[Terug naar Verhalen van vroeger]              [Terug naar Welkom]            [Terug naar Nieuws]

[Naar 1940-1945]           [Naar Toneel]

 

 
 

 
   

     (Door op dit Word-icoontje te klikken, is "Even voorstellen............" te downloaden en te printen.)

 
 

 

 

 

EVEN VOORSTELLEN…………….

 

Naar aanleiding van mijn verhalen is mij verzocht, me nader bij u bekend te willen maken, waaraan ik hierbij gaarne voldoe.

 

Mij naam is Wijbrandus Klinge en ik ben op 25 juli 1923 in Rotterdam geboren.

Op 2 april 1946 in `t huwelijk getreden met een fantastische vrouw.

Trotse vader van twee fijne dochters. 

Na mijn schoolopleiding (lagere school, ULO, Handelsavondschool Mercurius)

ben ik 6 jaar werkzaam geweest bij de Gemeente Schiedam.

Vervolgens 17 jaar bij de Marine Magazijnsdienst en daarna 17  jaar bij Lumag op Marine vliegkamp “De Kooy .”  Hier was ik chef Administratie Ontvanglokaal, in de rang van Adjunct Commies A.

Mijn werkzaamheden lagen voornamelijk op administratieve gebied, zoals het

beheren  van een uitgebreid archief en het voeren van correspondentie.

 

Ben voorzitter en erevoorzitter geweest van de personeels-en sportvereniging “MarMag” (marine-magazijnen), die nu ter ziele is.

Mijn grootste hobby was toneelspelen. Dit heb ik plm. 30 jaar tezamen met mijn lieve en talentvolle (helaas op 23 september 2003 overleden) vrouw gedaan.

De laatste 25 jaar heb ik ook de regie gevoerd.

Heb 20 jaar basketbaltraining gegeven, en even zovele jaren wedstrijden gefloten.

Basketbalcoach geweest van het dames- en herenteam van MarMag.

Verdere hobby´s: tafeltennissen, bridgen, vissen en sinds kort computeren.

Zo, ik denk dat u nu wel voldoende over mij te weten bent gekomen.

                                                                                             

Naschrift:                                                                                                          

De door mij geschreven verhalen heb ik op herhaalde verzoeken van mijn dochter Mia en mijn schoonzoon Andy Pormes, en in overleg met mijn computerleraar Kees Bakker, op de computer gezet.

Er komen regelmatig verhalen bij.

De heer Bakker is zo vriendelijk mij behulpzaam te zijn bij het invoegen van   plaatjes en foto´s.

Tevens heeft hij mijn verhalen op zijn website gezet,  waarvoor ik hem zeer erkentelijk ben.

 

                                                                                           W. Klinge    

 

 

 

 
 

 

 
 

B R A N D U S

 

 
 

 

 

(De verhalen van deze pagina downloaden om te printen? klik dan op het Word-icoontje! Er kan ook bijv. een enkel verhaal geprint worden, door de betreffende tekst te selecteren en op de printerknop te klikken! )

 

 

De volgende herinneringen en verhalen komen van de hand van ene Brandus:

 

SWIEBERTJE

DE VERDWENEN “HOOP”

DE POFFERTJESPAN

DE TENNISBAL

DE GEHOORTOETER

MIJN EERSTE SIGARETJES

MIJN VADER & MOEDER

SCHOOLVOETBAL

VAKANTIE IN ESTARTIT

MIJN PERSOONSBEWIJS

PROFESSOR PICARD EN DE LUCHTBALLON

DE BRIL VAN PRINS BERNHARD

VIERDAAGSE NIJMEGEN

DE ARABIER

VERSTOPPERTJE

DE GOUDEN BEKER

DAMESVOETBAL

SOLDAATJES

PIET HEIN VLOOT

SMAKELIJK ETEN

HET KAARSVLAMMETJE

DE STRIK & SNOEP

DE PETTICOAT

KAMPEERHERINNERINGEN

HET BRABANTS DORP 1941-1965

DE LASSO

MATROZENBEZOEK

HET PRINSES THEATER

SINTERKLAAS

DE KERSTKRANS 

DE GESLOTEN DEUR (Kees Doolaard)

DE ZILVEREN BRUILOFT

EETPROBLEMEN

HET OPSTEL

DE AFWAS

DRONKEN

TOVEREN

DE GROENE BARET

V.C.J.C.

KLEPPEREN

GALERIE "DOOLAARD"

DE TEIL

VISSEN

PINDAMANNETJES

HET BRANDBLUSAPPARAAT

HET PISTOOL

KNIKKEREN

JARIGE JETJE

BOWL

MAZELEN

HOEK VAN HOLLAND

DE TROMMELAAR

SASKE

DE POETS VAN OPA!

SCHOOLRAPPORT 

DE KEIHARDE VOGEL

DE FAMILIE KUNST

BASKETBAL 

50 JAAR LATER!

BEDDENZEIKER

WILLEM VAN IEPENDAAL

GRATIS BOODSCHAPPEN

ZONDAGMORGEN

MIJN SJAANTJE  (Verhaal nr. 100)

TEUTEBELLEN

HET GEBED

TAFELTENNIS 

KUN JE NOG ZINGEN............ 

BLOEMKOLEN

Verdwenen kinderspelen

DE VUILNISMAN

DE SCHARENSLIEP

MUZIEKINSTRUMENT & HOELA-HOEP

GRIESMEELPUDDING met bessensap

PIJLTJES GOOIEN

KANARIE

DE MUG

HELEMAAL "NikS" GEBROKEN

DE BEWAARSCHOOL

WONDER BOVEN WONDER

WONDEREN BESTAAN ECHT!

De weg kwijt

De schillenboer   (en andere "boeren" van vroeger)

Nostalgia, Motorcross en Kakelverse eieren

EEN ONTROEREND MOMENT

BULLETJE EN BOONESTAAK

BIJBELSTUDIE

40 JAAR LATER

Al Jolson

CANDY

WELPEN

ONTHULLING

LAS VEGAS

DAMESHOEDJE

GEFOPT

UIERBOORD

FIETSTOCHT

DE BRUILOFT

TEROELE IDSKENHUIZEN

TRANSIT CAMP HOEK van HOLLAND

VLOTJE SPRINGEN

FRAPPANT

MOEDER ANT SOEP

DOOP DOOR ONDERDOMPELING

KOSTGELD

OVERPEINZING

WAT MIJ ALS KIND TOTAAL NIET INTERESSEERDE

ZEESCHILDERIJ

ONDERZOEK

SINTEMAARTEN

INWONING

NIET TE GELOVEN!

 

 

*******************************************************************

 

 

SWIEBERTJE

 

Het was op een zaterdagmiddag dat ik alleen thuis was en naar Swiebertje zat te kijken op de TV.

Het was een kinderprogramma, maar ik maak me sterk, als er niet evenveel volwassenen naar dit programma zaten te kijken als kinderen. Als het even kon bleef je er voor thuis.

Op het moment dat ik zat te kijken waren Swiebertje en Bromsnor in het huis van de barones.

Zoals zo vaak was Swiebertje hevig aan het discuteren met Bromsnor.

Op de achtergrond waren ook de barones, de freule en nog enige andere personages aanwezig.

Vanzelfsprekend stonden er prachtig meubilair in de kamer, waaronder ook een tafel, pal achter de rug van de barones.

Als kijker kreeg je de houten vloer waarop de meubelen stonden niet te zien.

Terwijl Swiebertje hevig aan het bekvechten was met Bromsnor, stootte de barones per ongeluk tegen de tafel aan, die met z´n poten een stukje over de houten vloer schoof.

Dit gaf werkelijk het geluid of er iemand een “vieze wind” liet, zo ongeveer van brrrt-brrrt-brrrt. U kent dat geluid vast wel.

Swiebertje, die dit ook hoorde draaide zich om en zei verontwaardigd tegen de verschrikte barones met dat bekende stemmetje:

 “Wat doe je nou? Wat doe je nou?”

Alle medespelenden, plus de cameramensen schaterden het uit, uitgezonderd Bromsnor, die bleef in z´n rol van veldwachter.

Het duurde een tijdje voor er verder gespeeld kon worden, maar af en toe schoot er toch nog iemand in de lach.

 

Zelf heb ik in m´n uppie in de stoel krom gelegen, en de tranen rolde over m´n wangen, en nu nog, terwijl ik dit verhaal aan het tikken ben, schiet ik in de lach.

 

                                                                                                          

 

[Naar boven]

DE VERDWENEN “HOOP”

 

Mijn buurman Wiebe Bakker was destijds werkzaam als landarbeider.

Als er op het land gewerkt werd, was er altijd één persoon die op gezette tijd met de broek af moest.

Omdat de W.C. een behoorlijk eind uit de buurt was, zocht hij altijd een

plekje tussen een paar struiken om zijn behoefte te doen.

Op een dag was het weer zover, en zonder dat hij er erg in had, liep mijn buurman voorzichtig met een schop gewapend achter hem aan.

Toen het zover was dat hij met de broek af op zijn hurken zat, hield mijn buurman de schop onder zijn billen, zodat de “hoop” netjes op de schop terecht kwam en wierp deze met een flinke zwaai over z´n schouder het land in.

Zelf maakte hij zich ook vliegensvlug uit de voeten.

    ?

 

 

 

 

 

 

 

Het slachtoffer haalde eerst op z´n dooie gemak z´n broek omhoog en keek toen achterom wat hij gefabriceerd had.

Tot z´n stomme verbazing zag hij natuurlijk niets.

Hij liep nog een tijdje in het rond, maar kon de “hoop” niet vinden.

Verbouwereerd kwam hij weer bij z´n maten terug en zei: ”Hier begrijp ik niks van. Ik begrijp er niks van. Heb ik een “hoop” gedraaid, kijk om, en wat denk je en wat denk je, niks te zien. Niks te zien. Ik snap er niks van. Ik snap er niks van. Onbegrijpelijk. Onbegrijpelijk.

Zoiets heb ik nog nooit meegemaakt. Ik begrijp er niks van.”

En zo ging hij nog een tijdje door.

Al z´n maten zeiden: ” Je hebt hij natuurlijk niet goed gekeken, of je probeert ons in de maling te nemen”.

Ze hadden echter de grootste moeite om hun lachen te bedwingen.

 

En, geloof het of niet, tot op de dag van vandaag weet hij nog niet waar z´n “hoop” gebleven is.

 

                                                                                                      

 

[Naar boven]

 

 

 

DE POFFERTJESPAN

 

Als jongentje van een jaar of tien speelde ik vaak met andere jongens op het land bij de Merwedehavens tussen Rotterdam en Schiedam.

Op dat land stonden ook veel struiken waarachter je kon schuilen.

We speelden dikwijls Cowboytje (als Rotterdamse straatjochie´s spraken we dat uit als “Kombootje) en Indiaantje.

De ene partij waren dan de cowboys en de andere partij de Indianen.

Het ging er dan om wie de meeste gevangenen kon maken en natuurlijk ging dat vaak met veel “ruzie” gepaard.

Op een keer spraken we af om ook eens poffertjes te gaan bakken. Iedereen moest dan van thuis iets mee nemen.

De één een fles melk, een ander bloem, enz. enz.

Zelf moest ik een poffertjespan meenemen.

We hadden thuis een prachtige grijze emaillen poffertjespan, en die had ik vast niet gekregen als ik het aan m´n moeder had gevraagd.

Dus heb ik gewacht tot de kans schoon was, en toen de poffertjespan uit het gootsteenkastje gepikt.

Toen we allemaal met onze buit bij elkaar waren, moest er eerst een soort oventje gebouwd worden. Eerst werden er dan wat stenen  gezocht, dan werd er een kuiltje gegraven en daar omheen de stenen   gelegd, zodat daar de poffertjespan op kon staan. Vervolgens werden er drogen takken opgezocht die in het kuiltje werden gelegd.

En dan werd er beslag gemaakt, met een stuk in brand gestoken papier de takken aan gestoken (wat de nodige tijd koste) en dan kon het bakken en de pret beginnen.

Iedereen bakte z´n eigen portie poffertjes en natuurlijk werd daarbij heel wat af gekakeld zo van: “schiet ‘s een beetje op en…. nou is het mijn beurt en….. ze zijn al lang gaar.”  Enfin, u kent dat wel.

Natuurlijk zat je meer zand dan poffertjes naar binnen te werken, maar dat mocht de pret niet drukken, je vond ze toch overheerlijk.

Toen het eetfestijn was afgelopen, en ik naar de onderkant van m´n poffertjespan keek, was deze roet en roetzwart. Die kon ik zo niet mee naar huis nemen.

Ik besloot hem in het water van de Merwedehaven schoon te maken. Maar als je op de kade stond was het water drie meter beneden je.

Gelukkig had ik altijd een soort lasso bij me. Ik bond het éne eind van de lasso aan de steel van de poffertjespan vast en liet de pan toen voorzichtig in het water zakken. Het andere eind haalde ik steeds op en neer om zo met “plompen” te proberen de pan schoon te krijgen.

Toen ik daar een tijdje mee bezig was en de lasso omhoog trok, gleed de steel uit de lasso en jawel, …. weg  poffertjespan. Ik zag hem, tot m´n grote schrik, nog net naar de bodem van de Merwedehaven dwarrelen.

Nou, het is daar zeker zo´n 20 meter diep, dus de poffertjespan kon ik wel gedag zeggen!

Thuis durfde ik niet tegen m´n moeder te zeggen wat er was gebeurd, bang als ik was een pak ransel te krijgen.

Nu had m´n moeder de gewoonte om één keer in de veertien dagen op een zaterdag poffertjes voor ons te bakken.

Met de zenuwen in m´n lijf zag ik naar die zaterdag uit en toen die aanbrak, gebeurde wat te verwachten was. M´n moeder kon, ook na lang zoeken, de poffertjespan niet in het lage gootsteenkastje vinden. Uiteindelijk zei ze tegen mij: Broer, (ze noemde mij altijd broer om dat ik de jongste was uit het nest van 9 kinderen en we waren echt niet katholiek) kijk jij eens of je de poffertjespan kan vinden.”

Nou, ik ook ijverig aan het zoeken, maar natuurlijk zonder resultaat.

M´n moeder snapte er niets van en zei steeds: ” Waar kan die poffertjespan toch gebleven zijn? Waar kan die poffertjespan nou toch gebleven zijn?”

Pas jaren later, ik was al getrouwd, vroeg ik haar een keer of ze de verdwenen poffertjespan ooit nog gevonden had.

Het antwoord was: ” Nee, die heb ik nooit meer gezien, waar die gebleven is, is me een raadsel”.

Toen heb ik het raadsel maar voor haar opgelost en het hele verhaal  verteld.

Zij heeft er smakelijk om moeten lachen, want ze kon de humor er van wel inzien.

 

Vermoedelijk ligt de poffertjespan nog steeds op de bodem van de Merwedehaven.

    

                                                                                                      

 

[Naar boven]

 

 

DE TENNISBAL

 

Voor schooltijd gingen we altijd eerst op straat een partijtje voetballen met de jongens van de klas.

Auto´s reden er praktisch nog niet in die tijd.

Eerst werd er dan met zgn. “poten” twee partijen gekozen. Dat ging dan als volgt: 2 jongens gingen op ongeveer 3 meter van elkaar staan en stapten dan voetje voor voetje naar elkaar toe. Wie het laatste zijn voet kon zetten, mocht dan het eerst kiezen en daarna de ander, tot er twee partijen waren gevormd.

De bal waarmee doorgaans gespeeld werd, is een verhaal apart.

Eerst werd van wat oude kranten een stevige bol gevormd van plm. 10 cm. omtrek en daar overheen werden dan reepjes rubber getrokken, geknipt uit een oude fiets binnenband. Geld om een echte bal te kopen hadden we niet.

Tijdens het voetballen gingen er natuurlijk af en toe wel een paar reepjes rubber af, maar dat mocht de pret niet drukken, die deed je er dan gewoon weer om.

