lang zoeken, de poffertjespan niet in het lage gootsteenkastje vinden. Uiteindelijk zei ze tegen mij: Broer, (ze noemde mij altijd broer om dat ik de jongste was uit het nest van 9 kinderen en we waren echt niet katholiek) kijk jij eens of je de poffertjespan kan vinden.” Nou, ik ook ijverig aan het zoeken, maar natuurlijk zonder resultaat. M´n moeder snapte er niets van en zei steeds: ” Waar kan die poffertjespan toch gebleven zijn? Waar kan die poffertjespan nou toch gebleven zijn?” Pas jaren later, ik was al getrouwd, vroeg ik haar een keer of ze de verdwenen poffertjespan ooit nog gevonden had. Het antwoord was: ” Nee, die heb ik nooit meer gezien, waar die gebleven is, is me een raadsel”. Toen heb ik het raadsel maar voor haar opgelost en het hele verhaal verteld. Zij heeft er smakelijk om moeten lachen, want ze kon de humor er van wel inzien.
Vermoedelijk ligt de poffertjespan nog steeds op de bodem van de Merwedehaven.
Voor schooltijd gingen we altijd eerst op straat een partijtje voetballen met de jongens van de klas. Auto´s reden er praktisch nog niet in die tijd. Eerst werd er dan met zgn. “poten” twee partijen gekozen. Dat ging dan als volgt: 2 jongens gingen op ongeveer 3 meter van elkaar staan en stapten dan voetje voor voetje naar elkaar toe. Wie het laatste zijn voet kon zetten, mocht dan het eerst kiezen en daarna de ander, tot er twee partijen waren gevormd. De bal waarmee doorgaans gespeeld werd, is een verhaal apart. Eerst werd van wat oude kranten een stevige bol gevormd van plm. 10 cm. omtrek en daar overheen werden dan reepjes rubber getrokken, geknipt uit een oude fiets binnenband. Geld om een echte bal te kopen hadden we niet. Tijdens het voetballen gingen er natuurlijk af en toe wel een paar reepjes rubber af, maar dat mocht de pret niet drukken, die deed je er dan gewoon weer om. De doelen werden gevormd door op plm. 4 à 5 meter afstand een jasje of iets dergelijks neer te leggen. De ouderen onder u weten zich dat vast nog wel te herinneren.
Meestal
stond ik “op goal” zoals dat toen genoemd werd, omdat ik een houten been
had. Ik zal destijds 10 of 11 jaar oud geweest zijn, dat ik in het bezit was van een echte tennisbal. Weliswaar geen nieuwe, maar toch een pracht exemplaar. Bij de andere jongens steeg je gelijk in aanzien als je zo´n bal had. We konden dus met een echte bal gaan voetballen. Nu was er in die straat ook een soort pakhuis waar een haringboer haringen in t´zuur en rolmopsen maakte en in glazen potjes deed. Die haringboer had de vervelende gewoonte om de deur van dat pakhuis open te zetten als wij aan het voetballen waren en owee als de bal naar binnen vloog, dan kon je er naar fluiten. Die kreeg je niet meer terug. Voor zo´n zelf gemaakte bal was dat niet zo erg, want dan maakte je gewoon weer een nieuwe. Tot m´n grote schrik werd mijn mooie tennisbal op een keer ook naar binnen geschopt en deur door de haringboer dicht gedaan.
Ik dacht dat, als ik bij de haringboer naar binnen zou stappen met mijn houten been en hem vriendelijk zou vragen om mijn tennisbal terug te geven, hij wel medelijden met mij zou krijgen en de bal terug zou geven. Verkeert gedacht, hij toonde ondanks mijn smeekbede, geen greintje medelijden. Ik werd boos en zei tegen hem dat als hij de bal niet terug zou geven, ik één van zijn ramen in zou slaan. De haringboer moest met zijn handen op z´n dikke buik hartelijk lachen om mijn dreigement en zei: ” Ha, ha, dat wil ik wel eens zien!” Nou, hij heeft het gezien. Ik balde mijn vuist en met een flinke mep sloeg ik een raam in gruizelementen en nam toen zo snel als ik kon de benen. Nog een wonder dat ik niet gewond raakte. De haringboer met z´n dikke buik en op z´n klompen achter me aan. Nu kon ik met dat houten been tamelijk hard lopen en ik raakte steeds meer op de haringboer voor. Toen ik de hoek omging en halverwege de volgende straat was, zag ik hem nog niet aankomen toen ik omkeek. Het toeval kwam mij te hulp. Mijn zus en haar man hadden op dat punt een kapperszaak, waar zij ook boven woonden. De deur van de kapperszaak stond altijd open voor eventuele klanten. Snel vloog ik naar binnen, liep de trap op en ging voor het raam van de woonkamer staan kijken waar de haringboer bleef…. Ik heb hem nog tweemaal puffend en zwetend voorbij zien komen en toen heeft hij het blijkbaar opgegeven om mij te pakken te krijgen. De volgende dag toen ik in de klas zat, zag ik tot m´n grote schrik de hoofdonderwijzer met de haringboer aankomen.
De deur werd geopend en mijn meester (je zei toen nog meester i.p.v. meneer) moest ook op de gang komen. Er werd wat gepraat en jawel hoor, ook ik werd ook op de gang geroepen. Nou had ik het geluk dat mijn meester (de heer Rijnbende) een verwoed voetballiefhebber was. Hij was jeugdleider bij de voetbalvereniging Sparta. Meester Rijnbende vroeg aan mij waarom ik een raam had ingeslagen van het pakhuis van de haringboer.
(1933)Het jongentje met matrozenkraag ben ik!
Ik vertelde hem toen dat de haringboer mijn tennisbal, die bij hem naar binnen was gevlogen, niet terug wilde geven en dat ik toen van kwaadheid dat raam had ingeslagen. De heer Rijnbende nam toen een Salomo`s oordeel, hij zei tegen de haringboer dat hij geen politieagent mocht spelen en dat hij de tennisbal aan mij terug moest geven. Tegen mij zei hij dat mijn ouders een nieuw raam moesten betalen. Probleem opgelost.
Ja, had je gedroomd. Ik durfde natuurlijk niet tegen m´n ouders te vertellen dat ik een raam had ingeslagen en dat zij voor de kosten op zouden draaien. Tegen m´n zus Willemien (van de kapperszaak) durfde ik het echter wel te vertellen. Door haar werd ik n.l. altijd enorm verwend. Ik werd Ze zag dat ik goed in m´n “piepzak” zat, kreeg medelijden en zei: “Maak je maar niet ongerust Broertje, (zo werd ik thuis altijd genoemd) ik betaal die ruit wel en zal niets tegen vader en moeder zeggen.” Nou u begrijpt er viel een pak van m´n hart.
Nog bedankt Willemien.
(met mijn zus Willemien)
DE GEHOORTOETER
Vlak na de bevrijding, ik werkte toen op kantoor bij de Gemeente Schiedam, waren er houtbonnen voor aannemers. Regelmatig kwam er een nogal dove aannemer informeren of zijn houtbonnen er al waren. Van die moderne gehoorapparaten als tegenwoordig in gebruik zijn, waren er toen nog niet.
Deze aannemer had nog zo´n ouderwetse gehoortoeter, waar je in moest praten. Het hiernaast getoonde plaatje zou een voorbeeld van een dergelijke kromme toeter van hoorn kunnen zijn. De aannemer was nogal een zeurpiet, soms kwam hij wel tweemaal in de week. M´n collega Gilles de Veth moest hem altijd aan het loket te woord staan. Het ging dan als volgt, de aannemer komt binnen en vraagt keihard aan Gilles de Veth: ” Zijn m´n houtbonnen er al?” Gilles de Veth schreeuwt in de toeter: ”Nee, ze zijn er nog niet.” Dan de aannemer weer: ” Wat zeg ie?” En Gilles de Veth weer knoerthard in die toeter: ”Uw houtbonnen zijn er nog niet!” De aannemer weer: ”Oh.” En gaat dan teleurgesteld weg. ![]() Op een gegeven dag kwam hij, toen zij houtbonnen er wel waren. En daar gaan we weer. De aannemer: ”Zijn m´n houtbonnen er al?” Gilles de Veth in de toeter: ”Ja hoor, uw houtbonnen zijn er nu.” De aannemer: ”Wat zeg ie?” Gilles de Veth schreeuwend in de toeter: ”Uw houtbonnen zijn er!” De aannemer: ”Oh fijn, dat heb je niet tegen een dove gezegd!”
Dit is een waar gebeurd verhaal!
Op een zaterdagmiddag waren mijn vriendjes en ik op het land bij de Merwedehaven een hut aan het bouwen. Eerst een flinke diepe kuil graven, daar over heen wat oude planken en daar weer overheen oude takken voor camouflage. Toen we daar een tijdje mee bezig waren vroeg één van m´n vriendjes: “Hoe laat zou het zijn?” We hadden echter geen van allen een horloge, want dat was toen alleen voor kinderen van rijke lui weggelegd. Ik zei: ” Ik zal het wel even aan iemand gaan vragen.” Een einde verderop zag ik een man lopen en ik liep er zo snel als ik kon naar toe en vroeg: ”Meneer kunt u ook zeggen hoe laat of het is?” Nu zag ik er na al dat gesjouw met planken en takken niet bepaald op z´n ´s-zondags uit en bovendien had je om te spelen altijd oude kleren aan. De man nam mij van kop tot teen op en moet vast gedacht hebben dat ik een bedelaarsjong was, want hij pakte z´n portemonnee, haalde er een dubbeltje uit, en gaf dat aan mij. Het moet vast een buitenlander zijn geweest, die geen woord Hollands verstond, en die van één van de zeeschepen . Nou, de tijd kon mij niets meer schelen, want een dubbeltje was in die tijd een hoop geld. Daar kon je heel wat voor kopen. Ik ging vlug weer naar m´n vriendjes in de hut terug en vertelde wat er gebeurd was. We besloten om van dat dubbeltje een pakje sigaretten te kopen en dat in de hut met elkaar op te roken. Zo gezegd, zo gedaan. Bij een sigarenwinkel kochten we een pakje “Lucky “ sigaretten van 20 stuks. Ja, u leest het goed, een pakje sigaretten van 20 stuks voor één dubbeltje.
Met ons rookgerei gingen we terug naar onze hut en daar was het roken geblazen dat de wolken er van af vlogen. De hut was in een mum van tijd een “rokershol!”
Niemand wilde zich laten kennen en de 20 sigaretten werden stuk voor stuk opgerookt. Nou, dat heb ik geweten, onderweg naar huis kreeg ik flink de diarree, deed “het” in m´n broek en werd zo misselijk als een hond. Ik kwam veel te laat thuis en daar hadden ze al lang gegeten. M´n moeder begon te foeteren waar of ik gezeten had en wat ik had uitgespookt. Maar ik durfde natuurlijk niet te zeggen dat ik gerookt had. In eerste instantie dacht m´n moeder dat ik vergiftige bessen had gegeten, maar al spoedig kreeg ze in de gaten dat ik gerookt had, en dat betekende billenkoek. Ik ging over de knie en het was van “klets, klats, klander van de éne bil op de ander.” Waar m´n moeder zo gauw geen erg in had, was dat mijn korte broek vol zat met “je weet wel!” Het gevolg was dat de ….. spetters tegen het behang vlogen. Maar m´n lesje had ik wel geleerd. De eerste jaren daarna heb ik niet meer gerookt. In de oorlog ben ik pas weer gaan roken, om het hongergevoel te verdrijven.
In al mijn verhalen wordt mijn vader praktisch niet genoemd. Dat komt omdat mijn vader vaak van huis was en op zee verbleef. Hij was hoofdmachinist op het stoomschip s.s. ” Friesland” van de Scheepvaart en Steenkolen Maatschappij te Rotterdam. Meestal was hij maar enkele dagen thuis, moest dan weer varen en was weer maandenlang van huis. Vóór 1940 voer hij o.a. op Engeland, Schotland, Finland, Estland, Letland, Litauen en Rusland.
De schepen werden destijds nog met kolen gestookt. Mijn vader heeft twee wereldoorlogen overleefd. In de oorlog van 1914-1918 werd het schip waar hij toen op voer getorpedeerd en in een roeiboot is hij toen op de Schotse kust aangespoeld. Ons gezin bestond uit negen personen. Ik had vier broers en vier zussen, waarvan de eerste vier vóór 1918 zijn geboren, de vijf anderen (waar ik ook bij hoor)) na 1918. In ons gezin werd wel eens gekscherend gesproken over de eerste leg en de tweede leg. Mijn vader was een verwoed postzegelverzamelaar, hij verzamelde postzegels uit alle landen.
(Zie geplaatste foto.) Vooral in het begin van de oorlog werden de koopvaardij schepen in groten getale door de Duitse onderzeeboten (zgn. U-boten) de grond in geboord. Andere schepen hadden dan strikte opdracht om door te varen. Zij mochten onder geen beding drenkelingen redden en aan boord nemen, omdat dan het gevaar bestond zelf getorpedeerd te worden. Mijn vader heeft verschrikkelijke dingen meegemaakt en gezien. Toen m´n vader een keer met z´n schip in Londen terug kwam, moest hij in het ziekenhuis aldaar worden opgenomen, om behandeld te worden aan steenpuisten. Op het moment dat mijn
vader in het zieken huis lag,
is het s.s.
Friesland op een mijn gelopen en gezonken. Daarbij viel 1 slachtoffer te
betreuren.
M´n vader heeft dus alle geluk van de wereld gehad, dat hij juist toen in het ziekenhuis lag. Na het einde van de oorlog heeft hij een “Margriet” speldje gekregen en een medaille voor het tijdens de oorlog varen voor de geallieerden. Mijn vader was geen spraakzaam mens. Met mij heeft hij nooit over die periode gesproken. Aan mijn oudere zus Adrie en aan mijn zwager Gerard ( waar m´n vader later een tijdje in huis is geweest) heeft hij wel het één en ander verteld. Van hen ben ik sommige van eerder gestelde belevenissen aan de weet gekomen.
Mijn vader kon niet zwemmen en dat vond hij, als zeeman zijnde, een groot gebrek. Aan hem heb ik het te danken dat ik het wel kan. Hij stond er n.l. op dat ik, ondanks m´n handicap, zwemles nam en vader´s wil was wet! Op m´n 11e jaar haalde ik in een maand tijd het A- en B- diploma.
Bij zijn terugkeer uit Engeland (na de bevrijding) had mijn vader voor mij een fiets meegebracht, als blijk van waardering van de door mij gemaakte hongertochten. Van mijn zus Martha , die telefoniste was in Rotterdam bij de R.T.M stoomtram (ook wel de “moordenaar” genoemd vanwege de vele dodelijke ongevallen) kreeg ik een horloge dat nog in mijn bezit is. .
Vermeldenswaard is nog, dat dit horloge werd gekocht op een zgn. “horlogebon.” Aan alle mensen die een horloge nodig hadden voor hun beroep, werd zo´n “horlogebon” verstrekt, dus ook aan mijn zus Martha.
Tijdens de oorlog 1940-1945 kreeg zij af en toe een berichtje via het Rode Kruis dat alles nog goed was met haar man en “that was it!” Vaak stond zij er alleen voor om de kinderen groot te brengen en op te voeden, en ik kan u verzekeren, dat was geen gemakkelijke taak, want we waren nu niet bepaald “lieverdjes.” En vooral met mij heeft ze heel wat te stellen gehad. Sorry moeder.
Noot:
Volgens sommige mensen leek mijn moeder destijds nogal veel op koningin Wilhelmina vooral als zij een hoedje op zette op met een zwarte voille en dan de stad in ging om te winkelen. Soms waren er dan mensen die tegen elkaar zeiden: ” Kijk, kijk, daar gaat koningin Wilhelmina.” Mijn moeder vluchtte dan zo gauw mogelijk één of andere zaak binnen.
Op het moment dat ik daar aankwam en op de overdekte tribune had plaats genomen, was net de wedstrijd Lyceum tegen de H.B.S. begonnen. Ergens achter mij was een meid steeds luidkeels aan het brullen en schreeuwen met aanmoedigingen, het hield niet op. Op een gegeven moment werd ik toch nieuwsgierig wie of die gillende meid was. Ik stond op, keek achterom en tot mijn stomme verbazing was het mijn eigen dochter Anja die een eind verderop op de tribune zat. Nou, dat was ik van haar helemaal niet gewend, want thuis zat ze meestal met haar neus in de leesboeken en schreeuwde nooit. Voor de grap noemde ik haar wel eens “juffrouw lees-allemachtig.” Anja had me niet in de gaten en ik ging vlug weer zitten. Zij ging luidkeels door met schreeuwen en gillen, vooral als de jongens van het Lyceum in de aanval gingen. Zelf zat zij toentertijd n.l. ook op het Lyceum. Nog steeds is ze een verwoed voetbalenthousiaste. Ze woont al jaren in Spanje en gaat regelmatig met haar kleinzoon Ibai van zeven jaar, en ook een verwoed voetbalenthousiast, naar de thuis wedstrijden van Barcelona kijken.
Of ze daar ook nog zo te keer gaat weet ik niet, maar ik denk het wel.
Het vissersplaatsje Estartit is gelegen aan de Costa Brava in Spanje, ongeveer 50 km voorbij de Franse grens en telt plm. 2000 inwoners. In de zomer komen er echter veel toeristen van alle nationaliteiten. Hieronder zijn vooral veel sportduikers (met of zonder gezin), die in hoofdzaak bij het eiland “MEDAS”, dat voor de kust van Estartit ligt, gaan duiken.
Mijn kleinzoon Robi Stark is duikinstructeur en heeft de duikschool “POSEIDON” van zijn, helaas te vroeg overleden vader Jochen Stark, voortgezet. De theorielessen worden gegeven in een prachtig leslokaal, mede aan de hand van getoonde videobeelden. (zie ook de website http://www.diveposeidon.com/ ) Praktijk duiklessen worden aan de kust gegeven, en met ervaren duikers vaart hij met zijn boot naar het eiland “MEDAS.” Voor het voeren van de administratie en boekingen beschikt hij over een lieve secretaresse (Marian) die verschillende talen vloeiend spreekt.
Steeds sta ik verbaasd, dat mijn dochter en al haar personeel de diverse talen zo vloeiend spreken, terwijl ik mijzelf alleen in het Engels en Duits een beetje verstaanbaar kan maken. De meeste Spanjaarden spreken over ´t algemeen alleen Spaans.
Ook zijn er zo´n stuk of vijf boten met een glazen bodem, waaronder de “NAUTILUS.” Hiermee kan men de vissen onder water bewonderen.
Mijn andere kleinzoon Roland heeft kort geleden zijn vliegbrevet gehaald en vliegt nu met een 2-persoons vliegtuigje. Zelfs kan een parachute aan het vliegtuigje bevestigd worden, zodat men bij eventuele mankementen toch betrekkelijk veilig kan landen.
Vissen aan het strand of bij de haven behoort ook tot de mogelijkheden en ook in de nabij gelegen rivieren wordt veel gevist. Eveneens kan men een paard huren om de omgeving te verkennen, of om mee op het strand te rijden.
Iedere donderdag is er markt in Estartit waarover je lekker kan slenteren en iets kopen wat van je gading is.
Ook kan je heerlijk op een terrasje zitten en mensen kijken, wat een leuke bezigheid is, want je ziet de vreemdste figuren langs komen. Op het terras van “CHEERS PLAYA” is het gezellig vertoeven, je kan er een heerlijk “ bakkie” Hollandse koffie drinken. De eigenaresse Mati spreekt ook een aardig woordje Hollands.
Voordelig boodschappen doen kan je in de prachtige supermarkt “LIDL” die ook in Estartit gevestigd is.
Soms is er echter een “TRAMONTANA”, dan waait het heel hard, gepaard gaande met flinke windstoten. Je kan dan beter niet naar het strand gaan, want dan wordt het een “BROODJE ZAND” eten. Vreemd genoeg blijft het verder toch mooi weer, met een strakke blauwe lucht. Tijdens zo´n “TRAMONTANA” gaan de toeristen meestal winkelen of ergens iets drinken.
Al met al kan je je in ESTARTIT best vermaken, het is overwegend stralend mooi weer. Je kan lekker zonnen op het strand, of zwemmen in de zee. Wie er dan ook éénmaal is geweest, komt vast en zeker nog eens terug, want: “HET IS ER ALTIJD BAR GEZELLIG!”
In 1941 werden door het Departement van Binnenlandse Zaken persoonsbewijzen verstrekt aan de Nederlandse bevolking. Dit persoonsbewijs was vijf jaar geldig. Een ieder diende dit persoonsbewijs altijd bij zich te dragen en te tonen aan de daartoe bevoegde ambtenaren en aan de Duitse Wehrmacht. Het persoonsbewijs was voorzien van je vingerafdruk en een pasfoto. Misbruik van dit persoonsbewijs werd bestraft.
Echter tevergeefs, ik ben toen van de veronderstelling uitgegaan, dat het wel weggegooid zou zijn, of zoek geraakt bij de diverse verhuizingen.
Tijdens een gesprek met mijn computerleraar Kees Bakker en zijn vrouw Anja, op een terrasje in Estartit (Spanje) en onder het genot van een heerlijk “bakkie” koffie, kwam het onderwerp Marine ter sprake. De heer Bakker is n.l. al op jonge leeftijd in dienst getreden bij de Koninklijke Marine Marine en geniet nu van zijn pensioen. Ik vertelde dat mijn vader ook nog korte tijd bij de Marine in dienst was geweest, en dat ik daar nog een soort Monsterboekje van moest hebben. De heer Bakker toonde hiervoor wel belangstelling en ik beloofde hem, dat ik het op zou zoeken zodra ik weer in Holland was en het hem dan zou laten zien. Toen ik weer thuis was, vond ik het bewuste boekje, het bleek een Rekening-Courant-Boekje te zijn van 1918. Toen ik het boekje opende zat daar tot mijn grote verbazing en ook blijdschap, mijn verloren gewaande persoonsbewijs in, alsmede nog wat oude foto´s.
Vermoedelijk heeft mijn vrouw het bewuste document tijdens een verhuizing daar in gedaan. Maar ja, daarin had ik mijn persoonsbewijs nooit verwacht.
Op het persoonsbewijs is duidelijk te zien hoe er destijds mee is geknoeid. Om mijn vriend Hugo Minco (joden jongen) te helpen vluchten, heb ik met een scheermesje het woord “kunstbeen” weg geschrapt en ontstond er een grote vlek. Later (nadat ik het via de post weer in mijn bezit kreeg) heb ik de aantekening “kunstbeen” er weer op geschreven.
De inktvlek bovenaan is ontstaan omdat mijn vulpen destijds in mijn binnenzak heeft gelekt.
De pasfoto heb ik na de bevrijding aan een meisje gegeven waar ik verkikkerd op was. Stom, maar ja als je verliefd bent ……………..
Hierboven ziet u op de afbeelding een gedeelte van het betreffende persoonsbewijs.
PROFESSOR PICARD EN DE LUCHTBALLON
Het was in de zomer van 1954, dat mijn vader twee weken bij ons in Den Helder kwam logeren. Mijn vader was altijd erg serieus en kon er ook niet goed tegen als hij, voor de grap, in de maling werd genomen. Mijn buurman Wiebe Bakker, was juist een vrolijke klant, die wel van een “lolletje” hield. Jannetje Bakker, de vrouw van Wiebe, had hem dan ook op z´n hart gedrukt geen geintjes te maken als hij bij ons op visite kwam. Wij gingen regelmatig met onze buren om en konden het goed met elkaar vinden. Wiebe Bakker had altijd de gewoonte om tegen mij bij binnenkomst te zeggen: “Hallo Klingetje met je dingetje” en Jannetje had hem op z´n hart gedrukt dit niet te zeggen als mijn vader er was en dat beloofde hij. En wat zei Wiebe tegen mij toen mijn vader er was en hij binnen kwam: “Hallo Klingetje met je …….krullenbol” en gaf een aai over m´n kop. Ik had de schrik, maar m´n vrouw moest er smakelijk om lachen.
Picard, die op zee diverse onderzoeken onder water deed voor de wetenschap. Maar, vertelde mijn vader verder, hij ging ook met een luchtballon naar de stratosfeer om daar ook voor de wetenschap onderzoek te verrichten. Waarop mijn buurman
Wiebe zei: “Ja, dat weet ik, want toen ik op m´n knietjes in het land aan
het werk was, hoorde ik ineens een stem die riep: ”Meneer, En Wiebe vervolgde, nou ik kijk om me heen en niemand te zien, en weer hoor ik die stem: “ Meneer, meneer, kunt u me ook zeggen waar of ik ben.” Wiebe weer: ik kijk om me heen en zie niemand. En weer hoor ik die stem: ”Meneer, meneer, kunt u me ook zeggen waar of ik ben?” Toevallig kijk ik naar boven ….. is het professor Picard die aan me vroeg: “Meneer kunt u me ook zeggen waar of ik ben?” En ik antwoordde: “Ja meneer, in een mandje onderaan een luchtballon!”
Hoe mijn vader hier op gereageerd heeft weet ik niet meer precies, want ik ben de kamer uit gevlucht. Maar ik denk als de bekende boer die kiespijn heeft.
Jaren geleden bracht Z.K.H. Prins Bernhard een inspectiebezoek aan de Marine Magazijnen in de Lijsterstraat (Den Helder) Al weken van tevoren was het daar een zenuwachtige bedoening. Er moest plotsklaps grote schoonmaak gehouden worden, nieuwe gordijntjes voor de ramen, kortom allerhande dingen die eerst niet konden en nu ineens wel. U herkent dat vast wel. “Apentrots” waren ze, dat hun bedrijf was uitgekozen voor zo’n hoog bezoek.
Toen de “grote dag” was aangebroken en de Prins was gearriveerd, probeerde iedereen zo dicht mogelijk in zijn buurt te komen, in de hoop ook op één van de vele foto`s te staan die van de Prins werden genomen.
In die tijd was ikzelf werkzaam bij Lumag, op het marinevliegkamp “De Kooy.” Een dag na het bezoek van de Prins aan de Marine Magazijnen kreeg ik opeens het idee om een soort 1 april grap uit te halen. Ik belde vanaf de “De Kooy” een kantoorafdeling van de Marine Magazijnen op, en zei met verdraaide en deftige stem tegen de juffrouw die opnam: ”Goede morgen juffrouw, u spreekt met de particulier secretaris van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernard. De Prins heeft gisteren een bezoek gebracht aan de Marine Magazijnen en omdat hij nu zijn bril kwijt is, bestaat het vermoeden dat die daar ergens is blijven liggen.” De juffrouw werd doodzenuwachtig en riep stotterend haar chef, zo van: “Mmmeneer, mmeneer, ik hhheb hhier de parparparticulier sesecretaris vvan prins Bbbernarda aan dde tetetelefoon.” Waarop de chef de telefoon van haar over nam. Tegen hem vertelde ik mijn verhaaltje nog een keer. Hij beloofde me, toch wel wat zenuwachtig, dat ze met de meeste spoed overal naar de bril zouden gaan zoeken. Ik bedankte hem en zei dat ik over een uurtje terug zou bellen om te informeren of de bril gevonden was. Een paar minuten later realiseerde ik me, dat ik alle werkzaamheden op de Marine Magazijnen voor een uur had stil gelegd en begon hem toch wel een beetje te knijpen. Ik besloot het hele verhaal op te biechten aan mijn chef, de heer Kortehoeven. Gelukkig hield die wel van een geintje. Hij kon de grap wel waarderen en zei: ”Laat ze rustig een tijdje zoeken en bel dan maar op om te zeggen dat de prins inmiddels zijn bril gevonden heeft.”
En aldus is geschied.
VIERDAAGSE NIJMEGEN
Mijn schoonzoon Andy Pormes liep jaren geleden, als sergeant bij het Korps Mariniers, de vierdaagse mee. Mijn dochter Mia, met wie hij getrouwd is, en ik besloten naar de intocht te gaan om hem met bloemen in te halen. Wij waren er van overtuigd dat hij de tocht zou volbrengen. ´s-Morgens vroeg reden we vanuit Den Helder naar Nijmegen en toen we daar aankwamen, was het al een drukte van belang. We konden alleen nog een staanplaats bemachtigen achter de dranghekken.
Ze vertelde ons, dat zij verloofd was met een Hollandse Marinier en uit Engeland was overgekomen om de intocht mee te maken en om haar verloofde te verwelkomen. Na een poosje gezellig met elkaar gekletst te hebben, was het grote moment aangebroken dat de Mariniers in het zicht kwamen.
Het Engelse vrouwtje lichte haar hoedje op, trok een pruik van haar hoofd, zette het hoedje weer op en stopte de pruik in een tas die ze bij zich had Dit alles gebeurde in een tempo waar een goochelaar jaloers op zou zijn. M´n dochter en ik wisten niet wat we zagen, en waren met stomheid geslagen. Met de grootste moeite konden we onze lach bedwingen. Inmiddels waren de Mariniers ter plekke gearriveerd en konden we onze bloemen aan mijn schoonzoon overhandigen. Het Engelse vrouwtje zijn we uit het oog verloren. Omdat we vlak bij het eindpunt waren, liepen m´n dochter en ik alvast daar heen om m´n schoonzoon op te vangen. Daar aangekomen moesten alle Mariniers in een militaire truck plaats nemen om naar een school twee straten verderop vervoerd te worden om zich af te melden. M´n schoonzoon gaf wat spulletjes aan m´n dochter en duwde mij de bloemen in m´n handen met de woorden: ”Pa, draag jij die even naar die school, dan heb ik m´n handen vrij,” waarna hij in de truck stapte.
Nou, m´n dochter en ik op weg naar die school, ik met de bloemen. De mensen die mij met de bloemen zagen lopen begonnen luid te applaudisseren, want die dachten (natuurlijk ten onrechte), dat ik ook de vierdaagse had gelopen en wel veel blaren op m´n voeten zou hebben, omdat ik zo mank liep. Maar ik loop mank omdat ik een prothese draag. Ik weet niet meer hoe snel ik naar die bewuste school moest komen om de bloemen weer aan mijn schoonzoon terug te geven. Toen die dit verhaal hoorde, heeft hij er smakelijk om moeten lachen. Noch hij, noch ik hadden er bij stil gestaan, dat de mensen zo zouden reageren.
Eind augustus 1990 werd mijn schoonzoon Andy Pormes, sergeant majoor bij het korps mariniers, op Hr. Ms “Pieter Florisz” geplaatst.
Mijn schoonzoon liep een paar dagen voor het vertrek steeds het toen bekende liedje: “Koeweit, Koeweit, kielekiele Koeweit, kielekiele hopsasa” te zingen en kwam op het idee, om zich als Arabier te verkleden en zo aan boord van het schip te gaan. Zo gedacht, zo gedaan. Thuis vermomde hij zich als Arabier en stapte toen in zijn auto. Vlak vóór de ingang van het Marinecomplex aan de Nieuwe Haven, deed hij eerst de hoofdtooi en zonnebril af en toonde daarna zijn legitimatiebewijs aan de wacht van het Marine Bewakings Korps. Ongehinderd werd hem doorgang verleend. Even verderop deed hij zijn hoofddoek en zonnebril weer op en parkeerde zijn auto. Als Arabier stapte hij uit de auto en liep het terrein op, door iedereen met de grootste verwondering gadegeslagen.
Hij vroeg in het Engels: ”Where are you going to?” M´n schoonzoon antwoordde: ”To the Pieter Florisz ,Sir.” De kolonel weer: ”Do you know the way?” M´n schoonzoon: ”Yes Sir, I know.” De kolonel: ”Oké” en fietste hoofdschuddend en vol ongeloof door. Als Arabier bereikte hij Hr. Ms. “Pieter Florisz”, waar zijn maten al snel in de smiezen hadden dat het Andy Pormes was. Onder luid gejuich en applaus werd hij aan boord verwelkomd. Van hoog tot laag vond men het een “pracht stunt!”
Een fotograaf wilde nog een foto van hem maken, geëscorteerd door 5 Marva´s. Dat werd echter, tot zijn spijt, niet toegestaan.
Dit voorval heeft destijds zelfs de voorpagina van de Telegraaf gehaald.
Mijn buurman Wiebe Bakker, die wel meer in mijn verhalen voorkomt, had er soms lol in om zich te verstoppen als zijn vrouw Jannetje even weg was om boodschappen te doen.
Er zijn meer van die lui, kijk maar naar de hiernaast geplaatste afbeelding. Dat zijn 2 kerels die zich in een staande schemerlamp wisten te verstoppen.
Jannetje wist onderhand, dat als zij thuis kwam en Wiebe niet in de kamer was, dat hij zich ergens had verstopt. Zij begon dan te roepen: “Wiebe kom te voorschijn, ik weet toch wel dat je je verstopt hebt. Je laat me niet schrikken hoor.” En zo ging zij een tijdje door. Het eindigde dan altijd dat Wiebe haar toch onverwacht beet greep of in haar arm of been kneep. Op een zaterdagmiddag moest Jannetje nog een vergeten boodschap halen en zei:” Wiebe ik moet nog even een boodschap halen. Ik ben zo terug.” Na verloop van tijd kwam ze terug en toen ze Wiebe niet in de huiskamer aantrof begon ze, zoals ze steeds te roepen: ” Wiebe kom te voorschijn, ik weet toch wel dat je je verstopt hebt. Je laat me niet schrikken hoor.” Na dit een poosje geroepen te hebben gebeurde er tot haar verwondering niets. Ze dacht nou, dan is hij zeker een pakje shag gaan halen. Ze pakte een krantje en ging rustig zitten lezen.
Nou, en daar zat Wiebe, vastgeklemd in het gootsteenkastje. Hij kon geen kant op. Het was nog zo´n ouderwets houten gootsteenkastje, en hoe hij zich daarin gefrommeld heeft is me nu nog een raadsel. Er moest een buurman aan te pas komen om met een bijl een stuk uit het gootsteenkastje weg te hakken. Pas toen kon hij uit z´n benarde positie worden bevrijd.
Wiebe had de schrik te pakken en z´n lesje geleerd. Nadien heeft hij zich nooit meer voor Jannetje verstopt.
DE GOUDEN BEKER
Bij de personeelsvereniging MarMag (Marine Magazijnen) was ook veel animo voor het zeilen. Door de Marine werd een modelsloep van de B2 klasse beschikbaar gesteld.
Meestal ging de tocht naar Texel of het Amstelmeer, om zo de nodige ervaring op te doen. Als fokkenist nam ik ook hieraan deel. In juni 1952 kreeg MarMag de uitnodiging om deel te nemen aan de Nationale Zee- en redewedstrijden op het Marsdiep. De 1e prijs was een gouden wisselbeker, beschikbaar gesteld door Z.K.H. Prins Bernard. MarMag schreef hier voor in, en werd ingedeeld in de klasse korporaals en manschappen. (Er was geen aparte klasse voor burgerpersoneel.) Verder was er nog een officieren en onderofficieren klasse.
MarMag moest op zaterdagmorgen 9 uur aan een voorwestrijd deelnemen. De bemanning bestond uit: schipper H.J. Bos, J.van Aperen, Henk Haak van Overloop, W. Klinge, T.L. Nootenboom, P.P. van Oosterum en J. Spijker.
Het was vliegend stormweer, windkracht 9 á 10 en ik had tegen m´n vrouw gezegd, dat het wel niet zou doorgaan met dit noodweer. Maar voor alle zekerheid ging ik toch even informeren. Mooi verkeerd gedacht, want het ging wel degelijk door. Maar in plaats van 12 sloepen gingen er slechts 4 van start. De schippers van de andere 8 sloepen zagen van deelname af, omdat ze het te gevaarlijk vonden. Schipper Bos durfde het echter wel aan en re gingen dus 4 sloepen van start. De reddingboot voer met ons mee om eventueel hulp te verlenen als dat nodig mocht zijn. Het was dus wel degelijk “linke soep.” Eerlijk gezegd kneep ik hem wel een beetje, want met zo´n zeetje krijg je aan de fok het meeste water binnen. Maar toen we de haven uit waren gezeild, en het startschot was gevallen, was de angst verdwenen, er viel toen genoeg te doen. Onophoudelijk moest er met lege blikken flink gehoosd worden om het vele water dat steeds in de sloep kwam weer over boord te gooien. Af en toe stond de sloep zowat recht op en dook dan weer met een klap naar beneden. Op de dijk zag het zwart van de mensen, waaronder ook mijn doodzenuwachtige vrouw. Tegen de omstanders had ze de opmerking gemaakt: ”Ze lijken wel gek. Ze krijgen m´n oude schoenen nog niet mee.” Van de 4 sloepen eindigden we, na een spannende race, op de 3e plaats, zodat we nog net een finaleplaats hadden bereikt.
De finale was zondagmiddag. De stor We maakten een prima start en kwamen al gauw een straatlengte voor te liggen, een voorsprong die we lang wisten te behouden. Bij het laatste “rak” maakte schipper Bos echter een verkeerde inschattingsfout. De sloep die op de 2e plaats lag kon ons daardoor zienderogen inlopen. Met de finish in ´t zicht werd het reuze spannend. Het werd een “nek aan nek race”. Op het laatste moment wist schipper Bos toch als eerste te finishen, zij het met nog geen halve meter voorsprong. Het was dus met recht: “Kantje boord!”
De prijsuitreiking vond ´s-avonds in de Officierskantine plaats. Dat een stelletje burgers met de gouden beker van Z.K.H. Prins Bernard schoot ging, was voor de heren officieren merkbaar een pijnlijke zaak. Maar we hadden het toch gefikst!
Reeds in 1950 kregen diverse dames, werkzaam bij de Marine Magazijnen, het idee om een damesvoetbalelftal samen te stellen en dan voor de gein een wedstrijdje te spelen De animo was zo groot, dat er 2 elftallen samengesteld konden worden. Daarmee was MarMag de eerste en enige vereniging in Den Helder (en vermoedelijk ook in Nederland), die met damesvoetbal begon. Eind jaren zestig werd er pas serieus met damesvoetbal begonnen.
Omdat er nog geen andere tegenstandsters beschikbaar waren, speelde MarMag 1 tegen MarMag 2. Onder grote belangstelling vond de wedstrijd plaats op het Marine Sportcomplex aan de Ruijghweg. Scheidsrechter was Wim Groot. Tegen mijn zin, nam ook mijn vrouw hier aan deel. Ik vond het n.l. geen sport voor vrouwen (en nog steeds niet).
Er liep zelfs een onbekende verklede verzorger langs de kant met emmers water, om eventuele blessures te verhelpen.
Hieronder volgt het verslag van Gradus, die destijds als journalist van de Helderse Courant, aanwezig was bij de wedstrijd MarMag1 tegen MarMag 2.
DAMESVOETBAL
Met plezier hebben velen van de week naar de damesvoetbalwedstrijd van de Marine Magazijnen gekeken. Ook deze Gradus en zijn (ongetrouwde) lijffotograaf hebben de weinig elegante manoeuvres op het grasveld aan de Ruijghweg van nabij gade geslagen. Er waren voor- en tegenstanders bij deze ontmoeting. Sommigen achtten het spul een aanfluiting van het dame-zijn; anderen veroordeelden het als “sportverdwazing.” Nu is het laatste een moeilijk woord. En ook zou Gradus echter het dame-zijn niet gedegenereerd willen zien door zo´n onschuldig grapje op ´t gras overgroeide sportveld. Nee, hij zou inderdaad alleen willen teruggrijpen op die dagelijks charmante vrouwtjes, die op straat en kantoor ieders bewondering oogsten en dan plotseling verfomfaaid met klompen van voetbalschoenen achter een grote bal beginnen te draven. Want toen waren zij eigenlijk vreemde, onhandige mannen met permanent-hoofden en lacherige gilletjes, fanatiek en (vergeef) on-elegant. Maar goed, het zij zo. Wáár staat, dat het voetbalspel alleen voor mannen werd geschapen? Nergens. Schaadt het het amateurisme? Ook niet. Gaat dus gerust uw gang AMM-meisjes. (Algemene Marine Magazijnen meisjes) en weet dat de Debo-girls (vermoedelijk de dames van de Helderse Courant) het plan hebben opgevat jullie uit te dagen.
Gradus
Tot zover Gradus.
Omdat er veel belangstelling werd verwacht, werd ditmaal entree gevraagd van een kwartje, dat ten goede kwam van het M.S.F. (Marine Sanatorium Fonds) Er werd gespeeld in het Ankerpark, tegenover de toenmalige Zeevaartschool. Het spreekt haast als vanzelf, dat alle leerlingen van deze school met luide aanmoedigingen en het nodige commentaar aanwezig waren. Bij deze wedstrijd hanteerde ik de scheidsrechterfluit.
De dame van W.S.O.V. die de strafschop nam schoot hem keihard in de uiterste rechterhoek. Tot mijn stomme verbazing wist de keepster van MarMag ( één van de zusjes Aggenbach), met een formidabele snoekduik, de bal uit haar doel te ranselen. Ik geef u de verzekering, dat onze huidige keeper van de Sar de bal niet had gehouden. Zij kreeg dan ook een daverend applaus van het publiek, en werd onder haar medespeelsters bedolven. Het bleef dus 1-0 voor MarMag. Na afloop kwamen de dames van MarMag, ondanks dat ze gewonnen hadden, pisnijdig verhaal bij mij halen, waarom ik in vredesnaam een strafschop aan W.S.O.V. had gegeven. Toen ze wat tot bedaren waren gekomen en ik had uitgelegd waarom, konden zij mijn handelswijze wel begrijpen en hadden er vrede mee.
De diverse MarMag damesteams die o.a. tegen de W.S.O.V. (Werf Sport en Ontspanningsvereniging) en de M.I.D. (Marine Inventaris Dienst) hebben gespeeld, waren:
De zusjes Aggenbach, Betsy Berting, Mapie Biondina, Jopie v/d Brink, Balie van Bijnen, Cor Cramer, Miep Faeseler, Mieke v/d Giesen, Tiny Goes, Tinie van Engelsdorp-Gastelaers, Corry Hartman, Paula Jansen, Jeanne Klinge, Breggie en Tiny Kramer, Betsy Kuiper, Henny v/d Mast, Netty Meppeling, Greetje Onderstal, Annie Selbach, Ietje Teeuwen, Riet Vergaille en Ans Zikkenheiner.
Brandus
Als jongentje werd ik door mijn zus Willemien altijd schoftig verwend. In een vorig verhaal heb ik reeds vermeld dat toen ik geboren werd, zij 18 jaar was en aan iedereen die het maar hoorde wilde vertelde, dat zij mij had gebakerd. Toen ik een jaar of 5 was kocht zij elke zaterdag bij de speelgoedwinkel “De Poppendokter” op de Schiedamseweg in Rotterdam, een prachtig speelgoed soldaatje voor mij. Geen tinnensoldaatje, maar een soldaatje met een prachtig gekleurd uniform aan, gemaakt van een soort kalksteen. ![]() Zo´n soldaatje kostte een kwartje (25 ct.), wat toentertijd een hoop geld was. Ook bracht zij wel eens een soldaatje te paard mee, of een kanonnetje, die nog duurder waren. Zij werkte destijds in een kapperszaak en kocht de soldaatjes van haar zuur verdiende fooiengeld. Mijn moeder zei dikwijls tegen haar:” Meid, je verwent die knul veel te veel.” Zij trok zich daar echter niets van aan en bracht toch iedere week weer een soldaatje voor mij mee. Op zondagmorgen gaf zij die dan aan mij, omdat ik al op bed lag als zij zaterdagavond thuis kwam.