De doelen werden gevormd door op plm. 4 à 5 meter afstand een jasje of iets dergelijks neer te leggen. De ouderen onder u weten zich dat vast nog wel te herinneren.

Meestal stond ik “op goal” zoals dat toen genoemd werd, omdat ik  een houten been had.

 

Ik zal destijds 10 of 11 jaar oud geweest zijn, dat ik in het bezit was van een echte tennisbal. Weliswaar geen nieuwe, maar toch een pracht exemplaar. Bij de andere jongens steeg je gelijk in aanzien als je zo´n bal had. We konden dus met een echte bal gaan voetballen.

Nu was er in die straat ook een soort pakhuis waar een haringboer haringen in t´zuur en rolmopsen maakte en in glazen potjes deed.

Die haringboer had de vervelende gewoonte om de deur van dat pakhuis open te zetten als wij aan het voetballen waren en owee als de bal naar binnen vloog, dan kon je er naar fluiten.

Die kreeg je niet meer terug. Voor zo´n zelf gemaakte bal was dat niet zo erg, want dan maakte je gewoon weer een nieuwe.

Tot m´n grote schrik werd mijn mooie tennisbal op een keer ook naar binnen geschopt en deur door de haringboer dicht gedaan.

 

Ik dacht dat, als ik bij de haringboer naar binnen zou stappen met mijn

houten been en hem vriendelijk zou vragen om mijn tennisbal terug te geven, hij wel medelijden met mij zou krijgen en de bal terug zou geven.

Verkeert gedacht, hij toonde ondanks mijn smeekbede, geen greintje medelijden. Ik werd boos en zei tegen hem dat als hij de bal niet terug zou geven, ik één van zijn ramen in zou slaan.

De haringboer moest met zijn handen op z´n dikke buik hartelijk lachen om mijn dreigement en zei: ” Ha, ha, dat wil ik wel eens zien!”

Nou, hij heeft het gezien.

Ik balde mijn vuist en met een flinke mep sloeg ik een raam in gruizelementen en nam toen zo snel als ik kon de benen.

Nog een wonder dat ik niet gewond raakte.

De haringboer met z´n dikke buik en op z´n klompen achter me aan.

Nu kon ik met dat houten been tamelijk hard lopen en ik raakte steeds meer op de haringboer voor. Toen ik de hoek omging en halverwege de volgende straat was, zag ik hem nog niet aankomen toen ik omkeek.

Het toeval kwam mij te hulp. Mijn zus en haar man hadden op dat punt een kapperszaak, waar zij ook boven woonden.

De deur van de kapperszaak stond altijd open voor eventuele klanten.  Snel vloog ik naar binnen, liep de trap op en ging voor het raam van de woonkamer staan kijken waar de haringboer bleef….

Ik heb hem nog tweemaal puffend en zwetend voorbij zien komen en toen heeft hij het blijkbaar opgegeven om mij te pakken te krijgen.

 

De volgende dag toen ik in de klas zat, zag ik tot m´n grote schrik de hoofdonderwijzer met de haringboer aankomen.

Hij was natuurlijk naar m´n school gegaan en omdat daar maar één jongetje opzat met een houten been, was ik de klos.

De deur werd geopend en mijn meester (je zei toen nog meester i.p.v. meneer) moest ook op de gang komen. Er werd wat gepraat en jawel hoor, ook ik werd ook op de gang geroepen.

Nou had ik het geluk dat mijn meester (de heer Rijnbende) een verwoed voetballiefhebber was. Hij was jeugdleider bij de voetbalvereniging Sparta.

Meester Rijnbende vroeg aan mij waarom ik een raam had ingeslagen van het pakhuis van de haringboer.

 

 

(1933)Het jongentje met matrozenkraag ben ik!

 

Ik vertelde hem toen dat de haringboer mijn tennisbal, die bij hem naar binnen was gevlogen, niet terug wilde geven en dat ik toen van kwaadheid dat raam had ingeslagen.

De heer Rijnbende nam toen een Salomo`s oordeel, hij zei tegen de haringboer dat hij geen politieagent mocht spelen en dat hij de tennisbal aan mij terug moest geven. Tegen mij zei hij dat mijn ouders een nieuw raam moesten betalen.

Probleem opgelost.

 

Ja, had je gedroomd.  Ik durfde natuurlijk niet tegen m´n ouders te vertellen dat ik een raam had ingeslagen en dat zij voor de kosten op zouden draaien.

 

Tegen m´n zus Willemien (van de kapperszaak) durfde ik het echter wel te vertellen. Door haar werd ik n.l. altijd enorm verwend.

Ik werd geboren toen zij al achttien jaar was en ze zei tegen iedereen die het maar horen wilde altijd: ” Ik heb hem gebakerd.”

Ze zag dat ik goed in m´n “piepzak” zat, kreeg medelijden en zei: “Maak je maar niet ongerust Broertje, (zo werd ik thuis altijd genoemd) ik betaal die ruit wel en zal niets tegen vader en moeder zeggen.”

Nou u begrijpt er viel een pak van m´n hart.

 

Nog bedankt Willemien.

 

     

 (met mijn zus Willemien)                                                                                                     

 

 

 

[Naar boven]

 

 

 

 

DE GEHOORTOETER

 

Vlak na de bevrijding, ik werkte toen op kantoor bij de Gemeente Schiedam, waren er houtbonnen voor aannemers.

Regelmatig kwam er een nogal dove aannemer informeren of zijn houtbonnen er al waren.

Van die moderne gehoorapparaten als tegenwoordig in gebruik zijn, waren er toen nog niet.

Deze aannemer had nog zo´n ouderwetse gehoortoeter, waar je in moest praten.

Het hiernaast getoonde plaatje zou een voorbeeld van een dergelijke kromme toeter van hoorn kunnen zijn.

De aannemer was nogal een zeurpiet, soms kwam hij wel tweemaal in de week.

M´n collega Gilles de Veth moest hem altijd aan het loket te woord staan.

Het ging dan als volgt, de aannemer komt binnen en vraagt keihard aan Gilles de Veth: ” Zijn m´n houtbonnen er al?”

Gilles de Veth schreeuwt in de toeter: ”Nee, ze zijn er nog niet.”

Dan de aannemer weer: ” Wat zeg ie?”

En Gilles de Veth weer knoerthard in die toeter: ”Uw houtbonnen zijn er nog niet!”

De aannemer weer: ”Oh.”  En gaat dan teleurgesteld weg.

Op een gegeven dag kwam hij, toen zij houtbonnen er wel waren.

En daar gaan we weer. De aannemer: ”Zijn m´n houtbonnen er al?”

Gilles de Veth in de toeter: ”Ja hoor, uw houtbonnen zijn er nu.”

De aannemer: ”Wat zeg ie?”

Gilles de Veth schreeuwend in de toeter: ”Uw houtbonnen zijn er!”

De aannemer: ”Oh fijn, dat heb je niet tegen een dove gezegd!”

 

Dit is een waar gebeurd verhaal!

 

                                                                                                      

 [Naar boven]

 

 

 

 

Mijn eerste sigaretjes

 

Op een zaterdagmiddag waren mijn vriendjes en ik op het land bij de Merwedehaven een hut aan het bouwen.

Eerst een flinke diepe kuil graven, daar over heen wat oude planken en daar weer overheen oude takken voor camouflage.

Toen we daar een tijdje mee bezig waren vroeg één van m´n vriendjes: “Hoe laat zou het zijn?” We hadden echter geen van allen een horloge, want dat was toen alleen voor kinderen van rijke lui weggelegd.

Ik zei: ” Ik zal het wel even aan iemand gaan vragen.”

Een einde verderop zag ik een man lopen en ik liep er zo snel als ik kon naar toe en vroeg: ”Meneer kunt u ook zeggen hoe laat of het is?”

Nu zag ik er na al dat gesjouw met planken en takken niet bepaald op z´n ´s-zondags uit en bovendien had je om te spelen altijd oude kleren aan.

De man nam mij van kop tot teen op en moet vast gedacht hebben dat ik een bedelaarsjong was, want hij pakte z´n portemonnee, haalde er een dubbeltje uit, en gaf dat aan mij.

Het moet vast een buitenlander zijn geweest, die geen woord Hollands verstond, en die van één van de zeeschepen .

Nou, de tijd kon mij niets meer schelen, want een dubbeltje was in die tijd een hoop geld. Daar kon je heel wat voor kopen.

Ik ging vlug weer naar m´n vriendjes in de hut terug en vertelde wat er gebeurd was.

We besloten om van dat dubbeltje een pakje sigaretten te kopen en dat in de hut met elkaar op te roken.

Zo gezegd, zo gedaan.

Bij een sigarenwinkel kochten we een pakje “Lucky “ sigaretten van 20 stuks. Ja, u leest het goed, een pakje sigaretten van 20 stuks voor één dubbeltje.

Die “Lucky” sigaretten waren nog zwaarder dan de zware shag van “Van  Nelle,” en dat wil wat zeggen!

Met ons rookgerei gingen we terug naar onze hut en daar was het roken geblazen dat de wolken er van af vlogen.

De hut was in een mum van tijd een “rokershol!”

 

Niemand wilde zich laten kennen en de 20 sigaretten werden stuk voor stuk opgerookt.

Nou, dat heb ik geweten, onderweg naar huis kreeg ik flink de diarree,

deed “het” in m´n broek en werd zo misselijk als een hond.

Ik kwam veel te laat thuis en daar hadden ze al lang gegeten.

M´n moeder begon te foeteren waar of ik gezeten had en wat ik had uitgespookt.

Maar ik durfde natuurlijk niet te zeggen dat ik gerookt had.

In eerste instantie dacht m´n moeder dat ik vergiftige bessen had

gegeten, maar al spoedig kreeg ze in de gaten dat ik gerookt had, en dat betekende billenkoek.

Ik ging over de knie en het was van “klets, klats, klander van de éne bil op de ander.”

Waar m´n moeder zo gauw geen erg in had, was dat mijn korte broek vol zat met “je weet wel!” 

Het gevolg was dat de ….. spetters tegen het behang vlogen.

Maar m´n lesje had ik wel geleerd.

De eerste jaren daarna heb ik niet meer gerookt.

In de oorlog ben ik pas weer gaan roken, om het hongergevoel te verdrijven.

 

 

 

[Naar boven]

 

  

 

 

MIJN VADER en MOEDER

 

In al mijn verhalen wordt mijn vader praktisch niet genoemd.

Dat komt omdat mijn vader vaak van huis was en op zee verbleef. 

Hij was hoofdmachinist op het stoomschip s.s. ” Friesland” van de Scheepvaart en Steenkolen Maatschappij te Rotterdam.

Meestal was hij maar enkele dagen thuis, moest dan weer varen en was weer maandenlang van huis.

Vóór 1940 voer hij o.a. op Engeland, Schotland, Finland, Estland, Letland, Litauen en Rusland.

Vaak nam hij (uit Estland. Letland en Litauen) barnstenen sieraden voor mijn moeder en zussen mee. Het bijzondere hieraan was, dat er nog vliegjes of andere insecten in het barnsteen zaten.

De schepen werden destijds nog met kolen gestookt.

Mijn vader heeft twee wereldoorlogen overleefd.

In de oorlog van 1914-1918 werd het schip waar hij toen op voer getorpedeerd en in een roeiboot is hij toen op de Schotse kust aangespoeld.

Ons gezin bestond uit negen personen. Ik had vier broers en vier zussen, waarvan de eerste vier vóór 1918 zijn geboren, de vijf anderen (waar ik ook bij hoor)) na 1918.

In ons gezin werd wel eens gekscherend gesproken over de eerste leg en de tweede leg.

Mijn vader was een verwoed postzegelverzamelaar, hij verzamelde postzegels uit alle landen.

Gedurende de tweede wereldoorlog heeft hij, in dienst van de geallieerden, op s.s.” Friesland” in konvooi naar Canada gevaren.

(Zie geplaatste foto.)

Vooral in het begin van de oorlog werden de koopvaardij schepen in groten getale door de Duitse onderzeeboten (zgn. U-boten) de grond in geboord.

Andere schepen hadden dan strikte opdracht om door te varen. Zij mochten onder geen beding drenkelingen redden en aan boord nemen, omdat dan het gevaar bestond zelf getorpedeerd te worden.

Mijn vader heeft verschrikkelijke dingen meegemaakt en gezien.

Toen  m´n vader een keer met z´n schip in Londen terug kwam,  moest hij in het ziekenhuis aldaar worden opgenomen, om behandeld te worden aan steenpuisten.

Op het moment dat mijn vader in het zieken huis lag, is het s.s. Friesland op een mijn gelopen en gezonken. Daarbij viel 1 slachtoffer te betreuren. Dat gebeurde allemaal op 1 november 1940, onderweg van Immingham naar Dover bij lichtschip South Goodwin

M´n vader heeft dus alle geluk van de wereld gehad, dat hij juist toen in het ziekenhuis lag.

Na het einde van de oorlog heeft hij een “Margriet” speldje gekregen en een medaille voor het tijdens de oorlog varen voor de geallieerden.

 Mijn vader was geen spraakzaam mens. Met mij heeft hij nooit over die periode gesproken.

Aan mijn oudere zus Adrie en aan mijn zwager Gerard ( waar m´n vader later een tijdje in huis is geweest) heeft hij wel het één en ander  verteld.

Van hen ben ik sommige van eerder gestelde belevenissen  aan de weet gekomen.

 

Mijn vader kon niet zwemmen en dat vond hij, als zeeman zijnde, een groot gebrek. Aan hem heb ik het te danken dat ik het wel kan.

Hij stond er n.l. op dat ik, ondanks m´n handicap, zwemles nam en vader´s wil was wet!

Op m´n 11e jaar haalde ik in een maand tijd het A- en B- diploma.

 

Bij zijn terugkeer uit Engeland (na de bevrijding) had mijn vader voor mij een fiets meegebracht, als blijk van waardering van de door mij gemaakte hongertochten.

Van mijn zus Martha , die telefoniste was in Rotterdam bij de R.T.M stoomtram (ook wel de “moordenaar” genoemd vanwege de vele dodelijke ongevallen)  kreeg ik een horloge dat nog in mijn bezit is.

 .

 

 

Vermeldenswaard is nog, dat dit horloge werd gekocht op  een zgn. “horlogebon.” Aan alle mensen  die een horloge nodig hadden voor hun beroep, werd zo´n “horlogebon” verstrekt, dus ook aan mijn zus

Martha.    

 

Het moge ook duidelijk zijn, dat mijn moeder het lang niet altijd  makkelijk heeft gehad met een man die vaak op zee was.

Tijdens de oorlog 1940-1945 kreeg zij af en toe een berichtje via het Rode Kruis dat alles nog goed was met haar man en “that was it!”

Vaak stond zij er alleen voor om de kinderen groot te brengen en op te voeden, en ik kan u verzekeren, dat was geen gemakkelijke taak, want we waren nu niet bepaald “lieverdjes.”

En vooral met mij heeft ze heel wat te stellen gehad.

Sorry moeder.

 

 

Noot:

 

Volgens sommige mensen leek mijn moeder destijds nogal veel op koningin Wilhelmina vooral als zij een hoedje op zette op met een zwarte voille en dan de stad in ging om te winkelen.

Soms waren er dan mensen die tegen elkaar zeiden: ” Kijk, kijk, daar gaat koningin Wilhelmina.”

Mijn moeder vluchtte dan zo gauw mogelijk één of andere zaak binnen.

 

 

 

     

 

[Naar boven]

 

 

 

 

SCHOOLVOETBAL

 

Het was op een zaterdagmiddag dat ik besloot om naar een schoolvoetbaltoernooi te gaan kijken dat werd gehouden op het “Racing” terrein in Den Helder.

Op het moment dat ik daar aankwam en op de overdekte tribune had plaats genomen, was net de wedstrijd Lyceum tegen de H.B.S. begonnen.

Ergens achter mij was een meid steeds luidkeels aan het brullen en schreeuwen met aanmoedigingen, het hield niet op.

Op een gegeven moment werd ik toch nieuwsgierig wie of die gillende meid was.

Ik stond op, keek achterom en tot mijn stomme verbazing was het mijn eigen dochter Anja die een eind verderop op de tribune zat.

Nou, dat was ik van haar helemaal niet gewend, want thuis zat ze meestal met haar neus in de leesboeken en schreeuwde nooit.

Voor de grap noemde ik haar wel eens “juffrouw lees-allemachtig.”

Anja had me niet in de gaten en ik ging vlug weer zitten.

Zij ging luidkeels door met schreeuwen en gillen, vooral als de jongens van het Lyceum in de aanval gingen.

Zelf zat zij toentertijd n.l. ook op het Lyceum.

Nog steeds is ze een verwoed voetbalenthousiaste.

Ze woont al jaren in Spanje en gaat regelmatig met haar kleinzoon Ibai van zeven jaar, en ook een verwoed voetbalenthousiast, naar de thuis wedstrijden van Barcelona kijken.

 

Of ze daar ook nog zo te keer gaat weet ik niet, maar ik denk het wel.

 

                                                                                                      

 

 

[Naar boven]

 

 

 

 

VAKANTIE IN ESTARTIT

 

Het vissersplaatsje Estartit is gelegen aan de Costa Brava in Spanje, ongeveer

50 km voorbij de Franse grens en telt plm. 2000 inwoners.

In de zomer komen er echter veel toeristen van alle nationaliteiten. Hieronder zijn vooral veel sportduikers (met of zonder gezin), die in hoofdzaak bij het eiland “MEDAS”, dat voor  de kust van Estartit ligt, gaan duiken.

 

Er zijn in Estartit wel een stuk of tien duikscholen waar men les kan krijgen.

Mijn kleinzoon Robi Stark is duikinstructeur en heeft de duikschool “POSEIDON” van zijn, helaas te vroeg overleden vader Jochen Stark, voortgezet.

De theorielessen worden gegeven in een prachtig leslokaal, mede aan de hand van getoonde videobeelden. (zie ook de website http://www.diveposeidon.com/ )

Praktijk duiklessen worden aan de kust gegeven, en met ervaren duikers vaart hij met zijn boot naar het eiland “MEDAS.”

Voor het voeren van de administratie en boekingen beschikt hij over een lieve secretaresse (Marian) die verschillende talen vloeiend spreekt.

 

Mijn dochter Anja staat met bedrijfsleider Alex en nog enige personeelsleden in haar zaak, voor de verkoop van een grote verscheidenheid aan  duik- snorkel-en zwem artikelen.

Steeds sta ik verbaasd, dat mijn dochter en al haar personeel de diverse talen zo vloeiend spreken, terwijl ik mijzelf alleen in het Engels en Duits een beetje verstaanbaar kan maken.

De meeste Spanjaarden spreken over ´t algemeen alleen Spaans.

 

Voor de toeristen valt er genoeg te beleven. Vanuit de haven kan men diverse rondvaarten maken. Er vaart ondermeer een luxe salon boot de “MARINA PINCESS,” waarmee ook andere plaatsen worden aangedaan.

Ook zijn er zo´n stuk of vijf boten met een glazen bodem, waaronder de “NAUTILUS.” Hiermee kan men de vissen onder water bewonderen.

Zelfs kan men in Etartit vlieglessen nemen bij “AEROCLUB L´ESTARTIT.”

Mijn andere kleinzoon Roland heeft kort geleden zijn vliegbrevet gehaald en vliegt nu met een 2-persoons vliegtuigje. Zelfs kan een parachute aan het vliegtuigje bevestigd worden, zodat men bij eventuele mankementen toch betrekkelijk veilig kan landen.  

 

Vissen aan het strand of  bij de haven behoort ook tot de mogelijkheden en ook in de nabij gelegen rivieren wordt veel gevist. Eveneens kan men een paard huren om de omgeving te verkennen, of om mee op het strand te rijden.

 

Iedere donderdag is er markt in Estartit waarover je lekker kan slenteren en iets kopen wat van je gading is.

 

Ook kan je heerlijk op een terrasje zitten en mensen kijken, wat een leuke bezigheid is, want je ziet de vreemdste figuren langs komen.

Op het terras van “CHEERS PLAYA”  is het gezellig vertoeven, je kan er een heerlijk “ bakkie” Hollandse koffie drinken. De eigenaresse Mati spreekt ook  een aardig woordje Hollands.

 

Voordelig boodschappen doen kan je in de prachtige supermarkt “LIDL” die ook in Estartit gevestigd is.

 

In Estartit staat altijd wel een windje, dat bij erg warm weer toch wat verfrissing geeft.

Soms is er echter een “TRAMONTANA”, dan waait het heel hard, gepaard gaande met flinke windstoten. Je kan dan beter niet naar het strand gaan, want dan wordt het een “BROODJE ZAND” eten. Vreemd genoeg blijft het verder toch mooi weer, met een strakke blauwe lucht.

Tijdens zo´n “TRAMONTANA” gaan de toeristen meestal winkelen of ergens iets drinken.

 

Al met al kan je je in ESTARTIT  best vermaken, het is overwegend stralend  mooi weer. Je kan lekker zonnen op het strand, of  zwemmen in de zee. 

Wie er dan ook éénmaal is geweest, komt vast en zeker nog eens terug, want:

“HET IS ER ALTIJD BAR GEZELLIG!”

 

                                                                                                                                                                                                                                                      

[Naar boven]

 

 

MIJN PERSOONSBEWIJS

 

In 1941 werden door het Departement van Binnenlandse Zaken persoonsbewijzen verstrekt aan de Nederlandse bevolking.

Dit persoonsbewijs was vijf jaar geldig.

Een ieder diende dit persoonsbewijs altijd bij zich te dragen en te tonen aan de daartoe bevoegde ambtenaren en aan de Duitse Wehrmacht.

Het persoonsbewijs was voorzien van je vingerafdruk en een pasfoto.

Misbruik van dit persoonsbewijs werd bestraft.

In verband met het door mij geschreven verhaal VERZET en JODENVERVOLGING onder de rubriek 1940-1945, ben ik naarstig op zoek gegaan om mijn persoonsbewijs terug te vinden.

Echter tevergeefs, ik ben toen van de veronderstelling uitgegaan, dat het wel weggegooid zou zijn, of zoek geraakt bij de diverse verhuizingen.

 

Tijdens een gesprek met mijn computerleraar Kees Bakker en zijn vrouw Anja, op een terrasje in Estartit (Spanje) en onder het genot van een heerlijk “bakkie” koffie, kwam het onderwerp Marine ter sprake.

De heer Bakker is n.l. al op  jonge leeftijd in dienst getreden bij de Koninklijke Marine Marine en geniet nu van zijn pensioen.

Ik vertelde dat mijn vader ook nog korte tijd bij de Marine in dienst was geweest, en dat ik daar nog een soort Monsterboekje van moest hebben.

De heer Bakker toonde hiervoor wel belangstelling en ik beloofde hem, dat ik het op zou zoeken zodra ik weer in Holland was en het hem dan zou laten zien.

Toen ik weer thuis was, vond ik het bewuste boekje, het bleek een Rekening-Courant-Boekje te zijn van 1918. Toen ik het boekje opende zat daar tot mijn grote verbazing en ook blijdschap, mijn verloren gewaande persoonsbewijs in, alsmede nog wat oude foto´s.

 

Vermoedelijk heeft mijn vrouw het bewuste document tijdens een verhuizing daar in gedaan. Maar ja, daarin had ik mijn persoonsbewijs nooit verwacht.

 

Op het persoonsbewijs is duidelijk te zien hoe er destijds mee is geknoeid. Om mijn vriend Hugo Minco (joden jongen) te helpen vluchten, heb ik met een scheermesje het woord “kunstbeen” weg  geschrapt en ontstond er een grote vlek.

Later (nadat ik het via de post weer in mijn bezit kreeg) heb ik de    aantekening “kunstbeen” er weer op geschreven.

 

De inktvlek bovenaan is ontstaan omdat mijn vulpen destijds in mijn binnenzak heeft gelekt.

 

De pasfoto heb ik na de bevrijding aan een meisje gegeven waar ik verkikkerd op was. Stom, maar ja als je verliefd bent ……………..

 

Hierboven ziet u op de afbeelding een gedeelte van het betreffende persoonsbewijs.

                                                                                                        

 

 

[Naar boven]

 

 

 

PROFESSOR PICARD EN DE LUCHTBALLON

 

Het was in de zomer van 1954, dat mijn vader twee weken bij ons in Den Helder kwam logeren.

Mijn vader was altijd erg serieus en kon er ook niet goed tegen als hij, voor de grap, in de maling werd genomen.

Mijn buurman Wiebe Bakker, was juist een vrolijke klant, die wel van een “lolletje” hield.

Jannetje Bakker, de vrouw van Wiebe, had hem dan ook op z´n hart gedrukt geen geintjes te maken als hij bij ons op visite kwam.

Wij gingen regelmatig met onze buren om en konden het goed met elkaar vinden. Wiebe Bakker had altijd de gewoonte om tegen mij bij binnenkomst te zeggen: “Hallo Klingetje met je dingetje” en Jannetje had hem op z´n hart gedrukt dit niet te zeggen als mijn vader er was en dat beloofde hij.

En wat zei Wiebe tegen mij toen mijn vader er was en hij binnen kwam:

“Hallo Klingetje met je …….krullenbol” en gaf een aai over m´n kop.

Ik had de schrik, maar m´n vrouw moest er smakelijk om lachen.

Op een gegeven moment begon mijn vader een serieus gesprek over professor

Picard, die op zee diverse onderzoeken onder water deed voor de wetenschap.

Maar, vertelde mijn vader verder, hij ging ook met een luchtballon naar de stratosfeer om daar ook voor de wetenschap onderzoek te verrichten.

Waarop mijn buurman Wiebe zei:  “Ja, dat weet ik, want toen ik op m´n knietjes in het land aan het werk was, hoorde ik ineens een stem die riep: ”Meneer, meneer, kunt u me ook zeggen waar of ik ben?”

 En Wiebe vervolgde, nou ik kijk om me heen en niemand te zien, en weer hoor ik die stem: “ Meneer, meneer, kunt u me ook zeggen waar of ik ben.”

Wiebe weer: ik kijk om me heen en zie niemand. En weer hoor ik die stem: ”Meneer, meneer, kunt u me ook zeggen waar of ik ben?”

Toevallig kijk ik naar boven ….. is het professor Picard die aan me vroeg:

“Meneer kunt u me ook zeggen waar of ik ben?” 

En ik antwoordde: “Ja meneer, in een mandje onderaan een luchtballon!”

 

Hoe mijn vader hier op gereageerd heeft weet ik niet meer precies, want ik ben de kamer uit gevlucht. Maar ik denk als de bekende boer die kiespijn heeft.

 

                                                                                           

 [Naar boven]

 

 

 

 

 

DE BRIL VAN PRINS BERNHARD

 

 

 

Jaren geleden bracht Z.K.H. Prins Bernhard een inspectiebezoek aan de Marine Magazijnen in de Lijsterstraat (Den Helder)

Al weken van tevoren was het daar een zenuwachtige bedoening. Er moest plotsklaps grote schoonmaak gehouden worden, nieuwe gordijntjes voor de ramen, kortom allerhande dingen die eerst niet konden en nu ineens wel.

U herkent dat vast wel.

“Apentrots” waren ze, dat hun bedrijf was uitgekozen voor zo’n hoog bezoek.

 

Toen de “grote dag” was aangebroken en de Prins was gearriveerd, probeerde iedereen zo dicht mogelijk in zijn buurt te komen, in de hoop ook op één van de vele foto`s te staan die van de Prins werden genomen.

 

In die tijd was ikzelf werkzaam bij Lumag, op het marinevliegkamp “De Kooy.”

Een dag na het bezoek van de Prins aan de Marine Magazijnen kreeg ik opeens het idee om een soort 1 april grap uit te halen.

Ik belde vanaf de “De Kooy” een kantoorafdeling van de Marine Magazijnen op, en zei met verdraaide en deftige stem tegen de juffrouw die opnam:

”Goede morgen juffrouw, u spreekt met de particulier secretaris van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernard. De Prins heeft gisteren een bezoek gebracht aan de Marine Magazijnen en omdat hij nu zijn bril kwijt is, bestaat het vermoeden dat die daar ergens is blijven liggen.”

De juffrouw werd doodzenuwachtig en riep stotterend haar chef, zo van: “Mmmeneer, mmeneer, ik hhheb hhier de parparparticulier sesecretaris vvan prins Bbbernarda aan dde tetetelefoon.” Waarop de chef de telefoon van haar over nam. Tegen hem vertelde ik mijn verhaaltje nog een keer. Hij beloofde me, toch wel wat zenuwachtig, dat ze met de meeste spoed overal naar de bril zouden gaan zoeken.

Ik bedankte hem en zei dat ik over een uurtje terug zou bellen om te informeren of de bril gevonden was. Een paar minuten later realiseerde ik me, dat ik alle werkzaamheden op de Marine Magazijnen voor een uur had stil gelegd en begon hem toch wel een beetje te knijpen. Ik besloot het hele verhaal op te biechten aan mijn chef, de heer Kortehoeven.

Gelukkig hield die wel van een geintje. Hij kon de grap wel waarderen en zei:

”Laat ze rustig een tijdje zoeken en bel dan maar op om te zeggen dat de prins inmiddels zijn bril gevonden heeft.”

 

En aldus is geschied.

 

 

                                                                                                       [Naar boven]

 

VIERDAAGSE NIJMEGEN

 

Mijn schoonzoon Andy Pormes liep jaren geleden, als sergeant bij het Korps Mariniers, de vierdaagse mee.

Mijn dochter Mia, met wie hij getrouwd is, en ik besloten naar de intocht te gaan  om hem met bloemen in te halen. Wij waren er van overtuigd dat hij de tocht zou volbrengen.

´s-Morgens vroeg reden we vanuit Den Helder naar Nijmegen en toen we daar aankwamen, was het al een drukte van belang. We konden alleen nog een staanplaats bemachtigen achter de dranghekken.

Op een gegeven moment kwam er een jong vrouwtje naast ons staan met een leuk hoedje op, die in het Engels een praatje met ons begon te maken. Gelukkig zijn m´n dochter en ik de Engelse taal een beetje machtig, zodat we haar konden verstaan.

Ze vertelde ons, dat zij verloofd was met een Hollandse Marinier en uit Engeland was overgekomen om de intocht mee te maken en  om haar verloofde te verwelkomen.

Na een poosje gezellig met elkaar gekletst te hebben, was het grote moment aangebroken dat de Mariniers in het zicht kwamen.

Wat er toen gebeurde zullen m´n dochter en ik nooit vergeten. Het was net iets uit een komische film.

Het Engelse vrouwtje lichte haar hoedje op, trok een pruik van haar hoofd, zette  het hoedje weer op en stopte de pruik in een tas die ze bij zich had

Dit alles gebeurde in een tempo waar een goochelaar jaloers op zou zijn.

M´n dochter en ik wisten niet wat we zagen, en waren met stomheid geslagen. Met de grootste moeite konden we onze lach bedwingen.

Inmiddels waren de Mariniers ter plekke gearriveerd en konden we onze bloemen aan mijn schoonzoon overhandigen.

Het Engelse vrouwtje zijn we uit het oog verloren.

Omdat we vlak bij het eindpunt waren, liepen m´n dochter en ik alvast daar heen om m´n schoonzoon op te vangen. Daar aangekomen moesten alle Mariniers in een militaire truck plaats nemen om  naar een school twee straten verderop vervoerd te worden om zich af te melden. M´n schoonzoon gaf wat spulletjes aan m´n dochter en duwde mij de bloemen in m´n handen met de woorden:

”Pa, draag jij die even naar die school, dan heb ik m´n handen vrij,” waarna hij in de truck stapte.