Op m´n twaalfde jaar, mijn zus Willemien was inmiddels getrouwd en had nu zelf een zoontje van 6 jaar, besloot ik de soldaatjes en kanonnetje aan haar zoontje Wil te geven. Nou, toen waren de soldaatjes gauw verdwenen. Want wat deed Wil toen er niemand bij was? Hij nam het kanonnetje, stopte daar een knikker in en schoot de soldaatjes één voor één aan flarden.
Dag soldaatjes.
Wel zonde van Willemien haar centjes.
Brandus
Vanwege het feit dat er de laatste tijd regelmatig schepen uit de oude tijd worden nagebouwd, herinnerde ik me nog het volgende.
We kregen daarbij een rondleiding en uitleg hoe vroeger op deze schepen alles toeging. Hoe er werd geleefd, waar werd geslapen, waar de kombuis zich bevond, waar het toilet, enz. enz.. Waarom deze schepen gemaakt zijn en in welk jaar, wist ik mij niet meer te herinneren. De heer Westerhout ( hier ook woonachtig), was destijds bij de rivierpolitie in Rotterdam werkzaam. Hem vroeg ik of hij zich nog het e.e.a. kon herinneren. Volgens hem waren het 5 à 6 schepen. Hij wist de naam nog van één van deze schepen, te weten de “NEPTUNUS”. Op dit schip is hij toentertijd nog aan boord geweest. Ook weet hij nog dat het bedrijfsleven toen zorg heeft gedragen, dat deze schepen werden geleverd. De complete tuigage, met alles er op en er aan, heeft kapitalen gekost. In welk jaar en naar aanleiding waarvan wist hij ook niet meer precies. Deze schepen gingen later voor de Parkkade, midden in de rivier de Maas, voor anker, en waren ´s-avonds geheel verlicht. Dat was een pracht gezicht. Zie geplaatste foto´s. Omdat we toch wilde weten waarom, en in welk jaar dit alles heeft plaats gevonden, en wat er later met deze schepen is gebeurd, werd navraag gedaan bij de Gemeente Rotterdam, waarop het volgende bericht werd ontvangen:
“De Piet Heinvloot is destijds tot stand gekomen ter herinnering aan het feit dat het zeventig jaar geleden was dat het standbeeld van Piet Hein is geplaatst. Dit alles heeft plaats gevonden in september 1938. In de collectie van het gemeentearchief Rotterdam zijn een aantal foto´s van deze gebeurtenis. (nog niet op internet!) Wat er later met deze schepen is gebeurd is niet bekend.
Onze openingstijden zijn op maandag van 13.00-17.00 uur, dinsdag t/m vijdag van 9.00-17.00 uur. Op woensdag zijn wij bovendien de avond geopend, dus van 9.00-21.30 uur. Geen avondopenstelling in juli en augustus. Ons bezoekadres is: Hofdijk 651, 3032 CG Rotterdam. Als u een archiefkaart wilt aanvragen, vergeet dan niet een legitimatie mee te nemen.
Vriendelijke groet,
Martijn Verbon Studiezaal.”
Tot zover dit bericht.
Wellicht dat er lezers onder u zijn, die een keer een bezoek willen brengen aan dit archief.
Volgens de heer Westerhout is één van deze schepen (vermoedelijk de “Neptunus) gemaakt door het personeel van de S.H.V. (Steenkolen Handels Vereniging). Het casco was feitelijk een stalen binnenvaartuig, genaamd S.H.V. met een nummer, dat hij helaas is vergeten. Het geheel is betaald door de S.H.V.-directeur de heer D.G. van Beuningen.
Het schip heeft nog enige tijd in het “Kranenpark” van de S.H.V. aan pier 5 in de Waalhaven gelegen. Het mooiste gezicht is hem nog bij gebleven op een nacht, toen het hevig gedauwd had en de hele tuigage van het scheepje spierwit was. Daar zijn ook foto´s van gemaakt. Zijn deze misschien te achterhalen?
Brandus
Als jongen van een jaar of 14 was ik lid van de V.C.J.C. (Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale.) Deze vereniging was een onderdeel van de Remonstrantse Kerk.
Om beurten hadden we dan corvee, dat bestond uit brood klaar maken, afwassen, aardappelen schillen en meer van dergelijk karweitjes. We aten met z´n allen in een enorm grote legertent waarin houten banken en bakstafels stonden. We aten van emaillen borden met ijzeren bestek.
schone lied:
“En is er nog brood, brood, ik ga van honger dood, in de tent, in de tent, in de courage meestertent. En is er nog brood, brood, ik ga van honger dood, in de tent, in de tent, in de courage meestertent. Dat weet ik niet en bovendien, ik kan het zonder bril niet zien, ik kan het zonder bril niet zien.”
Als de schalen met brood binnen gebracht waren, (dat waren altijd doormidden gesneden boterhammen op elkaar, met dik jam of hagelslag er tussen), dan verstomde het lawaai en als het uiteindelijk stil was geworden, ging de dominee voor in gebed. Het was een verstandige dominee, want hij hield het gebed altijd kort, omdat hij begreep dat we gierden van de honger. Na het gebed was het onmiddellijk “aanvallen” geblazen! Ik nam een boterham met
dik jam er tussen, nam een flinke hap en…….. voelde plotseling een steek in
de binnenkant van mijn wang. Ik wilde mijn eten niet uitspugen waar iedereen
bij zat, dus was het kauwen en slikken geblazen. Daarna hield ik een hand
voor mijn
De wesp had ik opgegeten.
Maar ik heb het overleefd, de wesp niet!
Brandus
HET KAARSVLAMMETJE
Toen mijn zus Willemien een jaar of 9 was, had zij strafwerk op school gekregen, dat zij thuis moest maken. U kent dat strafwerk wel, bijvoorbeeld honderd maal opschrijven: ” Ik mag tijdens de les geen kattenkwaad uit halen,” of iets dergelijks. Zij wilde dat niet weten voor mijn ouders, omdat zij bang was een flink standje te krijgen. Zij nam daarom papier, pen en inkt mee naar de slaapkamer op zolder, trok een houten beddenplank onder het bed vandaan en gebruikte die als onderlegger om haar strafwerk te maken. Om voldoende licht te hebben, had zij een brandende kaars op de beddenplank neer gezet. Hartstikke gevaarlijk natuurlijk, maar als kind sta je daar niet bij stil. Toen het strafwerk af was, zag zij dat haar broertje Jan van ongeveer zes jaar rustig lag te slapen en kwam de gedachte bij haar op of hij het in z´n slaap zou voelen als zij het kaarsvlammetje onder zijn neus hield. Een idiote gedachte natuurlijk, maar kinderen van die leeftijd kunnen er nu éénmaal vreemde ideeën op na houden. Dus probeerde zij het uit en hield het kaarsvlammetje onder de neus van Jantje. Met een luide gil van pijn vloog die overeind, niet wetende wat hem overkwam. M´n zus probeerde hem zo goed moegelijk te troosten, waar ze erg goed in was. Tot haar geluk hadden m´n vader en moeder beneden in de woonkamer de schreeuw niet gehoord, zodat het voorlopig zonder gevolgen bleef.
Het eerste wat mijn moeder de volgende morgen echter tegen Jantje zei was: “ Wat heb jij een rare neus, die is vuurrood en lijkt wel verbrand.” Ja, en toen kon Willemien er niet meer onder uit en biechtte het hele verhaal op.
Voor straf mocht zij veertien dagen niet buiten spelen en……………………ook niet naar het turnen, waar zij stapel gek op was, vooral op de knotsoefeningen.
Maar aan alles komt een einde, dus ook aan dit verhaal. Brandus
DE STRIK
Zijn vader leefde niet meer, die was bij de Sluis in Den Helder van boord van een schip gevallen en verdronken. Zijn moeder moest op alle mogelijke manieren proberen om aan de kost te komen. Ondersteuning was er in die tijd niet bij. Met een handkarretje met 2e hands spulletjes liep zij door de straten om te proberen iets te verkopen. Ook ging zij regelmatig de marineschepen langs om over gebleven eten op te halen en wat later ook om wat andere artikelen aan de bemanningsleden te slijten, zoals gevulde koeken en dergelijke. Cadeautjes en snoepgoed voor de kinderen was er echter niet bij. Toen één van zijn zusjes 6 jaar werd, had Wiebe het volgende verzonnen om zijn zusje toch een cadeautje voor haar verjaardag te geven. Op de Singel in Den Helder (nu Prins Willem Alexandersingel) woonde destijds de rijke, beter gesitueerden lieden. De meeste meisjes in die buurt die ´s-morgens naar school gingen hadden dan een mooie strik in hun haar. Wiebe Bakker had zich in een steegje verdekt opgesteld, en toen er een meisje met een mooie rode strik langs kwam trok hij die uit haar haren en ging er als de gesmeerde bliksem vandoor om de veroverde strik aan zijn jarige zusje te geven.
SNOEP
In de draaimolen of snoepgoed was er niet bij. Nu droeg Wiebe een oud versleten marinejack, dat hem veel te groot was. Om toch aan een zuurstok of ander snoep te komen, had hij de voering uit de zakken van het jack gehaald. Op de kermis ging hij dan voor de snoepkraam staan, en legde heel voorzichtig het uiteinde van het jack een stukje over het uitgestalde snoep en kon dan zo met z´n hand wat snoep pikken om dat met zijn broertjes en zusjes te delen. Ik weet wel, stelen mag niet, maar ik vind deze verhalen zo aandoenlijk, dat ik hem niet veroordeel. U wel? Geloof het of niet, maar wat later heeft Wiebe zijn moeder de honderd duizend op een staatslot gewonnen. Brandus
DE PETTICOAT
Dat was in die tijd een rage, en mijn dochter was er dan ook enorm blij mee en zuinig op. Zij leende hem dan ook voor geen geld uit aan haar zusje Mia, die een paar jaar jonger was. Hoe Mia ook soebatte of smeekte, zij kreeg de petticoat niet te leen. Op een keer toen Mia naar een feestje moest, vroeg zij voor de zoveelste keer de petticoat van Anja te leen. Maar te vergeefs. Mijn vrouw kreeg medelijden met Mia en gaf haar een bemoedigend knipoogje. Toen Anja even de kamer uit was zei mijn vrouw tegen Mia: “Ga jij maar in de tuin onder het slaapkamerraam staan, dan laat ik de petticoat naar beneden zakken en kan je die in het schuurtje aantrekken. Als je dan weer thuis komt, hang ik hem wel weer weg.” Maar toen Mia met de petticoat weg was, kreeg Anja in de gaten dat haar petticoat verdwenen was en toen was “de boot aan.” Mijn vrouw kon er toen niet onder uit, en moest vertellen dat zij de schuldige was.
Een tijdje later kampeerde Anja op camping “De Donkere Duinen” in Den Helder. Daar kreeg zij op een avond een acute blindedarmaanval en werd met spoed overgebracht naar het Gemini Ziekenhuis, waar zij werd geopereerd. Een paar dagen later, toen Anja alweer aan de betere hand was, ging Mia op ziekenbezoek, en wat dacht u dat Mia aan had? Juist de petticoat van Anja. Anja was met stomheid geslagen en tuimelde van verontwaardiging en kwaadheid zowat uit bed. Zij kon echter weinig uitrichten en moest met lede ogen aanzien dat Mia haar petticoat aan had.
Ik weet wel, dat Mia´s ziekenbezoek maar kort heeft geduurd.
Brandus KAMPEERHERINNERINGEN
In m´n jongensjaren (15-16-17 jaar) ging ik regelmatig met mijn vriend Ad Klok kamperen bij een keuterboerderijtje in Oosterhout. Eigenaar was de heer van Nunen, niet groot van stuk en Paake genoemd en zijn lieve vrouw (Moeke). Ze hadden 2 zonen, Henk en Frans, die mee hielpen op de kampeerboerderij. (Hier sta ik met Paake op de foto). Henk was de oudste en Frans de jongste, die was van knettergek van voetbal en ongeveer van mijn leeftijd.
Je moest in het bezit zijn van een kampeerkaart van de A.N.W.B., zoals hiernaast afgebeeld. Deze moest je bij binnenkomst afgeven aan Paake, en kreeg je bij vertrek weer terug. Als je je echter op één of andere wijze misdragen had, werd je kampkaart ingetrokken en kon je je biezen pakken. Af en toe kwam er ´s-avonds na 11 uur een zo geheten “mentor” van de A.N.W.B. controleren of het rustig was op het terrein en of er geen meiden in de jongenstenten aanwezig waren. Want als dat het geval was, dan kon je naar je kampkaart fluiten en vertrekken. Ad Klok en ik sliepen met nog een stel jongens in de paardental.
Onder begeleiding van gitaarmuziek werd er dan heel wat afgezongen. Regelmatig werden er “bonte avonden” gehouden. Als het mooi weer was buiten en anders binnen in een grote boerenschuur. De artiesten waren de kampeerders(sters) zelf. Er werden schetsjes opgevoerd, voordrachten gedaan, gezongen, en heel wat afgelachen.
Alles was heel simpel van opzet. Elke zaterdagavond was er kampvuur en hierbij werd natuurlijk ook weer veel gezongen. Het was altijd knotsgezellig.
Ad Klok en ik kookte de eerste 2 dagen zelf, maar werden daarna meestal door lieftallige dames uitgenodigd om te komen eten. Ook werden we vaak gevraagd om de overgebleven restjes (kliekjes) op te eten. Gekscherend werden we wel eens de twee vuilnisvaten genoemd, want we konden heel wat naar binnen werken op die leeftijd.. Voordeel voor ons was dan ook, dat we niet hoefden af te wassen.
Nu kampeerden er ook een stelletje vervelende “slome duikelaars ” met een tent.
Op een gegeven moment kreeg het idee om, als ze rustig lagen te slapen, allerlei spulletjes die maar lawaai konden maken, zoals lege blikjes dekseltjes enz., voorzichtig aan de touwen van hun tent vast te maken. Als dat gebeurd was moesten de jongens die in de paardenstal sliepen bij een zgn. haring van de tent gaan staan en deze op mijn fluitsignaal uit de grond trekken. De tent zou dan met oorverdovend lawaai in elkaar storten, met de vervelende “slome duikelaars” er onder. De jongens vonden het een pracht idee, en zo is het ook gegaan. Ik bleef in de paardenstal om het fluitsignaal te geven, omdat ik met m´n prothese niet snel genoeg uit de voeten kon. Toen het zover was en ik het fluitsignaal gaf, trok ieder een haring uit de grond en stortte de tent met een veel kabaal in elkaar met de vervelende “slome duikelaars” er onder. Die schreeuwden als een mager speenvarken en hadden geen flauw benul wat er allemaal gebeurde. In plaats dat de andere jongens, die een haring uit de grond getrokken hadden, snel naar de paardenstal zouden rennen en onder de wol kruipen, renden ze tot mijn stomme verbazing het bos in. Inmiddels waren Paake en z´n beide zoons op het lawaai af gekomen en hadden al gauw in de gaten wat er aan de hand was. Zelf was ik inmiddels wel onder m´n deken gekropen en hield me slapende. Toen Paake en z´n zoons in de paardenstal een kijkje kwamen nemen of alle jongens aanwezig waren, zagen ze meteen dat iedereen gevlogen was, behalve ik. Ik hoorde Paake nog tegen zijn zoons zeggen: ”Zie je wel, zoiets doet Brandus niet.” Hij bleef echter wel geduldig wachten tot alle kampeerders op hangende pootjes uit het bos terug kwamen en zei dat hij hun kampkaarten zou intrekken en dat zij de volgende morgen konden vertrekken. Natuurlijk heb ik de volgende morgen aan Paake opgebiecht, dat ik de aanstoker van alles was geweest en dat hij dan mijn kampkaart ook in moest trekken. Gelukkig stond ik bij Paake in een goed blaadje, en toen ik mijn verhaal had verteld, moest hij er toch wel om lachen en mocht iedereen blijven.
Onze andere dochter Anja logeerde bij haar oma en opa in Breda.
Wij sliepen in een soort schuurtje naast de paardenstal. Daar weer naast sliep een bootwerker uit Rotterdam. Een echte goedzak, met een paar handen als kolen schoppen. Hij was hier heen gekomen voor een lekkere rustige vakantie. Pal boven hem sliepen echter zo´n 20 welpen van de padvinderij. (Nu scouts genoemd.) En u begrijpt het al. Die knapen lagen tot diep in de nacht lol te trappen, waardoor de bootwerker en ook m´n vrouw en ik niet konden slapen. Mia sliep overal door heen.
“Houwen jullie nou g….. je muilen is een keer op mekaar!” Het hielp, want op slag waren de welpjes muisstil. M´n vrouw en ik lagen echter stilletjes te schudden van de lach.
In het jaar 2000 ( ik logeerde een paar dagen in Rotterdam), vroeg mijn zwager Gerard of ik zin had om met z´n drietjes (m´n zus Adrie er ook bij) een eindje met de auto te gaan toeren. Hij vroeg of ik misschien een bestemming wist om naar toe te rijden. Opeens herinnerde ik me de kampeerboerderij in Oosterhout waar ik vroeger als jongen gekampeerd had. Ik zei, dat ik daar nog wel eens heen wilde, om te kijken of die er nog was. Hij vond het wel een leuk idee en zo gingen we op weg naar Oosterhout. Daar aangekomen vroegen we aan de eigenaar van een snackbar, waar we wat gegeten en gedronken hadden, of hij misschien de weg wist naar de camping van de familie van Nunen. Hij zei: “U zult waarschijnlijk de camping “t Haasje” bedoelen,” en legde ons uit hoe we moesten rijden. Na enig zoeken kwamen we bij camping “´t Haasje” aan. Ik wist niet wat ik zag, het was een kapitaal bedrijf geworden. Na de auto geparkeerd te hebben, moesten we door een paar slagbomen en ons melden bij de receptie. Op mijn vraag of Frans van Nunen er nog was, kreeg ik ten antwoord: ”Oh, ome Frans. Ja hoor, die is in de kantine.” Na bezoekgeld te hebben betaald gingen we naar de kantine en vroeg ik aan één van de dames achter de bar of Frans van Nunen er was. Die zei: ”Oh, ome Frans, die staat daar met een meneer te praten”. Ik liep er heen en toen hij uitgesproken was, tikte ik hem (na 51 jaar) op zijn schouder en zei: ”Ha die Frans.” Hij draaide zich om, keek me aan en zei: ”Uw gezicht komt me wel bekend voor, maar ik zou zo gauw niet weten wie u bent.” Ik zei: ”Frans ik ga 5 meter lopen en dan weet je wie ik ben.” Ik liep een paar meter en toen schreeuwde hij: ”Brandus, Brandus, hoe is het mogelijk!” Het weerzien was echt wel een beetje emotioneel. We werden gelijk voorgesteld aan zijn vrouw Anneke en z´n kinderen. Na gezellig, onder een hapje en een drankje, wat bijgepraat te hebben, gaf hij ons een rondleiding over het enorm uitgebreide complex.
Er staan zeker meer dan honderd stacaravans. Er zijn twee zwembaden, er is een voetbalveld met officiële afmetingen, met zit- en staantribunes en zelfs een overdekte tribune. Er zijn kleedkamers voor de spelers en een aparte kleedkamer voor de scheidrechter en grensrechters. Voor beide elftallen is er douchegelegenheid. Regelmatig komen er profelftallen vriendschappelijke wedstrijden spelen. Er is een kinderspeelplaats met alles er op en er aan. Er is een sauna. Er zijn twee bars. Er is een grote toneelzaal, waar regelmatig de bekendste artiesten optreden. Kortom er is van alles te beleven en te doen.
Ik keek m´n ogen uit, het keuterboerderijtje van toen is nu een miljoenenbedrijf.
Of het er echter net zo gezellig is als vroeger betwijfel ik. Maar dat kan ook jeugdsentiment zijn.
Helaas is Frans in 2002 overleden.
Met zijn lieve vrouw Anneke heb ik zondag 2 oktober ´04 nog telefonisch contact gehad.
Anna Paulowna, 12 oktober 2004.
Brandus
HET BRABANTS DORP 1941-1965
[Citaat:]
Er vielen 900 doden te betreuren en duizenden gewonden. Er werden 25.000 woningen vernield, en het aantal daklozen liep op tot 78.000.
De naam was afgeleid van de straatnamen, van een Brabantse gemeente. Het dorp bestond uit zo´n 520 huisjes van eenvoudige betonnen constructie. Betonnen vloeren en daken werden afgedekt met asfalt. (Dat is u niet meer toegestaan.) Een klein woonkamertje, 2 slaapkamertjes en een keukentje. Achter het huisje een stukje grond, wat als tuintje kon dienen. Gedurende de oorlogsjaren was het “Brabants Dorp” verboden gebied voor de Duitse militairen. In 1965 werd het “Brabants Dorp” afgebroken.”
[Einde citaat.]
In 1946 kregen wij zo´n huisje toegewezen in de Enschotstraat. Huurprijs: fl. 3.75 per week! Terwijl ons dochtertje Anja op de stoep voor de voordeur op de ooivaar zat te wachten, kwam deze (helaas voor haar) achterom, en daar werd onze dochter Mia geboren.
Op Koninginnedag werd een groot straatfeest gegeven, met versierde straten. Voor de kinderen was er koekhappen, zakken lopen, touwtje springen, enz.enz. Van grote firma´s die we hadden aangeschreven kregen we allerlei snoepgoed en andere spullen die als prijsjes konden dienen. Ook was een draaiorgel gehuurd, waarbij naar hartelust werd gedanst. Kortom, er werd uitbundig feest gevierd.
In het clubgebouw “De Branding” hield een sociaal medewerker (Oome Rien) en zijn assistente (tante Johanna) de kinderen aangenaam bezig met spelletjes, figuurzagen, tekenen en zang. Met mijn gitaar begeleide ik het gezang en leerde de kinderen enkele liedjes.
Een liedje wat ik vaak met de kinderen zong was: ”Hoi Marietje.” De voorcoupletten zal ik u besparen, maar het refrein is simpel eenvoudig n.l.: Hoi Marietje, Marie, Hoi Marietje, Marie, Hoi Marietje, Marie, ik ben zo blij als ik je zie. Dit liedje zing ik nu nog wel eens.
In 1947 zijn we verhuisd naar een wat comfortabeler huis in “De Wielewaal.” Een aanzienlijk duurdere huurprijs t.w.: fl. 7,30 per week, wat lang niet iedereen die in het “Brabants Dorp woonde kon betalen. Hier hebben we een goed jaar gewoond.
Toen zijn we naar Den Helder verhuisd, omdat de Marine Magazijnen, waar ik werkzaam was, werden over geplaatst naar Den Helder. Hier kwamen we in de Olivier van Noortstraat te wonen, in een mooie ééngezinswoning, met achter een grote tuin.
De kinderen hebben hier een prachtige jeugd gehad. Met mooi weer konden ze heerlijk naar het strand om te spelen en te zwemmen.
Toen ze getrouwd en het huis uit waren, zijn we naar een kleinere woning in de Schoenerstraat verhuist. Achter het huis was een vaart waar je kon vissen. Bij mooi weer zaten we hier dan ook gezellig met verschillende buurtjes op paling te vissen, met een hapje en een drankje.
Maar wie ving de meeste paling? …… Juist Miep!!!
Toen we op een keer weer zaten te vissen, begon Miep het liedje: “Hoi Marietje” te zingen met alle voorcoupletten. Ik was stom verbaasd en vroeg haar, waar heb jij dat liedje geleerd? Of het de gewoonste zaak van de wereld was zei ze: ”Oh, bij Oome Rien en tante Johanna in clubgebouw “De Branding” in het “Brabants Dorp” daar werd het altijd gezongen. Ik was toen een jaar of zeven.”
Toen ik haar vertelde dat wij destijds ook in het “Brabants Dorp” hadden gewoond en ik het liedje “Hoi Marietje” aan de kinderen had geleerd, was het haar beurt om stom verbaasd te zijn.
Nu wonen we allebei in Anna Paulowna en word ik door haar en haar man af en toe uitgenodigd voor een heerlijk 5 gangen dinér bij hun thuis. Hartstikke lief!
Het kan toch allemaal raar lopen!!! Brandus
DE LASSO
Behalve spoorzoeken en dergelijke, leerde ik er ook lasso werpen. Al zeg ik het zelf, ik was daar tamelijk bedreven in. Het gaat er om al draaiende met je pols een open lus in het touw te vormen en als die de gewenste grootte heeft, op het juiste moment om een bepaald voorwerp te gooien.
Ik schepte nog wel eens op tegen m´n vriendjes dat ik zo goed lasso kon werpen. Bij het spelen had ik dan ook vaak mijn zelf gemaakte lasso bij me. Op een keer zei één van mijn vriendjes: ”Jij kunt toch zo goed lasso werpen, dan wil ik wel eens zien, of je die man die daar in de verte aan komt fietsen kan vangen.” Ik zei: ”Oké!”
Terwijl de man aan kwam rijden maakte ik vlug m´n lasso gereed en toen hij zo´n drie meter voorbij was, wierp ik mijn lasso en toeval of niet, ……. raak! Het was geen moment bij me op gekomen, dat wat ik deed natuurlijk hartstikke gevaarlijk was. De lus viel precies over z´n hoofd en schouders, waardoor de man kwam te vallen en tegen de straat kwakte.
En toen waren de rapen gaar!
Daar kreeg ik een flinke uitbrander en moest plechtig beloven, dat ik zoiets nooit meer zou doen. En dat beloofde ik.
De man mankeerde gelukkig niets, maar m´n lasso was ik kwijt. In beslag genomen!
Brandus
MATROZENBEZOEK
In 1954 woonde wij in de Olivier van Noordstraat 51 in Den Helder, toen er op een woensdagmiddag aan de deur werd gebeld. Toen mijn vrouw ging kijken wie of er was, stond er een matroos voor de deur die aan mijn vrouw vroeg of Brandus (ik dus) thuis was. Mijn vrouw antwoordde.” Nee, die is op z´n werk en komt pas om een uur of half zes thuis. Kan ik misschien de boodschap over brengen?” De matroos zei, dat hij een jongere broer was van een vroegere vriend van mij Ab de Ruiter uit de Boerhavelaan in Schiedam. (Door mij altijd Appie genoemd.) Hij vertelde, dat toen hij klein was en in de hongerwinter 1944/45 ernstig ziek was, ik wel eens wat voedsel naar hem bracht. Wat ik me herinner, waren dat in hoofdzaak eieren. Hij was gekomen om mij daarvoor alsnog te bedanken. Om achter ons adres te komen was haar naar het politiebureau gegaan, waar men hem aan ons adres had geholpen.
Na gezellig wat te hebben gekletst vertrok hij om een uur of tien. Mijn vrouw zei dat hij gerust iedere woensdag op visite mocht komen. Hij vroeg of hij dan ook z´n “maat”, die in Den Haag woonde en ook voor z´n nummer in dienst was, mee mocht nemen. Natuurlijk vonden we dat goed. Het gevolg was, dat we iedere woensdagavond gezellig zaten te kaarten. We speelden: “Canasta.” Voor de kinderen namen ze altijd een zak snoep mee. Mia (het brutaaltje) zei op een keer: ”Weet je wat ik lekker vindt?” en noemde de snoep dat haar voorkeur had. Natuurlijk werd dat de volgende keer meegebracht. M´n vrouw en ik werden door hun ook wel eens uitgenodigd om met hun te gaan eten. (Chinees) Zij waren ook behulpzaam achter het toneel (opbouw décor, enz.) toen we het toneelstuk “Verschroeide Aarde” hebben opgevoerd. (Zie rubriek TONEEL.) Onze dochter Anja heeft destijds nog een week gelogeerd bij de ouders van de matroos die in Den Haag woonde. Zij is door deze mensen enorm verwend en heeft er geweldig genoten. Zij namen haar overal mee naar toe, o.a. Madurodam en Panorama Mesdag. Mia kon nooit uit logeren, want die kreeg heimwee. Toen matroos de Ruiter (z´n voornaam ben ik vergeten)de dienst uit ging, dacht de Haagse matroos dat hij voortaan niet meer mocht komen. Maar mijn vrouw zei:” Natuurlijk wel en neem ook maar een maat van je mee.” Nou, die maat van hem was een rasechte Amsterdammer. Het contrast tussen die twee was groot. De één een keurige Hagenees en de ander platte Amsterdammer. Een pracht kerel, die alles recht voor z´n raap zei. Met hem hebben we enorm veel gelachen. Hij zat vaak in de “Petoet” wegens brutaliteit tegen z´n meerderen, of omdat hij iets had uitgehaald. Op een keer werd hem door een officier, die hij niet kon uitstaan, opgedragen het dek te schrobben, maar hij zei: ”Ja, ben ik gek, doe het zelf!” Foute boel natuurlijk en hij kreeg prompt 14 dagen “zwaar.” Dat hield in, dat hij 14 dagen niet van boord mocht.
Wij en ook de kinderen vonden het bijzonder jammer toen zij allebei tegelijk uit dienst gingen. Maar ja, het was niet anders.
Later is, zoals zo vaak, door verhuizingen en dergelijke, helaas alle contact verloren gegaan. Maar nog vaak denk ik, en ook Anja en Mia, met heel veel plezier aan die matrozen en de gezellige tijd terug.
Brandus
HET PRINSES THEATER
Als jongen van een jaar of acht ging ik vaak met m´n zus Adrie en m´n oudere broers Rinus en Wim op zondagmiddag naar de bioscoop ”Het Prinses Theater” op de Schiedamseweg in Rotterdam.
Het kwam regelmatig voor dat er een onderbreking was, omdat er een breuk in de film kwam en dan was het een gefluit en kabaal van het publiek van jewelste.
De goedkoopste rang was 15 cent, maar als je er niet snel genoeg bij was, waren die plaatsen uitverkocht en moest je een duurdere rang kopen, van 20 of 25 cent. Het vervelende van die films was, dat ze altijd op een uiterst spannend moment werden gestopt en dan kwam de mededeling op het doek:
” Wordt volgende week vervolgd.”
En het vervolg wilde je natuurlijk voor geen goud missen.
Van onze moeder kregen we ieder altijd precies 15 cent. Het gebeurde op een keer dat de kaartjes van 15 cent waren uitverkocht.
Daar kwam nog bij, dat wij helemaal aan het einde van de Schiedamseweg op nr. 267 woonde, en het Prinses Theater aan het begin van de Schiedamseweg was. Dus voordat je dat hele eind twee maal had gelopen, was de film al lang begonnen. Wie toen op het idee is gekomen weet ik niet meer, maar ik sloeg met m´n houten been aan het bedelen. Ik liep dan met m´n houten been en m´n 15 cent in m´n open hand op een rijke dame of heer af en zei met een zielig stemmetje: ”Heeft u misschien 5 cent voor me, want de rang van 15 cent is uitverkocht, ze hebben nu alleen maar kaartjes van 20 cent of een kwartje en het is het vervolg van een Tarzanfilm.” En het werkte. Na verloop van tijd had ik genoeg geld bij elkaar gebedeld en konden we triomfantelijk met z´n vieren naar binnen.
Hoe wist ik nu of er een rijke dame of heer aan kwam. Wel, dat was in die tijd niet zo moeilijk. Als een dame een sjieke hoed op had, wist je dat die wel een paar centjes te verteren had. Voor een heer in een deftig pak met wandelstok en een dikke sigaar, gold hetzelfde. Pas jaren later hebben we dit verhaal aan m´n moeder durven vertellen. Als zij dit had geweten, dan had zij zich dood geschaamd en hadden wij in t´vervolg vast en zeker voldoende geld mee gekregen.
Het Prinses Theater is later verkocht aan de Jehova getuigen. Momenteel is het een soort uitgaansgelegenheid waar men onder het dineren kan genieten van theater.(Zie geplaatste afbeelding.)
Helaas heb ik geen foto kunnen vinden van het oude “Prinses Theater”.
Brandus
SINTERKLAAS
Toen ik een jongentje van een jaar of zes was woonde m´n ouders in de Meester Willemstraat in Rotterdam in een zo´n ouderwetse woning met van die hoge plafonds. Een stukje boven de W.C. deur was een doorzichtig raam. Een paar dagen voordat Sinterklaas moest ik een “grote boodschap” doen. U snapt wel wat ik bedoel.
Hier schrok ik zo van, dat ik op slag de “spuitpoep” kreeg en begon te janken. M´n zus Willemien was de schuldige, die had de trapleer gepakt, was daar op geklommen met de mijter van Sinterklaas op en met een witte handschoen aan haar hand tikte zij tegen het raam. Toen Willemien me hoorde huilen wist ze niet hoe gauw ze de spulletjes op moest ruimen om mij te troosten. Ze zei:”Huil maar niet broertje, Sinterklaas zwaaide toch naar je, dan vindt hij je vast wel lief en krijg je een hoop cadeautjes.” Nou, dat kon wel zijn, maar ik had de schrik te pakken.
Tegenwoordig lopen er meer zwarte Piettinnen dan zwarte Pieten rond en worden de kinderen niet meer bang gemaakt. Ik herinner me nog twee Sinterklaasliedjes uit die tijd. Het eerste liedje ging zo:
Oh wat ben ik toch geschrokken, gisteren om een uur of acht, gisteren om een uur of acht. Toen werd er aan de bel getrokken, toen werd er aan de bel getrokken. Oh wat klopte toen mijn hart, oh wat klopte toen mijn hart.
´t Was een man met grote snorren en z´n knecht was helemaal zwart en z´n knecht was helemaal zwart. Ik moest van hem een liedje zingen, ik moest van hem een liedje zingen. oh wat klopte toen m´n hart, oh wat klopte toen m´n hart.
En het tweede liedje:
De zak van Sinterklaas, Sinterklaas, Sinterklaas, De zak van Sinterklaas. `t Jonge ´t jonge, ‘t is zo´n baas. Daar stopt hij, daar stopt hij, daar stopt hij blij van zin…. De stoute, de stoute, de stoute kind’ren in. De zak van Sinterklaas, Sinterklaas, Sinterklaas, De zak van Sinterklaas. ´t Jonge, ´t jonge dat is zo´n baas!
Omdat ik toen nog heilig in Sinterklaas geloofde en ik nu niet bepaald een braaf jongetje was, vond ik vooral het laatste liedje geen leuk liedje. En vooral van de zin:
“Daar stopt hij, daar stopt hij, daar stopt hij blij van zin… De stoute, de stoute, de stoute kind’ren in”
werd ik nu niet bepaald vrolijk.
Brandus
DE KERSTKRANS
Jaren geleden op 2e Kerstdag zat ons huis in de Olivier van Noortstraat in Den Helder, vol visite.
Vlak onder de piek, hadden we een enorm grote chocolade kerstkrans op gehangen, zodat de kinderen daar niet bij konden. Het was allemaal reuze gezellig, met lekkere hapjes en een drankje, nou ja, u kent dat wel.
De man van de bewuste vrouw, laat ik hem Klaas noemen, lag op de grond te kronkelen van de lach, en sloeg steeds met z´n hoofd op de zitting van z´n stoel. Je hoort iemand wel eens zeggen: ”Ik heb me dood gelachen,” maar dit ging er werkelijk op lijken. M´n buurman Wiebe Bakker, (u kent hem inmiddels wel uit één van m´n anderen verhalen) kon het niet langer aanzien en vluchtte de tuin in. Na een tijdje kwam Klaas gelukkig weer tot bedaren en kon ik Wiebe Bakker naar binnen roepen om het Kerstfeest verder mee te vieren. U begrijpt dat dit verhaal ieder jaar met de Kerst wordt opgehaald.
DE LAMPENKAP
Wij hadden thuis een grote familie, vader, moeder en negen kinderen. Sommige van mijn oudere broers en zussen hadden al verkering en op 2e kerstdag zaten we met een man of 17 aan de feestelijk versierde kersttafel. Deze Kerst was mijn vader, die meestal op zee bivakkeerde, ook thuis en kon het Kerstfeest mee vieren. Om het extra feestelijk en gezellig te maken te maken, stonden ook brandende kaarsen op tafel. Even voor de Kerstmaaltijd zou beginnen pakte ik (ik was toen een jaar of 9) een brandende kaars van tafel, stak hem omhoog en begon vol enthousiasme: “Oh dennenboom, oh dennenboom” te zingen.
Op hetzelfde moment dat ik mijn gezang aanhief en de brandende kaars omhoog stak, vloog de lampenkap in de fik en …zoeffff, “in no time,” hing alleen nog het geraamte van ijzerdraad van de lampenkap boven tafel. Alles ging zo vlug in z´n werk, dat, toen mijn vader met een emmer water aan kwam draven om de brand te blussen, dit niet meer nodig was. Gelukkig voor mij was, dat het huis vol visite zat, zodat alles met een sisser voor me afliep en we uiteindelijk toch, zij het met een zwaar gehavende lampenkap, aan de Kerstmaaltijd konden beginnen.
Brandus
" Van Kees Doolaard de kunstschilder, die in lang vervlogen tijden enige tijd bij ons in de kost was toen wij in Den Helder woonden, heb ik een e-mailtje ontvangen met het hierna volgende verhaal over mijn vrouw en mij”. W.Klinge
[Aanvang citaat e-mail]
Brandus,
Het is alweer lange tijd geleden dat mijn slaapkamer grensde aan jullie slaapkamer en ik moet zeggen dat heeft gelukkig ook niet zo lang geduurd, de huizen waren toen nog niet geïsoleerd en vrij gehorig en jij snurkte als een os en het heeft mij in die tijd heel wat nachtrust gekost. Ach ja, het was een tijd van aanpassen en elkaar de ruimte geven, maar zeker niet ongezellig.
Ja, er moet toch nog wel iets van mijn hart, jij zult het wel niet meer weten, maar één keer heb je nog eens op een donkere nacht, mij aardig verwenst en uitgevloekt,en dat wil ik toch nog wel eens voor jou op papier zetten.
Het zal geweest zijn rond het jaar 1949, dat ik des avonds, na een stevige vrijpartij met mijn aanstaande echtgenote die vierhuizen achter jullie nog bij haar ouders woonde, ik vermoeid via het pad achter de huizen, van hen naar jullie woning c.q. mijn pension slofte. Want in die dagen was het de gewoonte: iedereen kwam door de achter-en tuindeur die altijd los was naar binnen en de laatste deed de deur op slot.
De laatste was altijd ene Brandus Klinge, die des avond’s zo veel sport- en toneelverenigingen bezocht, dat hij eigenlijk avonden te kort had per week. Heel leuk natuurlijk, maar ja zijn mooie en hupse vrouw leed er eigenlijk wel een beetje onder en zij vond dan ook dat zij wel wat meer aandacht mocht hebben. Maar goed dat is hun zaak dacht ik, en slofte het tuinpad op en wilde de keukendeur openen. Mis die zat vast. Wat nu, want een deursluitel had ik nooit gehad en was in principe ook niet nodig. Sjaan was altijd thuis en dan nog: iedereen was toen nog eerlijk en ja, er was ook niet veel te halen iedereen was blij met het beetje wat zij hadden.
Maar ja wat nu? Ik rammelde nog maar eens aan de deurkruk en ja hoor, daar ging hij open en daar stond Sjaan met een ochtendjas over haar dunne zijde nachtjapon. "Kom gouw naar binnen", zei zij en na het bevel uitgevoerd te hebben, sloot zij de keukendeur weer stevig met het slot af. "Wat is er aan de hand vroeg ik", en zag in
het half duister dat er iets niet helemaal koosjer was. Ach, Brandus is weer de hele avond weg en nu ben ik het zat dat alleen zitten", en “bitter” daar achter: “Hij zoekt het maar uit, hij blijft maar bij zijn clubpies wonen".
Nou ja, dacht ik dat zijn jullie zaken, ik duik mijn bed in klom zachtjes, om de kinderen niet wakker te maken de trap op naar mijn slaapkamer op de bovenste verdieping en kroop lekker onder de wol en hoorde even later door de dunne muur heen aan het kraken van de echtelijke sponde dat Sjaantje, zo als Brandus haar altijd noemde, ook tussen de lakens schoof.
Moei had de slaap mij snel te pakken en ik droomde net van mijn kasteel dat ik aan het bouwen was in Anna Paulowna, toen ik wakker werd van Brandus zijn alom bekende loop in de stille steeg. Pats, boem, pats, boem, pats, boem, en dan het gerammel aan de keukendeur. Nog eens gerammel en toen kwam er zachtjes een aan de deur gerichte vloek naar boven rollen. Vervolgens klonk het bekende pats, boem, pats, boem, geluid weer, dat het pad af door de steeg in ging en daarna aan de voorzijde van het huis weer naderbij kwam. Bij de voordeur eindigde het geluid en dacht ik: " nu zal hij de electrische deurbel wel gebruiken". Maar nee, die klingelde niet en dacht ik verder, oef....die zal Sjaantje wel afgezet hebben? Nou ja, ze doen maar! Het pats, boem geluid startte weer en onze Brandus was weer op de terug tocht naar de keukendeur.
Mijn zaak niet, ik ga slapen. Maar nee de slaapkamerdeur ging op een kier open en een stem fluisterde: "Kees slaap je al". Op mijn ''neen'' ging de fluistertoon verder met "Kees, wil jij even de keukendeur van het slot doen en zeggen dat jij hem bij vergissing hebt dicht gedraaid.” Brandus, weet jij nog wat je toen allemaal gezegd heb. Nee? Het was de halve bijbel, achter uit. Ik ben weer stil naar boven gelopen en toen ik mijn hoofd op het kussen lag dacht ik: "die slimme Sjaantje, ze kon toch niet zonder hem”. Fijn hé?!
Dit is jouw Sjaantje en het verhaal.
Kees
[Einde citaat e-mail Kees Doolaard]
|
Voor een 5 nietsVoor een 6 een stuiver (5 cent) Voor een 7 een dubbeltje (10 cent) Voor een 8 een kwartje (25 cent) Voor een 9 een gulden (100 cent) Voor een 10 een rijksdaalder (2 gulden en 50 cent) |
Voor een 4 ging er weer een stuiver af en zo vervolgens.
In die tijd kreeg je voor alle vakken nog een cijfer. Tegenwoordig gaat het anders.
Anja
haalde altijd heel goede cijfers, (kostte me een hoop poen) bij Mia was het wat minder. Vooral met
rekenen had Mia moeite.
Voor de grap gaf ik Mia expres wel eens een stuiver te weinig voor haar rapport, maar dat had ze snel in de gaten. Dan kon ze opeens wel goed rekenen.
Nadat bij ons de buit binnen was, gingen zij snel al onze kennissen af om hun rapport te laten zien, maar het voornaamste was natuurlijk om “te vangen.”
Na de lagere school heeft Mia de ”Inas” (Inrichtings assistente) opleiding in Schagen gedaan en haalde zowaar (tot onze stomme verbazing) een 10 voor boekhouden op het eindexamen. Dat vak alleen al kostte mij al een knaak (2 gulden 50 cent).
Maar de hoofdzaak was dat Mia was geslaagd.
Zoals gezegd Anja kon heel goed leren en heeft na haar schoolopleiding (Lyceum) uit nijd in Duitsland gewerkt, om de taal goed te leren. Had daar n.l. op school een onvoldoende voor. Heeft in Duitsland ook nog even aan toneel gedaan. Anja reist en trekt (tijdens haar vakantie) nog steeds graag naar het buitenland en naar vreemde landen.
Nu woont zij al jaren in Spanje en beheerd een groot duiksportbedrijf in Estartit aan de Costa Brava.
Anja en Mia zijn inmiddels alweer oma.
Waar blijft de tijd!?
Brandus
Zonder
te willen opscheppen mag ik zeggen dat ik, ondanks mijn handicap, vrij goed
kon keepen. Lopen ging echter niet meer.