 

Nou, m´n dochter en ik op weg naar die school, ik met de bloemen.

De mensen die mij met de bloemen zagen lopen begonnen luid te applaudisseren, want die dachten (natuurlijk ten onrechte), dat ik ook de vierdaagse had gelopen en wel veel blaren op m´n voeten zou hebben, omdat ik zo mank liep.

Maar ik loop mank omdat ik een prothese draag.

Ik weet niet meer hoe snel ik naar die bewuste school moest komen om de bloemen weer aan mijn schoonzoon terug te geven.

Toen die dit verhaal hoorde, heeft hij er smakelijk om moeten lachen.

Noch hij, noch ik hadden er bij stil gestaan, dat de mensen zo zouden reageren.

 

 

                                                                                        

  

[Naar boven]

 

 

 

DE ARABIER

 

Eind augustus 1990 werd mijn schoonzoon Andy Pormes, sergeant majoor bij het korps mariniers, op Hr. Ms “Pieter Florisz” geplaatst.

In verband met de toen dreigende Golfoorlog moest dit schip met spoed naar dit gebied vertrekken. Zijn taak was het om helikopters vanaf het schip te laten opstijgen en weer veilig binnen te loodsen.

 

Mijn schoonzoon liep een paar dagen voor het vertrek steeds het toen bekende liedje: “Koeweit, Koeweit, kielekiele Koeweit, kielekiele hopsasa” te zingen en kwam op het idee, om zich als Arabier te verkleden en zo aan boord van het schip te gaan.

Zo gedacht, zo gedaan. Thuis vermomde hij zich als Arabier en stapte toen in zijn auto. Vlak vóór de ingang van het Marinecomplex aan de Nieuwe Haven, deed hij eerst de hoofdtooi en zonnebril af en toonde daarna zijn legitimatiebewijs aan de wacht van het Marine Bewakings Korps. Ongehinderd werd hem doorgang verleend. Even verderop deed hij zijn hoofddoek en zonnebril weer op en parkeerde zijn auto.

Als Arabier stapte hij uit de auto en liep het terrein op, door iedereen met de grootste verwondering gadegeslagen.

Op een gegeven moment kwam een kolonel aanfietsen, die z´n ogen niet geloofde en bijna van z´n fiets tuimelde van verbazing.

Hij vroeg in het Engels: ”Where are you going to?”

M´n schoonzoon antwoordde: ”To the Pieter Florisz ,Sir.”

De kolonel weer: ”Do you know the way?”

M´n schoonzoon: ”Yes Sir, I know.”

De kolonel: ”Oké” en fietste hoofdschuddend en vol ongeloof door.

Als Arabier bereikte hij Hr. Ms. “Pieter Florisz”, waar zijn maten al snel in de smiezen hadden dat het Andy Pormes was. Onder luid gejuich en applaus werd hij aan boord verwelkomd.

Van hoog tot laag vond men het een “pracht stunt!”

 

Een fotograaf wilde nog een foto van hem maken, geëscorteerd door 5 Marva´s. Dat werd echter, tot zijn spijt, niet toegestaan.

 

Dit voorval heeft destijds zelfs de voorpagina van de Telegraaf gehaald.

 

  

   

 

[Naar boven]

 

 

 

Verstoppertje

 

Mijn buurman Wiebe Bakker, die wel meer in mijn verhalen voorkomt, had er soms lol in om zich te verstoppen als zijn vrouw Jannetje even weg was om  boodschappen te doen.

Als zij dan terugkwam, liet hij haar schrikken door plotseling uit een kast, achter een gordijn of onder de tafel te voorschijn te komen. Hij wist zich op de gekste plaatsen te verstoppen.

Er zijn meer van die lui, kijk maar naar de hiernaast geplaatste afbeelding. Dat zijn 2 kerels die zich in een staande schemerlamp wisten te verstoppen. 

 

Jannetje wist onderhand, dat als zij thuis kwam en Wiebe niet in de kamer was, dat hij zich ergens had verstopt. Zij begon dan te roepen: “Wiebe kom te voorschijn, ik weet toch wel dat je je verstopt hebt. Je laat me niet schrikken hoor.” En zo ging zij een tijdje door.

Het eindigde dan altijd dat Wiebe haar toch onverwacht beet greep of in haar arm of been kneep.

Op een zaterdagmiddag moest Jannetje nog een vergeten boodschap halen en zei:” Wiebe ik moet nog even een boodschap halen. Ik ben zo terug.”

Na verloop van tijd kwam ze terug en toen ze Wiebe niet in de huiskamer aantrof begon ze, zoals ze steeds  te roepen: ” Wiebe kom te voorschijn, ik weet toch wel dat je je verstopt hebt. Je laat me niet schrikken hoor.” Na dit een poosje geroepen te hebben gebeurde er tot haar verwondering niets. Ze dacht nou, dan is hij zeker een pakje shag gaan halen. Ze pakte een krantje en ging rustig zitten lezen.

Na een tijdje hoorde zij plotseling een angstig en benauwd stemmetje  roepen: ”Jannetje, Jannetje, ik zit in het gootsteenkastje en nu kan ik er niet meer uit.”  Nou, toen had Jannetje de grootste lol. Maar toch vertrouwde ze het zaakje niet en  riep: ”Blijf maar rustig zitten waar je zit.” Maar toen hij maar niet te voorschijn kwam, en bleef roepen, ging zij toch eens kijken wat er aan de hand was.

Nou, en daar zat Wiebe, vastgeklemd in het gootsteenkastje. Hij kon geen kant op.

Het was nog zo´n ouderwets houten gootsteenkastje, en hoe hij zich daarin gefrommeld heeft is me nu nog een raadsel.

Er moest een buurman aan te pas komen om met een bijl een stuk uit het gootsteenkastje weg te hakken. Pas toen kon hij uit z´n benarde positie worden bevrijd.

 

Wiebe had de schrik te pakken en z´n lesje geleerd.

Nadien heeft hij zich nooit meer voor Jannetje verstopt.    

 

 

                                                                                                      

[Naar boven]

  

 

DE GOUDEN BEKER

 

Bij de personeelsvereniging MarMag (Marine Magazijnen) was ook veel animo voor het zeilen.

Door de Marine werd een modelsloep van de B2 klasse beschikbaar gesteld.

Vaak ging men op de zaterdag- en zondagen plezierzeilen onder leiding van schipper H.J. Bos, of Leo van der Zee.

Meestal ging de tocht naar Texel of het Amstelmeer, om zo de nodige ervaring op te doen.

Als fokkenist nam ik ook hieraan deel.

In juni 1952 kreeg MarMag de uitnodiging om deel te nemen aan de Nationale

Zee- en redewedstrijden op het Marsdiep.

De 1e prijs was een gouden wisselbeker, beschikbaar gesteld door

Z.K.H. Prins Bernard.

MarMag schreef hier voor in, en werd ingedeeld in de klasse korporaals en manschappen. (Er was geen aparte klasse voor burgerpersoneel.)

Verder was er nog een officieren en onderofficieren klasse.

Aan de voorwedstrijden deden steeds twaalf sloepen mee, waarvan de eerste drie zich plaatsten voor de finale.

MarMag moest op zaterdagmorgen 9 uur aan een voorwestrijd deelnemen. De bemanning bestond uit: schipper H.J. Bos,  J.van Aperen, Henk Haak van Overloop, W. Klinge, T.L. Nootenboom, P.P. van Oosterum en J. Spijker.

 

Het was vliegend stormweer, windkracht 9 á 10 en ik had tegen m´n vrouw gezegd, dat het wel niet zou doorgaan met dit noodweer. Maar voor alle zekerheid ging ik toch even informeren.

Mooi verkeerd gedacht, want het ging wel degelijk door. Maar in  plaats van 12 sloepen gingen er slechts 4 van start. De schippers van de andere 8 sloepen zagen van deelname af, omdat ze het te gevaarlijk vonden.

Schipper Bos durfde het echter wel aan en re gingen dus 4 sloepen van start.

De reddingboot voer met ons mee om eventueel hulp te verlenen als dat nodig mocht zijn. Het was dus wel degelijk “linke soep.”

Eerlijk gezegd kneep ik hem wel een beetje, want met zo´n zeetje krijg je aan de fok het meeste water binnen. Maar toen we de haven uit waren gezeild, en het startschot was gevallen, was de angst verdwenen, er viel toen genoeg te doen.

Onophoudelijk moest er met lege blikken flink gehoosd worden om het vele water dat steeds in de sloep kwam weer over boord te gooien.

Af en toe stond de sloep zowat recht op en dook dan weer met een klap naar beneden.

Op de dijk zag het zwart van de mensen, waaronder ook mijn doodzenuwachtige vrouw. Tegen de omstanders  had ze de opmerking gemaakt: ”Ze lijken wel gek. Ze krijgen m´n oude schoenen nog niet mee.”

Van de 4 sloepen eindigden we, na een spannende race, op de 3e plaats, zodat we nog net een  finaleplaats hadden bereikt.

 

De finale was zondagmiddag.

De storm was inmiddels gelukkig gaan liggen, en er gingen 12 sloepen van start.

We maakten een prima start en kwamen al gauw een straatlengte voor te liggen, een voorsprong die we lang wisten te behouden. Bij het laatste “rak” maakte schipper Bos echter een verkeerde inschattingsfout.

De sloep die op de 2e plaats lag kon ons daardoor zienderogen inlopen.

Met de finish in ´t zicht werd het reuze spannend.

Het werd een “nek aan nek race”. Op het laatste moment wist schipper Bos toch als eerste te finishen, zij het met nog geen halve meter voorsprong.

Het was dus met recht: “Kantje boord!”

 

Buiten ieders verwachting, hadden we zowaar de gouden beker in de wacht gesleept.

 

De prijsuitreiking vond ´s-avonds in de Officierskantine plaats.

Dat een stelletje burgers met de gouden beker van Z.K.H. Prins Bernard schoot ging, was voor de heren officieren merkbaar een pijnlijke zaak.

Maar we hadden het toch gefikst!

 

                                                                                                     

 

[Naar boven]

 

 

 

DAMESVOETBAL

 

Reeds in 1950 kregen diverse dames, werkzaam  bij de Marine Magazijnen, het idee om een damesvoetbalelftal samen te stellen en dan voor de gein een wedstrijdje te spelen

De animo was zo groot, dat er 2 elftallen samengesteld konden worden.

Daarmee was MarMag de eerste en enige vereniging in Den Helder (en vermoedelijk ook in Nederland), die met damesvoetbal begon.

Eind jaren zestig werd er pas serieus met damesvoetbal begonnen.

Omdat er nog geen andere tegenstandsters beschikbaar waren, speelde MarMag 1 tegen MarMag 2.

Onder grote belangstelling vond de wedstrijd plaats op het Marine Sportcomplex aan de Ruijghweg. Scheidsrechter was Wim Groot.

Tegen mijn zin, nam ook mijn vrouw hier aan deel. Ik vond het n.l. geen sport voor vrouwen (en nog steeds niet).

De voetbalschoenen waarop de dames speelden waren minstens 3 maten te groot, en er werd dan ook regelmatig over de bal heen getrapt, tot grote hilariteit van het aanwezige publiek.

Er liep zelfs een onbekende verklede verzorger langs de kant met emmers water, om eventuele blessures te verhelpen.

 

Hieronder volgt het verslag van Gradus, die destijds als journalist van de Helderse Courant, aanwezig was bij de wedstrijd MarMag1 tegen MarMag 2.

 

 

                                      DAMESVOETBAL

 

Met plezier hebben velen van de week naar de damesvoetbalwedstrijd van de Marine Magazijnen gekeken. Ook deze Gradus en zijn (ongetrouwde) lijffotograaf hebben de weinig elegante manoeuvres op het grasveld aan de Ruijghweg van nabij gade geslagen.

Er waren voor- en tegenstanders bij deze ontmoeting.

Sommigen achtten het spul een aanfluiting van het dame-zijn; anderen veroordeelden het als “sportverdwazing.”

Nu is het laatste een moeilijk woord. En ook zou Gradus echter het dame-zijn niet gedegenereerd willen zien door zo´n onschuldig grapje op ´t gras overgroeide sportveld.

Nee, hij zou inderdaad alleen willen teruggrijpen op die dagelijks charmante vrouwtjes, die op straat en kantoor ieders bewondering oogsten en dan plotseling verfomfaaid met klompen van voetbalschoenen achter een grote bal beginnen te draven. Want toen waren zij eigenlijk vreemde, onhandige mannen met permanent-hoofden en lacherige gilletjes, fanatiek en (vergeef) on-elegant.

Maar goed, het zij zo. Wáár staat, dat het voetbalspel alleen voor mannen werd geschapen? Nergens. Schaadt het het amateurisme? Ook niet.

Gaat dus gerust uw gang AMM-meisjes. (Algemene Marine Magazijnen meisjes) en weet dat de Debo-girls (vermoedelijk de dames van de Helderse Courant) het plan hebben opgevat jullie uit te dagen.

 

                                                                                                       Gradus

 

Tot zover Gradus.

                                                                                                       

De dames van MarMag werden na deze  wedstrijd uitgedaagd door de dames van de W.S.O.V. (Werf Sport en Ontspannings Vereniging)

Omdat er veel belangstelling werd verwacht, werd ditmaal entree gevraagd van een kwartje, dat ten goede kwam van het M.S.F. (Marine Sanatorium Fonds)

Er werd gespeeld in het Ankerpark, tegenover de toenmalige Zeevaartschool.

Het spreekt haast als vanzelf, dat alle leerlingen van deze school met luide aanmoedigingen en het nodige commentaar aanwezig waren.

Bij deze wedstrijd hanteerde ik de scheidsrechterfluit.

Kort voor het einde stond  MarMag  met 1-0 voor, en omdat ik de wedstrijd met een gelijk spel wilde eindigen, gaf ik voor een onbenullige overtreding een strafschop aan de dames van W.S.O.V. Immers als het gelijk stond bij het eindsignaal, moest er door elke ploeg 5 strafschoppen worden genomen, wat het natuurlijk bijzonder spannend  zou maken voor het publiek.

De dame van W.S.O.V. die de strafschop nam schoot hem keihard in de uiterste rechterhoek. Tot mijn stomme verbazing wist de keepster van MarMag ( één van de zusjes Aggenbach), met een formidabele snoekduik, de bal uit haar doel te ranselen. Ik geef u de verzekering, dat onze huidige keeper van de Sar de bal niet had gehouden.

Zij kreeg dan ook een daverend applaus van het publiek, en werd onder haar medespeelsters bedolven. Het bleef dus 1-0 voor MarMag.

Na afloop kwamen de dames van MarMag, ondanks dat ze gewonnen hadden,  pisnijdig verhaal bij mij halen, waarom ik in vredesnaam een strafschop aan W.S.O.V. had gegeven.

Toen ze wat tot bedaren waren gekomen en ik had uitgelegd waarom, konden zij mijn handelswijze wel begrijpen en hadden er vrede mee.

 

De diverse MarMag damesteams die o.a. tegen de W.S.O.V. (Werf Sport en Ontspanningsvereniging) en de M.I.D. (Marine Inventaris Dienst) hebben gespeeld, waren:

 

De zusjes Aggenbach,

Betsy Berting,

Mapie Biondina,

Jopie v/d Brink,

Balie van Bijnen,

Cor Cramer,

Miep Faeseler,

Mieke v/d Giesen,

Tiny Goes,

Tinie van Engelsdorp-Gastelaers,

Corry Hartman,

Paula Jansen,

Jeanne Klinge,

Breggie en Tiny Kramer,

Betsy Kuiper,

Henny v/d Mast,

Netty Meppeling,

Greetje Onderstal,

Annie Selbach,

Ietje Teeuwen,

Riet Vergaille en

Ans Zikkenheiner. 

 

 

 

                                                                                                                 Brandus         

[Naar boven]

 

 

SOLDAATJES

 

Als jongentje werd ik door mijn zus Willemien altijd schoftig verwend.

In een vorig verhaal heb ik reeds vermeld dat toen ik geboren werd, zij 18 jaar was en aan iedereen die het maar hoorde wilde vertelde, dat zij mij had gebakerd.

Toen ik een jaar of 5 was kocht zij elke zaterdag bij de speelgoedwinkel

“De Poppendokter” op de Schiedamseweg in Rotterdam, een prachtig speelgoed soldaatje voor mij. Geen tinnensoldaatje, maar een soldaatje met een prachtig gekleurd uniform aan, gemaakt van een soort kalksteen.

Zo´n soldaatje kostte een kwartje (25 ct.), wat toentertijd een hoop geld was.

Ook bracht zij wel eens een soldaatje te paard mee, of een kanonnetje, die nog duurder waren.

Zij werkte destijds in een kapperszaak en kocht de soldaatjes van haar zuur verdiende fooiengeld.

Mijn moeder zei dikwijls tegen haar:” Meid, je verwent die knul veel te veel.”

Zij trok zich daar echter niets van aan en bracht toch iedere week weer een soldaatje voor mij mee.

Op zondagmorgen gaf zij die dan aan mij, omdat ik al op bed lag als zij zaterdagavond thuis kwam.

Na verloop van tijd had ik een hele verzameling. Ik kon wel 2 legers samen stellen.

Op m´n twaalfde jaar, mijn zus Willemien was inmiddels getrouwd en had nu zelf een zoontje van 6 jaar, besloot ik de soldaatjes en kanonnetje aan haar zoontje Wil te geven.

Nou, toen waren de soldaatjes gauw verdwenen. Want wat deed Wil toen er niemand bij was?

Hij nam het kanonnetje, stopte daar een knikker in en schoot de soldaatjes één voor één aan flarden.

 

 

Dag soldaatjes.

 

Wel zonde van Willemien haar centjes.

     

                                                                                                       Brandus

[Naar boven]

 

 

PIET HEINVLOOT

 

Vanwege het feit dat er de laatste tijd regelmatig schepen uit de oude tijd worden nagebouwd, herinnerde ik me nog het volgende.

 

In de jaren dertig, ik zat nog op school, gingen we met de klas nagemaakte schepen van de Piet Heinvloot bezichtigen die in Delfshaven lagen.

We kregen daarbij een rondleiding en uitleg hoe vroeger op deze schepen alles toeging. Hoe er werd geleefd, waar werd geslapen, waar de kombuis zich bevond, waar  het toilet, enz. enz..

Waarom deze schepen gemaakt zijn en in welk jaar, wist ik mij niet meer te herinneren. De heer Westerhout ( hier ook woonachtig), was destijds bij de rivierpolitie in Rotterdam werkzaam. Hem vroeg ik of hij zich nog het e.e.a. kon   herinneren.

Volgens hem waren het 5 à 6 schepen. Hij wist de naam nog van één van deze schepen, te weten de “NEPTUNUS”. Op dit schip is hij toentertijd nog aan boord geweest.

Ook weet hij nog dat het bedrijfsleven toen zorg heeft gedragen, dat deze schepen werden geleverd. De complete tuigage, met alles er op en er aan, heeft kapitalen gekost.

In welk jaar en naar aanleiding waarvan wist hij ook niet meer precies.

 

Deze schepen gingen later voor de Parkkade, midden in de rivier de Maas, voor anker, en waren ´s-avonds geheel verlicht.

Dat was een pracht gezicht. Zie geplaatste foto´s.

Omdat we toch wilde weten waarom, en in welk jaar dit alles heeft plaats gevonden, en wat er later met deze schepen is gebeurd, werd navraag gedaan bij de Gemeente Rotterdam, waarop het volgende bericht werd ontvangen:

 

“De Piet Heinvloot is destijds tot stand gekomen ter herinnering aan het feit dat het zeventig jaar geleden was dat het standbeeld van Piet Hein is geplaatst.

Dit alles heeft plaats gevonden in september 1938.

In de collectie van het gemeentearchief Rotterdam zijn een aantal foto´s van deze gebeurtenis. (nog niet op internet!)

Wat er later met deze schepen is gebeurd is niet bekend.

 

Onze openingstijden zijn op maandag van 13.00-17.00 uur, dinsdag t/m vijdag van 9.00-17.00 uur.

Op woensdag zijn wij bovendien de avond geopend, dus van 9.00-21.30 uur. Geen avondopenstelling in juli en augustus.

Ons bezoekadres is: Hofdijk 651, 3032 CG  Rotterdam.

 

Als u een archiefkaart wilt aanvragen, vergeet dan niet een legitimatie mee te nemen.

 

Vriendelijke groet,

 

Martijn Verbon

Studiezaal.”

 

Tot zover dit bericht.

 

Wellicht dat er lezers onder u zijn, die een keer een bezoek willen brengen aan dit archief.

 

Volgens de heer Westerhout is één van deze schepen (vermoedelijk de “Neptunus) gemaakt door het personeel van de S.H.V. (Steenkolen Handels Vereniging).

Het casco was feitelijk een stalen binnenvaartuig, genaamd S.H.V. met een nummer, dat hij helaas is vergeten.

Het geheel is betaald door de S.H.V.-directeur de heer D.G. van Beuningen.

Later is het scheepje gesloopt en het casco is weer gewoon gebruikt voor het vervoer van kolen.

Het schip heeft nog enige tijd in het “Kranenpark” van de S.H.V. aan pier 5 in de Waalhaven gelegen.

Het mooiste gezicht is hem nog bij gebleven op een nacht, toen het hevig gedauwd had en de hele tuigage van het scheepje spierwit was.

Daar zijn ook foto´s van gemaakt. Zijn deze misschien te achterhalen?

 

                                                                                                       Brandus

 

  

[Naar boven]

 

SMAKELIJK ETEN

 

Als jongen van een jaar of 14 was ik lid van de V.C.J.C.

(Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale.)

Deze vereniging was een onderdeel van de Remonstrantse Kerk.

Elk jaar gingen we in de zomer, onder leiding van een dominee en nog een paar andere leidinggevende personen, met zo´n 100 jongens  ergens kamperen en sliepen dan in een grote legertenten, waarin 8 jongens per tent.

Om beurten hadden we dan corvee, dat bestond uit brood klaar maken, afwassen, aardappelen schillen en meer van dergelijk karweitjes.

We aten met z´n allen in een enorm grote legertent waarin houten banken en bakstafels stonden. We aten van emaillen borden met ijzeren bestek.

´s-Morgens was het een heibel van jewelste. Dan begon iedereen met  bord en bestek op tafel te rammelen, onder luid gezang van het

schone lied:

 

“En is er nog brood, brood, ik ga van honger dood, in de tent, in de tent, in de courage meestertent.

En is er nog brood, brood, ik ga van honger dood, in de tent, in de tent, in de courage meestertent.

Dat weet ik niet en bovendien, ik kan het zonder bril niet zien, ik kan het zonder bril niet zien.”

 

Als de schalen met brood binnen gebracht waren, (dat waren altijd doormidden gesneden boterhammen op elkaar, met dik jam of hagelslag er tussen), dan verstomde het lawaai en als het uiteindelijk stil was geworden, ging de dominee voor in gebed. Het was een verstandige dominee, want hij hield het gebed altijd kort, omdat hij begreep dat we gierden van de honger.

Na het gebed was het onmiddellijk “aanvallen” geblazen!

Ik nam een boterham met dik jam er tussen, nam een flinke hap  en…….. voelde plotseling een steek in de binnenkant van mijn wang. Ik wilde mijn eten niet uitspugen waar iedereen bij zat, dus was het kauwen en slikken geblazen. Daarna hield ik een hand voor mijn mond, en met duim en wijsvinger van m´n andere hand trok ik zo de angel van een wesp uit de binnenkant van mijn wang.

De wesp had ik opgegeten.

 

Maar ik heb het overleefd, de wesp niet!                                          

 

                                                                                                       Brandus

  

[Naar boven]

 

HET KAARSVLAMMETJE

 

De nu volgende gebeurtenis is een familie verhaal, dat plaats vond voor mijn geboorte.

 

Toen mijn zus Willemien een jaar of 9 was, had zij strafwerk op school gekregen, dat zij thuis moest maken.

U kent dat strafwerk wel, bijvoorbeeld honderd maal opschrijven:

” Ik mag tijdens de les geen kattenkwaad uit halen,” of iets dergelijks.

Zij wilde dat niet weten voor mijn ouders, omdat zij bang was een flink standje te krijgen.

Zij nam daarom papier, pen en inkt mee naar de slaapkamer op zolder,

trok een houten beddenplank onder het bed vandaan en gebruikte die als onderlegger om haar strafwerk te maken. Om voldoende licht te hebben, had zij een brandende kaars op de beddenplank neer gezet. Hartstikke gevaarlijk natuurlijk, maar als kind sta je daar niet bij stil.

Toen het strafwerk af was, zag zij dat haar broertje Jan van ongeveer zes jaar rustig lag te slapen en kwam de gedachte bij haar op of hij het in z´n slaap zou voelen als zij het kaarsvlammetje onder zijn neus hield.

Een idiote gedachte natuurlijk, maar kinderen van die leeftijd kunnen er nu éénmaal vreemde ideeën op na houden.

Dus probeerde zij het uit en hield het kaarsvlammetje onder de neus van Jantje.

Met een luide gil van pijn vloog die overeind, niet wetende wat hem overkwam.

M´n zus probeerde hem zo goed moegelijk te troosten, waar ze erg goed in was. Tot haar geluk hadden m´n vader en moeder beneden in de woonkamer de schreeuw niet gehoord, zodat het voorlopig zonder gevolgen bleef.

Het eerste wat mijn moeder de volgende morgen echter tegen Jantje zei was:

“ Wat heb jij een rare neus, die is vuurrood en lijkt wel verbrand.”

Ja, en toen kon Willemien er niet meer onder uit en biechtte het hele verhaal op.

 

Voor straf mocht zij veertien dagen niet buiten spelen en……………………ook niet naar het turnen, waar zij stapel gek op was, vooral op de  knotsoefeningen.

 

Maar aan alles komt een einde, dus ook aan dit verhaal.

                                                                                              Brandus

    [Naar boven]

 

DE STRIK

 

Hier volgen twee verhaaltjes over mijn buurman Wiebe Bakker toen hij nog een jongentje van een jaar of 10 was.

Zijn vader leefde niet meer, die was bij de Sluis in Den Helder van boord van een schip gevallen en verdronken.

Zijn moeder moest op alle mogelijke manieren proberen om aan de kost te komen. Ondersteuning was er in die tijd niet bij. Met een handkarretje met 2e hands spulletjes liep zij door de straten om te proberen iets te verkopen. Ook ging zij regelmatig de marineschepen langs om over gebleven eten op te halen en wat later ook om wat andere artikelen aan de bemanningsleden te slijten, zoals gevulde koeken en dergelijke.

Cadeautjes en snoepgoed voor de kinderen was er echter niet bij.

Toen één van zijn zusjes 6 jaar werd, had Wiebe het volgende verzonnen om zijn zusje toch een cadeautje voor haar verjaardag te geven.

Op de Singel in Den Helder (nu Prins Willem Alexandersingel) woonde destijds de rijke, beter gesitueerden lieden.

De meeste meisjes in die buurt die ´s-morgens naar school gingen hadden dan een mooie strik in hun haar.

Wiebe Bakker had zich in een steegje verdekt opgesteld, en toen er een meisje met een mooie rode strik langs kwam trok hij die uit haar haren en ging er als de gesmeerde bliksem vandoor om de veroverde strik aan zijn jarige zusje te geven.

 

SNOEP

 

 

Voor Wiebe Bakker en zijn broertjes en zusjes was er ook geen geld om kermis te vieren.

In de draaimolen of snoepgoed was er niet bij.

Nu droeg Wiebe een oud versleten marinejack, dat hem veel te groot was.

Om toch aan een zuurstok of ander snoep te komen, had hij de voering uit de zakken van het jack gehaald. Op de kermis ging hij dan voor de snoepkraam staan, en legde heel voorzichtig het uiteinde van het jack een stukje over het uitgestalde snoep en kon dan zo met z´n hand wat snoep pikken om dat met zijn broertjes en zusjes te delen.

Ik weet wel, stelen mag niet, maar ik vind deze verhalen zo aandoenlijk, dat ik hem niet veroordeel. U wel?

Geloof het of niet, maar wat later heeft Wiebe zijn moeder de honderd duizend op een staatslot gewonnen.

Brandus

                                                                                                      

 [Naar boven]

DE PETTICOAT

 

Een kennisje van mijn vrouw had voor mijn dochter Anja, die toen een jaar of 13 was, een petticoat uit Amerika mee genomen.

Dat was in die tijd een rage, en mijn dochter was er dan ook enorm blij mee en zuinig op.

Zij leende hem dan ook voor geen geld uit aan haar zusje Mia, die een paar jaar jonger was. Hoe Mia ook soebatte of smeekte, zij kreeg de petticoat niet te leen.

Op een keer toen Mia naar een feestje moest, vroeg zij voor de zoveelste keer de petticoat van Anja te leen. Maar te vergeefs.

Mijn vrouw kreeg medelijden met Mia en gaf haar een bemoedigend knipoogje.

Toen Anja even de kamer uit was zei mijn vrouw tegen Mia:

“Ga jij maar in de tuin onder het slaapkamerraam staan, dan laat ik de petticoat naar beneden zakken en kan je die in het schuurtje aantrekken. Als je dan weer thuis komt, hang ik hem wel weer weg.”

Maar toen Mia met de petticoat weg was, kreeg Anja in de gaten dat haar petticoat verdwenen was en toen was “de boot aan.”

Mijn vrouw kon er toen niet onder uit, en moest vertellen dat zij de schuldige was.

 

Een tijdje later kampeerde Anja op camping “De Donkere Duinen” in Den Helder.

Daar kreeg zij op een avond een acute blindedarmaanval en werd met spoed overgebracht naar het Gemini Ziekenhuis, waar zij werd geopereerd.

Een paar dagen later, toen Anja alweer aan de betere hand was, ging Mia op ziekenbezoek, en wat dacht u dat Mia aan had?

Juist de petticoat van Anja.

Anja was met stomheid geslagen en tuimelde van verontwaardiging en kwaadheid zowat uit bed.

Zij kon echter weinig uitrichten en moest met lede ogen aanzien dat Mia haar petticoat aan had.

 

Ik weet wel, dat Mia´s ziekenbezoek maar kort heeft geduurd.

 

 [Naar boven]

 

 

Brandus   

KAMPEERHERINNERINGEN

In m´n jongensjaren (15-16-17 jaar) ging ik regelmatig met mijn vriend Ad Klok kamperen bij een keuterboerderijtje in Oosterhout.

Eigenaar was de heer van Nunen, niet groot van stuk en Paake genoemd en zijn lieve vrouw (Moeke).  Ze hadden 2 zonen, Henk en Frans, die mee hielpen op de kampeerboerderij. (Hier sta ik met Paake op de foto).

Henk was de oudste en Frans de jongste, die was van knettergek van voetbal en ongeveer van mijn leeftijd.

 

Op een stuk weiland was gelegenheid om je tent op te zetten, en had je geen tent, dan  kon je in een soort paardenstal in het hooi slapen.

Je moest in het bezit zijn van een kampeerkaart van de A.N.W.B., zoals hiernaast afgebeeld. Deze moest je bij binnenkomst afgeven aan Paake, en kreeg je bij vertrek weer terug. Als je je echter op één of andere wijze misdragen had, werd je kampkaart ingetrokken en kon je je biezen pakken.

Af en toe kwam er ´s-avonds na 11 uur een zo geheten “mentor” van de A.N.W.B. controleren of het rustig was op het terrein en of er geen meiden in de jongenstenten aanwezig waren. Want als dat het geval was, dan kon je naar je kampkaart fluiten en vertrekken.

Ad Klok en ik sliepen met nog een stel jongens in de paardental.