Natuurlijk ging hij akkoord en stond zijn fiets af.
Ik stapte op en het fietsen ging prima. Doodgemoedereerd reed ik weg, of het de gewoonste zaak van de wereld was.
Tijdens het wegrijden hoorde ik nog wel iemand uit het publiek zeggen:

“ DAT IS OOK EEN KEIHARDE VOGEL!”
Toen de Marine Magazijnen in 1947 vanuit Rotterdam naar Den Helder werden overgeplaatst, was het voor het personeel kiezen of delen. Ontslag nemen of naar Den Helder verhuizen. De keuze was niet moeilijk, praktisch het gehele personeel verhuisde naar Den Helder.
Dit ging echter niet “zonder slag of stoot”, want eerst moest voor het personeel een voorlopig een kosthuis worden gevonden, tot er nieuwbouwhuizen beschikbaar kwamen.
Uiteindelijk kwam ik, gedurende 7 maanden, in de kost bij de familie Kunst in de Soembastraat. Een bijzonder hartelijke en aardige familie.
Het gezin bestond uit: vader, moeder, dochter Martha (ongeveer 16/17 jaar), en zoontje Bill plm. 1½ jaar, het zgn. nakomertje.
Bill zat nog in een kinderstoeltje met potje (in Rotterdam noemde we het een
“kakstoeltje”) aan tafel met eten.
Mevrouw Kunst noemde ik al spoedig ”Ma Kunst” en meneer Kunst “Pa Kunst.”
Ik kan gerust zeggen, dat ik vooral door ma Kunst danig werd verwend.
Ze kookte altijd iets aparts te eten waarvan ze wist dat ik het graag lustte..
Pa Kunst zei dan wel eens gekscherend: ”Je moet die knul niet zo verwennen, anders gaat ie nooit meer bij ons weg.”

Pa
Kunst heette van z´n voornaam IJsbrand, en daar plaagde ik hem wel eens mee
en zei: “Wie heet er nou IJsbrand, want ijs is koud en brand is heet.” Dan
antwoordde hij: “Zeg jij nou maar niks met die gekke voornaam van jou, want
wie heet er nou Wijbrandus? Zo´n gekke naam heb ik nog nooit van m´n leven
gehoord.”
Eén en ander om u een indruk te geven hoe gemoedelijk het er aan toe ging.
Als we ´s-morgens nog
met z´n drietjes aan het ontbijt zaten (pa Kunst was al weg en Martha naar
school) en ma Kunst tijdens het afruimen even in de keuken was, dan gaf ik
vlug de open jam-of strooppot aan Bill. Die smeerde zichzelf dan helemaal
onder en kraaide het uit van plezier. Als ma Kunst de keuken uitkwam en Bill
zag, da
n
keek ze me aan en zei: ” Brandus
Klinge, ben je weer bezig geweest. Ik kan dat kind niet even alleen met je
laten, of je haalt weer een streek uit en moet ik hem weer helemaal
verschonen. Dondersteen!”
Echt kwaad kon ze echter nooit op me worden.
Wel nam ze voortaan (als ze het niet vergat) bij het afruimen eerst de jam- of strooppot mee naar de keuken.
Martha Kunst had nogal wat vriendjes die op de Zeevaartschool zaten. Als ik me goed herinner was éne Pum Couperus haar favoriete vriendje. Later hoofd Marine Transport Dienst in Den Helder geworden.
Vaak kwamen die vriendjes ´s-avonds op visite en als ik dan mijn gitaar pakte en begon te zingen, dan werd het feest. Alle populaire liedjes uit die tijd werden uit volle borst meegezongen.
Als besluit moest ik voor ma Kunst altijd het liedje “Dat is mijn Rosalien” van de toen bekende humorist Willy Vervoort zingen.
De tekst van het
refreintje is als volgt:
“Dat is mijn Rosalien met haar pimpelpaarse wangen
Zij heeft oren groot, daar kan je de kamer mee behangen
Zij heeft een onderkin, gelijk een zeppelin
Ik ben toch maar met haar getrouwd,
Want ze heeft een hart van goud.”
Ma Kunst vond het elke keer weer prachtig.
Om half elf was het uit met de pret. Bedtijd geblazen!
Dan werden de jongens van de Zeevaartschool de deur uit geloodst.
Af en toe werd mijn vrouw door de familie Kunst uitgenodigd een weekendje over te komen, zonder dat zij hiervoor extra kostgeld wilde hebben.
Op ´s-rijkskosten mochten wij n.l. éénmaal in de 14 dagen naar huis.
Tussen mijn vrouw en de familie Kunst klikte het meteen.
Op een keer mocht mijn vrouw ons dochtertje Mia, toen ongeveer 2 jaar oud, meenemen. 's-Morgens zag ze de kleine Bill Kunst, die van dezelfde leeftijd was, in z'n blootje lopen en toen ze Bill's "piemeltje" zag zei ze tegen mijn vrouw: "Ik wil ook zo'n ding!" Want zoiets had ze nog nooit eerder gezien. We moesten er allemaal smakelijk om lachen, maar leg maar eens uit dat zoiets niet gaat.
Bill Kunst is inmiddels al jaren getrouwd en tekenleraar in Den Helder. Hij heeft voor dit verhaal de hieronder geplaatste familiefoto toegezonden.
Na 7 maanden kregen we een huis in de Olivier van Noortstraat toegewezen (no. 51) waar we zijn ingetrokken.
Daar hebben onze dochters Anja en Mia een fijne jeugd gehad.
Toen konden de kinderen nog betrekkelijk veilig op straat spelen, omdat er nog weinig autoverkeer was.
In de zomer bij mooi weer lekker naar het strand en later, toen ze wat ouder waren, kamperen op camping “De Donkere Duinen.”
Het contact met de familie Kunst is echter altijd gebleven.
Mijn dochters noemde ma Kunst: tante Jo en pa Kunst: oome IJs.
Zij waren dol op onze kinderen, en dat was wederzijds, (rijmt nog ook).
Bijna elke dag (als de kinderen naar school waren) moest mijn vrouw
´s-morgens bij ma Kunst op de koffie komen.
Pa en ma Kunst en hun dochter Martha zijn helaas niet meer in leven.
Wij (Anja, Mia en ik) zullen echter altijd met dankbaarheid en plezier aan hun
terug denken.

Voorwoord:
Deze sport werd in 1950 geïntroduceerd door de heer Perels, die na een reis in de Verenigde Staten zich inspande, om het Basketbal ook in Den Helder populair te maken. Vele verenigingen melden zich aan, waaronder ook MarMag
(Marine Magazijnen). De eerste wedstrijdjes werden op een buitenterrein aan het Schapendijkje gespeeld, waar nu de tennisbanen zijn.
Nadat de heer Perels enkele maanden later naar Alkmaar verhuisde, werd zijn taak overgenomen door Kapitein Klaassen van het korps Mariniers.
Deze gaf Basketballes- en training in de Sportschool op de oude Rijkswerf, waar naderhand ook de competitie wedstrijden plaats vonden.
De volgende personen van MarMag hebben de Basketballessen destijds gevolgd, t.w.: Kees Minnaard, Ton Wouterse en ondergetekende.
W. Klinge
Juli 1953 kreeg de Basketbalafdeling van MarMag (Marine Magazijnen) een uitnodiging van de vereniging Z.B.V.S. (Zwem- en Basketbalvereniging Santpoort) om met een damesteam deel te nemen aan een basketbaltoernooi dat op 4 september 1953 in Santpoort werd gehouden.
Deze uitnodiging werd in dank aanvaard, omdat nog niet eerder aan een basketbaltoernooi werd deelgenomen en het als een welkom uitje werd beschouwd en een goede gelegenheid om het spelpeil wat op te vijzelen.
Er werd door MarMag nog niet zo lang aan basketbal gedaan.
´s-Morgens vroeg werd, op die bewuste dag, met de trein richting Santpoort vertrokken, waar we hartelijk door een delegatie van het bestuur van Z.B.V.S. werden ontvangen en naar een prachtig sportcomplex met basketbalvelden en zwembaden werden gebracht.
Er namen ook gerenommeerde ploegen uit Haarlem en Amsterdam deel, en toen we deze dames in actie zagen sloeg de schrik ons om ´t hart en gaven we onszelf geen schijn van kans om ook maar één wedstrijd te winnen.
Maar het kan verkeren. Ik geloofde m´n ogen niet. Elke wedstrijd werd, zij het op ´t nippertje, met één of twee punten verschil door de dames van MarMag gewonnen, dit tot groot plezier van de toeschouwers zelfs die van Z.B.V.S. (als hun eigen ploeg niet speelde.) Ze hadden zelfs een slogan voor ons bedacht.
Die ging als volgt:
” M. A. R. M.A. G. MarMag spreekt een woordje mee.”
Vraag me niet waar we dat aan te danken hadden. Ik zou het echt niet weten.
Het
miste echter z´n uitwerking op de speelsters niet. Ze speelden als nooit
tevoren.Wilde persé niet verliezen. Bijna alles lukte en tot hun eigen
stomme verbazing, en het meest die van mij, werd zowaar de 1e
prijs in de wacht gesleept. (Een prachtige wisselbeker).
Onder luid applaus van het publiek en ook van de sportieve tegenstandsters werd een pure vreugdedans uitgevoerd.
Vraag niet wat het van m´n “rikketik” heeft gevergd.
Tijdens de terugtocht naar Den Helder werd de veroverde trofee vol trots aan alle treinreizigers getoond onder luid gezang van:
“WE ARE THE CHAMPIONS.”