Meestal was er onder de kampeerders wel iemand die gitaar speelde, zelf nam ik ook altijd mijn gitaar mee.

Onder begeleiding van gitaarmuziek werd er dan heel wat afgezongen.

Regelmatig  werden er “bonte avonden” gehouden.

Als het mooi weer was buiten en anders binnen in een grote boerenschuur.

De artiesten waren de kampeerders(sters) zelf.

Er werden schetsjes opgevoerd, voordrachten gedaan, gezongen, en heel wat afgelachen.

Het toneeltje bestond uit een paar houten schragen waar wat planken over heen gelegd waren.

Alles was heel simpel van opzet.

Elke zaterdagavond was er kampvuur en hierbij werd natuurlijk ook weer veel gezongen.

Het was altijd knotsgezellig.

 

Ad Klok en ik kookte de eerste 2 dagen zelf, maar werden daarna meestal door  lieftallige dames uitgenodigd om te komen eten. Ook werden we vaak gevraagd om de overgebleven restjes (kliekjes) op te eten.

Gekscherend werden we wel eens de twee vuilnisvaten genoemd, want we konden heel wat naar binnen werken op die leeftijd..

Voordeel voor ons was dan ook, dat we niet hoefden af te wassen.

 

Nu kampeerden er ook een stelletje vervelende “slome duikelaars ” met een tent.

 

Op een gegeven moment kreeg het idee om, als ze rustig lagen te slapen, allerlei spulletjes die maar lawaai konden maken, zoals lege blikjes dekseltjes enz., voorzichtig aan de touwen van hun tent vast te maken.

Als dat gebeurd was moesten de jongens die in de paardenstal sliepen bij een zgn. haring van de tent gaan staan en deze op mijn fluitsignaal uit de grond trekken. De tent zou dan met oorverdovend lawaai in elkaar storten, met de vervelende “slome duikelaars” er onder.

De jongens vonden het een pracht idee, en zo is het ook gegaan.

Ik bleef in de paardenstal om het fluitsignaal te geven, omdat ik met m´n prothese niet snel genoeg uit de voeten kon.

Toen het zover was en ik het fluitsignaal gaf, trok ieder een haring uit de grond en stortte de tent met een veel kabaal in elkaar met de vervelende “slome duikelaars” er onder.

Die schreeuwden als een mager speenvarken en hadden geen flauw benul wat er allemaal gebeurde.

In plaats dat de andere jongens, die een haring uit de grond getrokken hadden, snel naar de paardenstal zouden rennen en onder de wol kruipen, renden ze tot mijn stomme verbazing het bos in.

Inmiddels waren Paake en z´n beide zoons op het lawaai af gekomen en hadden al gauw in de gaten wat er aan de hand was.

Zelf was ik inmiddels wel onder m´n deken gekropen en hield me slapende.

Toen Paake en z´n zoons in de paardenstal een kijkje kwamen nemen of alle jongens aanwezig waren, zagen ze meteen dat iedereen gevlogen was, behalve ik.

Ik hoorde Paake nog tegen zijn zoons zeggen: ”Zie je wel, zoiets doet Brandus niet.”

Hij bleef echter wel geduldig wachten tot alle kampeerders op hangende pootjes uit het bos terug kwamen en zei dat hij hun kampkaarten zou intrekken en dat zij de volgende morgen konden vertrekken.

Natuurlijk heb ik de volgende morgen aan Paake opgebiecht, dat ik de aanstoker van alles was geweest en dat hij dan mijn kampkaart ook in moest trekken.

Gelukkig stond ik bij Paake in een goed  blaadje, en toen ik mijn verhaal had verteld, moest hij er toch wel om lachen en mocht iedereen blijven.

 

In 1949 ben ik er met mijn vrouw en jongste dochtertje Mia (toen drie jaar) nog een keer wezen kamperen.

Onze andere dochter Anja logeerde bij haar oma en opa in Breda.

 

Wij sliepen in een soort schuurtje naast de paardenstal.

Daar weer naast sliep een bootwerker uit Rotterdam.

Een echte goedzak, met een paar handen als kolen schoppen.

Hij was hier heen gekomen voor een lekkere rustige vakantie.

Pal boven hem sliepen echter zo´n 20 welpen van de padvinderij.

(Nu scouts genoemd.) En u begrijpt het al.

Die knapen lagen tot diep in de nacht lol te trappen, waardoor de bootwerker en ook m´n vrouw en ik niet konden slapen. Mia sliep overal door heen.

Op een gegeven moment werd het de bootwerker toch te veel en bulderde hij:

“Houwen jullie nou g….. je muilen is een keer op mekaar!”

Het hielp, want op slag waren de welpjes muisstil.

M´n vrouw en ik lagen echter stilletjes te schudden van de lach.

 

In het jaar 2000 ( ik logeerde een paar dagen in Rotterdam), vroeg mijn zwager Gerard of ik zin had om met z´n drietjes (m´n zus Adrie er ook bij) een eindje met de auto te gaan toeren. Hij vroeg of ik misschien een bestemming wist om naar toe te rijden.

Opeens herinnerde ik me de kampeerboerderij in Oosterhout waar ik vroeger als jongen gekampeerd had. Ik zei, dat ik daar nog wel eens heen wilde, om te kijken of die er nog was.

Hij vond het wel een leuk idee en zo gingen we op weg naar Oosterhout.

Daar aangekomen vroegen we aan de eigenaar van een snackbar, waar we wat gegeten en gedronken hadden, of hij misschien de weg wist naar de camping van de familie van Nunen.

Hij zei: “U zult waarschijnlijk de camping “t Haasje” bedoelen,” en legde ons uit hoe we moesten rijden.

Na enig zoeken kwamen we bij camping “´t Haasje” aan.

Ik wist niet wat ik zag, het was een kapitaal bedrijf geworden.

Na de auto geparkeerd te hebben, moesten we door een paar slagbomen en ons melden bij de receptie.

Op mijn vraag of Frans van Nunen er nog was, kreeg ik ten antwoord:

”Oh, ome Frans. Ja hoor, die is in de kantine.”

Na bezoekgeld te hebben betaald gingen we naar de kantine en vroeg ik aan één van de dames achter de bar of  Frans van Nunen er was.

Die zei: ”Oh, ome Frans, die staat daar met een meneer te praten”.

Ik liep er heen en toen hij uitgesproken was, tikte ik hem (na 51 jaar) op zijn schouder en zei: ”Ha die Frans.”

Hij draaide zich om, keek me aan en zei: ”Uw gezicht komt me wel bekend voor, maar ik zou zo gauw niet weten wie u bent.”

Ik zei: ”Frans ik ga 5 meter lopen en dan weet je wie ik ben.”

Ik liep een paar meter en toen schreeuwde hij: ”Brandus, Brandus, hoe is het mogelijk!”

Het weerzien was echt wel een beetje emotioneel.

We werden gelijk voorgesteld aan zijn vrouw Anneke en z´n kinderen.

Na gezellig, onder een hapje en een drankje, wat bijgepraat te hebben, gaf hij ons een rondleiding over het enorm uitgebreide complex.

 

 

Er staan zeker meer dan honderd stacaravans.

Er zijn twee zwembaden, er is een voetbalveld met officiële afmetingen,  met zit- en staantribunes en zelfs een overdekte tribune.

Er zijn kleedkamers voor de spelers en een aparte kleedkamer voor de scheidrechter en grensrechters.

Voor beide elftallen is er douchegelegenheid.

Regelmatig komen er profelftallen vriendschappelijke wedstrijden spelen.

Er is een kinderspeelplaats met alles er op en er aan.

Er is een sauna. Er zijn twee bars.

Er is een grote toneelzaal, waar regelmatig de bekendste artiesten optreden.

Kortom er is van alles te beleven en te doen.

 

Ik keek m´n ogen uit, het keuterboerderijtje van toen is nu een miljoenenbedrijf.

 

Of het er echter net zo gezellig is als vroeger betwijfel ik.

Maar dat kan ook jeugdsentiment zijn.

 

Helaas is Frans in 2002 overleden.

 

Met zijn lieve vrouw Anneke heb ik zondag 2 oktober ´04 nog telefonisch contact gehad.

 

Anna Paulowna, 12 oktober 2004.

 

Brandus

 

      [Naar boven]                                                      

        

 

   

HET BRABANTS DORP 1941-1965

 

[Citaat:]

 

“Op 14 mei 1940 werd Rotterdam gebombardeerd door 54 Duitse Heinkel bommenwerpers, geladen met honderd ton brand- en brisantbommen.

Er vielen 900 doden te betreuren en duizenden gewonden.

Er werden 25.000 woningen vernield, en het aantal daklozen liep op tot 78.000.

 

In 1941 werd tussen de weilanden en korenvelden het zo genaamde “Brabants Dorp” gebouwd in Rotterdam Zuid, om de ontstane nijpende woningnood enigszins op te lossen.

De naam was afgeleid van de straatnamen, van een Brabantse gemeente.

Het dorp bestond uit zo´n 520 huisjes van eenvoudige betonnen constructie.

Betonnen vloeren en daken werden afgedekt met asfalt. (Dat is u niet meer toegestaan.)

Een klein woonkamertje, 2 slaapkamertjes en een keukentje.

Achter het huisje een stukje grond, wat als tuintje kon dienen.

Gedurende de oorlogsjaren was het “Brabants Dorp” verboden gebied voor de Duitse militairen.

In 1965 werd het “Brabants Dorp” afgebroken.”

 

[Einde citaat.]

 

In 1946 kregen wij zo´n huisje toegewezen in de Enschotstraat.

Huurprijs: fl. 3.75 per week!

Terwijl ons dochtertje Anja op de stoep voor de voordeur op de ooivaar zat te wachten, kwam deze (helaas voor haar) achterom, en daar werd onze dochter Mia geboren.

 

Op Koninginnedag werd een groot straatfeest gegeven, met versierde straten.

Voor de kinderen was er koekhappen, zakken lopen, touwtje springen, enz.enz.

Van grote firma´s die we hadden aangeschreven kregen we allerlei  snoepgoed en andere spullen die als prijsjes konden dienen. 

Ook was een draaiorgel gehuurd, waarbij naar hartelust werd gedanst.

Kortom, er werd uitbundig feest gevierd.

 

In het clubgebouw “De Branding” hield een sociaal medewerker (Oome Rien) en zijn assistente (tante Johanna) de kinderen aangenaam bezig met spelletjes, figuurzagen, tekenen en zang.

Met mijn gitaar begeleide ik het gezang en leerde de kinderen enkele liedjes.

 

Een liedje wat ik vaak met de kinderen zong was: ”Hoi Marietje.”

De voorcoupletten zal ik u besparen, maar het refrein is simpel eenvoudig n.l.:

Hoi Marietje, Marie,

Hoi Marietje, Marie,

Hoi Marietje, Marie,

ik ben zo blij als ik je zie.

Dit liedje zing ik nu nog wel eens.

 

In 1947 zijn we verhuisd naar een wat comfortabeler huis in “De Wielewaal.”

Een aanzienlijk duurdere huurprijs t.w.: fl. 7,30 per week, wat lang niet iedereen die in het “Brabants Dorp woonde kon betalen.

Hier hebben we een goed jaar gewoond.

 

Toen zijn we naar Den Helder verhuisd, omdat de Marine Magazijnen, waar ik werkzaam was, werden over geplaatst naar Den Helder.

Hier kwamen we in de Olivier van Noortstraat te wonen, in een mooie ééngezinswoning, met achter een grote tuin.

 

De kinderen hebben hier een prachtige jeugd gehad.

Met mooi weer konden ze heerlijk naar het strand om te spelen en te zwemmen.

 

Toen ze getrouwd en het huis uit waren, zijn we naar een kleinere woning in de Schoenerstraat verhuist. Achter het huis was een vaart waar je kon vissen.

Bij mooi weer zaten we hier dan ook gezellig met verschillende buurtjes op paling te vissen, met een hapje en een drankje.

 

Mijn buurvrouw Miep Verschuren had een jongenshengeltje met een simpel vistuigje en ik had een dure telescoophengel met een speciaal palingtuigje, met van die rood-witte balletjes.

Maar wie ving de meeste paling? ……   Juist Miep!!!

 

Toen we op een keer weer zaten te vissen, begon Miep het liedje:

“Hoi Marietje” te zingen met alle voorcoupletten.

Ik was stom verbaasd en vroeg haar, waar heb jij dat liedje geleerd?

Of het de gewoonste zaak van de wereld was zei ze:

”Oh, bij Oome Rien en tante Johanna in clubgebouw “De Branding” in het “Brabants Dorp” daar werd het altijd gezongen. Ik was toen een jaar of zeven.”

 

Toen ik haar vertelde dat wij destijds ook in het “Brabants Dorp” hadden gewoond en ik het liedje “Hoi Marietje”  aan de kinderen had geleerd, was het haar beurt om stom verbaasd te zijn.

 

Nu wonen we allebei in Anna Paulowna en word ik door haar en haar man

af en toe  uitgenodigd voor een heerlijk 5 gangen dinér bij hun thuis.

Hartstikke lief!

 

Het kan toch allemaal raar lopen!!!

                                                                                                       Brandus

 

 

 

  [Naar boven]

 

DE LASSO

 

Als jochie van elf jaar was ik welp bij de padvinderij in Rotterdam.

Behalve spoorzoeken en dergelijke, leerde ik er ook lasso werpen.

Al zeg ik het zelf, ik was daar tamelijk bedreven in.

Het gaat er om al draaiende met je pols een open lus in het touw te vormen en als die de gewenste grootte heeft, op het juiste moment om een bepaald voorwerp te gooien.

 

Ik schepte nog wel eens op tegen m´n vriendjes dat ik zo goed lasso kon werpen.

Bij het spelen had ik dan ook vaak mijn zelf gemaakte lasso bij me.

Op een keer zei één van mijn vriendjes: ”Jij kunt toch zo goed lasso werpen, dan wil ik wel eens zien, of je die man die daar in de verte aan komt fietsen kan vangen.”

Ik zei: ”Oké!”

 

Terwijl de man aan kwam rijden maakte ik vlug m´n lasso gereed en toen hij zo´n drie meter voorbij was, wierp ik mijn lasso en toeval of niet, …….  raak!

Het was geen moment bij me op gekomen, dat wat ik deed natuurlijk hartstikke gevaarlijk was.

De lus viel precies over z´n hoofd en schouders, waardoor de man kwam te vallen en tegen de straat kwakte.

 

En toen waren de rapen gaar!

 

De man krabbelde overeind pakte me bij m´n “lurven,” en sleepte me met m´n lasso naar het politiebureautje op het Marconiplein, dat vlakbij was.

Daar kreeg ik een flinke uitbrander en moest plechtig beloven, dat ik zoiets nooit meer zou doen.

En dat beloofde ik.

 

De man mankeerde gelukkig niets, maar m´n lasso was ik kwijt.

In beslag genomen!

 

 

Brandus

 

[Naar boven]

 MATROZENBEZOEK

 

In 1954 woonde wij in de Olivier van Noordstraat 51 in Den Helder, toen er op een woensdagmiddag aan de deur werd gebeld.

Toen mijn vrouw ging kijken wie of er was, stond er een matroos voor de deur die aan mijn vrouw vroeg of Brandus (ik dus) thuis was.

Mijn vrouw antwoordde.” Nee, die is op z´n werk en komt pas om een uur of half zes thuis. Kan ik misschien de boodschap over brengen?”

De matroos zei, dat hij een jongere broer was van een vroegere vriend van mij Ab de Ruiter uit de Boerhavelaan in Schiedam. (Door mij altijd Appie genoemd.) Hij vertelde, dat toen hij klein was en in de hongerwinter 1944/45 ernstig ziek was, ik wel eens wat voedsel naar hem bracht. Wat ik me herinner, waren dat in hoofdzaak eieren.

Hij was gekomen om mij daarvoor alsnog te bedanken.

Om achter ons adres te komen was haar naar het politiebureau gegaan, waar men hem aan ons adres had geholpen.