Zo zie je maar dat wonderen echt bestaan!!!
Brandus
Toen ik op een condoleancebezoek na het overlijden van Martha Kunst
(dochter van de familie Kunst waar ik in 1947 zeven maanden in de kost geweest ben) alleen aan een tafeltje zat, kwam een ouder echtpaar bij mij zitten. Vreemd, want er waren nog lege tafeltjes genoeg.
Na verloop van tijd raakte we in gesprek en vroeg ik aan de vrouw waar zij Martha van kon. Zij vertelde dat zij een vroegere vriendin van Martha was toen zij nog in Den Helder woonde en merkte op dat mijn gezicht haar zo bekend voorkwam.
Ik vertelde haar dat ik jaren geleden veel aan basketbal en aan toneel had gedaan. Na het woordje toneel sprong ze op en riep:
”Verrek, jij bent Wybe Klinge, ik heb nog toneel met je gespeeld!”
Hoewel we op een condoleancebezoek waren, valt te begrijpen dat we daarna toch gezellig heel wat afgebabbeld hebben. Haar man bleek een Engelsman te zijn met wie zij destijds getrouwd was en toen naar Engeland is verhuisd.
Nu woont zij in Purmerend.
Het toneelstuk waarin zij meegespeeld had wist ze zich niet meer te herinneren.
Zij had als secretaresse bij het hoofd van de Marine Magazijnsdienst (de heer Damen) gewerkt in de Lijsterstraat op het bureau pal naast het bureau waar ik werkzaam was. Het was Henny de Leeuw. Kan je nagaan!
Hoe is ´t mogelijk dat juist zij bij mij aan het tafeltje kwam zitten.
Achteraf bleek dat wij elkaar in zo´n 50 jaar niet gezien hadden.
Niet vreemd dat je elkaar dan na zo´n tijd niet meer herkent.
Bij het vertrek schreef zij vlug op de achterkant van een kassabonnetje haar adres en telefoonnummer en gaf het aan mij.
Thuis gekomen heb ik dat in mijn adressenboek opgeborgen.
Nu wil het toeval, dat ik vorige week (24 oktober 2005) een verhaal typte over het blijspel “Betje Regeert” en toen ik daar de foto´s van bij zocht, stond zij zowaar ook op één van die foto`s.

Door mijn computerleraar dhr.Kees Bakker, worden de toneelfoto´s geplaatst in mijn verhalen over toneel en daarna op zijn website ( www.cjbonline.nl ) gezet, zodat een ieder die een computer met internet bezit ze kan lezen.
Dus vlug het kassabonnetje opgezocht, Henny de Leeuw gebeld en gezegd dat zij in 1955 heeft meegespeeld in het blijspel “Betje Regeert” en zij o.a. ook op de groepsfoto staat en dat die te vinden is op de website van dhr.Kees Bakker bij verhalen van vroeger onder de rubriek TONEEL.
Het website-adres heb ik inmiddels aan haar toegezonden.
Zij vond het allemaal geweldig.
Ja, ja mensen, toeval of niet, maar het kan raar lopen in de wereld!!!
Op geplaatste foto ziet u Henny de Leeuw in het blijspel “Betje regeert.”
Brandus
In
1954 nam MarMag met een dames-en herenteam deel aan een Basketbaltournooi in Santpoort dat op een weekend werd gehouden.
Het damesteam moest de wisselbeker verdedigen die in 1953 was veroverd.
Ook de toneelgroep van MarMag was uitgenodigd om op de zaterdagavond een toneelstuk op te voeren.
Alle speelsters, spelers en toneellisten werden bij leden van Z.B.V.S. ondergebracht om te eten en te slapen. Dit omdat het basketbaltournooi in het weekend werd gehouden en zondagmorgen weer vroeg werd voortgezet. Hartstikke leuk en gezellig!
Siem Bakker die, als hobby en bijverdiensten over een geluidswagen (een afgedankte en omgebouwde lijkwagen) beschikte ging mee om voor geluid en muziek te zorgen op het sportcomplex in Santpoort.. In de geluidswagen waren tevens zitplaatsen voor een man of zes. Er gingen 6 heren van het basketbalteam mee in de geluidswagen. Dat scheelde weer in de kosten.
Nadat
alles was geregeld zei Piet van Oosterum tegen mij: “Je kan Siem Bakker
niet meenemen hoor. Dat is een “ beddenzeiker.” Siem Bakker zou eveneens
bij één van de mensen van ZBVS worden ondergebracht. Maar dat kon ik niet
maken.
Ik zat in zak en as. Hoe moest ik Siem Bakker op een nette manier afwimpelen.
Goede raad was duur. Ik lag de hele nacht te piekeren hoe ik dit op een nette manier moest oplossen.
De volgende morgen tijdens het koffiedrinken op ´t werk, Siem Bakker was ook aanwezig, ging het gesprek over militaire dienst.
Toen zag ik mijn kans schoon.
Ik begon een heel verhaal op te hangen dat je geheid voor de militaire dienst werd afgekeurd als je in bed plaste en dat lieden die afgekeurd wilde worden tegen de keuringsarts vertelde dat ze in bed plasten en dat ik vurig hoopte dat er geen beddenplasser mee naar Santpoort ging.
Na mijn verhaal barstte Siem Bakker in lachen uit en verraadde daardoor zichzelf. Het was allemaal van tevoren afgesproken om mij te grazen te nemen. De boeven! Maar het was ze prima gelukt.
Er viel wel een pak van m´n hart, want nu kon alles doorgaan als gepland.

Op de zaterdagavond trad het toneelgezelschap op.
Het was mijn gewoonte om, voordat het doek opging, te controleren of alles in orde was en goed werkte. Ook de electrische deurbel had ik gecontroleerd en die werkte prima.
Ik gaf een seintje dat het doek gehaald kon worden. Alles ging naar wens, tot het moment aanbrak dat de electrische deurbel moest overgaan. Mooi niet dus.
Een grappenmaker had er na mijn controle met z´n vingers aan gezeten, met als gevolg dat de deurbel niet overging.
De mensen op het toneel stonden dus “voor paal” en tevergeefs op het belletje te wachten. Niemand kwam op het idee om te zeggen: “Ik geloof dat er gebeld wordt” en daarna de deur open te doen. En nu komt het. De souffleur raakte in paniek en ging de deurbel nadoen door luid:
”
PPPPRRRRTTTT ……….. PPPPRRRRTTTT” te roepen.
Het publiek gierde van de lach, maar ik kon wel door de grond zakken.
Ik geneerde me dood. Na het openen van de deur kon het spel gelukkig worden hervat en kreeg de toneelgroep aan het einde toch een spontaan en luid applaus.
Mijn vrouw en ik waren ondergebracht bij de voorzitter van ZBVS en zijn vrouw, de familie Slot. Al gauw tutoyeerden we elkaar en was het Jaap en Tiny en Jeanne en Brandus.
Jaap en Tiny waren fantastisch lieve mensen, die niet wisten hoe ze het ons naar de zin moesten maken.
Ook alle leden van MarMag waren goed te spreken over de gezinnen waar zij waren ondergebracht.
Helaas slaagde het damesteam er niet in de wisselbeker weer in de wacht te slepen, maar behaalde toch een keurige derde plaats.
Het herenteam viel helaas net buiten de prijzen.
Het
jaar daarop werden alle leden van ZBVS voor een weekend uitgenodigd om aan
een Basketbaltournooi van MarMag deel te nemen. Die werden nu ondergebracht
bij de leden van MarMag.
Jaap en Tiny Slot logeerden vanzelfsprekend bij ons en onze 2 dochters Anja en Mia waren dol op ze.
Jaap en Tiny zijn zelfs nog aanwezig geweest op onze Zilveren Bruiloft
gehouden op 02 april 1972.
Regelmatig logeerden we een weekendje bij elkaar, waar helaas een einde aan kwam na het overlijden van Jaap.
Het team dat de 3e plaats haalde. Brandus

Willem van Iependaal was een bekende boekenschrijver, geboren en getogen in Rotterdam in de buurt Tuindorp-Vreeswijk. Zijn werkelijke naam was
Willem van den Kulk. Hij schreef ook gedichten.
Hij was een sociaal schrijver en spreker, vooral begaan met het lot der armen en kon niet tegen sociaal onrecht.
Van zijn hand verschenen o.a. de boeken Polletje Piekhaar, Onder de Pannen, Hotel stoot je hoofd niet, Lord Zeepsop, De Lijmkit en de De Krakepoot.
Van deze boeken zijn hoorspelbewerkingen gemaakt, die elke zaterdagavond via de radio werden uitgezonden. En geloof me, men bleef er voor thuis.
Het
meest bekend was wel “Polletje Piekhaar”. Daarin vertolkte Eddy, die later
bekendheid kreeg in de TV serie “Vrienden voor het leven,” de rol van
“Polletje Piekhaar.”
Jammer genoeg zijn, tot op heden, nog steeds geen toneelbewerkingen verschenen van genoemde boeken, zodat men ze op toneel, en eventueel ook op de TV kan zien.
Hoop dat dit nog eens gebeurd.
Is weer eens heel wat anders dan al die “Soap-series” van tegenwoordig, waar maar geen einde aan komt.
De
Amsterdamse politie commissaris H. Voordewind, schreef destijds de boeken
“De commissaris vertelt, de commissaris vertelt verder, en vervolgens de
commissaris vertelt door.”
Willem van Iepedaal hekelde de verhalen in die boeken en schreef toen zijn boek:
“De commissaris kan me nog meer vertellen.” Schitterend.
In 1952 hield Willem van Iependaal een lezing voor de Personeelsvereniging “MarMag” (Marine Magazijnen) in Den Helder. De lezing ging over “De humor in de Nederlandse taal.” Hij deed dat op een wijze dat je een speld kon horen vallen. Iedereen hing aan zijn lippen.
Ook gaf hij enige voorbeelden van verkeerd taalgebruik, zoals het onaangename met het aangename verenigen. Onderstaand enige voorbeelden.
Vreselijk of ontzettend leuk. Leuk is niet ontzettend of vreselijk zeg liever: enorm of bijzonder leuk.
Vreselijk of ontzettend ongeluk is wel goed.
Verschrikkelijk goed. Goed is niet verschrikkelijk. Zeg liever: heel goed.
Verschrikkelijk ongeluk is wel goed.
Vreselijk aardig. Aardig is niet vreselijk. Zeg liever: Bijzonder aardig.
Dank u zeer. Doet het pijn? Zeg liever hartelijk dank of enorm bedankt.
Klein momentje. Momentje is al kort. Klein hoort er niet bij.
Klein geitje. Geitje is al klein.
Klein pakje. Pakje is al klein.
En zo kan ik nog wel even doorgaan, maar u begrijpt wat hij bedoelde.
Let u maar eens op de omroepsters en omroepers op radio en TV hoe vaak ze zich bezondigen aan soortgelijk verkeerd taalgebruik.
Trouwens ikzelf ook, al probeer ik het zoveel mogelijk te vermijden.
In ieder geval heb ik er veel van opgestoken. Het kwam mij o.a. goed van pas bij het wijzigen van dergelijke fouten in geschreven toneelstukken.
Veel en veel meer over de schrijver, verteller en dichter Willem van Iependaal kunt u vinden wanneer u in de zoekmachine “GOOGLE” de naam Willen van Iependaal typt en “GOOGLE” laat zoeken.
Beslist doen! Het is echt de moeite waard!
Brandus
Ps. Op onderstaande website kunt u de biografie vinden van Willem van Iependaal!
http://www.iisg.nl/bwsa/bios/kulk.html
GOOGLE is te vinden via
Toen
we drie hoog op de Schiedamscheweg 267a in Rotterdam woonde haalde mijn
moeder altijd boodschappen in de kruidenierswinkel van Pietje van de Wal
beneden ons. Pietje was een vrouw. Mijn moeder betaalde haar boodschappen
nooit contant, maar liet deze opschrijven en betaalde dan aan het einde van
de week de rekening.
Zij nam mij vaak mee en ik heb nooit gezien dat mijn moeder centjes aan Pietje v.d. Wal gaf. En toch kreeg zij haar boodschappen en dat waren er nogal wat. Ons gezin bestond uit 9 kinderen, waarvan er nog 6 thuis waren.
Toentertijd was ik een jaar of 5/6 en werd altijd “broer of broertje” genoemd omdat ik de jongste uit het nest was.
Mijn moeder vergat wel eens een boodschap en zag er dan tegen op alle trappen
af en op te lopen voor één vergeten boodschap en zei dan b.v. tegen mij:
“ Broertje, haal jij even een pak zout bij Pietje v.d. Wal.” Nou, dat deed
“ broertje” wel, want dan kreeg hij een snoepje van Pietje. Betalen hoefde hij niet, want Pietje schreef dat weer bij de rekening. Maar dat wist “broertje” niet, want die dacht dat je bij Pietje alles voor niets kreeg.
Op
zekeren dag was ik met 2 vriendjes van mijn leeftijd op straat aan het
spelen toen ik trek in een chocoladereep kreeg. Dus op naar Pietje v.d. Wal
en daar vroeg ik om 3 chocoladerepen, één voor mij en voor mijn vriendjes
ook elk één.
De
volgende dag toen we met z´n drietjes weer buiten speelde kreeg ik trek in
een rolletje “frujetta” zoals wij het noemde. Daar zaten allerlei
vruchtensnoepjes in. U snapt het al, vrolijk en opgetogen stapte ik naar
Pietje v.d. Wal en haalde drie rolletjes “frujetta.” En zo gebeurde dat nog
een paar maal.
Toen mijn moeder op zaterdag de rekening gepresenteerd kreeg, schrok ze zich een hoedje van het hoge bedrag en zei tegen Pietje v.d. Wal:
“Maar al die chocoladerepen en rolletjes “frujetta” heb ik niet besteld.” Waarop Pietje v.d. Wal antwoordde: “Jawel, want die is uw zoontje wezen halen.”
Op dat moment ging bij mijn moeder een “pitje” branden. Ze begreep hoe “de vork aan de steel stak” en gaf Pietje v.d. Wal opdracht voortaan niets meer aan mij af te geven zonder boodschappenbriefje.
En zo kwam een einde aan het “gratis snoepfestijn” voor mij en m´n vriendjes.
Brandus
Toen onze beide dochters nog klein waren mochten ze iedere zondagmorgen een poosje bij ons in bed. Het was dan eerst bekvechten geblazen wie er tussen mijn vrouw en mij in mocht. Dat losten we meestal op door hun een getal onder de 10 te laten raden en wie het juiste getal geraden had mocht dan het eerst tussen ons in leggen en de ander aan de zijkant van mijn vrouw of mij.
Na enige tijd werd er dan gewisseld.
Eerst werd er wat gebabbeld over alledaagse dingen en daarna mochten zij zich uitleven door vieze woordjes te zeggen zoals: poep, pies. stront, en noem maar op. Hierna was het tijd voor vieze liedjes. Het eerste liedje ging over een smerige Jan Soldaat, het tweede over Jan Tierlantijntje en het derde over een vieze bakker. Deze liedjes had ik van mijn veel oudere broer Maarten had geleerd toen ik een jaar of vier was. De tekst bestond uit slechts één regeltje, t.w.:

Jan Blote Kont, Jan Blote Kont, Jan smerige soldaat.
En dan werd de klemtoon vooral gelegd op “Blote Kont.” Onder luid gegiechel van beide dames werd dat dan zo´n 10 keer herhaald.
Daarna werd vervolgd met Jan Tierlantijntje, dat ging als volgt:

Jan Tierlantijntjes moeder liet een poep
Het was nog maar een kleintje
Ze gooide hem in de soep.
Ook dit de nodige keren herhaald. Besloten werd met hun Favoriete liedje van de vieze bakker, dat luidde:

Er zou eens een bakker uit bakken gaan, halee halo
Hij ging met z´n kont voor de oven staan, halee halo
Hij liet opeens een harde sch…t
Toen waren alle koekies heet, halee halo
De bakkers bakken allemaal zo, halee halo
De bakkers bakken zo.

En dit fraaie lied werd eindeloos herhaald, terwijl ze het uit gilden van de pret.
Mijn vrouw hoorde dit alles hoofdschuddend, maar toch glimlachend aan.
Na zo´n kwartiertje was het echter afgelopen met de dolle pret, dan zei ik dat het mooi genoeg geweest was, en dat het nu tijd was om zich te wassen, aan te kleden en dan aan tafel voor ontbijt.
Ik kan u verzekeren, dat mijn dochters er niet slechter van zijn geworden.
In tegendeel. Inmiddels zijn ze nu beide oma en mijn jongste dochter Mia leert nu aan haar kleinkinderen bovenstaande “vieze liedjes”.
Het blijft dus in de familie.
Brandus
[Verhaal nr. 100]
Toen mijn dochter Mia en mijn schoonzoon Andy Pormes mij talloze malen hebben verzocht mijn verhalen over vroeger op papier te zetten, heb ik uiteindelijk aan dit verzoek gehoor heb gegeven. Nooit gedacht dat ik het nog eens tot 100 verhalen zou brengen. En nu is het dan zover.
Waarover of over wie zal ik mijn 100e verhaal
schrijven?
Dat kan maar één persoon zijn, en dat is over Jeanne.
Ik noemde haar bijna altijd Sjaantje.
Het is wel een moeilijke opgave, omdat Sjaantje bescheiden was en het misschien niet gewild zou hebben.
Haar stelregel was: ”Eenvoud siert de mens.”
Mijn verhalen zouden echter niet compleet zijn zonder een verhaal over Jeanne en daarom waag ik het er op.
Ik probeer het zo sober en beknopt mogelijk te houden.
Sjaantje heeft geen gemakkelijke jeugd gehad. Na de Lagere School mocht ze niet verder leren, maar moest gelijk aan´t werk om geld te verdienen. Haar vader, van wie ze zielsveel hield, was i.v.m. de crisisjaren, werkloos en elk centje in´t huishouden was welkom.
Haar broertje Wout, op wie ze stapelgek was, had zwaar astma en moest door haar vaak naar de openluchtschool in Rotterdam worden gebracht. Ze zette hem dan op haar schouders en droeg hem zo naar school. Sjaantje en haar broer Wout hebben ook later steeds een speciale band met elkaar gehad.
Ook hield ze veel van haar grootouders die in Zeeland in een boerderijtje woonde. Het was feest voor haar als ze daar een weekje mocht logeren, dan was ze de koning te rijk.
Sjaantje heb ik aan ´t eind van de oorlog leren kennen toen ik in Schiedam in de Boerhavelaan woonde. Tijdens de bevrijdingsfeesten werd ik verliefd op haar en gelukkig was dat wederzijds. Zij woog toentertijd 40kg.
Voor we gingen trouwen hebben wij nog een tijdje samen gewoond, wat destijds “hokken” genoemd werd en waarover toen nog “schande” werd gesproken.
Op 02 april 1947 zijn we in Rotterdam in ´t huwelijksbootje gestapt.

Toen onze dochters Anja en Mia waren opgegroeid en wij inmiddels in Den Helder woonde, is Sjaantje gaan werken in een stoffenzaak “De Stoffenhaven.” Later werd deze zaak over genomen door de firma “van Dam” en werd zij filiaalhoudster. Op haar 42e jaar behaalde zij haar Middenstandsdiploma en het Stoffenbrevet. Voorwaar een prestatie.
Haar werk was haar hobby. Zij ging nooit met tegenzin naar de zaak.
Chagrijnig heb ik haar nooit gezien.
Door haar bazen (de heer Reiss van de Stoffenhaven en later
de heer Veerman van de firma van Dam) werd zij enorm gewaardeerd. Bij het
personeel was zij geliefd en ook bij veel klanten. Zij kon niet alleen een
lap stof verkopen, maar de klanten ook van advies dienen voor het maken van
een jurk, een mantelpakje een bruidsjapon, etc. Dat leidde tot een flinke
klantenbinding.
Sjaantje was iemand die zichzelf kon wegcijferen voor anderen, vooral als het om de kinderen en mij ging. Als wij maar gelukkig waren, dan was zij het ook.
Haar hobby´s waren: Toneel, Basketbal, Bridge en later puzzelen.
Vooral op het toneel was zij één van de uitblinkers.
Door een ernstige ziekte kwam er na ruim 20 jaar een einde aan haar werkzaamheden in de stoffenzaak. Zij werd geopereerd en hoewel het aanvankelijk goed ging, werd zij wat later steeds door allerlei ziekten en kwalen geplaagd. Ondanks dat bleef Sjaantje steeds haar goede humeur en gevoel voor humor houden.
Al was zij nog zo ziek en iemand vroeg.”Hoe gaat het er mee?” Dan was steevast haar antwoord: ”Goed hoor.”
Tijdens haar ziekte mocht zij graag puzzelen. Elke maand kocht ik een 4 sterren doorloper puzzelboekje voor haar. Alle puzzels daarin loste ze praktisch zonder het raadplegen van boeken op. Wat ik erg knap vond.
Op 23 september 2003 kwam er een einde aan haar lijdensweg.
Lieve Jeanne, je was een “geweldige” vrouw, gastvrouw,
moeder en oma.
Wij, Anja, Mia, Andy, ikzelf en de vele anderen die je hebben gekend, zijn je niet vergeten.
We hielden, en houden van je.
Sjaantje, dat ik dit alles heb geschreven, moet je me maar vergeven.
Je hebt het verdiend!
Jouw Brandus
Naschrift.
Meneer Klinge, gefeliciteerd met uw honderdste verhaal! Vandaag 11 januari 2006, de dag waarop dit verhaal op de website geplaatst is, is tevens de geboortedag van Sjaantje! Wat bijzonder, net zogoed als dat ik het een bijzondere prestatie vind van de schrijver, om 100 alleszins leesbare verhalen te hebben geschreven voor Verhalen van Vroeger! Op naar de volgende 100!
Kees Bakker
In de oude sportschool op de Rijkswerf zat ik te wachten op enkele dames van het MarMag (Marine Magazijnen) basketbalteam, dat een wedstrijd moest spelen tegen een ander team uit Den Helder.
Vlak voor het tijdstip waarop de wedstrijd moest beginnen kwamen deze dames vrolijk en lacherig de sportzaal binnen en moesten zich “haasje rep je” omkleden, wat met veel gegiechel en geklets gepaard ging.
Wat
was de oorzaak? Deze dames waren, vooraf aan de wedstrijd, naar de
bruiloftreceptie van één van hun collega´s van kantoor geweest, en hadden
daar de nodige “aperitiefjes” genuttigd. Ze begonnen dus enigszins “teut”
aan de wedstrijd.
Nu was er een speelster bij, Esther Birkenfeld, een vrolijk type (inmiddels is zij al oma), die om het minste of geringste kon schaterlachen, en nu zij een “neutje” op had was het hek helemaal van de dam.
Toen ze op een gegeven moment de bal kreeg toegespeeld werd op hetzelfde moment een komische opmerking gemaakt. Zij moest hierom zo lachen, dat zij de bal op de grond legde, er op ging zitten en het publiek vrolijk toelachte. Dit tot groot vermaak van iedereen, behalve van mij, haar coach. Ik wist niet hoe gauw ik Esther moest wisselen voor een andere speelster.
We werden door de tegenpartij finaal in de pan gehakt. Toen we uiteindelijk toch een keer wisten te scoren, juichten de dames van MarMag of ze het winnende doelpunt hadden gescoord.
Vraag me niet naar de uitslag, ik weet alleen dat wij slechts één keer hadden gescoord.

Ik geneerde me wel een beetje, maar daar hadden de MarMag-dames geen boodschap aan.
Zij hadden, ondanks de grote nederlaag, een “plezante” wedstrijd gespeeld.
Brandus
Regelmatig kwamen 2 zoontjes (plm. 6 en 7 jaar) van mijn vriend Luc en zijn vrouw Ina van Eijbergen op zondagmorgen zo tegen half 12 bij ons op visite.
Wij woonden toen in de Olivier van Noortstraat 51 in den Helder.
Zij
hoopten dan dat mijn vrouw om een uur of twaalf poffertjes voor hun en onze
2 dochtertjes ging bakken. Vandaar dat zij regelmatig “te gast” (zoals ze in
Den Helder zeggen) kwamen. Soms brachten ze zelfs nog een paar vriendjes mee
en vroegen of mijn vrouw daar ook poffertjes voor wilde bakken.. Maar mijn
vrouw vond dat geen enkel bezwaar, die bakte gewoon wat poffertjes meer.
Op een keer kwamen de 2 zoontjes van Luc van Eijbergen op een zondagmiddag tegen 5 uur. Mijn vrouw was in de keuken bezig met het eten voor de warme maaltijd. Wij aten s´avonds altijd warm.
Toen de 2 knaapjes mijn vrouw zo met het eten bezig zagen vroegen zij:
“Tante Jeanne mogen wij bij u eten?” Mijn vrouw antwoordde dat zij dan eerst even hun moeder ging bellen of die het goed vond.
Nou, hun moeder Ina had geen bezwaar.
Toen de tafel gedekt was en het eten opgeschept zei één van de jochies:
“Tante
Jeanne, moeten we niet eerst niet bidden?” Bij hun thuis waren zij n.l.
gewend te bidden voor het eten.
Mijn vrouw antwoordde voor de grap: “Hier hoeft dat niet, want ik bak het gebed altijd mee in het eten.” Nou, dat vonden de 2 knaapjes prachtig.
Het gevolg was wel, dat toen ze de volgende dag thuis aten en weer moesten bidden voor het eten, ze tegen hun moeder zeiden:
”Mam, je moet net als tante Jeanne doen, die bakt het gebed altijd mee in het eten. Dan hoeven voortaan niet meer te bidden.”
Hoe dit probleem werd opgelost is me niet bekend, wat ik wel weet is;
dat ze thuis moesten blijven bidden voor het eten.
Brandus
De Personeelsvereniging van de Marine Magazijnen (MarMag) had ook een tafeltennisteam waar ik in meespeelde.
Hoewel ik een handicap heb (rechterbeen een prothese) en al een jaar of 40 was, kon ik toch nog vrij aardig mijn partijtje meespelen.
Toen
we op een keer tegen een andere vereniging moesten spelen vroeg een speler
van de tegenpartij, wat mankeert er aan uw been?
Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was antwoordde ik: “Vorige week had ik een tegenstander die sloeg het pingpongballetje zo keihard tegen mijn been, dat ik er nu nog last van heb.”
Al mijn medespelers schoten in de lach. Nog meer om het stom verbaasde en verbouwereerde gezicht van de vragensteller, dan om mijn antwoord.
Ik heb hem toen maar vlug uit de droom geholpen en verteld dat ik door een ongeluk mijn been was kwijtgeraakt.
Even
later moest ik tegen een jonge knaap van een jaar of 17 spelen, die
schijnbaar gedacht heeft zijn partijtje makkelijk van mij te kunnen winnen.
Het tegendeel bleek het geval.
Zij het op het nippertje, wist ik hem te verslaan, tot groot ongenoegen van hem. Mijn medespelers gaven mij een luid applaus.
Dit schoot bij de knaap die verloren had in het verkeerde keelgat, want uit frustratie maakte hij toen blijkbaar een nare opmerking over mijn been. Dit hoorde mijn teamgenoot Corrie Ruiten. Hij vloog de knaap aan en het was vechten geblazen. Gelukkig wisten mijn medespelers en ik Corrie Ruiten tot bedaren te brengen, terwijl de onsportieve knaap door zijn eigen teamgenoten onder handen werd genomen.
Corrie Ruiten is inmiddels al opa. Ik ontmoet hem nog bijna iedere week met z´n vrouw in de Hema in Den Helder bij het koffie drinken. Er worden dan vlug nog wat oude verhalen opgehaald.
Corrie Ruiten vanaf deze plaats nogmaals bedankt dat je het destijds voor me hebt opgenomen!
Brandus (W. Klinge)


KUN JE NOG ZINGEN, ZING DAN MEE
Hoewel niet Katholiek, hadden wij toch een groot gezin.
Negen kinderen. Vier van vóór de 1e wereldoorlog (1914-1918)
en 5 er na. Ik had 4 zussen en 4 broers.
Toen we allemaal wat ouder waren werden er vaak bij de piano (bespeeld door mijn zus Adrie) liedjes gezongen uit het muziekboek
“Kun je nog zingen,
zing dan mee.”

Op de lagere school in de 5e en 6e klas moesten wij tijdens de zangles ook veel liedjes uit dit muziekboek zingen. Toen kreeg je nog zangles op school. Ik geloof dat dit nu (helaas) helemaal van de baan is.
Onderstaand enkele titels van deze liedjes, die vooral bij de ouderen herinneringen zullen oproepen.
Wij leven blij wij leven blij op Neerlands dier-b´´ren grond.
Naar zee. (Ferme jongens stoere knapen)
De paden op de lanen in.
De Reddingboot. (Wak-kre jongens, Hollands trots)
Avondliedje. (Natuur ligt in dromen verzonken)
Het roosje.(´t Knaapje zag een roosje staan)
Het avondklokje. (´t Zonnetje gaat van ons scheiden)
Klein vogellijn.( Klein vogellijn op groene tak)
Hoog op de gele wagen.
Vogeltje wat zingt gij vroeg.
Hollands vlag je bent mijn glorie.
Waar de blanke top der duinen.
Wie Neerlands bloed door d ádren vloeit. (Denk dat dit lied niet
meer gezongen kan en mag worden)
In een blauw geruiten kiel.
Avondliedje. (Natuur ligt in dromen verzonken)
Het Zandmannetje. (De bloempjes gingen slapen)
Zo
kan ik nog wel even door gaan. Dit zijn slechts enkele liedjes uit dit
muziekboek.
Er staan er nog heel veel meer in. Helaas worden de meeste van al deze liedjes weinig of niet meer gezongen.
Tegenwoordig zijn er smartlappenkoren, koren met zeemansliedjes, etc. maar koren die ook liedjes uit eerder genoemd muziekboek zingen zijn er bij mijn weten niet. Op de televisie wordt er ook, helaas, totaal geen aandacht aan geschonken. Het lijkt wel of men zich er voor geneert. En toch hebben vele van deze liederen prachtige teksten.
Ik vrees, dat in de nabije toekomst, al deze liedjes in het “vergeetboek” zullen raken.
Mijn zus Adrie, inmiddels 86 jaar, speelt ze gelukkig nog steeds op de piano. Maar ik denk dat zij één van de weinige is.

In Duitsland worden alle oude volksliedjes wel “in ere” gehouden.
Regelmatig worden ze via de radio en televisie ten gehore gebracht, o.a. door het welbekende Fischer Chor.
Welk koor durft het nu eens aan om ook enkele liedjes uit het muziekboek “Kun je nog zingen, zing dan mee” op hun repertoire te nemen?
U zult er vooral de wat ouderen een groot plezier mee doen.
Brandus


Al weer heel wat jaartjes geleden werd ik opgenomen in het Gemini Ziekenhuis in Den Helder omdat ik een galsteentje zou hebben, dat operatief verwijderd moest worden. Achteraf bleek dat het niet 1 galsteentje was maar 5 galstenen, terwijl ook mijn galblaas verwijderd moest worden omdat die ontstoken was.
Al met al heeft de operatie twee en een half uur geduurd.
Toen ik na de operatie in een apart zaaltje lag om weer bij m´n positieve te komen, hoorde ik in de verte steeds de naam “Paula” roepen. Omdat ik barstte van de dorst riep ik, nog steeds half dizzy: “Paula water” waarop Paula met een nat watje m´n lippen nat maakte en ik zei: “Paula, je bent lief!”
Nadat
ik weer wat bij de tijd was werd ik op een zaal met andere patiënten gelegd.
Daar vertelde ik het bovenstaande tegen de overige patiënten en ook over
Paula. Nu lagen op de zaal 2 patiënten die allebei getrouwd waren met een
verpleegster die werkzaam waren het ziekenhuis en op bezoekuur even naar hun
echtgenoten kwamen kijken. Voor de grap vroegen beide heren aan hun vrouw
(de verpleegsters) wie deze Paula was waar ik zo gek op was. Maar die zeiden
het niet te weten.
Toen mijn vrouw op bezoek kwam vertelde beide heren tegen haar het verhaal over Paula en zeiden:” Kijk maar uit mevrouw, want uw man, is verkikkerd op die Paula.” Dit om mij te plagen, maar mijn vrouw trapte er niet in.
Toen de dokter bij mij langs kwam vroeg ik of ik in het circus beland was.
Verwonderd vroeg hij: “Hoezo?” waarop ik antwoordde:” Ik lijk wel een slangenmens met die zeven slangen.”
Hij had de gewoonte om aan patiënten die aan de beterende hand waren te vragen hoe ze zich voelden. Als die dan antwoordden: ”Goed hoor dokter.” Dan zei hij, tot blijdschap van de patiënt: “Dan mag u met weekend naar huis.” Tegen mij zei hij: “U blijft nog een poosje onze gast.” Toen ik hem vroeg hoe hij zich voelde, antwoordde hij: “Prima!” Waarop ik tegen hem zei: “Dan mag u morgen naar huis.” Lachend en met de woorden: “Dat heb ik ……..(grote knoop) nog nooit meegemaakt!”, verliet hij de zaal.
Even later kwam de hoofdzuster langs met een boezem daar zeg je “U” tegen.
Zij kwam kijken hoe het met me ging. Ze zag dat één van de slangetjes niet goed zat en wilde dat herstellen. Ze stond rechts van het bed, terwijl het betreffende slangetje aan de linkerkant was. In plaats van om te lopen ging ze over mijn bed hangen, met haar omvangrijke boezem vlak boven mijn neus. Toen ze op deze wijze het euvel had verholpen en de zaal bijna had verlaten, kon ik niet nalaten het carnavalsliedje: ” ´k Heb hele grote bloemkolen, bloemkolen, bloemkolen”
te zingen.
Of zij het gehoord heeft weet ik niet, maar ik denk het wel.
Mijn mede patiënten lagen in een deuk!
Brandus
In mijn jeugdjaren werd er vaak, voor de school begon aan bokspringen gedaan.
Niet
te verwarren met haasje over. Zoals hiernaast afgebeeld.
Wij zeiden altijd “Bokkie springen.” Er werden dan 2 partijen van een stuk of 6 jongens per partij gevormd. De éne partij moest “bok” staan en de andere partij moest springen. Eén jongen van de “bok” partij ging dan tegen de muur staan, vouwde zijn handen met de onderkant naar boven. De voorste jongen van de “bokken” moest daar zijn hoofd in leggen, terwijl de overige 5 hun hoofd tussen de benen van z´n voorganger stak. Zo ontstond er een rij van 5 gebukt staande jongens ( bokken.) De andere partij moest dan één voor één op de ruggen van de bokken springen zonder er af te vallen. De eerste springer moest proberen zover mogelijk te komen, zodat er ruimte genoeg kwam voor de overigen, en zo vervolgens. Viel er één van de springers van een bok af, dan moesten de springers voor “bok” staan. Viel er niemand af, dan moest de voorste springer een aantal vingers omhoog steken en roepen: ”Bok, bok, bok, hoeveel horens heb ik op m´n kop?” De voorste bok moest dan raden hoeveel vingers er omhoog gestoken waren. Noemde hij het juiste aantal, dan werden de springers bok, en de bokken springers. Raadde hij het juiste aantal niet, dan werd er weer van voren af aan begonnen.
Dit spel was bij de jongens erg geliefd.
Bij
de meisjes was in die tijd het “Diaboloën”
erg in zwang.
Attributen waren: 2 stokjes aan elkaar verbonden met een touwtje van plm.
1½ meter en een diabolo. Zie afgebeeld plaatje.
De diabolo werd op de straat gelegd en met de schoen werd één kant van de diabolo opgelicht en het touwtje in de gleuf van de diabolo gelegd. Daarna werd de diabolo voorzichtig opgetild en door de stokjes snel op en neer te bewegen werd de diabolo op het touwtje aan het draaien gebracht. Vervolgens bracht men de stokjes naar opzij, zodat het touwtje met de draaiende diabolo strak kwam te staan. Als het zover was, werd met een zwieper de diabolo zo hoog mogelijk de lucht in gegooid. De kunst was om de diabolo daarna weer met het touwtje op te vangen zonder dat deze op straat viel. Wie dat het beste deed was winnaar.
Ook gingen er wel eens 2 meisjes tegenover elkaar staan, één van hen had dan een draaiende diabolo en wierp deze dan naar de ander die hem dan op moest vangen op het touwtje tussen haar 2 stokjes. Lukte dat, dan wierp zij hem weer naar de ander en zo vervolgens. Een heel kunststuk, maar sommige meiden waren daar reuze handig in. Diaboloën zie je nog wel eens in het Circus.

In de dertiger jaren droegen veel mannen in de zomer een strohoed.
Het was toen bij de jeugd een sport wie de meeste strohoedjes (zie afbeelding Lou Bandy) had geteld. Dat ging als volgt: als je een man zag met een strohoed
dan maakte je je duim nat met je tong en sloeg met de vuist van die hand in de palm van je andere hand en begon met één, daarna twee, enz. enz.
Met een vriendje sprak je af dat die in een andere straat strohoedjes ging tellen.
Na verloop van een afgesproken tijd kwam je weer bij elkaar. Wie de meeste strohoedjes had geteld was de winnaar. Over het aantal werd niet gelogen.
Veel later werd dit gedaan met nummerborden van auto´s op te schrijven.

In
de dertigerjaren kaarten de kinderen met doorgeknipte sigarettenmerken die
op het doosje zaten. Eerst werd er verzameld tot men een flink stapeltje
had, dat dan meestal met een elastiekje bij elkaar gehouden werd tot je met
een ander kind ging kaarten. Meestal ging je dan met de ander op de
stoeprand zitten.
De kaarten (sigarettenmerken) met de blanco kant boven.
De bovenste kaart werd
dan omgekeerd zodat het sigarettenmerk zichtbaar werd en op de blauwe
soeprand gelegd. Je tegenspeler(ster) deed hetzelfde en lag de kaart op jouw
kaart. Meestal ontstond er dan een stapeltje kaarten. Wanneer op een
gegeven moment het merk hetzelfde was dan de laatst omgedraaide kaart, dan
was het stapeltje voor hem (haar.)
Ik kan me nog herinneren dat destijds een bekende slogan was:
Ik loop m´n benen uit m´n reet voor een “North State!”
In
Rotterdam speelde we dit spelletje meestal op straat en noemde het “Schuillee.”
Verstoppertje kon je bijna overal spelen, bijvoorbeeld ook in het bos of
gewoon in huis met broertjes en/of zusjes.
Voor het spel begon werd er eerst afgeteld wie de zogenaamde “buut” moest
zijn, dat was diegene die de anderen op moest zoeken. Meestal ging het aftellen als volgt: alle medespelenden hielden hun beide vuisten op, met de duimen naar boven. De afteller begon bij zichzelf en zei: ”Pot” en gebruikte zijn kin als
1e vuist en sloeg dan met z´n vuist op z´n andere echte vuist en daarna op de vuisten van de anderen. Hij/zij zong of sprak daarbij het volgende:
“Olleke - bolleke - rebe - solleke – olleke – bolleke - knol!
Dus bij olleke werd op de kin geslagen, bij bolleke op de echte vuist, bij rebe op de 1e vuist van diegene er naast, bij soleer op de andere vuist en zo het kringetje rond. De vuist waarop hij (meestal keihard) sloeg bij “knol” deed niet meer mee en hield dus 1 vuist over. Zo bleef er uiteindelijk iemand met 1 vuist over, en die was dan “de buut.” Deze ging meestal met één gebogen arm tegen een voorop vastgestelde plaats tegen de muur staan. Op de gebogen arm werd het hoofd gelegd, de ogen gesloten, waarna het aftellen begon, zo van:
10, 20, 30, 40, 50, 60, 70, 80, 90, 100, 110. Ik kom. Wie niet weg is wordt gezien.
Daarna begon het zoeken naar de anderen. Wanneer er iemand gevonden was werd snel naar de vastgestelde plaats gelopen, werd de naam van de gevondene genoemd en afgetikt op deze plaats. Wel moest gezorgd worden dat de gevondene niet eerder op deze plek was, want dan moest “de buut” weer van voren af aan opnieuw tot 110 gaan tellen.
Ik neem zonder meer aan, dat u allemaal dit spel wel eens heeft gespeeld.
Ongeveer
gelijke spelregels als verstoppertje.
Het “bussie” (blikje) werd meestal als vaste plaats op een “putdeksel “ (riooldeksel) geplaatst. Eerst werd er afgeteld wie het “bussie” moest bewaken, die de “buut” werd genoemd. Dat gebeurde door middel van een opzegversje b.v. “Iene miene mutten 10 pond grutten, iene miene mutten speelt de baas, wil je het niet geloven, klim naar boven, klim in de mast enz.enz.
Het “bussie” werd dan door iemand zo ver mogelijk weg getrapt, waarna de “buut” het op moest halen en achteruit terug moest lopen, zodat hij de anderen niet kon zien, weer op de putdeksel terug zetten. De anderen die zich inmiddels hadden verstopt moesten worden opgespoord.. Had hij iemand gevonden dan moest hij vliegensvlug terug naar het busje en deze met het noemen van de naam “aftikken.” Natuurlijk moest er wel worden gezorgd eerder bij het “bussie” te zijn dan de ander, want anders schopte die het “bussie” weer een eind weg en kon “de buut” weer opnieuw beginnen. Steeds moest “de buut” er voor zorgen allen die zich verscholen hadden te vlug af te zijn. Als dat gelukt was, dan moest de eerste die was afgetikt “buut” zijn.
Als
jochie van een jaar of 8 gebruikte ik als hoepel een oud fietswiel waar de
spaken uit waren en een stokje van ± 30 cm. Je sloeg dan met het stokje
tegen het fietswiel tot dit de nodige vaart had. Dan stak je het stokje in
de sleuf van het fietswiel waar het beschermlint voor de binnenband had
gezeten. Door al hollend tegen het stokje te duwen bleef het wiel draaien
tot je moe werd en er genoeg van kreeg.
Zie de afbeeldingen. Het meisje in klederdracht heeft als hoepel zo´n oud fietswiel waar de spaken uit zijn.
Er waren ook houten hoepels en ijzeren hoepels met een stuk rond ijzer waaraan aan het uiteinde een ronding om de hoepel zat. Door met deze ronding tegen de hoepel te drukken ging de hoepel vooruit.
Je had dus geen stokje nodig. De houten en ijzeren hoepels waren in de speelgoedwinkels te koop.
Werd vroeger veel gedaan, zowel door meisjes als jongens .
Je
had stelten met één verhoging voor de beginnelingen en stelten met
2 verhogingen voor de wat gevorderden. (Zie afbeeldingen)
Sommige kinderen zagen kans op één stelt te hinkelen. Maar dat waren de “cracks.”
Stelten waren in de speelgoedwinkels te koop.
Handige vaders, maakten ze zelf voor hun kind(eren).
In plaats van op stelten werden ook wel op blikjes gelopen.
Men
nam dan 2 legen blikjes en 2 cm. naast de bodem van elk blik werden dan aan
beide kanten een gaatje gemaakt waardoor een touwtje van ongeveer 2 meter
werd getrokken. Dan werden de uiteinden van het touwtje aan elkaar geknoopt,
zodat een grote lus ontstaat waaraan het blikje vast zit. Vervolgens werden
de blikjes rechtop gezet met de bodemkant naar boven waarop men dan ging
staan. Dus elke voet op een blikje. Dan trok men met een hand de touwtjes
strak, zodat het blikje onder de voeten bleef zitten en dan ging men lopen.
Kinderen
die tollen zie je niet meer op straat.
Benodigdheden: een tol en tollenstokje met een touwtje van ongeveer 50 cm. waaraan op het uiteinde 1 of 2 knoopjes zaten die je er zelf in knoopte. Hiermee sloeg je tegen de tol waardoor die al draaiend een eind verder terecht kwam. Je liep er achter aan en sloeg dan wederom.
Er was een verscheidenheid aan tollen die in speelgoedwinkels te koop waren. De meest gebruikte was wel die waar het jongentje op het tegeltje mee aan het tollen is. Zo´n tol had aan het einde een stalen of ijzeren pin (in Rotterdam noemde we dat de “taas.”)
Meestal
brachten we de tol aan het draaien door de “taas” tussen 2 straatstenen te
duwen, dan het touwtje om de tol winden en daarna met een ruk aan het
stokje de tol weg te slingeren die dan een eind verder al draaiend terecht
kwam. Daar liep of rende je dan naar toe en sloeg de tol met het touwtje
weer een eind verder. Net zo lang tot de tol uitging, of omdat je moe werd.
Ook werd de tol wel draaiend gemaakt door deze tussen duim en wijsvinger van
beide handen te nemen hiermee een draaiende beweging te maken en dan de tol
los te laten. Er waren nog wel meer manieren om de tol aan het draaien te
brengen, maar ik heb alleen de manieren vermeld die ikzelf gebruikte.
Vroeger
had bijna ieder kind, zowel meisje als jongen een jojo.
Die waren er in allerlei soorten. (Zie geplaatste afbeeldingen.)
Je had ze zelfs met muziek en licht. Deze werden echter in hoofdzaak door bedrijven weggegeven als relatiegeschenk.
Bij de gewone jojo zat aan het einde van het touwtje een lusje.
Eerst
rolde je het touwtje op in de sleuf van de jojo, waarna je wijs en
middelvinger in het lusje stak. Door de jojo los te laten en het touwtje op
en neer te bewegen ging, als je het goed deed, de jojo van beneden naar
boven en omgekeerd. De kunst was de jojo zolang mogelijk draaiende te
houden.
Begin
jaren dertig was het zgn. klepperen erg in zwang.
Klepperen kon je wanneer je in het bezit was van 2 houten kleppers.
De kleppers waren ± 15 cm. lang, ± 4 cm. breed, en ± 1cm. dik.
De kleppers deed je tussen wijs- en ringvinger en je gebogen middelvinger. Het kleppergeluid ontstond als je je hand in een bepaald tempo heen- en weer en op- en neer bewoog.
Het was gewoon een slag, die je na flink oefenen te pakken kreeg. Wanneer je de kleppers net even boven het midden tussen je vingers deed als boven omschreven, dan kon je zowel met de boven-
als onderkant van de kleppers klepperen, en zgn. “roffels” slaan.
Dit lijkt allemaal erg moeilijk, maar ik kan u verzekeren dat de meeste kinderen, en ook heel wat volwassenen, deze kunst meester waren.
Bijna alle kinderen, zowel jongens als meisjes, waren dan ook in het bezit van kleppers. Het was echt een rage! Je kon ze in de speelgoedzaken kopen, en als je een beetje handig was, kon je ze ook zelf maken.
(Voor een uitvoerig verhaal over “Klepperen” zie het aparte hoofdstuk!)
(met 3 soms 4 ballen)
Het
ballen met 3 ballen werd in hoofdzaak door de meisjes gedaan. Deze werden
dan stuk voor stuk zo snel mogelijk tegen een muur of in de lucht gegooid en
het was dan de kunst deze stuk voor stuk weer op te vangen en zo snel
mogelijk weer tegen de muur of in de lucht te gooien zonder dat er een bal
op straat viel. Sommige meisjes waren hierin zo gehaaid, dat ze het zelfs
met 4 ballen konden.
Toen ik als jongentje van een jaar of 10 op de Schiedamscheweg in Rotterdam woonde speelde ik met mijn vriendjes vaak “Diefie met verlos.”
Dat ging als volgt: er waren 2 partijen van zo´n 7 jongens per partij.
De éne partij waren de agenten die de dieven moesten vangen. Om ze te herkennen droegen de dieven meestal een geknoopte zakdoek om hun arm. Vanzelfsprekend speelde de andere partij voor agent.
Voor
het spel begon werd er eerst “gepoot” om de partijen te kiezen. Dan gingen 2
jongens ongeveer 3 meter uit elkaar staan met de voeten naar elkaar toe. Dan
ging men stap voor stap naar elkaar toe. Wie dan z´n voet of halve voet
tussen de voet van de ander kon zetten mocht het eerst een jongen voor zijn
partij kiezen, en daarna mocht de andere jongen kiezen. Zo ontstonden de 2
partijen.
De partij van de jongen die het “poten” gewonnen had waren de dieven die gevangen genomen moesten worden en de andere partij dus de agenten die de dieven moesten vangen. Bij ons diende een lantarenpaal als de gevangenis.
Als er een dief gevangen was moest hij de lantarenpaal met één hand vast houden en kreeg een agent als bewaker bij hem. Werd er nog een dief gevangen dan moest deze de hand van de andere dief vast houden en zo vervolgens tot de laatste dief gevangen was. Een dief die nog niet gevangen was kon echter de dief of dieven die wel gevangen was (waren) echter verlossen (bevrijden) door deze aan te tikken zonder dat de bewakende agent of één van de andere agenten hem aantikte. Dan moesten de verlossende dieven opnieuw gevangen worden. Als alle dieven gevangen waren dan wisselden de partijen. De dieven werden dan agenten en de agenten dieven.
Zo speelden wij dit spel.
Er waren echter ook andere mogelijkheden om dit spel te spelen.
HINKELEN MET STEENTJE
OF BLOKJE
Dit spel werd meestal op straat gespeeld door meisjes.
Eerst werd met krijt op de stoep het spel getekend. (zie afbeelding)
Meestal werd op straat een steentje gebruik i.p.v. een blokje.
Het spel gaat als volgt:
Je
gaat in het vakje start staan en met je hand leg je het steentje op no.1.
Op één voet probeer je al hinkelend het steentje in no. 2 te schuiven.
Dan spring jezelf naar no. 2 en daarna probeer je het steentje met je hinkelende voet in no. 3 te schuiven. Vervolgens in 4, 5, 6, enz. steeds verder tot in het vakje “hemel”. Denk er om, je voet mag nooit met een voet op de lijnen terecht komen en het steentje moet steeds binnen het bedoelde no. vakje belanden. Dus niet op de lijn en niet in een ander no. vak.
Als het steentje in het vakje hemel ligt spring je met 2 voeten tegelijk en met een halve draai in het vakje “hel,” zodanig dat het hinkelperk terug vóór je ligt.
Nu mag je een paar seconden uitrusten
Hierna pak je het steentje op en hinkelt je terug naar start. Wel moet je op de nummers 7, 4 en 1 telkens met één voet staan.
Op de nummers 8, 9, 5, 6, 2 en 3 sta je steeds in spreidstand. Dus met één voet in elk no., b.v. één voet in 8 en één voet in 9.
Wanneer je het niet lukt om tijdens de heenweg in de “hemel” te komen en je b.v. blijft steken op no. 2 omdat je het fout deed, dan is de volgende speelster aan de beurt en ga jij verder op no. 2 als het jouw beurt weer is.
Je hoeft dus niet steeds opnieuw te beginnen.
Noot:
De woorden “hemel” en “hel” werden vaak niet gebruikt.
Alleen start en eind.
In de jaren dertig was vooral bij de meisjes het volgende touwspelletje erg geliefd. Ik zal proberen het zo goed mogelijk uit te leggen.
Een
touwtje van plm. 2 meter werd aan elkaar geknoopt.
Daarna werd het éne eind met een slag om een pols geslagen en het andere eind met een slag om de andere pols. Dan werd de middelvinger van de rechterhand onder het touwtje dat om de pols zat van de linkerhand gedaan en het touwtje strak getrokken. Hierna werd de middelvinger van de linkerhand onder het touwtje gedaan dat om de pols zat van de rechterhand en ook strak getrokken.
Er ontstaat dan een soort brug.
Vaak werd dit spel door 2 meisjes gedaan. Als de zgn. brug er éénmaal was, dan nam het andere meisje deze op een bepaalde manier met de vingers van haar beide handen over en dan weer omgekeerd. Zo ontstonden er steeds nieuwe figuren. Soms gebruikte ze mond en tong als hulpmiddel om het touwtje een ander figuur te kunnen geven. Meisjes waren daar reuze handig in.
Voor dit spelletje begon werd er eerst weer afgeteld wie de schipper was.
Meestal ging dit aftellen als volgt.
Degene die aftelde begon met het kind naast haar/hem en zei:
“Ie wie waai weg, jij waait weg.”
Het kind waar hij/zij met het aanwijzen terecht kwam bij het woord “weg”
viel af. Het aftellen ging zo door tot er op laatst maar één kind over was. Dit kind was dan “de schipper” en hij/zij ging midden op de straat staan. De overige kinderen op de stoep. Zij begonnen dan te zingen:
(kinderen) Schipper mag ik over varen ja of nee
De schipper antwoord: “Ja.”
(kinderen) Moet ik dan een cent betalen ja of nee
De schipper antwoord: “Ja.”
(kinderen) Hoe?
De schipper gaf dan aan hoe ze moesten oversteken naar de andere kant van de straat. Bijvoorbeeld hinkend op één been, met gebogen rug of iets anders.
De schipper moest deze houding zelf ook aannemen en een overstekend kind zien aan te tikken vóór deze de overkant had bereikt. Als een kind werd aangetikt vóór het de overkant had bereikt, dan werd dat kind schipper.
Onnodig te zeggen dat dit spel tegenwoordig moeilijk meer op straat gespeeld kan worden i.v.m. het drukke autoverkeer.

Vroeger zag je op straat vaak meisjes die aan het touwspringen waren.
Dat gebeurde met een touw van ongeveer 6 meter lang en een centimeter
of 3 dik. Aan elk eind van het touw stond een meisje te draaien en onder het zingen van:
In spring de bocht gaat in
moesten de overige meisjes dan één voor één in het draaiende touw springen.
Tijdens het zingen van:
Uit spuit de bocht gaat uit
moest dan één voor één uit het draaiende touw worden gesprongen.
Als een meisje op het draaiende touw sprong dan moest zij een meisje aflossen dat stond te draaien.
Alvorens met het spel werd begonnen werd eerst afgeteld welke 2 meisjes het touw moesten draaien. Dit gebeurde meestal met het versje:.
Ie wie waai weg, jij waait weg
Bij weg viel er elke keer een meisje af. Dat ging zo door tot er uiteindelijk 2 meisjes over bleven die dan het touw moesten draaien.
Soms werd er zelfs met 2 touwen tegen elkaar in gedraaid om het springen nog moeilijker te maken.
Meestal werd dit touwspringen door 6 of meer meisjes gedaan.
schoenmaker
vragen. Meestal kreeg je dat wel. Je maakte daar dan een vierkantje of
rondje van en met een priem maakte je een gaatje in het midden. Dan nam je
een touwtje van ongeveer 1 meter lang en stak dat door het gaatje. Aan de
andere kant maakte je een stevige knoop in het touwtje, zo dik, dat je hem
niet meer door het gaatje terug kon trekken.
Vervolgens maakte je het leertje nat met water en drukte dat met je voet op de blauwe stoeprand stevig aan. Het natte leertje zoog zich dan muurvast aan de blauwe stoeprand. Kunst was dan of je zo sterk was dat je het leertje met het touwtje weer los te trekken. Dat lukte bijna niemand. Wanneer het niet lukte, kon je het leertje los krijgen door flink met je schoen tegen de zijkant van het leertje te schoppen naar het uiteinde van de stoeprand.
Mij is niet bekend of dit spel ook in andere steden of plaatsen werd gedaan.
Voor
schooltijd gingen we altijd eerst op straat een partijtje voetballen met de
jongens van de klas.
Auto´s reden er praktisch nog niet in die tijd.
Eerst werd er dan met zgn. “poten” twee partijen gekozen. Dat ging dan als volgt: 2 jongens gingen op ongeveer 3 meter van elkaar staan en dan voetje voor voetje naar elkaar toe. Wie het laatste zijn voet kon zetten mocht dan het eerst kiezen en daarna de ander, tot er twee partijen waren gevormd.
De bal waarmee doorgaans gespeeld werd, is een verhaal apart.
Eerst werd van wat oude kranten een stevige bol gevormd van plm. 10 cm. omtrek en daar overheen werden dan reepjes rubber getrokken, geknipt uit een oude fiets binnenband. Geld om een echte bal te kopen hadden we niet.
Tijdens het voetballen gingen er natuurlijk af en toe wel een paar reepjes rubber af, maar dat mocht de pret niet drukken, die deed je er dan gewoon weer om.
De doelen werden gevormd door op plm. 4 à 5 meter afstand een jasje of iets dergelijks neer te leggen. De ouderen onder u weten zich dat vast nog wel te herinneren.
Hierover wil ik niet uitweiden, omdat ik zonder meer aanneem dat dit bij u allen genoegzaam bekend zal zijn. Zo niet, dan verwijs ik u naar het verhaal
“De Tennisbal” onder deze rubriek.
Zo, dit zijn wat spelletjes die ik als kind zelf heb gedaan, gezien, of herinner.
Ongetwijfeld zullen er vroeger nog wel meer spelletjes zijn gespeeld die mij niet bekend zijn, of die ik vergeten ben.
Ik heb slechts een beeld willen geven hoe er vroeger, nog betrekkelijk zonder gevaar, op straat gespeeld kon worden.
Helaas is dit met het huidige verkeer niet meer mogelijk.
Maar wat was het een leuke tijd!!!
Brandus

Nog niet zo gek lang geleden kondigden in de grote steden de vuilnismannen met een grote houten ratel hun komst aan.
Vliegensvlug kwamen dan de vrouwen met hun vuilnisemmers of zakken naar buiten rennen en zetten die aan de rand van de stoep. Meestal waren het de vrouwen die het vuil op straat zetten, omdat de mannen al naar hun werk waren.
Wel een verschil met tegenwoordig nu iedereen lang van tevoren weet wanneer het vuil wordt opgehaald.
Ik herinner me nog dat enige tijd geleden enkele wat oudere vuilnismannen, naar ik meen uit Amsterdam, op de televisie werden geïnterviewd en toen met hun houten ratels een soort wijsje ten gehore brachten wat ik erg knap vond.
Een inmiddels uitgestorven beroep.
Zelf
kan ik me nog herinneren dat de scharensliep vroeger huis aan huis aanbelde
om te vragen of er nog iets te slijpen viel. Hij sleep niet alleen scharen,
maar ook messen, schaatsen en allerlei andere dingen.
Daarvoor beschikte hij over het benodigde gereedschap.
De scharensliep had een duwkar op 2 wielen. Onderaan zat een houten traplat die hij met zijn voet in beweging bracht waardoor de slijpsteen ging draaien.
De slijpsteen werd nat gehouden met wat water dat af en toe uit een buisje op de slijpsteen sijpelde.
Vooral van de kinderen had hij veel bekijks, (zie geplaatste afbeelding.)
Helaas is dit beroep uit het straatbeeld verdwenen. De mensen slijpen nu zelf hun messen, verrichten reparaties zelf, of kopen zo nodig nieuw.
Brandus
Als
kind gebruikte je vroeger vaak een kammetje met een sigarettenvloeitje als
muziekinstrument. (Wij gebruikten meestal een “RIZZLA” vloeitje.)

Je legde het vloeitje dan achter of vóór het kammetje en met je mond tegen het kammetje (of vloeitje) blies je dan al toeterend een liedje.
Als je het tegelijk met nog meerdere kinderen deed en allemaal met hetzelfde melodietje, dan had je een klein blaasorkest.
Mijn vroegere buurman Wiebe Bakker was er een meester in en deed het nog dikwijls zuiver voor de lol.
Nog
niet zo gek lang geleden was Hoela Hoep een rage. .
Het werd zowel door meisjes als jongens beoefend, maar vooral de meisjes waren er bedreven in.
Sommige presteerden het zelfs met 2 of 3 hoepels tegelijk.
Ook
werden er wedstrijden gehouden wie de hoepel het langst draaiende kon
houden.
Tegenwoordig zie je het niet meer op straat.
Een enkele keer zie je het nog wel eens in het circus.

Als jongen van 14 jaar ging ik vaak met een stel vrienden op zondag, en als het mooi weer was, vanuit Rotterdam naar Meijendel (vlak bij Den Haag) fietsen.
We speelden dan in het Meijendelse bos, of gingen naar het strand om te zwemmen. Tegen een uur of half vijf fietsten we dan weer terug, zodat we tegen etenstijd weer thuis waren.
Na zo´n dag rammelden we van de honger, en als knapen van 14/15 jaar, konden we behoorlijk wat weg stouwen.
Toen ik om ongeveer half zes bij mijn thuis aanbelde, werd er niet open gedaan.
Er bleek niemand thuis te zijn. Ik belde toen bij de buurvrouw aan en vroeg of ik via haar waranda naar onze waranda mocht klimmen, zodat ik bij onze keukendeur kon komen, omdat ik vermoedde dat die niet op slot zou zijn en dan kon ik zo in onze woning komen.
Gelukkig
maakte de buurvrouw geen bezwaar en dus klauterde ik zo naar onze waranda.
Maar helaas, de keukendeur zat wel op slot. Op het moment dat ik
teleurgesteld weer via onze waranda naar het huis van de buurvrouw terug
wilde gaan, zag ik een schaal met daar op een door mijn moeder gemaakte
heerlijke griesmeelpudding met bessensap staan.
En niet zo´n kleintje ook, want we waren nog met een man of zes thuis. Griesmeelpudding met bessensap was, en is nog steeds, mijn lieveling´s “toetje.” Binnen de kortste tijd heb ik met mijn zakmes een flinke homp uit de griesmeelpudding gesneden en naar binnen gewerkt. Daarna klom ik weer naar de waranda van de buurvrouw en ging, na de buurvrouw bedankt te hebben, op straat spelen.
Toen we met de hele familie om een uur of zeven ´s-avonds aan tafel zaten en de maaltijd was genuttigd, ging mijn moeder naar de waranda om het “toetje,” de griesmeelpudding met bessensap, van de waranda te halen.
Even later kwam ze boos terug en riep verontwaardigd:
”Er is een stuk uit de griesmeel pudding verdwenen, onbegrijpelijk. Zeker een kat gedaan!”
Ik liet haar maar in die waan en vertelde niet dat ik de schuldige was.
Het gevolg was wel, dat we nu allemaal een kleiner stuk van de overgebleven griesmeelpudding kregen.
Dat ik m´n portie al binnen had verzweeg ik wijselijk.
Jaren later heb ik de ware toedracht van het verhaal aan mijn moeder opgebiecht en toen heeft ze er smakelijk om moeten lachen.
Brandus
Vroeger, in de dertiger jaren, ik was toen een jaar of 11, maakten we zelf van stopverf of teer, een spijkertje en wat duiven- of kippenveren een pijltje.
Bij
de schilder vroeg je dan om een stuk stopverf, en maakte daar een rolletje
van tussen je handen, tot ongeveer de grote en dikte van een kroket.
Destijds werd stopverf meestal gebruikt om ramen in een kozijn vast te
zetten.
Hetzelfde kon je doen met een stuk teer. In het ene eind drukte je dan de kop van het spijkertje een stuk in de stopverf of teer, maar zorgde er voor dat de punt van het spijkertje er uit bleef steken.
Aan het andere eind stak je een kippen- of duivenveer en je werppijltje was klaar. Voor je er mee ging gooien moest je wel even wachten tot de stopverf of teer hard geworden was.
Op een flink stuk hout of op een houtenschutting tekende je dan 10 cirkels.
De buitenste cirkel was het grootst en 10 punten waard. Daarna een cirkel met 20 punten, dan een cirkel met 30 punten, enz, enz. Het laatste cirkeltje was de zgn. roos en 100 punten waard.
Met
je vriendjes hield je dan een wedstrijd wie na b.v. 10 keer gooien de meeste
punten had behaald. Die was de winnaar.
Zoals gezegd, zo ging het vroeger in mijn jeugd. Heel wat anders dus dan het tegenwoordige darten. Hierbij worden de mooiste pijltjes (nu darts genoemd) gebruikt.
Ook
het scorebord en puntentelling is geheel anders. Als ik me niet vergis is
dit spel uit Engeland over komen waaien.
Hoewel ik er dikwijls op de T.V. naar kijk, snap ik er nog steeds geen “jota” van. Maar dat ligt natuurlijk aan mij.
Tegenwoordig bestaan er talloze dartclubs en worden er zelfs professionele wedstrijden gehouden waarmee aardig wat geld te verdienen is.