Mijn vrouw nodigde hem uit, om ´s-avonds om een uur of zeven terug te komen en dat heeft hij gedaan.

Na gezellig wat te hebben gekletst vertrok hij om een uur of tien.

Mijn vrouw zei dat hij gerust iedere woensdag op visite mocht komen.

Hij vroeg of hij dan ook z´n “maat”, die in Den Haag woonde en ook voor z´n nummer in dienst was, mee mocht nemen. Natuurlijk vonden we dat goed.

Het gevolg was, dat we iedere woensdagavond gezellig zaten te kaarten. We speelden: “Canasta.”

Voor de kinderen namen ze altijd een zak snoep mee.

Mia (het brutaaltje) zei op een keer: ”Weet je wat  ik lekker vindt?” en noemde de snoep dat haar voorkeur had.

Natuurlijk werd dat de volgende keer meegebracht.

M´n vrouw en ik werden door hun ook wel eens uitgenodigd om met hun te gaan eten. (Chinees)

Zij waren ook behulpzaam achter het toneel (opbouw décor, enz.) toen we het toneelstuk “Verschroeide Aarde” hebben opgevoerd. (Zie rubriek TONEEL.)

Onze dochter Anja heeft destijds nog een week gelogeerd bij de ouders van de matroos die in Den Haag woonde.

Zij is door deze mensen enorm verwend en heeft er geweldig genoten.

Zij namen haar overal mee naar toe, o.a. Madurodam en Panorama Mesdag. 

Mia kon nooit uit logeren, want die kreeg heimwee.

Toen matroos de Ruiter (z´n voornaam ben ik vergeten)de dienst uit ging, dacht de Haagse matroos dat hij voortaan niet meer mocht komen. Maar mijn vrouw zei:” Natuurlijk wel en neem ook maar een maat van je mee.”

Nou, die maat van hem was een rasechte Amsterdammer.

Het contrast tussen die twee was groot. De één een keurige Hagenees en de ander platte Amsterdammer. Een pracht kerel, die alles recht voor z´n raap zei. Met hem hebben we enorm veel gelachen.

Hij zat vaak in de “Petoet” wegens brutaliteit tegen z´n meerderen, of omdat hij iets had uitgehaald.

Op een keer werd hem door een officier, die hij niet kon uitstaan,

opgedragen het dek te schrobben, maar hij zei: ”Ja, ben ik gek, doe het zelf!”

Foute boel natuurlijk en hij kreeg prompt 14 dagen “zwaar.”

Dat hield in, dat hij 14 dagen niet van boord mocht.

 

Wij en ook de kinderen vonden het bijzonder jammer toen zij allebei tegelijk uit dienst gingen.

Maar ja, het was niet anders.

 

Later is, zoals zo vaak, door verhuizingen en dergelijke, helaas alle contact verloren gegaan.

Maar nog vaak denk ik, en ook Anja en Mia, met heel veel plezier aan die matrozen en de gezellige tijd terug.

 

Brandus

 

 

[Naar boven] 

 

 

HET PRINSES THEATER

 

Als jongen van een jaar of acht ging ik vaak met m´n zus Adrie en m´n oudere broers Rinus en Wim  op zondagmiddag naar de bioscoop

”Het Prinses Theater” op de Schiedamseweg in Rotterdam.

Meestal werden daar spannende Tarzanfilms gedraaid, met Johnny Weiszmuller als Tarzan,  of Cowboy films (nu Westerns genoemd) of van de dappere herdershond “Rintintin.”

Het kwam regelmatig voor dat er een onderbreking was, omdat er een breuk in de film kwam en dan was het een gefluit en kabaal van het publiek van jewelste.

 

De goedkoopste rang was 15 cent, maar als je er niet snel genoeg bij  was, waren die plaatsen uitverkocht en moest je een duurdere rang kopen, van 20 of 25 cent.

Het vervelende van die films was, dat ze altijd op een uiterst spannend moment werden gestopt en dan kwam de mededeling op het doek:

 

” Wordt volgende week vervolgd.”

 

En het vervolg wilde je natuurlijk voor geen goud missen.

 

Van onze moeder kregen we ieder altijd precies 15 cent.

Het gebeurde op een keer dat de kaartjes van 15 cent waren uitverkocht.

Goede raad was duur. We wilden natuurlijk, het vervolg van een Tarzanfilm zien, en wisten zo goed als zeker dat, als we naar huis terug gingen, we het ontbrekende geld toch niet zouden krijgen.

Daar kwam nog bij, dat wij helemaal aan het einde van de Schiedamseweg op nr. 267 woonde, en het Prinses Theater aan het begin van de Schiedamseweg was. Dus voordat je dat hele eind twee maal had gelopen, was de film al lang begonnen.

Wie toen op het idee is gekomen weet ik niet meer, maar ik sloeg met m´n houten been aan het bedelen.

Ik liep dan met m´n houten been en m´n 15 cent in m´n open hand op een rijke dame of heer af en zei met een zielig stemmetje:

”Heeft u misschien 5 cent voor me, want de rang van 15 cent is uitverkocht, ze hebben nu alleen maar kaartjes van 20 cent of een kwartje en het is het vervolg van een Tarzanfilm.”

En het werkte.

Na verloop van tijd had ik genoeg geld bij elkaar gebedeld en konden we  triomfantelijk met z´n vieren naar binnen.

 

Hoe wist ik nu of er een rijke dame of heer aan kwam.

Wel, dat was in die tijd niet zo moeilijk.

Als een dame een sjieke hoed op had, wist je dat die wel een paar centjes te verteren had.

Voor een heer in een deftig pak met wandelstok en een dikke sigaar, gold hetzelfde.

Pas jaren later hebben we dit verhaal aan m´n moeder durven vertellen.

Als zij dit had geweten, dan had zij zich dood geschaamd en hadden wij in t´vervolg vast en zeker voldoende geld mee gekregen. 

 

Het Prinses Theater is later verkocht aan de Jehova getuigen. Momenteel is het een soort uitgaansgelegenheid waar men onder het  dineren kan genieten van theater.(Zie geplaatste afbeelding.)

Helaas heb ik geen foto kunnen vinden van het oude “Prinses Theater”.

 

                                                                                    

Brandus

 

[Naar boven]

 

 

SINTERKLAAS

 

Toen ik een jongentje van een jaar of zes was woonde m´n ouders in de Meester Willemstraat in Rotterdam in een zo´n ouderwetse woning met van die hoge plafonds.

Een stukje boven de W.C. deur was een doorzichtig raam.

Een paar dagen voordat Sinterklaas moest ik een “grote boodschap” doen.

U snapt wel wat ik bedoel.

Terwijl ik rustig met m´n broekje op m´n hielen zat te poepen, werd er plotseling op het raam boven de W.C. getikt en toen ik naar boven keek verscheen de mijter van sinterklaas voor het raam en een hand met een witte handschoen die tegen het raam tikte en naar me zwaaide.

Hier schrok ik zo van, dat ik op slag de “spuitpoep” kreeg en begon te janken.

M´n zus Willemien was de schuldige, die had de trapleer gepakt, was daar op geklommen met de mijter van Sinterklaas op en met een witte handschoen aan haar hand tikte zij tegen het raam.

Toen Willemien me hoorde huilen wist ze niet hoe gauw ze de spulletjes op moest ruimen om mij te troosten.

Ze zei:”Huil maar niet broertje, Sinterklaas zwaaide toch naar je, dan vindt hij je vast wel lief en krijg je een hoop cadeautjes.”

Nou, dat kon wel zijn, maar ik had de schrik te pakken.

Nu was het in die tijd zo, dat kinderen nog bang waren en ook wel bang werden gemaakt voor Sinterklaas en  zwarte Piet. Toen was zwarte Piet ook zwarte Piet..

Tegenwoordig lopen er meer zwarte Piettinnen dan zwarte Pieten rond en worden de kinderen niet meer bang gemaakt.

Ik herinner me nog twee Sinterklaasliedjes  uit die tijd.

Het eerste liedje ging zo:

 

Oh wat ben ik toch geschrokken, gisteren om een uur of acht,

gisteren om een uur of acht.

Toen werd er aan de bel getrokken, toen werd er aan de bel getrokken.

Oh wat klopte toen mijn hart, oh wat klopte toen mijn hart.

 

´t Was een man met grote snorren en z´n knecht was helemaal zwart

en z´n knecht was helemaal zwart.

Ik moest van hem een liedje zingen, ik moest van hem een liedje zingen.

oh wat klopte toen m´n hart, oh wat klopte toen m´n hart.

 

 

 

En het tweede liedje:

 

De zak van Sinterklaas, Sinterklaas, Sinterklaas,

De zak van Sinterklaas.

`t Jonge ´t jonge, ‘t is zo´n baas.

Daar stopt hij, daar stopt hij, daar stopt hij blij van zin….

De stoute, de stoute, de stoute kind’ren in.

De zak van Sinterklaas, Sinterklaas, Sinterklaas,

De zak van Sinterklaas.

´t Jonge, ´t jonge dat is zo´n baas!

 

Omdat ik toen nog heilig in Sinterklaas geloofde en ik nu niet bepaald een braaf jongetje was, vond ik vooral het laatste liedje geen leuk liedje.

En vooral van de zin:

 

 “Daar stopt hij, daar stopt hij, daar stopt hij blij van zin…

   De stoute,  de stoute, de stoute kind’ren in”

 

 werd ik nu niet bepaald vrolijk.

 

Brandus

                                                                                                      

 [Naar boven]

        

 

 

DE KERSTKRANS

 

 

Jaren geleden op 2e Kerstdag zat ons huis in de Olivier van Noortstraat  in Den Helder, vol visite.

Onze 2 dochters waren nog klein en daarom hadden wij in de kerstboom niet alleen kerstballen, maar ook een verscheidenheid aan kerstkransjes gehangen.

Vlak onder de piek, hadden we een enorm grote chocolade kerstkrans op gehangen, zodat de kinderen daar niet bij konden.

Het was allemaal reuze gezellig, met lekkere hapjes en een drankje, nou ja, u kent dat wel.

Tijdens het gesprek liet één van de dames (ik zal haar naam niet noemen), plotsklaps zo´n daverende wind, dat op hetzelfde moment de grote bruine chocolade kerstkrans uit de boom viel. Natuurlijk gierde iedereen toen van het lachen.

De man van de bewuste vrouw, laat ik hem Klaas noemen, lag op de grond te kronkelen van de lach, en sloeg steeds met z´n hoofd op de zitting van z´n stoel.

Je hoort iemand wel eens zeggen: ”Ik heb me dood gelachen,” maar dit ging er werkelijk op lijken.

M´n buurman Wiebe Bakker, (u kent hem inmiddels wel uit één van m´n anderen verhalen) kon het niet langer aanzien en vluchtte de tuin in.

Na een tijdje kwam Klaas gelukkig weer tot bedaren en kon ik Wiebe Bakker naar binnen roepen om het Kerstfeest verder mee te vieren.

U begrijpt dat dit verhaal ieder jaar met de Kerst wordt opgehaald.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DE LAMPENKAP

 

 

Wij hadden thuis een grote familie, vader, moeder en negen kinderen.

Sommige van mijn oudere broers en zussen hadden al verkering en

op 2e kerstdag zaten we met een man of 17 aan de feestelijk versierde kersttafel. 

Deze Kerst was mijn vader, die meestal op zee bivakkeerde, ook thuis en kon het Kerstfeest mee vieren.  

Om het extra feestelijk en gezellig te maken te maken, stonden ook brandende kaarsen op tafel.

Even voor de Kerstmaaltijd zou beginnen pakte ik (ik was toen een jaar of 9) een brandende kaars van tafel, stak hem omhoog en begon vol enthousiasme: “Oh dennenboom, oh dennenboom” te zingen.

Nu hing er boven de tafel (precies boven mij) zo´n ouderwetse lamp met zijden kap, met onderaan van die franje sliertjes.

Op hetzelfde moment dat ik mijn gezang aanhief en de brandende kaars omhoog stak, vloog de lampenkap in de fik en …zoeffff, “in no time,” hing alleen nog het geraamte van ijzerdraad van de lampenkap boven tafel.

Alles ging zo vlug in z´n werk, dat, toen mijn vader met een emmer water aan kwam draven om de brand te blussen, dit niet meer nodig was.

Gelukkig voor mij was, dat het huis vol visite zat, zodat alles met een sisser voor me afliep en we uiteindelijk toch, zij het met een zwaar gehavende lampenkap, aan de Kerstmaaltijd konden beginnen.

 

                                                                                                          

 

   Brandus

                                                                                                                                                              

 [Naar boven]

                                                                                                       

 

 

 

DE GESLOTEN DEUR

 

 

" Van Kees Doolaard de kunstschilder, die in lang vervlogen tijden enige tijd bij ons in de kost was toen wij in Den Helder woonden, heb ik een e-mailtje ontvangen met het hierna volgende verhaal over mijn vrouw en mij”.

W.Klinge

 

 

[Aanvang citaat e-mail]

 

Brandus,

 

 

Het is alweer lange tijd geleden dat mijn slaapkamer grensde aan jullie slaapkamer en ik moet zeggen dat heeft gelukkig ook niet zo lang geduurd, de huizen waren toen nog niet geïsoleerd en vrij gehorig en jij snurkte als een os en het heeft mij in die tijd heel wat nachtrust gekost. Ach ja, het was een tijd van aanpassen en elkaar de ruimte geven, maar zeker niet ongezellig.

 

Ja, er moet toch nog wel iets van mijn hart, jij zult het wel niet meer weten, maar één keer heb je nog eens op een donkere nacht, mij aardig verwenst en uitgevloekt,en dat wil ik toch nog wel eens voor jou op papier zetten.

 

Het zal geweest zijn rond het jaar 1949, dat ik des avonds, na een stevige vrijpartij met mijn aanstaande echtgenote die vierhuizen achter jullie nog bij haar ouders woonde, ik vermoeid via het pad achter de huizen, van hen naar jullie woning c.q. mijn pension slofte. Want in die dagen was het de gewoonte: iedereen kwam door de achter-en tuindeur die altijd los was naar binnen en de laatste deed de deur op slot.

 

De laatste was altijd ene Brandus Klinge, die des avond’s zo veel sport- en toneelverenigingen  bezocht, dat hij  eigenlijk avonden te kort had per week. Heel leuk natuurlijk, maar ja zijn mooie en hupse vrouw leed er eigenlijk wel een beetje onder en zij vond dan ook dat zij wel wat meer aandacht mocht hebben.

 

Maar goed dat is hun zaak dacht ik, en slofte het tuinpad op en wilde de keukendeur openen. Mis die zat vast. Wat nu, want een deursluitel had ik nooit gehad en was in principe ook niet nodig.  Sjaan was altijd thuis en dan nog: iedereen was toen nog eerlijk en ja, er was ook niet veel te halen iedereen was blij met het beetje wat zij hadden.

 

 Maar ja wat nu? Ik rammelde nog maar eens aan de deurkruk en ja hoor, daar ging hij open en daar stond Sjaan met een ochtendjas over haar dunne zijde nachtjapon.

"Kom gouw naar binnen", zei zij en na het bevel uitgevoerd te hebben, sloot zij de keukendeur weer stevig met het slot af. "Wat is er aan de hand vroeg ik", en zag in

 

het half duister dat er iets niet helemaal koosjer was.  Ach, Brandus is weer de hele avond weg en nu ben ik het zat dat alleen zitten", en “bitter” daar achter: “Hij zoekt het maar uit, hij blijft maar bij zijn clubpies wonen".

 

Nou ja, dacht ik dat zijn jullie zaken, ik duik mijn bed in klom zachtjes, om de kinderen niet wakker te maken de trap op naar mijn slaapkamer op de bovenste verdieping en kroop lekker onder de wol en hoorde even later door de dunne muur heen aan het kraken van de echtelijke sponde dat Sjaantje, zo als Brandus haar altijd noemde, ook tussen de lakens schoof.