En............Nederland heeft zelfs een echte dartkampioen, t.w. Barney.
Ja, ja, tijden veranderen.
Brandus

Twee
collega´s van mij die werkzaam zijn geweest op Marinevliegkamp
“De Kooy” in den Helder kweekten thuis zangkanaries, ook voor de verkoop.
Zij waren op verschillende afdelingen op “De Kooy” werkzaam.
Ik zal ze in dit verhaal niet bij hun echte naam noemen, maar laat ik ze voor het gemak maar Pieterman en Vogelzang noemen.
Voor wat betreft de verkoop van een kanarie waren het concurrenten.
Bij meneer Vogelzang op de afdeling werkte een leuke knaap die Piet heette.
Hem stelde ik voor om zijn chef meneer Vogelzang een poets te bakken.
Als ik bij hem op de afdeling kwam moest hij tegen meneer Vogelzang zeggen, dat hij van plan was een kanarie te kopen bij meneer Pieterman, maar dat die er 35 gulden voor vroeg en dat hij dat wel wat aan de hoge kant vond.
Meneer Vogelzang zou dan gegarandeerd tegen hem zeggen dat hij beter een kanarie bij hem kon kopen, omdat hij goedkoper was. Hij moest dan aan meneer Vogelzang vragen wat hij voor een kanarie vroeg en die zou dan ongetwijfeld een prijs van 25 gulden noemen. Hij moest dan antwoorden dat hij dat toch nog te duur vond en dat hij dan toch maar kip ging eten.
Piet vond het een pracht mop. Ik sprak met hem af dat ik op een bepaalde tijd op de afdeling van meneer Vogelzang zou komen en dan op een gegeven moment met meneer Vogelzang een gesprekje over kanaries zou beginnen. Ik zou hem dan een seintje geven en op dat moment moest Piet met het afgesproken verhaal op de proppen komen. Toen ik op de afdeling van meneer Vogelzang kwam begon Piet al te grinniken en ik dacht “Oh, Oh” dat gaat fout, Piet kan zijn lachen niet houden. Maar gelukkig, op het afgesproken teken begon Piet, zij het wat lacherig, toch zijn verhaal af te steken. En verdomd, meneer Vogelzang trapte er in.
Toen Piet tegen meneer Vogelzang had gezegd dat hij 25 gulden toch nog te duur vond en maar kip ging eten, barstte iedereen in lachen uit en kon meneer Vogelzang niets anders doen dan, zij het als de bekende boer die kiespijn heeft, mee te lachen.
En ook dit is weer een waar gebeurd verhaal.
Brandus
Toen we in de Boerhavelaan in Schiedam woonden, sliep ik in het zijkamertje.
Op een nacht dat ik wakker lag, hoorde ik tot mijn stomme verbazing mijn vader vloeken. Ik vond dat nogal vreemd, omdat ik mijn vader nog nooit had horen vloeken. Ons had hij het ook ten strengste verboden. Zelfs “rot” vond hij een lelijk woord. Toen ik op een keer eens tegen hem zei: ”Ik heb me rot gelachen” zei hij tegen mij dat moet je niet zeggen, je moet zeggen: “ik heb zó moeten lachen.” Aan de hand hiervan zult u begrijpen dat ik er niets van snapte.
Ik kon er niet van slapen.
Nadat mijn vader ´s-morgens was vertrokken vroeg ik aan mijn moeder of zij wist waarom mijn vader ´s-nachts gevloekt had.
Zij begon te schudden van het lachen en ik kreeg het volgende verhaal te horen:
“ Nou, ik kon vannacht
niet slapen omdat er steeds een mug rond m´n hoofd zoemde. Ik had al een
paar maal met m´n hand in het donker in de lucht liggen maaien, maar steeds
tevergeefs. Ten einde raad besloot ik toen maar het lichtje op m´n
nachtkastje aan te doen en ja hoor, ik zag dat kreng wel vliegen, maar kon
hem niet te pakken krijgen.

Op een gegeven moment nam hij plotseling een duikvlucht zo op de wang van je slapende vader. Ik bedacht me geen moment en gaf gelijk een flinke mep op de wang van je slapende vader. Die schrok zich de zenuwen, keek me verschrikt aan en vroeg: “Wat doe jij nou?” Waarop ik doodgemoedereerd antwoordde:
”Ik sla een mug dood.”
En dat was dus de reden waarom je je vader hoorde vloeken.
De mug heb ik niet meer gehoord.
Waar gebeurd!
Brandus
Mijn vader had een keer voor mijn moeder een kopjesrek met 6 Chinese kop en schoteltjes meegenomen, toen hij na een scheepsreis weer eens thuis kwam.
Als sier werd vroeger dan zo´n wandrekje tegen de muur (wand) op gehangen.

De kopjes hingen aan een haakje, en de 6 schoteltjes stonden achter een dwarslatje, dat op het kopjesrek was bevestigd. Helaas kan ik u geen afbeelding van zo´n kopjesrek tonen, en moet u het maar met de 3 geplaatste kopjes en schoteltjes doen zonder kopjesrek.
Op een dag, toen mijn moeder niet thuis was, moest mijn zus Willemien het huis schoon maken. Ramen lappen, stofzuigen, stof afnamen, etc. U kent al die karweitjes wel. Mijn zus Willemien zal toen een jaar of 20 zijn geweest en ik een kleuter van een jaar of 2, waar Willemien ook op moest passen. Ik was een “nakomertje” en werd altijd “Broertje” genoemd omdat ik de jongste uit het nest van 9 kinderen was. Willemien noemde ik toen altijd “Mina” omdat ik nog geen Willemien kon zeggen.
Willemien werd door mijn moeder ook wel eens gekscherend “juffrouw breekallemachtig” genoemd, omdat zij nogal veel brak.
Een kopje, een glaasje, een vaas, en noem maar op.
Nadat Willemien de nodige opruimwerkzaamheden had verricht, pakte zij een plumeau, om daarmee voorzichtig de kop en schoteltjes af te stoffen. En u voelt het al aankomen, prompt viel er een schoteltje uit het rekje aan gruzelementen.
Vlug gooide zij de scherven in de vuilnisbak en zette de overige 5 schoteltjes zodanig in het rekje neer, dat op het eerste gezicht niet te zien was dat er maar 5 in plaats van 6 schoteltjes in het rekje stonden. Toen zei ze tegen mij:
” Broertje, niet tegen
moeder zeggen hoor dat Mina iets heeft gebroken, anders komt er weer grote
razie (ruzie).” Ze zei expres razie omdat ik in plaats van ruzie altijd
razie zei. Mina wist dat ik niet tegen ruzie kon, omdat ik dan altijd begon
ik te huilen. Door simpel “nee Mina” te zeggen beloofde ik Mina dus haar
niet te verraden.
Tegen de avond kwam mijn moeder thuis en haar eerste gang was dan altijd
naar de W.C. Omdat de nood hoog was had ze de W.C. deur open laten staan.
Terwijl mijn moeder op de W.C. zat en ik voor de open W.C. deur stond, zei
ik met een wijds gebaar van mijn handen tegen haar:” Mina heb helemaal niks
gebroken.” Waarop mijn moeder riep: “Allemachtig, is die meid weer aan het
breken geweest!” Toen zij echter mijn stomverbaasde gezicht zag, zo van “hoe
kan ze dat nou weten, ik zeg toch dat Mina helemaal niks heeft gebroken”
schoot ze in de lach en kwam Mina er genadig af.
In m´n onschuld en tegen m´n wil had ik “Mina” toch verraden.
In
1928 was de tijd aangebroken dat ik als jochie van 4/5 jaar naar de
“Bewaarschool” moest. In die tijd heette dat zo. Hoe komen ze op het woord?
Naderhand werd het gelukkig “Kleuterschool” genoemd. Klinkt heel wat beter.
De eerste dag had mijn moeder me ´s-morgens gebracht en gehaald. Die middag moest mijn zus Willemien, die al in de twintig was, mij naar de Bewaarschool brengen. Ik was een “nakomertje,” gebakerd door Willemien. En aan iedereen die het maar horen wilde vertelde ze dat vol trots. Ze was ook gek met me. Onderweg liep ik al te blèren dat ik niet naar de Bewaarschool wilde.
En Willemien (die ik toen “Mina” noemde) probeerde mij op alle mogelijke manieren gerust te stellen en te troosten, maar zonder succes.
Toen
we bij de school kwamen begon ik zo erbarmelijk te huilen, dat Willemien er
niet goed van werd. Met bloedend hart gaf zij mij aan de juffrouw van de
Bewaarschool af en liep zo snel mogelijk weg. Echter straten verder hoorde
zij mij nog steeds hartverscheurend “Minaaaaa, Minaaaaa, Minaaaaaa” roepen,
en kreeg enorme spijt dat zij mij bij de Bewaarschool had achter gelaten.
Het eerste wat zij dan ook tegen mijn moeder zei toen ze thuis kwam was:
” Dat is de eerste en laatste keer dat ik “Broertje” (zo werd ik altijd genoemd omdat ik de jongste uit het nest van 9 kinderen was) naar de Bewaarschool heb gebracht. Hij heeft zo gehuild en steeds zo zielig “Minaaaa, Minaaaa, Minaaaa” geroepen, dat het me door merg en been ging.”
Mijn moeder zei toen:” Nou, als hij dan zo´n hekel aan de Bewaarschool heeft, dan blijft hij voortaan maar thuis.” Verkeert natuurlijk, maar begrijpelijk, want
toen mijn moeder mij ´s-morgens naar de Bewaarschool had gebracht,
had
zij dezelfde taferelen met mij meegemaakt. Dat was dan ook de reden waarom
zij Willemien had opgedragen mij ´s-middags naar de Bewaarschool te brengen.
De Bewaarschool had wel iets weg van een gevangenis, en ik ben er dus maar
één dag op geweest.
Wel moest ik op m´n zevende jaar tot mijn verdriet, naar de Lagere School, ook vaak de “Grote School” genoemd. Dat was verplicht. Mijn liefde voor school is echter nooit bijzonder groot geweest. (Mijn jongste dochter Mia kampte met hetzelfde euvel. Zie mijn verhaal “Mazelen” onder deze rubriek.)
De appel valt dus niet ver van de boom.
Brandus
Het zal ongeveer 15 jaar geleden zijn dat mij een nogal ernstig ongeluk over kwam met mijn auto.
Nadat ik boodschappen had gedaan in Schagen reed ik over de Grote Sloot
terug naar mijn huis in Anna Paulowna. Terwijl ik over de Grote Sloot reed
keek ik stom toevallig (wat ik nooit doe) door wat boompjes die aan de
rechterkant langs de sloot stonden en zag met grote snelheid een auto het
boerenerf af komen rijden. Ik dacht die ziet mij niet aan komen en rijdt
zonder te kijken het erf af. Hetgeen ook gebeurde. Ik remde zo hard mogelijk
en stuurde mijn rechtervoorwielen de grasberm in. De wielen zakte tamelijk
diep in de berm weg en dat haalde ook nog de nodige vaart uit mijn auto.
Hierdoor vloog de auto die het erf af kwam net voor mij de weg op. Mijn auto
schoot over de op- en afrit van de boerderij heen en belandde aan de
andere kant met een enorme klap rechtop in de sloot.
Door het gewicht van de gastank achterin sloeg mijn auto gelukkig net niet over de kop, want dan had ik met mijn hoofd in het water komen te liggen, met alle gevolgen van dien. De bestuurder van de andere auto was een jonge knaap. Hij had de klap gelukkig gehoord en kwam terug rijden om te kijken wat er aan de hand was. Het bleek een kennis te zijn van de mensen die op de bewuste boerderij woonde en waar hij op visite was. Omdat hij bijtijds thuis wilde zijn voor het eten was hij, met zo´n vaart het boerenerf af gereden en had mij inderdaad niet opgemerkt.
De boer en zijn vrouw en nog wat andere mensen die de klap ook hadden gehoord waren snel ter plaatse. Sommige probeerden mij uit de auto te sjorren.
Ik zei echter tegen hun dat ze hiermee moesten stoppen en dat ikzelf wel zou proberen uit de auto te komen. De linkerdeur van mijn auto kon nog ongeveer
30 cm open en met kunst en vliegwerk wist ik mezelf uit de auto te wringen en de slootkant op te klauteren. De boer wilde zijn tractor halen om mijn auto uit de sloot te takelen, maar daarmee ging ik niet akkoord en zei dat eerst de politie gewaarschuwd moest worden om de toestand in ogenschouw te nemen en proces verbaal op te maken.
De boerin zei: “Komt u nu maar vlug mee naar binnen want u loopt zo mank, dan zal ik snel een dokter bellen.”
Waarop ik antwoordde:” Dat hoeft niet mevrouw, want zo loop ik altijd. Ik heb namelijk een kunstbeen.”
Omdat ik zo wit zag als een vaatdoek, stond zij er toch op dat ik in de boerderij een kop koffie kwam drinken om van de schrik te bekomen.
Nadat de politie drie kwartier later eindelijk was gearriveerd en proces verbaal was opgemaakt werden de boodschappen uit mijn auto overgeladen in de auto van een zoon van de boer, die mij ook naar huis heeft gebracht.
Mijn auto was total-loss, maar ik was “Wonder boven wonder” ongedeerd.
Brandus
Het zal ruim een jaar geleden zijn toen het echtpaar Postma voor het eerst in de Herv. Kerk in Anna Paulowna kwam. Mevr. Postma lag in een ligrolstoel voortgeduwd door haar man. In dit verhaal zal ik beide, naar ik aanneem met hun goedvinden, gemakshalve bij hun voornamen: Jan en Greet noemen.
Regelmatig bezochten zij de Oase kerkdiensten. (Zie ook http://www.oaseweb.nl/)
Het viel me op, dat zij soms na enige tijd een kerkdienst verlieten en niet meer terug kwamen. Achteraf bleek, dat, als iemand per ongeluk tegen de rolligstoel stootte waarin Greet lag, zij dan hevige pijnen kreeg en naar huis wilde.
Om dit euvel in ´t vervolg te voorkomen werd een apart plekje voor de ligrolstoel gecreëerd.
Greet had 6 jaar geleden bij een auto ongeluk een “Whiplash” en een hersenstam beschadiging opgelopen en was zodoende in de ligrolstoel beland. Inmiddels was zij “uitgedokterd.” En verder niet meer te behandelen.
Jan had al meer dan 20 jaar last van reactieve bronchieën , hetgeen wil zeggen: allergisch voor alle geurtjes en luchtjes. Ook hier was niets meer aan te doen.
Op woensdagavond 14 juni j.l. 19.30 uur werd in de kerk een
Genezings Samenkomst gehouden met Bob Brasset uit Canada, bijgestaan door Peter de Jong uit Nederland die o.a. ook de vertaling verzorgde.
Ofschoon ikzelf niet gauw in deze genezende wonderen geloof, was ik heen gegaan om te kijken of er toch misschien mensen van hun ziekten en of kwalen zouden worden afgeholpen.
Ook Jan en Greet waren aanwezig. Na de inleiding en gezang ging Greet met een begeleidster wankelend en stapvoets naar gebedsgenezer Bob Brasset. Nadat Peter de Jong in het Engels aan Bob Brasset had kenbaar gemaakt wat Greet mankeerde, begon deze daarna z´n gebed om genezing. Greet vertelde mij nadien dat zij tijdens het gebed het gevoel had “opgetild” te worden, zich licht en blij voelde en erg dicht bij God.
En waarachtig, na het gebed kon Greet haar nek weer bewegen, had geen pijn meer en liep zo´n 20 meter heen en weer en daarna naar haar plaats.
Niet te geloven! Wel gebeurd! Na de dienst heeft zij een uur!!! rond gelopen en met verschillende mensen gepraat, wat zij voor die tijd niet kon omdat zij zich niet kon concentreren. Nu kan zij weer lopen, fietsen, bewegen en praten.
Of dat nog niet genoeg was, ook Jan werd van zijn kwaal afgeholpen en verklaarde later, dat ook zijn haatgevoelens jegens sommige personen waar hij nog iets mee te vereffenen had, waren verdwenen.
Er waren trouwens nog meerderen, die volgens eigen zeggen, baat hebben gehad van een genezingsgebed.
We zijn nu weken verder en zowel met Greet als met Jan gaat het prima, en wat zijn zij dankbaar en gelukkig, en wat ben ik blij voor deze mensen.
Bovenstaande heb ik met eigen ogen aanschouwd en meegemaakt, waardoor mijn geloof in een “Hogere Macht” enorm is toegenomen.
Brandus
In 1947 werden de Marine Magazijnen overgeplaatst vanuit Rotterdam naar Den Helder.
Omdat voor het merendeel van het personeel nog geen woning in Den Helder beschikbaar was werden deze (waaronder ook ik) ondergebracht in een kosthuis
samen met mijn collega´s Jan Jansen, Ton Wouterse, Nootenboom en nog enkele anderen kwamen wij terecht in het kosthuis van de familie de Vries in de Javastraat.
Eenmaal
per 14 dagen mochten wij met het weekend op kosten van het Rijk met de trein
naar huis. Natuurlijk wilden wij graag elk weekend naar moeder de vrouw en
de kinderen in Rotterdam. Onze salarissen waren in die tijd echter nog niet
van dien aard, dat we het reisgeld zelf konden bekostigen vanwege het
huishoudgeld.
Nu ging er af en toe wel eens een vrachtwagen van de Marine met het weekend naar Rotterdam.
Het was verboden om achterin personen mee te nemen. Het gebeurde echter wel eens dat een chauffeur, die begreep dat we graag naar Rotterdam wilden, ons toch stiekem achterin meenam onder het gesloten dekzeil.
Zo gebeurde het ook een keer, dat een chauffeur die nogal stotterde ons meenam. Onderweg raakte hij echter de weg kwijt. Hij stopte ergens, stapte uit en vroeg aan een voorbijganger de weg.
Deze wees ons de weg als volgt:
“U gaat rechtuit en bij de eerst volgende splitsing slaat u linksaf, of wacht is even….. Is het nou links of rechtsaf? Even denken hoor…. Eerst rechtdoor en dan linksaf, of is het toch rechtsaf? Of is het nou de 2e splitsing”?
En dat herhaalde zich een paar maal. Onze chauffeur werd er zo kriegelig en ongeduldig van, dat hij nijdig de cabine instapte tegen ons zei:
“Die vvvvent llllllult me te lllllllllang lang langzaam”, en weg reed.
Wij lagen in een deuk.
Dit is een waar gebeurd verhaal.
Nog
niet zo heel lang geleden reed er nog een schillenboer met paard en wagen
door de straten om aardappelschillen en groenteafval op te halen.
Dit werd meestal in een mandje of emmer door één van de kinderen van het gezin naar de schillenboer gebracht. Vaak ontstond er ook ruzie onder de kinderen wanneer het gezin uit meerdere kinderen bestond, omdat de schillenboer altijd wel een handje olienoten (nu pelpinda´s genoemd) aan het kind gaf dat de schillen kwam brengen.
Nu verdwijnen de schillen en het groenteafval in de groene vuilnisbakken.
Toen
we nog in de Olivier van Noortstraat in Den Helder woonden, kwam éénmaal in
de week kolenboer Bethlehem met zijn paard en wagen om kolen en petroleum te
verkopen. Voor de wagen stond een prachtig zwart paard, dat nogal schichtig
was. Je kon beter niet te dicht bij komen.
De kolen werden toen in hoofdzaak in papieren zakken geleverd, in tegenstelling tot enkele jaren daarvoor, toen de kolen nog in gonjezakken naar het kolenhok werden gesjouwd en daarin leeg gekieperd. De gonjezakken hingen dan over de rug van de kolenboer, die dan ook een soort puntmuts op zijn hoofd had met een grote flap er aan die over zijn schouders hing. (Zie foto)
Kolenboer Bethlehem heeft “goed geboerd”. De familie bezit nu diverse pomp stations en een groot auto- en garagebedrijf in Den Helder.
De warmte komt nu uit elektrische- en of gaskachels.
Vroeger
kwam ook de melkboer met zijn wagen dagelijks langs. Iedere melkboer had zo
z´n eigen wijk. Op de melkkar stonden meestal 2 melkbussen met onderaan een
koperen kraantje. Eerst werd de bestelde melk in een maatbeker geschonken en
vervolgens in de kan c.q. emmertje van de klant.
Meestal verkocht de melkboer ook kaas en eieren.

Later verscheen de melkboer in een gemotoriseerde wagen en verkocht niet alleen zuivelproducten maar ook nog diverse andere artikelen.
Toen we in de Boerhavelaan in Schiedam woonde kwam de melkboer (Piet Gustaffson) ook nog aan de deur. Hij raakte verliefd op mijn zus Johanna.
En de liefde was wederzijds. Later zijn zij in “´t Huwelijksbootje” gestapt. Inmiddels zijn genoemde beroepen uit het straatbeeld verdwenen.
Ook de groenteboer met paard en wagen is uit het straatbeeld verdwenen.
Als kind heb ik vaak met zo´n groenteboer mee gereden.
Heel vroeger had je zelfs een groenteboer met een hondenkar.
Zie afgebeelde foto uit 1895.

Begin 1900 verschenen de eerste groenteboeren met paard en wagen.
De afgebeelde foto is uit 1915.

Nu heeft de groenteboer een eigen winkel.
Veel mensen kopen hun groente en fruit echter in een Supermarkt.
Brandus

Zondag 3 september 2006 trad het dames-salonorkest “NOSTALGIA” op in de Galerie van Kees en Elly Doolaard.
Het was wat je noemt: “ Een schot middenin de roos.”
Wat hebben de, gelukkig vele, aanwezigen genoten van de muziek die dit, uit acht dames gevormde gezelschap, ten gehore bracht.
Voor de aanvang van het concert werd een kaars aangestoken voor al die mensen die, door wat van omstandigheden dan ook, niet aanwezig konden zijn.
Veel van de bekende melodieën uit de jaren 20 en 30 werden zachtjes door het publiek mee geneuried of gezongen, maar ook uit de periode daarna.
Soms ging dit gepaard met enthousiast handgeklap.
Liedjes uit de “Oude Tijd” waren o.a. Bellamie, Oh Donna Clara, Elisabeth en
Tea for two , om er slechts enkele te noemen.
Dit alles werd afgewisseld met het spelen van bekende tango´s van Melando en de nodige Weense walsen.
Kortom een heel gevarieerd programma met “Voor elk wat wils” en, zoals bij de opening van het programma werd gezegd, van: “Vooral gezellige en blije muziek.”
Tijdens het spelen van de liedjes uit de twintig en dertiger jaren zag ik vooral de ouderen onder het publiek (waaronder ikzelf) enorm genieten.
Vaak heb ik mijn oudere broers en zussen (ik was de jongste uit het nest van
9 kinderen) al die gespeelde melodieën horen zingen, zodat heel wat oude herinneringen bij mij naar boven kwamen.
De toegang was, zoals gewoonlijk bij Kees en Elly, geheel gratis.
Wel werd verzocht na afloop een bijdrage voor de weeskinderen in Roemenië in de melkbus bij de ingang te willen deponeren.
Na afloop van het concert kreeg het gezelschap een langdurige en welverdiende staande ovatie.
Met de woorden: “Goede wijn behoeft geen krans” kregen de dames van het salonorkest elk een fles rode wijn aangeboden door Elly.
Van ganser harte hoop ik, (en ik denk velen met mij), dat “NOSTALGIA” nog een keer in de Galerie van Kees en Elly terug komt.
Kees en Elly, Elly en Kees, hartelijk, heel hartelijk dank voor het gebodene!!!
Brandus
Toen
mijn kleinzoon Danny Pormes een jaar of 16/17 was deed hij veel aan
motorcrossen en het dient gezegd, hij was daar behoorlijk goed in. Meestal
viel hij in de prijzen. Als hij in Den Helder moest crossen gingen mijn
vrouw en ik ook altijd kijken en vooral mijn vrouw Sjaantje was behoorlijk
fanatiek waar het Danny betrof.
Wanneer hij in Brabant of Limburg moest crossen gingen zijn vader Andy en zijn moeder Mia altijd mee.
Het
was dan vroeg uit de veren geblazen om op tijd aanwezig te zijn voor de
wedstrijden. De crossmotor werd dan in het busje geladen en voor het
wegrijden controleerde Andy het busje altijd op eventuele mankementen..
Zo ook op een zondagmorgen tegen 6 uur. Terwijl Andy onder de motorkap iets controleerde, drukte Mia, volgens eigen zeggen per ongeluk, op de claxon. Andy schrok zich “te pletter” en vloog van schrik zowat met z´n kop door de deksel van de motorkap. Mia gilde van de lach, en onder het uitroepen van:” Het ging per ongeluk, het ging echt per ongeluk vluchtte ze het busje uit, nagezeten door Andy.
Maar ja, Andy kende Mia langer dan vandaag en wilde het niet geloven.
Mia heeft het overleefd, maar het heeft een tijdje geduurd voordat Andy wat van de schrik was bekomen en naar de crosswedstrijd kon worden vertrokken.
Op verjaardagen en familiebijeenkomsten wordt dit verhaal, tot grote hilariteit van de aanwezigen, nog dikwijls opgehaald.
Brandus
Enige
tijd geleden liep er regelmatig een vrouwtje door de straten in Anna
Paulowna, die verse eieren verkocht. Zo ook in de van Foreeststraat waar
mijn dochter Mia met haar man Andy woont.
Mijn dochter kocht de eieren echter altijd bij een Supermarkt. Tot op een dag Andy, voor hij naar zijn werk ging, tegen Mia zei: ”Mia vandaag komt het “eierenwijfie,” zoals zij genoemd werd, door de straat en dan moet je bij haar eieren kopen want die zijn kakelvers en dus veel smakelijker dan de eieren uit de Supermarkt.”

Mia kocht die dag dan ook kakelverse eieren bij het “eierenwijfie” en zette die op het aanrecht in de keuken.
Toen Andy die avond uit z´n werk thuis kwam was het eerste dat hij aan Mia vroeg: “En heb je nog eieren bij het “eierenwijfie” gekocht?” Waarop Mia antwoordde: ”Ja hoor, kakelvers. Ze staan op het aanrecht in de keuken. Ze zijn nog warm.”
En ja hoor, daar ging Andy naar de keuken om aan de eieren te voelen of ze nog warm waren terwijl Mia gilde van de lach.
Toen pas kreeg Andy in de gaten dat hij in de maling genomen was en moest Mia maken dat ze weg kwam.

Brandus
Toen
ik nog op vliegkamp “De Kooy” werkzaam was werd er altijd in schaftijd een
partijtje Volleybal gespeeld in de sportzaal. Ik deed daar ook altijd aan
mee en kon, ondanks mijn handicap, aardig meekomen. Vooral met serveren wist
ik menig puntje te scoren.
Zonder dat ik het wist stond er altijd een marineman te kijken.
Jaren later toen ik gepensioneerd was en uiteindelijk in Vreedenhoff kwam te wonen kwam er, in de recreatiezaal aldaar, op een gegeven moment een man op me af en zei:” Ik ken u van vliegkamp “De Kooy.” Ik zei: ”Sorry, maar ik ken u niet.” Waarop hij antwoordde: “Ik bewonderde u altijd zo als u op “De Kooy” aan het volleyballen was.” Mijn naam is Pièrre en ik sta hier vaak achter de tap.
Nadat ik mij ook voorgesteld had ontstond een geanimeerd gesprek en hieruit kwam naar voren dat hij ook aan toneel gedaan had en in een bandje trompet gespeeld had. We hadden elkaar in ieder geval veel te vertellen.
Niet veel later heeft hij ook kennis gemaakt met mijn vrouw Jeanne, die ik altijd Sjaantje noemde. We konden het goed met elkaar vinden en na verloop van tijd ging hij haar ook Sjaantje noemen. Hij mocht haar graag.
Tijdens de ziekte van Sjaantje leefde hij erg mee en bezocht haar ook in het ziekenhuis. Helaas is Sjaantje niet meer. Nu 3 jaar geleden, om precies te zijn op 23 september 2003, is zij overleden.
Enkele dagen geleden toen ik achter de computer zat voelde ik plotseling een hand op mijn schouder en toen ik omkeek bleek het Pièrre te zijn. Ik vroeg hem waarom hij dat deed en kreeg als antwoord: “Zomaar.” Ik begreep er niet veel van. Toen ik om 5 uur naar huis wilde gaan vroeg hij: ”Ben je alleen thuis?”
Ik antwoordde bevestigend. Hij zei: ”Dan kom ik zo even bij je langs, want ik wil graag nog een keer de foto van Sjaantje zien die op je bureau staat.”
Ik zei: “Oké, en dan drinken we gelijk een borreltje.” En zo kreeg ik even later Pièrre op bezoek. Nu drink ik altijd voor het eten een borreltje en met een klein gebed staande bij haar foto proost ik dan op Sjaantje.
Ik
wist van Pièrre dat hij niet gelovig is, omdat hij eens tegen mij gezegd
had: “Dood is dood.”
Nadat ik mijn gebedje gedaan had, stond Pièrre plotseling op, liep met z´n flesje bier naar de foto van Sjaantje, sprak een soort kort gebed uit en proostte op Sjaantje.
Dat moment ontroerde mij enorm. Ik begreep meteen waarom hij die middag een hand op m´n schouder lag.
Met een brok in m´n keel heb ik hem bedankt.
Brandus
In 1922 verscheen in de toenmalige Volkscourant een stripverhaal over Bulletje en Boonestaak geschreven door A.M. de Jong, de tekeningen zijn van George van Raemsdonck.
Het gaat over twee knapen van plm. 12 jaar die wel eens een wereldreis mee wilde maken aan boord van het schip waarop hun vaders resp. kapitein en stuurman waren. Dan konden zij eens een hele tijd bij hun vaders zijn die zij zo weinig zagen omdat deze zo vaak en lang van huis waren i.v.m. de lange reizen die gemaakt werden. Zo besloten zij op de avond voor het schip vertrok stiekem, via een tros waarmee het schip was afgemeerd, aan boord te klauteren. Dat lukte wonderwel en zij verstopten zich daarna in het ruim waar de kolen lagen opgeslagen om het stoomschip varende te houden.
Natuurlijk worden zij na verloop van tijd moment ontdekt. Na een opgelegde straf besluiten hun vaders ze maar mee te nemen op hun reis omdat ze het toch wel leuk en gezellig vonden hun zoon´s een tijd bij hun te hebben.
Zo beleven zij allerlei avonturen met het koksmaatje Kalkhoofd en met de bootsman Hein die prachtige verhalen kon vertellen.
Door de koffie en theefabriek van Nelle in Rotterdam werden al de verhalen uitgegeven in boekwerkjes. Men moest dan een bepaald aantal koffiebonnen of theebonnen opsturen om in het bezit van zo´n boekwerkje te komen. In totaal waren er zeven delen. De serie heeft gelopen tot 1937.
Zelf heb ik alle delen zeker wel driemaal gelezen. Ik heb er enorm van genoten en vond ze reusachtig spannend en amusant. Ik veronderstel dat de ouderen onder u vast wel eens van Bulletje en Boonestaak hebben gehoord of gelezen.
Een aantal van de herdruk van deze boekjes zijn nu in het bezit van m´n kleinzoon Danny dia inmiddels ook al weer in de dertig is. Toen hij een jaar of 9 was kwam hij steeds een deel lenen en als hij dat uit had kwam hij een volgend deel halen zonder dat hij het reeds geleende deel mee terug bracht. En zo kwam hij in het bezit van mijn boekjes van Bulletje en Boonestaak. De linkmiegel.
En nu blijkt dat ook mijn computerleraar Kees Bakker vroeger gek was op de verhalen van Bulletje en Boonestaak. Hartstikke leuk!
Om u een indruk te geven onderstaand enkele afbeeldingen uit deze boekjes..



Brandus
(Klik op de volgende link voor meer......... over deze Bulletje en Boonestaak! http://www.dbnl.org/tekst/jong003were01_01/ )

Van mijn 14e tot 16e jaar heb ik op catechisatie gezeten in de Remonstrantse kerk te Rotterdam en kreeg ik bijbelles van dominee Tjalsma.
Ongeveer een jaar geleden ging ik op een woensdagavond naar de kerk aan de Molenvaart in Anna Paulowna met een stuk koraal dat ik van m´n dochter had gekregen om aan een kennisje van mij te geven. Mijn schoonzoon had dat destijds uit zee opgedoken. Van mij wisten zij dat het kennisje van mij gek is op alles wat maar met de zee te maken heeft.
Ik wist dat zij op woensdagavond naar de Bijbelstudie ging en besloot het even naar haar toe brengen voor het begin van de Bijbelstudie.
Deze werd gehouden in de pastorie van de kerk, maar eerst werd er in de kerk koffie gedronken. Toen ik het stuk koraal in de hal van de kerk aan haar had gegeven nodigde zij mij uit om in de kerk mee koffie te drinken en daarna een Bijbelstudie mee te maken in de pastorie.
Omdat ik die avond verder toch niets om handen had zei ik: “Vooruit dan maar.”
Dus ik mee de kerk in. En wat gebeurde er?
Toen de koffie voor mij was ingeschonken en ik amper een teug genomen had pakte één van de aanwezigen dames plotseling mijn kop koffie op en zei:
“Ik breng het wel even voor u naar de pastorie dan hoeft u er niet mee te lopen.”
Natuurlijk lief van haar, maar zij was zeker bang dat ik de benen zou nemen.
Dus ik achter haar aan naar de pastorie. Daar werd ik hartelijk welkom geheten door de persoon die de Bijbelstudie leidde.
En zo maakte deze “man op leeftijd” onder het genot van een “bakkie koffie” na heeeeeel veel jaren weer eens een Bijbelstudie mee.
Grappig!
En zo zie je maar: “God´s wegen zijn ondoorgrondelijk!”
Brandus
Heel veel jaren geleden speelde ik mee in bovengenoemde revueschets.
Hierin speelde ik een oud mannetje (mannetje op leeftijd), die na 40 jaar een oude liefde van hem opzoekt om de relatie weer te herstellen. De eerste zinnen die ik moest zeggen waren: ”40 jaar later en voor het eerst kom ik weer over je drempeltje. Diep in me was een stem die zei ga, en ik gong, ik ging bedoel ik.” Er ontwikkelt zich dan een heel gesprek over hoe het vroeger allemaal was en hoe gelukkig zij waren en waarachtig, de “oudjes” komen weer tot elkaar.
Tijdens deze schets zingen zij beiden het toen bekende liedje waarvan ik me onderstaande 3 coupletten nog herinner.
Ik denk dikwijls aan die jaren
toen wij nog kinderen waren
O wat speelden wij vrolijk met elkander
Ik denk dikwijls aan die tijd
Wij liepen steeds tezamen
Als we de school uitkwamen
Zo verliefd en gelukkig met elkander
Ik denk dikwijls aan die tijd
Later werd jij m´n meisje
liepen we saam in ´t plantsoen
En bij ´t licht van ´t maantje
Gaf je mij de eerste zoen
Op de foto.: Tiny van Engelsdorp Gastelaars, Wybe Klinge,
en achter de piano Mevr. Hoebe-Bijl.
.
Natuurlijk denkt iedereen dat dit in werkelijkheid nooit zal gebeuren.
Verkeerd gedacht!
De ouders van een kennisje van mij zijn 40 jaar geleden gescheiden en later beide hertrouwd. Inmiddels is haar moeder al 7 jaar weduwe en haar vader sinds een jaar weduwnaar. Via e-mailtjes kwamen ze weer in kontakt met elkaar en onlangs werd besloten elkaar weer eens te ontmoeten. Zij hadden daarbij wel wat steun nodig van mijn kennisje en haar oudere broer om een brug te slaan.
Mijn kennisje fungeerde in hoofdzaak vanaf de zijlijn, als het ware als een soort schakel, wat wel de nodige takt vereiste. Het eerste contact heeft tijdens een etentje plaats gevonden en onlangs kwam het hele gezin bij elkaar en dat verliep reuze gezellig en zowaar werd er heel wat af gelachen.
Of het een “HAPPY END” wordt weet ik niet, de tijd zal het leren.
Maar het gezegde luidt: “Oude liefde roest niet.”
Brandus

In de twintiger jaren was de Amerikaanse zanger Al Jolson heel bekend.
Vooral door het liedje “Oh Sonny Boy” werd hij een wereldster.
Hij trad altijd op met een pikzwart geschminkt gezicht met witte lippen.

Mijn veel oudere broer Maarten (zelf was ik een “nakomertje” van een jaar
of drie vier) was een groot bewonderaar van Al Johnson en zong vaak, niet onverdienstelijk, veel liedjes van hem.
Op zeker moment kwam het idee bij hem op om zo nu en dan als
Al Jolson in café´s op te treden om een extra zakcentje te verdienen.
Hij wist het trouwpak van mijn vader te bemachtigen om zich te verkleden.
Met schoensmeer maakte hij zijn gezicht pikzwart en ik vermoed met een stukje
krijt of iets dergelijks zijn lippen wit.
Al de spulletjes nam hij stiekem mee van huis, want mijn moeder mocht het niet aan de weet komen, omdat die het vast en zeker niet goed gevonden had.
Hij was wel zo link, dat hij het trouwpak van mijn vader pikte als die op zee zat. Mijn vader voer n.l. als machinist op de grote vaart en was dus vaak van huis.
De verkleedpartij en het schminken voltrok zich meestal, na goedvinden van de kroegbaas, op het toilet van het café, waarna hij optrad als Al Jolson en zo een aardig zakcentje verdiende.
Hoe hij dit steeds voor mijn moeder verborgen wist te houden is me een raadsel.
Pas jaren later kwam zij het aan de weet en toen vond ze het een prachtig.
Veel van het bovenstaande heb ik van horen vertellen op verjaardagen, omdat ikzelf destijds veel te jong was.
Mijn broer Maarten had “gouden handjes” en ik heb hem altijd bewonderd om z´n handigheid en veelzijdigheid. We konden goed met elkaar opschieten.
Tijdens de barre hongerwinter 1944/´45 heb ik diverse bijzondere hongertochten met hem gemaakt die onder de rubriek 1940-1945 te lezen zijn.
Brandus

Lang, heel lang geleden was er een candymaker in India die een speciale “candy” heeft gemaakt. Hij deed dit van een soort hard wit snoepgoed (pepermunt), dat de onbevlekte ontvangenis, de belofte van God, de dood van Jezus Christus, plus de structuur van de kerk inhield.
Hij maakte de candy in de vorm van een “J “ voor de naam “Jezus ” en tevens
in de vorm van een herdersstaf voor het zo nodig ophalen van afgedwaalde lammeren en schapen.
De candymaker bracht rode strepen in deze candy aan als symbool van het lijden van Jezus aan het kruis.
Als u deze candy ziet herinner u dan:
De betekenis van deze “ candy “ heb ik nooit begrepen. Ik heb altijd gedacht dat het een soort “wandelstok” was. Jarenlang heb ik regelmatig aan anderen gevraagd of zij de betekenis wisten, echter zonder resultaat. Veel mensen weten dus blijkbaar ook de betekenis van deze “candy” niet.
Tot mijn grote verbazing kreeg ik een kerstkaart van de mij bekende familie Sijm waarin het bovenstaande staat beschreven en “deze man op leeftijd” nu eindelijk de betekenis van deze “candy” weet.
En zo zie je maar:
Brandus

In de zomer van 1949 kampeerde mijn vrouw en ik met onze jongste dochter Mia (toen een jaar of 2) op de toen nog eenvoudige kampeerboerderij van de familie van Nunen in Oosterhout.
Wij
sliepen in een gedeelte van een enigszins omgebouwde paardenstal.
Rechts op de foto mijn vrouw en ik. Achtergrond de paardenstal.
Naast onze slaapplaats was er nog een slaapgelegenheid voor een boom van een kerel die als bootwerker werkzaam was in de havens van Rotterdam.
Daarboven was een zolder, waar zo´n 20 welpen van de padvinderij sliepen.
De bootwerker was de herrie en het lawaai in de havens van Rotterdam ontvlucht voor een “rustige” let wel “rustige” vakantie op de kampeerboerderij van de fam. van Nunen.
Nou, de eerste dagen kwam daar weinig van terecht.
U begrijpt dat die welpen niet direct braaf gingen slapen, maar eerst daar boven op de zolder flink “keet” schopten en voor ze aan slapen toekwamen was het al zowat middernacht. Dit was zo al een paar dagen het geval, tot het de bootwerker op een avond “teveel” werd en hij bulderde:
“ Houwen jullie nou g…………… je muilen is op mekaar!”
De stippeltjes mag uzelf invullen, maar opslag was het doodstil, en het bleef doodstil. De welpen waren zich de zenuwen geschrokken.
M´n vrouw en ik stikte bijna van het ingehouden lachen, terwijl ons dochtertje Mia rustig door alles heen sliep.
De dagen daarna zijn de welpen braaf op tijd gaan slapen tot grote opluchting van de bootwerker, die overigens een “goedsul” was waar geen greintje kwaad bij zat. De rest van zijn vakantie waren de welpen en hij dan ook de beste “maatjes” en heeft hij achteraf smakelijk om het gebeuren gelachen.
Noot:
![]() |
Van de gemeente Anna Paulowna kreeg ik een uitnodiging om samen met
Sarina Sanders op zaterdag 13 januari 2007 het naamplaatje van het
“WMO KOPPUNT” loket (WMO = Wet Maatschappelijke Ondersteuning)
te
onthullen door het wegtrekken van een gordijn dat de naam van de instelling
verborgen hield.
Toen ik enige tijd voor de onthulling plaats zou vinden in het gemeentehuis arriveerde werd ik hartelijk welkom geheten door Petra Toornstra.
Mij was ter oren gekomen dat één van de dames van het gemeentehuis mij wel kon zoenen als ik de uitnodiging aanvaardde. Toen ik aan haar vroeg wie deze dame dan wel was begon ze te lachen en wist ik meteen dat zij het was.
Sportief zoende zij me dan ook op beide wangen en een hartelijker ontvangst had ik me niet kunnen wensen.
Omdat het nog wel even zou duren alvorens de “plechtigheid” plaats zou vinden nam ik plaats op het zitbankje in de hal. Na enige tijd kwam de burgemeester naast mij zitten om een praatje te maken en terwijl wij zo gezellig aan het babbelen waren kwam er een echtpaar op ons af en vroeg de man aan mij of ik de burgemeester was.
Ik voelde me (gezien mijn leeftijd) zeer gevleid, maar wees op de burgemeester naast mij. Deze zei, na met de man kennis gemaakt te hebben: ” Maar deze man (hij wees op mij) is een belangrijk persoon”. Waarop ik voor de grap reageerde met: ”Ja, ik ben de loco-burgemeester.”
De burgemeester kon met moeite een glimlach onderdrukken.
De vrouw van de man vroeg mij wanneer de raadsvergadering was en toen heb ik haar verteld dat ik het niet wist en maar een grapje maakte en dat ik geen loco-burgemeester was maar een gepensioneerde rijksambtenaar.
Gelukkig kon men de grap wel waarderen.
Om half elf gaf wethouder Franken voor de aanwezigen een uiteenzetting omtrent de bedoeling en op welke wijze de vergoeding van thuiszorg en dergelijke voortaan door de gemeente zal worden geregeld.
Vervolgens werden de dames Karin Verbruggen en Esther de Groot aan het publiek voorgesteld die de mensen, die daarvoor in aanmerking, komen met raad en daad zullen bijstaan.
Hierna werden Sarina en ik uitgenodigd om via het wegtrekken van het gordijn het naambord te onthullen.
Met enige moeite lukte dat, waarna een hartelijk applaus volgde.
Namens de gemeente werd door wethouder Franken aan Sarina en mij een leuke attentie overhandigd en was er gelegenheid om nog gezellig een kopje koffie te drinken met een versnapering.

Van mijn dochter Anja kreeg ik in 2003 een geheel verzorgde reis naar Las Vegas aangeboden van 12 t/m 27 december. En wat heb ik genoten!
Na in Philadelphia overgestapt te zijn landde het vliegtuig ´s-avonds om 23.30 uur in Las Vegas, waar ik door Anja en haar Amerikaanse vriendin Susie werd opgewacht.
Om te beginnen maakte
Susie een rondrit door Las Vegas met haar auto om mij de prachtige en
feestelijke Kerstverlichting te laten zien, waarna ik naar hotel
“Frontier”
werd gebracht. Na het uitpakken van de bagage etc. dook ik doodvermoeid in
bed.
De volgende dag ben ik met Anja naar een enorm grote Cowboy-beurs geweest waar ik m´n ogen heb uitgekeken. Wat daar allemaal te koop was, is ongelooflijk.
Wel meer dan duizend met de hand gemaakte leren Cowboyhoeden. Deze zijn erg prijzig. Evenals de lederen hoedendozen die met de hand bewerkt zijn.
Ook
Indianen kleding is te daar koop. Vooral de lederen kleding voor de zgn.
“Squaw´s” is prachtig. Evenals de met de hand bewerkte lederen zadels.
De ruime lederen bankstellen waarin allerlei met de hand gesneden cowboytaferelen staan zijn bijzonder mooi. Ik heb er in gezeten en je zit er heerlijk comfortabel in. Over de prijs zal ik maar zwijgen. Cowboylaarzen voor mannen en laarsjes voor vrouwen bij de vleet!
Bij een min of meer bekende Cowboy heeft m´n dochter een poster van hem gehaald, waarop zijn handtekening en mijn naam staan. Dit als herinnering.
Hierna zijn we naar de “Bingo” geweest en dank zij oplettendheid van Anja een prijsje van 19 dollar gewonnen.
Benzine is daar enorm goedkoop t.w. 1 dollar 57 per gallon (plm. 4 liter) wat ongeveer gelijk is aan 1 euro 57. Het eten is erg goed en goedkoop. Als je “Buffet” neemt, kan je onbeperkt van alles en nog wat eten voor slechts 8 dollar (8 euro).
Ik ben de middag daarop met Anja weer naar de “Bingo” geweest. Door een ouder echtpaar werd de “Jackpot” van maar liefst 109.750 dollar gewonnen. Vanzelfsprekend waren die dolgelukkig.
s-Avonds zijn we naar de show “La Caga” geweest van Frank Marino. Daarin treden allemaal als vrouw verklede kerels op. Anja had dit expres niet tegen mij gezegd omdat ze wist dat ik daar niet zo op gesteld ben. Als je niet weet dat het mannen zijn zou je er als kerel lelijk intuinen. Die mannelijke artiesten hebben allemaal prachtig gevormde benen waarop menige vrouw jaloers zou zijn.
Er was er één bij die Tina Turner op een fantastische wijze imiteerde.
Veel jonge vrouwen raakte op een bepaalde manier opgewonden van die als vrouwen verklede kerels en begonnen te gillen en te schreeuwen tijdens hun optreden. Ik heb ze met verbazing gadegeslagen.
Na afloop zijn we wezen eten bij een Italiaanse eetgelegenheid en werden daar geholpen door een Nederlandse serveerster uit Amsterdam. Hoe is het mogelijk.
Ze was 7 jaar geleden naar Las Vegas gekomen op vakantie en gelijk gebleven.
Ze miste alleen de “nieuwe haring.” Ja, Nederlanders kom je overal tegen!
De
volgende dag zijn we naar een geweldig groot “Romaans” winkelcentrum geweest
met prachtige beelden en beeldhouwwerken.
Anja zei: ” Pa, moet je eens naar boven kijken dan zie je een mooie blauwe lucht met overdrijvende wolken.” En inderdaad het was zo. Maar het blijkt allemaal niet echt te zijn, maar ongelooflijk goed nagebootst.
Bij een beeldengroep van Julias Ceasar, met vrouw en zoon met zwaard lopen ook mensen in Romaanse klederdracht die allerlei informatie geven. Zo ook bij de beeldengroep Bacchus (de God van de drank). Anja vertelde dat ieder heel uur deze beelden tot leven komen, waarop ik reageerde met de opmerking: ”Je denkt zeker je vader in de maling te nemen.” Ze zei: ”Nou wacht maar af.” En inderdaad, het is echt zo. Elk heel uur gaan die beelden die op pilaren in de grond blijken te staan plm. 2 meter omhoog en praten en bewegen zich, evenals hun lippen, handen en vingers. Julias Ceasar staat op uit z´n stoel en begint een redevoering te houden. Op een gegeven moment breekt er hevig onweer los met donder en bliksem en vuur uit de fonteinen, ja er komt zelfs vuur uit het zwaard van de zoon van Julias Ceasar. Dit alles met schitterende lichteffecten.
Je gelooft je ogen niet.
Ook bij de beeldengroep van Bacchus en zijn vrouwen gebeurd van alles.
De vrouwen praten met elkaar en bewegen, terwijl Bacchus lekker zit te “tetteren.” De voorstelling duurt ongeveer een kwartier, waarna de pilaren waarop de beelden staan weer in de grond zakken en de beelden weer in standbeelden veranderen.
Dit alles geloof je alleen maar als je het zelf gezien hebt.
De volgende attractie waar ik met Anja naar toe geweest ben was het overdekt winkelcentrum Venetië, waar ik m´n ogen heb uitgekeken.
Schitterende
plafonds- en wandschilderingen van enorme omvang. Prachtige beeldhouwwerken.
Venetië gedeeltelijk nagebouwd met gondels op het water en zingende
gondeliers. Toen we er waren hadden we het geluk dat er net een trouwerij in
een wit met goud omlijnde gondel plaats vond, precies op de plek waar wij
stonden. In de gondel zaten behalve het bruidspaar ook een ambtenaar van de
burgerlijke stand en de getuigen. Dus alles officieel.
Na
de trouwplechtigheid met het kussen, het traantje bij de bruid, voer de
gondel weg onder het applaus van het publiek en zong de gondelier het
welbekende lied “Oh Solomio.”
Ook de Eiffeltoren, zij het in een kleinere vorm, is in Las Vegas aanwezig.
De dag daarop naar een 3 etage´s hoge en overdekt winkelcentrum geweest met heel veel juwelierszaken en dure kledingzaken waar veel prominente figuren hun inkopen doen.
Er is daar ook een juwelierszaak waar alleen “Rolex” horloges te koop zijn. In deze zaak is constant een politieagent aanwezig.
Hier zijn ook enorm veel en allerlei soorten “Snackbars.”
Griekse, Italiaanse, Amerikaanse, Indische, nou ja, te veel om op te noemen.
s-Avonds
zijn we naar linedancing in hotel Frontier wezen kijken en hier hebben we
cowboyvoedsel gegeten, bonen en veel vlees. Er werden wedstrijden gehouden
wie er het langst op een wilde bewegende namaakstier kon blijven zitten.
Er werd ook les gegeven in “line-dancing.”
1e Kerstdag naar een imposante kerk geweest waar plm. 3000 mensen aanwezig waren. Vluchtig nog even kennis gemaakt met de dominee.
Tijdens de kerkdienst werden onder meer 2 toneelstukjes opgevoerd.
En hoewel de acteurs amateurs waren, werd er heel goed gespeeld.
2e Kerstdag met Anja naar een Hotel-Casino in een andere plaats geweest waar de man van Anja´s vriendin Susie werkzaam is. W zijn daar met een bus naar toe gereden. Daar hoef je niet voor te betalen. Gebruikelijk is dat je de chauffeur 1 dollar (is plm. 1 euro) fooi geeft.
De tuinen van dit Hotel-Casino zijn prachtig verlicht met allerlei kleuren.
Anja heeft ons daar getrakteerd op een Kerstdiner. Erg lekker.

De
volgende dag naar de show van illusionist David Copperfield geweest.
Geweldig wat ik daar allemaal gezien heb. Je weet dat je voor de gek gehouden wordt, maar snapt er niets van.
Toevallig waren de ouders van David Copperfield die avond ook in de zaal aanwezig en werden door hem hartelijk welkom geheten. Zij zaten vlak voor ons
En we hebben na afloop van de voorstelling nog even vluchtig kennis met hun gemaakt.
Ook
met Anja naar een formidabele show in theater “Jubilee” geweest.
Er
werden allerlei gedeelten van musicals opgevoerd. Te beginnen met liedjes
uit de jaren twintig van o.a. Al Johnson met uiteraard ook kleding uit die
tijd.
Enkele van deze liedjes kon ik mij nog goed herinneren omdat mijn broer Maarten die altijd zong. (Zie mijn verhaal Al Johnson)
Uit de musical “Titanic” werden enkele scènes ten tonele gebracht.
Op het toneel zie je
het schip in zee zinken en in mistdampen zie je de reddi
ngsboten
voorbij varen.
Aan deze show werken over de honderd mensen mee, o.a. showgirls, trommelaars, in gordijnen zwevende acrobaten, enz., enz.
Kleding, décors, belichting, kortom alles was perfect.
Om nooit te vergeten!!!
Al het bovenstaande geeft zo ongeveer weer die dingen die ik gezien en meegemaakt heb. Las Vegas staat bekend als een “GOKSTAD” en dat is ook inderdaad zo.
Praktisch overal zijn Casino´s en hoor je het geratel van de gokmachines. In alle winkelcentra zijn rolstoelen te huur voor mensen die slecht ter been zijn. Alle winkels zijn 24 uur open en overal is steeds de politie aanwezig.
Het was voor mij een hele belevenis dit alles te hebben mogen meemaken.
Anja, BEDANKT!!!
Ik zal een jaar of twee geweest zijn toen ik op een dag graag een dameshoedje wilde hebben. Niemand begreep waarom.
Iedereen vroeg verwonderd “een dameshoedje?” Wil je niet een ander cadeautje “broertje”, wat moet je nou met een dameshoedje. Ik werd altijd “broertje” genoemd omdat ik de jongste uit het nest van 9 kinderen was.
Er
werd allerlei speelgoed opgenoemd, maar ik was niet van m´n stuk te krijgen.
Ik wilde perse een dameshoedje.
Nou, er werden allerlei dameshoedjes opgetrommeld en op m´n kop gezet, maar ik bleef maar om een dameshoedje zeuren. Iedere keer als er weer een ander dameshoedje op m´n kop gezet werd riep ik:
“Nee, ik wil een DAMESHOEDJE”.
Natuurlijk werd er bij elk dameshoedje tegen mij gezegd: “Broertje dit is toch een dameshoedje.” Maar broertje vond van niet.
Dit
duurde zo´n tijdje en toen ging bij mijn 18 jaar oudere zus Willemien een
“lichtje branden.” Zij begreep uiteindelijk wat ik bedoelde.
Want wat was het geval? Ik had eens op een verjaardag van een meisje gezien dat die een feestmuts op had. Dat bedoelde ik. Dat wilde ik.
Maar ik wist niet dat het een feestmuts werd genoemd.
Bovendien was dat woord toen veel te moeilijk voor mij.
Ik wist niet beter dan dat het een dameshoedje was.
Nou, Willemien heeft vlug in een feestartikelenwinkel een feestmuts gekocht en die op m´n kop gezet en “broertje” was de koning te rijk!
Noot:
Dit verhaal werd vaak op verjaardagen en dergelijke door Willemien te berde gebracht. Willemien ging er altijd prat op dat zij mij gebakerd had.
Jaren geleden speelden mijn vrouw en ik bridge in de bridgeclub B.B.C. (Breezandse Bridgeclub) in hotel restaurant “Bloemenlust.”
Regelmatig moesten wij toen tegen wethouder Han van Lierop en zijn partner de heer de Vries spelen.
Het dient gezegd, het was altijd prettig spelen tegen hen, met wisselend succes.
Nu is Han van Lierop (inmiddels gepensioneerd) een verwoed postzegelverzamelaar, terwijl mijn vrouw en ik destijds ook postzegels verzamelden. Zo nu en dan nam ik enkele postzegels voor hem mee die wij dubbel hadden en dan was hij als een kind zo blij.
Bij openingen van diverse evenementen moest hij vaak als wethouder of loco-burgemeester aanwezig zijn om de opening te verrichten en een speech te houden.
Een foto van hem stond dan steevast in de Polderbode.
Op
een keer toen er weer een foto in de Polderbode van hem stond waarop zijn
hoofd bijzonder goed uitkwam, kreeg ik plotseling het idee om zijn hoofd als
bijzondere postzegel te gebruiken en aan hem te geven.
Ik knipte zijn hoofd uit de Polderbode en deed deze in een gesloten enveloppe.
Op de bridgeclub overhandigde ik, een beetje geheimzinnig, de enveloppe aan hem en fluisterde hem toe:”Hierin zit een heel zeldzame postzegel, maar omdat ik u zo graag mag wil ik hem toch aan u geven. Open hem maar als u thuis bent, want hier heeft niemand iets mee te maken.”
Heel voorzichtig stopte hij de enveloppe in de binnenzak van zijn jasje en bedankte mij heel hartelijk..
Graag had ik zijn gezicht willen zien toen hij thuis gekomen de enveloppe opende en zijn eigen uitgeknipte hoofd er uit haalde als de zeldzame postzegel.
Nooit heeft hij hierop gereageerd.
Pas vanmorgen ( 08 mei 2007) toen ik hem bij het postkantoor tegenkwam en hem er aan herinnerde, vertelde hij me dat hij het een prachtmop heeft gevonden.
Brandus
Wat is uierboord?
Heel veel mensen, uitgezonderd de meeste Rotterdammers, weten niet wat uierboord is.
Uierboord
werd in de volksmond “koeientiet” genoemd, dat in de dertiger jaren(werkeloosheid
en crisistijd), door meestal arme gezinnen werd gegeten, vooral
in Rotterdam. Bij elke slager in Rotterdam was het destijds te koop.
Of dat nu nog zo is weet ik niet, maar ik denk dat er ook nu in Rotterdam nog wel slagers te vinden zijn die het verkopen.
Ik kan me nog herinneren dat er in de Spanjaardstraat in Rotterdam op de markt een kraam stond waar je uitsluitend gekookte uierboord kon kopen..
Veel vrouwen kwamen dan met een pannetje aan de kraam om uierboord te kopen en kregen er dan ook wat jus bij.
Het was te koop in stukken of plakken. Uierboord kan ook gestoofd of gebakken worden gegeten.
Het is te
vergelijken
met gekookte lever, en heeft een gele kleur.
Een enkele keer werd het bij ons thuis ook wel eens gegeten op brood en met wat zout er op is het best wel te eten.
In Rotterdam wordt er elk jaar door mensen uit de artiestenwereld een “Uierboordfeest” georganiseerd in één of ander hotel restaurant waar veel bekende, en vooral Rotterdamse artiesten op af komen.
André van Duin is gek op uierboord en hij is dan ook elk jaar op dit, voor hun feestmaal, van de partij.
Het zal in 1978 geweest zijn toen er een fietstocht rondom Anna Paulowna werd gehouden. Men kon voor twee afstanden inschrijven, t.w. 16 of 32 km.
Mijn
schoonzoon Andy Pormes, mijn dochter Mia,
Arie en Ria Schenkel, de families Witkamp, de Haas, en Truyens hadden zich laten inschrijven voor de afstand van 16 km. Zij waren allen trouwe supporters van een voetbal jeugdteam van BKC waarin hun zoontjes speelden.
Ook mijn vrouw en ik behoorden tot de supportersschare. Onze kleinzoon Danny keepte n.l. in dit elftal.
In de rust dronken de vaders en moeders van de spelertjes, m´n vrouw en ik
in de kantine koffie c.q. thee met elkaar. En wat was dat steeds oer gezellig!!!
Hoewel ik in jaren niet meer had gefietst, kregen ze mij zo gek om me ook in te laten schrijven voor de 16 km. afstand.
Start
en finish waren bij het toenmalige zwembad het Oude Veer.
In m´n jonge jaren en in de hongerwinter had ik met m´n kunstbeen zoveel afstanden gefietst en afgelegd, dat een afstandje van 16 km geen bezwaar voor mij mocht zijn.
We kregen een routebeschrijving en mijn schoonzoon Andy fungeerde als gids. De routebeschrijving plaatste hij op het stuur van zijn fiets. Onderweg waren er diverse controleposten waar je een stempeltje op je deelnemerskaart moest halen.
Als
ik me niet vergis moest je voor de 16 km afstand 4 van die stempeltjes
hebben om in aanmerking te komen voor een medaille.
Vol goede moed togen wij op weg, maar na
2 controleposten te zijn gepasseerd kwamen we, na ongeveer een half uurtje te hebben gefietst, nog steeds geen 3e controlepost tegen, laat staan een 4e.
Om een lang verhaal kort te houden heeft Andy na heel veel fietsen, toch de 3e en 4e controlepost gevonden voor de vereiste stempeltjes. Maar de afstand die we inmiddels hadden afgelegd was beduidend meer dan 16 km, volgens mij wel 36 km.
Ik
heb het vermoeden dat Andy de 36 km route heeft gevolgd.
Toen we uiteindelijk bij de finish aankwamen en ik met een enorme zadelpijn (etc.) doodmoe op een stoeltje neer plofte, was ik blij en toch wel een beetje trots dat ik de tocht had volbracht en de medaille kreeg overhandigd …………….
ook al was het de 16 km medaille.
(Op hiernaast geplaatste foto toon ik met enige trots mijn medaille)
Brandus

Inmiddels is het alweer bijna 2 jaar geleden toen mijn kleinzoon Roland in Spanje op 01 oktober 2005 in het huwelijksbootje stapte met zijn Spaanse
bruidje Mar. Vreemd genoeg een wat Hollands aandoende naam voor een Spaanse vrouw.
Ongeveer een maand voor die tijd kreeg ik een telefonische uitnodiging van Roland met de mededeling dat als ik niet kwam, de bruiloft niet door zou gaan.
Nou, en dat wilde ik natuurlijk niet op m´n geweten hebben, dus beloofde ik hem te komen.
Enkele dagen voor de bruiloft stapte ik met m´n schoonzoon Andy Pormes, m´n dochter Mia, m´n kleinzoon Danny en Erna op het vliegtuig naar Spanje. Zelf logeerde ik in hotel Panorama in Estartit, terwijl de anderen elders in Estartit werden ondergebracht.
Brandus en Roland

Een dag voor de “grote dag” vroeg Roland of ik zin had om een rondje Estartit mee te vliegen in zijn sportvliegtuigje.
Nou, dat leek me wel wat. Weer eens wat anders dan in een groot passagiersvliegtuig.
Sommige lieden vroegen mij of ik niet bang was, maar in tegendeel.
Ik vertrouwde mijn hele “ hebben en houwen” met een gerust hart aan Roland toe, in de wetenschap dat hij, zo vlak voor z´n huwelijk, “magere Hein” geen schijn van een kans zou geven.
Alvorens te starten werd alles eerst door Roland zeer grondig gecontroleerd.
Het kostte mij enige moeite om me met mijn kunstbeen in het vliegtuigje te wringen, maar uiteindelijk lukte het.
Ik moet zeggen dat het een hele belevenis was om Estartit zo vanuit de lucht te bekijken met de zee en het strand onder ons. Ik vond het geweldig.
Het starten en landen van het vliegtuigje ging Roland voortreffelijk af.
Ik heb enorm van de rondvlucht genoten.
De volgende dag toog ik ´s-morgens om 9 uur in m’n “pakkie deftig” naar de zaak van Anja, in de veronderstelling dat de trouwerij om een uur of tien - half elf zou plaats vinden.
Van het personeel van de zaak kreeg ik echter te horen dat dit pas in de avonduren plaats zou vinden en we er gezamenlijk om 5 uur heen gingen met een bus.

(Op geplaatste foto bruidspaar Roland en Mar)
Ik liep dus de hele dag mooi te wezen in m´n “pakkie deftig.”
Maar zittend op het terras van restaurant “CHEERS” en onder het genot van een “bakkie” echte Hollandse koffie, ondertussen op m´n gemak mensen kijkend
(een leuke bezigheid), kwam ik de dag wel door.
Tegen vijven meldde ik me bij de bus waar al veel bruiloftsgasten stonden. Toen iedereen aanwezig was vertrokken we. De bus was zo goed als vol.

Het bleek dat de trouwerij in een kasteeltje ergens in de omgeving van Girona zou plaats vinden. Volgens zeggen ongeveer een uurtje rijden om er te komen. Omdat er onderweg een ongeluk had plaats gevonden moest de chauffeur van de bus een flink eind omrijden en arriveerden we dus later dan gepland.
Het kasteeltje stond halverwege op een berg en het bergpad daarheen bleek te smal voor de bus, zodat we met z´n allen naar het kasteeltje moesten lopen.
Nou, en dat heb ik geweten. Het was bloedje heet en met veel gepuf en inwendig gevloek, bereikte ik het kasteeltje.
Daar heb ik Roland gekscherend om een medaille en een getuigschrift gevraagd als beloning voor al m´n inspanningen.
Na de huwelijksvoltrekking (in het Spaans) en de felicitaties, kon men zich te goed doen aan allerlei hapjes en drankjes.
Een
kok was steeds druk in de weer om allerlei heerlijke warme hapjes te maken.
Dit alles duurde ongeveer een uur. Gedurende die tijd werd er heel wat af
gedronk
en en gekletst. Zowel in het Spaans, Duits. Engels en Nederlands.
Het was een internationaal gekakel van jewelste.
Voor de grap nam ik op een gegeven moment achter de dichtgeklapte piano plaats. Deze bleek op slot. Met veel bravour en verwarde haren voor m´n gezicht deed ik net of ik de 7e symfonie van Beethoven speelde.
Tot m´n stomme verbazing kreeg ik aan het eind van m´n pantomime nog
applaus ook, maar wellicht dat ze gedacht hebben: “die kerel is dronken.”
Inmiddels was het tijd geworden om aan tafel te gaan voor het diner, en dat was in één woord voortreffelijk!
Tegen twa
alven was er
gelegenheid voor een dansje. De muziek werd verzorgd door een disjockey
onder het motto: “het hoeft niet mooi te zijn als het maar hard is.”
Al gauw vluchtte ik dan ook de tuin van het kasteel in, die met schijnwerpers schitterend was verlicht in allerlei kleuren.
De bruiloft hield ik voor gezien.
Af en toe kwam er iemand in de tuin om een luchtje te scheppen of om een praatje met me te maken.
Ook Angeliquie (een vroegere medewerkster van Anja) kwam op een gegeven moment naar me toe en zei met een zacht en zielig stemmetje:
”Ik ben jarig.” Dat deed me wel wat.
Ik vermoedde dat ze zich in al het feestgedruis toch wat eenzaam voelde.
Ik heb haar gefeliciteerd en getracht wat op te vrolijken.
Het zal 2 uur, half drie geweest zijn toen aan het feest een einde kwam en de terugtocht werd aanvaard.
Gelukkig hoefde ik niet lopend de berg af, maar bracht mijn kleindochter Marianne en haar vriend Dirk mij met hun auto naar de gereedstaande bus onderaan de berg.
Op de terugweg zong IK, af en toe bijgestaan door bruidegom Roland, het hoogste lied. De anderen waren of te moe, of hadden te diep in het glaasje gekeken.
Budy (een goede kennis) was zich nergens meer van bewust en lag zalig in “Bachus” armen te ronken.
Tegen 5 uur in de morgen kroop ik (niet dronken) in hotel Panorama onder de wol en was blij dat IK deze bruiloft niet hoefde te betalen.
Brandus
Onderstaand nog enkele foto´s.

Robi, Anja en Brandus

Andy en Brandus

Angélique en Brandus
Jaren en jaren geleden toen we nog in de Olivier van Noordstraat in Den Helder woonde werden we door Anja en haar man Bas uitgenodigd om een 14 daagse vakantie door te brengen in een door hun gehuurd vakantiehuisje in Teroele Idskehuizen in Friesland gelegen aan het Koevordermeer en met gebruik van een zeilboot.
Nou, daar hadden m´n vrouw en ik wel oren naar.
Bas had dit huisje gehuurd aan de hand van een advertentie in de “Telegraaf.”
Op de vrijdagavond voor ons vertrek naar, het door ons uitgesproken
Teroele Ipske Huuzen, was Roland (hun zoontje) plotsklaps niet erg lekker en wij vreesden dat onze vakantie in duigen zou vallen. Maar gelukkig was hij de volgende morgen weer wat opgeknapt en had geen koorts. Daarom waagden wij het er op naar Teroele Ipske Huuzen te vertrekken.
Het zal ongeveer 10 uur in de morgen geweest zijn toen we, na veel zoekwerk, bij het minuscule dorpje (toentertijd 20 inwoners) aan kwamen.
Onderweg waren we een
nogal bouwvallig houten huisje gepasseerd in een
modderig
weiland.
Voor de grap zei ik tegen Anja: ” Dat is zeker ons vakantiehuisje.” Waarop zij antwoordde:
“M´n vader heeft weer wat. Natuurlijk niet!”
Bij een aannemer in het dorpje moest de sleutel worden opgehaald en kregen we te horen waar het huisje stond. En jawel hoor, het was het bewuste huisje wat we onderweg waren tegen gekomen.
Na ons door de modder (het had enkele dagen voor we vertrokken flink geregend) een weg te hebben gebaand, en Bas met de sleutel het huisje had geopend, zagen we als eerste in het halletje een grote gedenkplaat hangen met de titel: “Ter herinnering aan de Belgische vluchtelingen.”
Nou, dat was een leuke binnenkomer, want, toeval of niet, Bas en Anja woonde op dat moment in België. Dat was dus lachen geblazen.
Toen we
de kamer binnen
kwamen was het eerste wat opviel de velen sporen slakkenslijm op het nogal
versleten vloerkleed.
Ik plofte in een gemakkelijk uitziende fauteuil neer en had gelijk de loszittende leuning in m´n hand.
Bas nieuwsgierig geworden wat er in het kastje van het dressoirtje zou zitten hield bij het openen gelijk het deurtje in z´n hand.
Denk nu niet dat ik dit alles zwaar zit te overdrijven, nee in tegendeel, het is werkelijk waar gebeurd.
Na enige tijd besloten Bas en ik maar eens naar de zeilboot te gaan kijken en wat bleek, de zgn. zeilboot was een ijzeren roeibootje met anderhalve roeispaan.
Niet te geloven.
Het enige positieve was, dat Roland inmiddels helemaal was opgeknapt.
Nou ja, we zijn de dag door gekomen en vrij vroeg naar bed gegaan.
Ook het beddengoed was niet bepaald om over naar huis te schrijven, maar we namen het maar voor lief.
Van slapen kwam echter niet veel terecht, omdat we steeds weer vol verontwaardiging begonnen te praten over het feit dat iemand zoiets durfde te verhuren.
Het zal ongeveer 6 uur in de morgen geweest zijn toen ik luidkeels riep:
“Inpakken en weg wezen. Ik blijf hier niet langer. In Den Helder heb ik een prachtig huis met alles er op en er aan en ik ben niet van plan hier 14 dagen in deze “gribus” door te brengen.”
Nou, gelukkig was iedereen het daar roerend mee eens en het werd dus:
“inpakken en wegwezen.”
We hadden al ontdekt dat vlakbij een soort kruidenierswinkeltje was dat gelukkig al open was. Het zal toen even over zevenen geweest zijn.
Daar hebben we wat te eten hebben gekocht en aan het vrouwtje dat ons hielp gevraagd of zij de sleutel aan de aannemer terug wilde geven.
Ze vroeg: ”Gaan jullie nu al weg?” en toen we bevestigend antwoordde en verteld hadden waarom, zei ze: “Jullie zijn al de zoveelste die na één dag vertrekken.”
Kan je nagaan!
Wat waren we gelukkig toen we weer in ons eigen vertrouwde huis waren.
Voor ons gold toen echt: ” Eigen haard is goud waard!”
Naar de borgsom die vooruit betaald was konden we fluiten.
Ook waren er een aantal burgers werkzaam die voornamelijk uit Rotterdam en omgeving kwamen.
Zij
werden dan ´s-morgens per truck naar het Transit Camp vervoerd en ´s-avonds
weer naar hun woonplaats gebracht.
Zij kregen een bewijs voor maaltijden, welke in de civiele eetzaal gebruikt moesten worden.
De onderkomens bestonden voornamelijk uit koepelvormige barakken gemaakt van ijzeren golfplaten.
Ongeveer zoiets als op nevenstaande afbeelding.
Ik ben daar ongeveer 2 maanden als telefonist werkzaam geweest en ik woonde toen nog in Schiedam.
Enkele jaren geleden, ik logeerde toen bij een neef van mij,
Arie Klinge en zijn vrouw Alie in Schiedam, vertelde ik Arie dat ik vlak na de oorlog een tijdje in het Transit Camp in Hoek van Holland werkzaam was geweest als telefonist. Tot m´n stomme verbazing zei hij toen dat hij daar ook enige tijd als kok had gewerkt.
Door omstandigheden hadden we elkaar in geen jaren gesproken en het was puur toeval dat ik over het Transit Camp begon.
Frappant toch!
Onderstaand 3 foto´s van legitimatiekaartjes.


Brandus
Mijn broer Maarten zal ongeveer een jaar of 10 geweest zijn toen hij van mijn moeder een paar liter melk moest halen bij de melkboer.
Zij gaf hem een dubbeltje en het melkkannetje, en Maarten ging op stap.
Onderweg kwam hij langs
de Schie waar een paar houten vlotten in het water lagen. Een vlot bestond
uit een stuk of 5 of meer met elkaar verbonden boomstammen.

Deze boomstammen werden dan later in een zagerij tot planken verzaagd.
Enkele jongens waren aan het vlotje springen, een toen niet ongevaarlijke bezigheid. Je moest dan van het éne vlot op het andere springen en dan weer terug zonder in het water te vallen..
Maarten kon de verleiding niet weerstaan en ging met het dubbeltje in de ene en de melkkan in de andere hand ook vlotje springen.
Nu zat er op een bepaald vlot een kleine vierkante opening en of het zo moest zijn sprong Maarten daar per ongeluk precies in. Het dubbeltje in de éne en het melkkannetje in z´n andere hand.
Prompt ging hij kopje onder en verdween. Als door een wonder en tot z´n geluk kwam hij niet onder het vlot terecht.
Even later kwam hij precies in het vierkante gat weer met z´n kop boven water. Vlug werd hij op het vlot getrokken. Het dubbeltje had hij nog in z´n éne hand, maar het melkkannetje in z´n andere hand was verdwenen.
Zo vlug als hij kon rende hij drijfnat naar huis en vertelde wat hem was overkomen. Het dubbeltje gaf hij aan moeder terug.
Zij vroeg waar het melkkannetje gebleven was en toen vertelde hij dat hij dat had los gelaten en in het water lag.
Zonder na te denken zei mijn moeder: “Dan ga je maar terug en kijken of je het kan vinden.”
Mijn vader, die toevalligerwijs nu eens thuis was en niet op zee, zei tegen mijn moeder: ”Ben je gek geworden? Wees blij dat die knul nog leeft. Voor hetzelfde geld was hij onder het vlot terecht gekomen en verdronken.”
Gelukkig drong dit nu ook tot mijn moeder door en hoefde Maarten niet naar het melkkannetje op zoek te gaan.
Naschrift:
Toen dit is gebeurd was ik nog niet geboren.
Het verhaal heb ik uit overlevering en werd regelmatig verteld op verjaardagen en ander familieaangelegenheden.
vriend
Piet Antheunisse, die eveneens in Schiedam woonde in de van
Leeuwenhoeckstraat. Regelmatig kwam ik bij hem thuis op visite.
Gezamenlijk met mijn andere vriend Ad Klok kampeerden wij regelmatig op de kampeerboerderij van de familie van Nunen in Oosterhout.
Piet Antheunisse had een jonger broertje Ton die al jaren woonachtig is in Australië.
Bij een zoektocht op internet kwam Ton bij toeval terecht op de website van Kees Bakker (mijn computerleraar) t.w. www.cjbonline.nl. Hij zag op deze website het e-mailadres van het Internetcafe van Verzorgingstehuis Molenweid in Wieringerwaard, waarop ook mijn verhalen (Verhalen van Vroeger) staan.
Toen hij de naam Brandus Klinge las ging bij hem een “pitje branden” en herinnerde hij dat Brandus destijds een vriend met een
Piet op de fiets in de van Leeuwenhoeckstraat. kunstbeen van zijn broer Piet was. Ook herinnerde hij zich dat deze Brandus Klinge wel eens gekheid met z´n kunstbeen uithaalde. Dat was voor hem een reden via internet vanuit Australië naar mij op zoek te gaan.
Omdat mijn computerleraar Kees Bakker ook les geeft in Molenweid zag hij bij toeval dat Ton Antheunisse via een mailtje naar mij op zoek was en via hem kwam ik aan het mailadres van Ton.
Regelmatig mail ik nu met Ton in Australië die mij, let wel, na bijna 70 jaar bij toeval op het spoor is gekomen.
Als dit niet FRAPPANT te noemen is weet ik het niet meer.
Van Ton ben ik aan de weet gekomen dat mijn jeugdvriend Piet Antheunisse helaas vier jaar geleden op 80 jarige leeftijd is overleden.
Brandus
"Moeder Ant soep”, het petroleumstel
en nog meer
Ik weet nog goed dat mijn
moeder elke week soepgroente met balletjes en een mergpijpje kookte. Dit
werd dan speciaal op een petroleumstel gedaan.
Zij gebruikte hiervoor het petroleumstel want zo zei ze, dat kon het zo lekker zachtjes “trekken.” En het dient gezegd:
de soep van mijn moeder was heerlijk en werd door ons altijd “moeder Ant” soep genoemd.
Mijn moeder heette van haar voornaam Johanna, maar mijn vader noemde haar altijd Ant. Vandaar dat wij het gekscherend altijd “moeder Ant soep" noemde.
Als iemand in de familie soep maakt vragen wij nu nog of het “moeder Ant soep" is.
Ook voor het zgn. “draadjesvlees” werd altijd het petroleumstel gebruikt, want daarop kon het zo heerlijk zachtjes gaar “sudderen.”
´s-Zaterdagmiddag was het meestal witte rijst met krenten, een klont boter en suiker. Ik vond het best wel lekker, maar tegenwoordig hoef je daar niet mee aan te komen, nasi is daarvoor in de plaats gekomen. Ook kregen wij op zaterdagmiddag i.p.v. rijst met krenten wel eens karnemelkse boekweitgrutten met boter en stroop. Als er grutten overbleven werden die de volgende dag gebakken en met boter en stroop gegeten. Lekker en voedzaam.
Als toetje kregen wij na een warme maaltijd vaak griesmeelpudding met bessensap omdat mijn moeder wist dat ik daar gek op was en zij mij wilde verwennen.
Mijn moeder maakte altijd heel veel werk van het eten en het bovenstaande zijn slechts enkele kook en eetgewoonten die ik me nog herinner.
Op 04 mei 2008 werd een “doopdienst” gehouden in de kerk “Anker” te Middenmeer.
Voor deze doop hadden zich 7 mensen opgegeven, waaronder ikzelf.
De reden waarom ik mij liet dopen was gelegen in het feit dat ik destijds een wonderbaarlijke genezing heb meegemaakt in de kerk aan de Burgemeester Mijnliefstraat te Anna Paulowna waar door Bob Brasset uit Canada een genezing samenkomst werd gehouden. (Zie mijn verhaal wonderen bestaan echt.)
De vertaling in het Engels verzorgde Peter de Jong.
Met onze “Lieve Heer” had ik een soort belofte afgesloten dat als ik werkelijk een wonderbaarlijke genezing zou meemaken ik mij zou laten dopen.
Welnu, ik maakte een dergelijke genezing mee en diende mijn belofte dus gestand te doen.
In beginsel was het de bedoeling dat ik mij in zee zou laten dopen, doch die zomer was het behoorlijk koud en steeds slecht weer, terwijl ook mijn bloeddruk veel te hoog was en mijn gezondheidstoestand niet optimaal.
Het dopen werd dus uitgesteld tot de omstandigheden met mijn gezondheid beter waren. Gelukkig was dat op 04 mei j.l. het geval.
Nu is 04 mei voor mij een wat ongelukkige datum omdat ik de oorlog 1940-45
heb meegemaakt en 04 mei een dag is waarop de doden herdacht worden die in genoemde oorlog zijn omgekomen. Omdat de kerk in Middenmeer voor de doop alleen op deze dag beschikbaar was heb ik me uiteindelijk toch voor doop opgegeven, mede omdat ik het niet langer uit wilde stellen.
In mijn jeugd heb ik het, tot verdriet van mijn moeder, nooit laten doen omdat ik mij te slecht vond en de mening ben toegedaan dat als iemand zich laat dopen hij of zij er ook naar moet leven. Voor mezelf was ik de mening toegedaan dat ik dit toen niet kon.
Gezegd dient te worden dat alles voor de doop in Middenmeer prima geregeld was. Zelf had ik de beschikking over de kinderopvangruimte waar ik me rustig kon omkleden voor de doop.
Na de preek van Peter Zeeman was ik het eerste voor de doop aan de beurt.
Het eerste wat
mij opviel was, dat het water tot mijn verrassing heerlijk verwarmd was en
daarop had ik echt niet gerekend. Wel moest ik voorzichtig zijn om niet te
vallen, want het was nogal glad, maar Peter en zijn zoon Menno hielden mij
stevig vast.
Het eerste wat ik zei na mijn onderdompeling was: “Het is volbracht.”
Op de eerste plaats wilde ik hiermee zeggen dat ik mijn belofte aan onze
“Lieve Heer” ben nagekomen en mijn moeder blij geweest zou zijn dat ik mij uiteindelijk toch heb laten dopen.
Voor de tijd die mij nog is gegund zal ik proberen een goed mens te zijn.
Na de doopplechtigheid werd het door mij opgegeven lied “de Heer is mijn Herder” gezongen. Dit lied was het lievelingslied van mijn moeder en dit schoot mij als eerste te binnen toen mij onverwacht werd verzocht of ik een bepaalde voorkeur voor een lied had.
Hierna ging ik me omkleden en nam in de kerk plaats.
Nadat iedereen
gedoopt was en zich had omgekleed werd door Frans Vlaming aan alle
dopelingen een prachtig met de hand gemaakt doopbewijs uitgereikt, waarvoor
mijn complimenten.
Hierna was er voor iedereen de gelegenheid om de dopelingen te feliciteren met hun genomen beslissing en het eventueel overhandigen van een bloemetje en of geschenken.
Daarna was er voor iedereen gelegenheid om in een zaaltje koffie of thee met cake te gebruiken en wat na te kletsen over de afgelopen gebeurtenissen.
Dit werd een gezellig gebeuren en er werd wat afgekletst.
Graag wil ik alle mensen bedanken voor alle bloemen, geschenken, spreuken, bijbelteksten en goede wensen die ik heb gekregen.
Mijn dochter Mia en mijn schoonzoon Andy hebben alles feestelijk uitgestald op tafel bij mij thuis met de bloemen. Prachtig. En wat heb ik veel gekregen!
Een speciaal woord van dank aan Peter Zeeman, zijn zoon Menno voor de gesproken woorden en verder aan de mannen van OASE van het “sterke geslacht” die mij behulpzaam zijn geweest om mijn doop mogelijk te maken.
Brandus
Toen onze dochter Anja voor het eerst ging werken mocht zij haar eerst ontvangen salaris zelf houden. Daarna moest zij een, naar onze mening, klein bedrag aan kostgeld betalen.
Als het eten haar niet aanstond was haar
commentaar steevast:
“Ik betaal nou toch zeker kostgeld!”
Gelukkig trok mijn vrouw Jeanne zich daar weinig van aan, temeer omdat dit zo genaamde kostgeld iedere keer op haar spaarbankboekje werd bijgeschreven om later de uitzet te kunnen betalen wanneer zij ging trouwen.
Maar dat wist Anja niet.
Enkele maanden voor de trouwerij zou plaats vinden, vertelde mijn vrouw haar dat zij elke keer het zogenaamde kostgeld op haar spaarbankboekje had laten bijschrijven voor de uitzet.
Anja kreeg op dat moment een kleur van schaamte en blijdschap en wist niet hoe ze mijn vrouw moest bedanken.
Zo had ze, onverwacht, toch nog een aardig centje voor haar uitzet.
Brandus
Overpeinzing
met grauwe grijze wolken
en een wilde zee
met hoge woeste golven
met witte koppen waarop schuimvlokken

die er van af spatten
en die als het ware van het doek rollen
om alle leed en onrecht op deze wereld
en ook alle frustraties weg te spoelen.
Maar helaas ………………. ik heb het “talent” niet.
Ik zal ongeveer 8 jaar geweest zijn toen ik in Rotterdam regelmatig met Rooms Katholieke vriendjes ging figuurzagen.
Dit gebeurde bij de Kruisvaarders, een Katholieke vereniging.
Ik herinner mij nog dat ik daar ook een zeemeeuw, die op een meerpaal stond, in hout te hebben gebrand.
Ook ging ik ´s-zondags regelmatig met mijn vriendjes naar de R.K. kerk en droeg om mijn nek een blauw Maria medaillon aan een koordje.
Voor het slapen gaan deed ik altijd braaf mijn gebedje.
Ik was geloof ik nog katholieker dan mijn vriendjes.
Op een dag
kwam de pastoor bij ons aan de deur en vroeg aan mijn moeder (mijn vader was
op zee) of zij Katholiek was. Mijn moeder antwoordde ontkennend en vertelde
de pastoor dat zij Remonstrants was.
De pastoor vertelde mijn moeder dat ik regelmatig bij de Kruisvaarders
kwam om te figuurzagen en dergelijke en of zij daar geen bezwaar tegen had.
Hierop antwoordde mijn moeder, dat, als ik daar geen slechtigheid leerde, zij er geen enkel bezwaar tegen had.
Niet lang daarna kreeg
ik andere vriendjes waarvan de ouders lid waren van de
S.D.A.P. die toen “De Rooien” werden genoemd.
De S.D.A.P. had in de Nanningsstraat een verenigingszaaltje waar de kinderen zich konden bezighouden met allerlei soorten handenarbeid en met die vriendjes ging ik in dat zaaltje weer figuurzagen.
Gelukkig vond mijn moeder het allemaal best en zelf stond ik er echt niet bij stil of mijn vriendjes katholiek waren of niet, of waarvan de ouders lid waren van de S.D.A.P.
Als kind speelde je gewoon met elkaar, geloof en politiek deden er niet toe.
Brandus
Enig tijd geleden stond in de Polderbode (het lokale weekblad van Anna Paulowna) een artikel dat op zaterdag 16 augustus j.l. voor een ieder de mogelijkheid bestond om een zeeschilderij te maken, ook al had men geen enkele ervaring.
Doek, verf, kwasten, etc. werden beschikbaar gesteld en tegen betaling van het inschrijfgeld mocht men het geschilderde zeegezicht mee naar huis nemen.
Nu wilde ik al geruime tijd graag een zeeschildering maken van een woeste zee,
maar ik had geen enkele ervaring en schreef daarom mijn overpeinzing (zie mijn voor-vorige verhaal!) die ik aan Kees Doolaard overhandigde.
(Zie ook Galerie Doolaard, een van mijn vorige verhalen!)
Mijn overpeinzing gelezen hebbende was hij het met de laatste zin niet eens.
Hij was de mening toegedaan dat ik het misschien wel kon en wist mij om te praten dat ik het zou proberen. Gevolg was dat ik die zaterdagmiddag bij “Galerie Doolaard” bleef om mijn zeeschilderij te maken.
Kees had beloofd mij behulpzaam te zijn na zijn “slapie”.
Vooraf gaf Elly zijn vrouw, onder het genot van een kop koffie of thee met koek, een korte technische uiteenzetting.
Daarna gaf zij met schilderen op een doek aan hoe men diende te beginnen.
Aanwezig waren 8 dames en 2 heren die zich hadden opgegeven om aan dit evenement deel te nemen.
Ook Olga, als assistente aanwezig, gaf zo nodig aanwijzingen en was eventueel behulpzaam bij het schilderen.
Het zal ongeveer een goed uur later geweest zijn toen Kees na z´n “slapie” mij te hulp kwam om een zee te schilderen. Nou, ik moet zeggen hij kan er wat van.
Hij bleef zowat de hele tijd aan het schilderen en af en toe liet hij mij op zijn aanwijzing ook heel even wat prutsen.
Om kort te
gaan, er ontstond uiteindelijk toch een zeeschildering welke in hoofdzaak
door Kees gemaakt was en het aanzien alleszins waard. Toen mij echter werd
gevraagd het schilderij met mijn naam te signeren wilde ik daar niets van
weten. Omdat Kees het leeuwenaandeel geschilderd had wilde ik het wel met de
naam Kees Doolaard signeren, maar dat wilde hij niet, zodat het schilderij
niet is gesigneerd. De nabespreking was heel gezellig met koffie of thee,
waarna iedereen (behalve ik) zijn of haar geschilderde zeeaanzicht mee naar
huis nam.
Het door Kees (en een heel klein beetje door mij) geschilderde zeegezicht bleef bij Kees en Elly om ingelijst te worden, waarna het door mij aan iemand of aan een liefdadige instelling zal worden weggegeven.
Omdat ik toch het één en ander over de opzet en dergelijk heb opgestoken
ben ik van plan om het t.z.t. nogmaals een keer te proberen, met de hoop dat het mij dan beter lukt en ik minder hulp nodig heb, zodat ik het dan wel met mijn naam kan signeren.
Brandus
Onlangs moest ik voor een onderzoek aan m´n
“rikketik” naar het Gemini ziekenhuis in Den Helder.
Uit bezorgdheid werd ik vergezeld door mijn
schoonzoon Andy en mijn dochter Mia. Om bij de afdeling te komen waar het
onderzoek zou plaats vinden moest ik zowat het hele ziekenhuis doorlopen.
Toen ik uiteindelijk doodmoe bij de vrouwelijke Tsjechise arts kwam vertelde
ik haar dat ik wel aan de vierdaagse mee kon doen omdat ik zo´n eind in het
ziekenhuis gelopen had. Zij begreep mij echter helemaal verkeerd en zei vol
bewondering: ”Heeft u met dat been (ik heb n.l. een kunstbeen) de vierdaagse
meegelopen?!”
M´n dochter kon met moeite haar lachen bedwingen en vertelde haar dat ik het maar bij wijze van spreken had gezegd omdat ik in het ziekenhuis zo veel had moeten lopen. Gelukkig begreep ze het toen en werd ik naar diverse andere afdelingen verwezen voor verder onderzoek. Daarna moest ik weer bij haar terug komen voor de uitslag.
In het ziekenhuis had Mia het behoorlijk koud gekregen en Andy gevraagd bij mij te blijven zodat zij zich beneden in de hal wat kon verwarmen en koffie drinken. Zo gezegd, zo gedaan.
Toen de onderzoeken achter de rug waren kon ik niet nalaten tegen één van de niet onknappe en aardige zusters te zeggen: ”Als ik u zie voel ik me al een eind opgeknapt”. Waarop deze enorm begon te blozen en van de afdeling wegvluchtte.
Vervolgens ging ik begeleid door Andy naar de vrouwelijke Tsjechise arts om de uitslag van de onderzoeken te vernemen.
Gelukkig viel het allemaal wel mee. Zij schreef wat medicijnen voor om de klachten te verhelpen en zei: ”Maar als u weer last krijg moet u aan de bel trekken”. Toen kon ik niet nalaten te vragen: ”Welke bel?”
Mijn schoonzoon Andy lag in een deuk toen hij het verwonderde gezicht van de
arts zag. Zij begreep er totaal niets van. Ik heb haar toen maar uit de droom geholpen en met een tikje op haar schouder verteld dat ik maar een grapje maakte en wel begreep wat zij bedoelde.
Gelukkig moest zij er toen ook smakelijk om lachen
In de hal van het ziekenhuis hebben wij de hele toedracht aan Mia verteld en daarna lachend en vrolijk het ziekenhuis verlaten.
Toen
wij nog maar enkele dagen in Den Helder woonden vertelde onze buurvrouw mijn
vrouw dat er de volgende dag (11 november) door de kinderen SinteMaarten
werd gevierd en dat mijn vrouw wel het nodige snoep in huis moest halen
omdat de kinderen ´s-avonds met verlichte lampions SinteMaartenliedjes
kwamen zingen om snoep op te halen.
Vlak na de oorlog 1940-1945 was er vooral in Rotterdam en omstreken grote woningnood. Het gevolg van het bombardement van de binnenstad van Rotterdam door de Duitsers en het “Vergeten bombardement” op het westen van Rotterdam door de Engelsen.
Zie mijn boeken “Mijn Memoires 1940-1945” en “Brandus verteld”.
Of kijk op website www.cjbonline.nl bij Verhalen van vroeger onder
de met rubriek 1940-1945.
Na de bevrijding in 1945 werd eventuele inwoning verplicht.
Om woekerprijzen voor de afgestane woonruimte te voorkomen, werd het “Prijzenbureau voor Onroerende Zaken” in het leven geroepen.
Indien men over overtollige woonruimte beschikte, kreeg men dus
inwoning van een gezin dat niet over een woning de beschikking had.
Van tevoren kwam er eerst een gemeenteambtenaar de woning in ogenschouw nemen. Kwam deze voor inwoning in aanmerking, dan werd de huurprijs bepaald van het afgestane woongedeelte welke aan de hoofdbewoner moest worden betaald inclusief een winstpercentage van 20%.
In die tijd was ik werkzaam bij dat “Prijzenbureau” en ik kan u de verzekering geven dat in veel gevallen heel wat ruzie ontstond tussen de hoofdbewoners en het inwonende gezin.
Als men de beschikking had over een grote woning met kans op inwoning, probeerde men vaak met allerlei middelen en uit alle macht hieraan te ontkomen.
In maart 1953 heb ik in een revue meegespeeld waarin ondermeer de schets “Huiselijk verkeer” voorkwam waarin het bovenstaande goed tot uitdrukking komt.
Om u een indruk te geven over deze toestanden destijds volgt nu het verslag van de schets met foto.
Huiselijk verkeer
De schets “Huiselijk verkeer” waarmee deze revue werd besloten kan ik me nog goed herinneren.
Een gezin of echtpaar zonder woning kwam dan eerst kijken of ze wel bij je in wilde trekken.

In de schets is er een gezin dat inwoning dreigt te krijgen van een echtpaar en dat helemaal niet ziet zitten. Zij besluiten het echtpaar dat eventueel zal komen inwonen en polshoogte komt nemen af te schrikken door zich nog erger dan het huishouden van Jan Steen voor te doen.
Vader
met z´n voeten in een teil met water, een zoon met bokshandschoenen die met
Jan en alleman wil vechten, opa op een hobbelpaard, een dochter die niets
anders doet dan ruzie zoeken en schelden, en ga zo maar door.
Toen het echtpaar dit alles aanschouwde en aanhoorde sloeg de schrik hun om het hart.
Tot groot vermaak van het gezin en onder grote hilariteit van het publiek, slaat het echtpaar uiteindelijk op de vlucht en valt het doek.
De list was gelukt.
In werkelijkheid ging het er misschien iets minder heftig aan toe, maar
neemt u van mij aan dat in veel gevallen van alles werd geprobeerd om inwoning te voorkomen.
Toen ik op een zaterdagmiddag bij de HEMA in Den Helder koffie zat te drinken kwam er een mevrouw op me af en vertelde mij dat ze een stukje uit de Helderse Zondagkrant had uitgeknipt voor mij, betreffende de opening van het negende filiaal van de stoffenzaak Van Dam aan de Beatrixstraat op 23 augustus 1968. (Thans de lunchroom van de Hema.)
Zij wist dat ik momenteel in Anna Paulowna woonachtig ben en daar wordt de Helderse Zondagkrant niet bezorgd. Ook wist zij dat mijn vrouw jaren geleden is overleden, maar destijds bedrijfsleidster was van deze zaak.
Omdat in het artikel tevens een foto was geplaatst van deze opening, waarop ook mijn vrouw staat, had zij dit verslag voor mij uitgeknipt.
U zult begrijpen dat ik enorm verrast was. Deze foto was mij niet bekend en dat zij bij het zien van deze foto aan mij gedacht heeft en het geschrevene met geplaatste foto voor mij heeft uitgeknipt vond ik bijzonder lief en attent.
Ik heb haar dan ook uitvoerig bedankt.
Te uwer informatie onderstaand het geplaatste artikeltje met foto in de Helderse Zondagkrant van 31 augustus 2008.
Citaat.
Gouden
jaren bij Van Dam
Op 23 augustus 1968 opende mevrouw Veerman-Blom het negende filiaal van stoffenzaak Van Dam aan de Beatrixstraat.
Bedrijfsleidster mevrouw Klinge-Steutel beleefd met een aantal verkoopsters gouden jaren.
Presentator Vermooten zocht één van de medewerksters Truus Scherpenzeel op
Einde citaat.
Brandus
[Terug naar verhalen van vroeger] [Terug naar Welkom] [Terug naar Nieuws]