 

Moei had de slaap mij snel te pakken en ik droomde net van mijn kasteel dat ik aan het bouwen was in Anna Paulowna, toen ik wakker werd van Brandus zijn alom bekende loop in de stille steeg. Pats, boem, pats, boem, pats, boem, en dan het gerammel aan de keukendeur. Nog eens gerammel en toen kwam er zachtjes een aan de deur gerichte vloek naar boven rollen. Vervolgens klonk het bekende pats, boem, pats, boem, geluid weer, dat het pad af door de steeg in ging en daarna aan de voorzijde van het huis weer naderbij kwam.

Bij de voordeur eindigde het geluid en dacht ik: " nu zal hij de electrische deurbel wel gebruiken". Maar nee, die klingelde niet en dacht ik verder, oef....die zal Sjaantje wel afgezet hebben? Nou ja, ze doen maar! Het pats, boem geluid startte weer en onze Brandus was weer op de terug tocht naar de keukendeur.

 

Mijn zaak niet, ik ga slapen. Maar nee de slaapkamerdeur ging op een kier open en een stem fluisterde: "Kees slaap je al". Op mijn ''neen'' ging de fluistertoon verder met "Kees, wil jij even de keukendeur van het slot doen en zeggen dat jij hem bij vergissing hebt dicht gedraaid.”

Brandus, weet jij nog wat je toen allemaal gezegd heb. Nee? Het was de halve bijbel, achter uit.

Ik ben weer stil naar boven gelopen en toen ik mijn hoofd op het kussen lag dacht ik: "die slimme Sjaantje, ze kon toch niet zonder hem”.

Fijn hé?!

 

Dit is jouw Sjaantje en het verhaal.

 

Kees  

 

[Einde citaat e-mail Kees Doolaard]   

 

[Naar boven]

 

 

DE ZILVEREN BRUILOFT

 

Op 2 april 1947 zijn we getrouwd. De trouwerij werd bescheiden gevierd, met slechts enkele familieleden. Geld om een uitgebreid bruiloftsfeest te geven was er niet.

M´n vrouw en ik gingen met nog enkele familieleden met de tram naar het stadhuis in Rotterdam, waar de eenvoudige huwelijksvoltrekking plaats vond.

In onze woning  in de Enschotstraat in het “Brabants Dorp” (ook wel Nooddorp genoemd), werd een kopje koffie geschonken met een gebakje, daarna een drankje met een hapje, en dat was het. 

Onze “Koperen Bruiloft” werd ook niet gevierd, want toen hadden we het geld hard nodig om onze 2 dochters Anja en Mia te laten studeren.

M´n vrouw en ik hebben toen afgesproken, dat, als we het mochten beleven, een knallend huwelijksfeest te organiseren als we 25 jaar getrouwd waren.

Ongeveer 4 jaar voor die tijd zijn we gaan sparen en hebben elke maand wat geld opzij gelegd.

Nou, een “knallend” feest is het geworden!

We hadden besloten om er een soort Carnavalsfeest van te maken.

Een ieder die ´s-avonds voor het bruiloftsfeest was uitgenodigd, hadden wij verzocht gekostumeerd het feest te willen opluisteren.

Men hoefde zich dan niet te ergeren, als er onverhoopt wat drank of anderszins op de kleding werd gemorst.

 

De bruiloft werd op zaterdag 1 april gevierd, zodat alle bruiloftsgasten op zondag konden uitslapen.

Op de uitnodigingen stond duidelijk vermeld, dat het geen 1 april grap was.

 

 

 

 

Omdat ons 25 jarig huwelijk in het Olympisch jaar 1972 viel, hadden we onze uitnodigingkaartjes aangepast en hier op laten drukken:

             

                   “Weliswaar geen goud, maar Zilver gehaald.”

 

Ook de 6 olympische ringen stonden op de kaartjes afgedrukt.

Helaas niet in kleur, want dat was destijds nog niet mogelijk.

Bil Kunst (thans tekenleraar in Den Helder) heeft de uitnodigingskaartjes naar ons idee ontworpen.

De receptie werd gehouden in gebouw “De Binding” aan de Polderweg in Den Helder.

Deze werd door plm. 300 personen bezocht en was bijzonder gezellig. Op een hapje en een drankje werd niet gekeken.

Arie Boot verzorgde met z´n orgel voor achtergrond muziek.

Na de druk bezochte receptie was het tijd voor een uitgebreid dinér voor familieleden en goede kennissen, dat bijzonder in de smaak viel.

Voorafgaand aan het diner hield mijn broer Maarten (met wie ik in de hongerwinter 1944/1945 diverse hongertochten had gemaakt) een korte toespraak, waarin hij allerlei belevenissen de revue liet passeren die gedurende ons 25-jarig huwelijk hadden plaatsgevonden.

 

Het “Carnaval bruiloftsfeest” werd gehouden in de zaal van de speeltuinvereniging Nieuw Den Helder.

 

Iedereen had aan ons verzoek gehoor gegeven en verscheen  gekostumeerd. De bonte verscheidenheid aan kleding leverde een feestelijk gezicht op, en droeg bij aan de feestvreugde.

M´n vrouw en ik hadden ons resp. verkleed als:

 

“de Lady en de Vagebond.”

 

M´n vrouw in een chique jurk en ik als zwerver.

 

Om precies 8 uur werden wij, onder luid gezang en met een regen van serpentines binnen gehaald, en naar onze “ereplaatsen” geleid.

Hierna stelde alle gekostumeerde gasten zich in een lange rij op, om ons stuk voor stuk te feliciteren, waarbij heel wat werd afgelachen. 

 

Onze dochter Mia had zich expres verkleed als Pipi Langkous, die ik niet uit kon staan. Anja was verkleed als Spaanse danseres.

 

De dansmuziek werd verzorgd door Gaston Davids met z´n band “The México’s.”

M´n schoonzoon Andy Pormes was stomtoevallig als Mexicaan  verkleed, met een enorm grote Sombrero hoed op z´n kop, die tijdens de polonaise steeds de lucht in vloog.

 

Ter afwisseling van het dansen en hossen deed Gaston Davids ook diverse spelletjes. Hiermee konden de bruiloftsgasten ook prijsjes winnen.

 

Ook gaf hij een imitatie ten beste van de toen beroemde zangeres ELLA FITZGERALD.

 

Om de kelen te smeren was voor ruim voldoende drankjes gezorgd.  Een kok van de Luchtmacht (Danieël Scherpenzeel), maakte in de keuken grote hoeveelheden hartige hapjes klaar.

Want waar gedronken wordt, moet ook flink gegeten worden.

 

Het werd een formidabel bruiloftsfeest, met ruim over de 100 bruiloftsgasten.

Een ieder amuseerde zich kostelijk, en hoewel een enkeling een beetje “teut” raakte, was er gelukkig niemand echt beschonken.

 

Om 12 uur werd het feest even onderbroken, om onze oude buurman

Jan Verschuren die ook aanwezig was, te feliciteren met zijn verjaardag .

 

Op het hoogtepunt van het feest, het was inmiddels 2 uur ´s-nachts,

maakten we een eind aan het feest, volgens velen veel te vroeg.

Maar m´n vrouw en ik vonden het goed zo, en we vonden dat het feest niet als een “nachtkaars” uit moest gaan.

Op de foto spreek ik, mede namens mijn vrouw, een dankwoord uit aan alle aanwezigen voor hun bijdragen tot het welslagen van deze dag!

Links op de foto zit de Fam. Coster uit Amsterdam, waarvan wij onderstaande dankbrief hebben ontvangen.

 

Om onze gasten van buiten onder te brengen, hadden we 2 woningen tot onze beschikking gekregen van kennissen die elders vertoefden.

 

In totaal hadden we 73 bloemstukken gekregen en veel geld!

 

Het was met recht een bruiloftsdag geweest om nooit te vergeten!!!

 

 Het geheel werd op film vastgelegd door Bob Komen.

Van deze film is later een videoband gemaakt met een cassettebandje

waarop bijpassende muziek.

Helaas is door het vele afdraaien het cassettebandje stuk gegaan.

 

De videoband wordt nog maar weinig afgedraaid, omdat velen die hier op staan niet meer in leven zijn, en daar wordt je niet vrolijk van.

 

Van de familie Coster uit Amsterdam (goede vrienden van ons), ontvingen wij reeds een paar dagen later op 3 april een leuke reactiebrief, die ik ter afsluiting graag citeer.                                                                                                     

     

 

 

 

 

 

 

[Aanvang citaat]                 

                                                                          A´dam  2 april ´72.

 

 Beste Sjaan en Brandus,

 

Thuis gekomen zijnde voelen Nel en ik het als een behoefte om jullie

te bedanken voor de onvergetelijke dag die wij ter ere van jullie

25 jarig huwelijksfeest hebben gehad.

Jullie zullen er misschien niet over uitgepraat raken, maar ik denk óók, een ieder die het feest heeft bijgewoond. Het was in één woord overweldigend, dit was geen bruiloftsfeest maar een overweldigende belevenis.

Nel en ik raken er niet over uitgepraat, niet alleen onder elkaar, maar tegen een ieder die het maar horen wil.

Alles was tot in de puntjes geregeld en verzorgd, het was in één woord af.

Het gebeuren s´avonds was wel één van de hoogtepunten, kortom het was een onvergetelijke dag. Het was als het ware één grote familie.

Woorden schieten feitelijk te kort. Wij hebben wel eens een bruiloft meegemaakt, maar nimmer zo één als die van jullie en zoiets zullen wij ook nooit meer meemaken, daar zijn wij van overtuigd.

Sjaan en Brandus wij hebben het als een eer gevonden om de héle dag mee te hebben mogen maken. Immers s´morgens was bedoeld voor de familie en de beste vrienden.

Mensen, ik ga eindigen, dit moest ik even spuien. Nogmaals bedankt voor jullie uitnodiging en voor de onvergetelijke dag die wij hebben mogen meemaken, namens Nel en ondergetekende, ontvang de hartelijke groeten van ons beiden.

 

                                                         Met vr.gr. G.B. Coster.

P.S.

 

Door onze verkleedpartij achter het toneel hebben wij enige mensen van wie wij nog afscheid hadden willen nemen niet meer aangetroffen, waarvoor onze excuses.

Misschien zit er hier en daar nog een paar foutjes in deze brief, maar voor  iemand met een spin in z´n hoofd (the day after the day before) je weet wel, is het nog een hele prestatie.  

 

[Einde citaat.]

 

Deze brief spreekt voor zich!                                        Brandus

                                                                                                                                   

  Nog enkele foto’s van:

 

 

 

 

 

            Het diner

 

                                                                           En…… De binnenkomst                                                                                          

 

 

      

 

 [Naar boven]

 

 

 

EETPROBLEMEN

 

Als kind was ik als de dood voor de dood, en dat is er niet beter op geworden. Tijdens een condoleance bezoek ging ik nooit naar de overledene kijken en zelfs nu doe ik dit bij hoge uitzondering.

Ik hou liever een herinnering aan de persoon toen die nog in leven was.

Op de kermis ging ik voor geen goud in het spookhuis.

 

Als kind raakte ik danig van streek als ik een ongeluk zag gebeuren waarbij een gewonde viel, vooral als er bloed aan te pas kwam.

Ik ging ook niet naar het slachtoffer kijken, zoals zoveel mensen en kinderen uit nieuwsgierigheid doen.

Op zulke dagen kon ik geen hap eten door m´n keel krijgen.

Dat was ook het geval als ik een begrafenisstoet voorbij zag gaan.

 

Op een middag had ik met m´n zus Willemien een ongeluk zien gebeuren en in de gauwigheid had ik ook wat bloed op straat zien liggen.

M´n zus Willemien wist in zo´n geval van m´n eetprobleem af.

Toen we thuis kwamen en het eten geblazen was kon ik zoals gewoonlijk geen hap eten door m´n strot krijgen. Het was één van de weinige keren dat mijn vader thuis was, want die was meestal op zee.

M´n vader had al diverse malen gezegd:”Knul, schiet nou ´s op met eten, je zit maar te teuten.” Tegen m´n vader durfde ik echter niet te zeggen, dat als ik een ongeluk had gezien en daarom niet kon eten.

Op het moment dat mijn vader flink kwaad begon te worden, redde mijn zus Willemien me uit de situatie. Ze verzamelde al haar moed en zei:”Pa, hij heeft net een ongeluk zien gebeuren en dan kan hij niet eten.

M´n vader zei toen: “Knul, zeg dat dan” en gelukkig mocht ik m´n eten laten staan.

Willemien had me weer eens uit een benarde situatie gered.

Dankjewel Willemien.

 

Toen ik op de lagere school zat, ging ik tussen de middag nooit naar huis om te eten, maar naar de kapperszaak waar Willemien werkte en at daar, want die kapperszaak was vlak bij de school. Om naar m´n eigen huis te gaan moest ik n.l. een heel eind lopen.

Ook at ik wel eens in het armenlokaal, waar kinderen van arme ouders gratis eten kregen. Bij die kinderen waren ook vriendjes van mij, en ik mocht altijd mee eten. Vanzelfsprekend waren mijn ouders hiervan  niet op de hoogte. Die hadden het nooit goed gevonden.

Ook at ik wel eens bij mijn vriendje (Wimpie Scholten), die ook dicht bij school woonde.

Ik kan me nog herinneren dat ik daar altijd op een bordje een witte boterham met flink wat boter en stroop kreeg..

 Ik vond het een prachtig dat je dan door de stroop de boter kon zien.

Ik zie het nog voor me, het leek net een schilderijtje van een stilleven.

Stroop kocht je in die tijd bij de waterstoker. Met een leeg potje ging je er naar toe. De waterstoker had de stroop in een houten tonnetje en schepte met een houten pollepel, die hij steeds draaiende hield, de stroop in het potje. Het was een heel ritueel.

 

Een paar jaren later, toen ik op de U.L.O. zat, ging ik tussen de middag ook niet naar huis om te eten, maar naar Willemien.

De U.L.O. was ook vlak bij de kapperszaak van Willemien en dan hoefde ik niet, zoals eerder gezegd, een heel eind naar huis te lopen.  En bij Willemien was ik altijd welkom.

Op een gegeven moment toen mijn vader van zee thuis was, had hij echter tegen Willemien gezegd, dat hij niet wilde hebben dat ik tussen de middag nog bij haar at en dat zij mij naar m´n eigen huis moest sturen om te eten.

Met pijn in haar hart vertelde Willemien het tegen mij.

Als mijn vader thuis was, ging ik dan ook in ´t vervolg  naar m´n eigen huis om te eten.

Zodra mijn vader echter weer op zee was, ging ik niet naar huis, maar at ergens anders, of helemaal niet.

Bij Willemien eten was er niet meer bij.

Toen ik weer eens niet thuis was gekomen om te eten, ging mijn moeder naar de kapperszaak van Willemien en zei :” Die knul is weer niet thuis gekomen om te eten, heeft hij soms weer bij jou gegeten?”  Willemien ontkende dit, en zei:” Ik zal het hem wel afleren. Ik breng wel 6 boterhammen naar school en zal het probleem aan z´n onderwijzer voorleggen. En zo gebeurde het ook.

Mijn onderwijzer werd op de gang geroepen en daar stond Willemien met het pakje boterhammen. Er werd wat gepraat en even later werd ook ik op de gang geroepen en kreeg een reprimande van m´n onderwijzer. Ik werd naar het scheikunde lokaal gebracht en moest daar de 6 boterhammen opeten. Na een kwartiertje zou m´n onderwijzer terug komen om te kijken of ik de boterhammen op had.

In het scheikunde lokaal stond echter een levensgroot geraamte, waar ik precies tegenover zat, en u begrijpt het al, natuurlijk kon ik geen hap door m´n keel krijgen. Goede raad was duur, tot m´n oog op het raam viel. Vliegensvlug deed ik het raam open, gooide het brood naar buiten en sloot het raam weer.

Toen m´n onderwijzer na een kwartiertje kwam vragen of ik m´n brood op had antwoordde ik:” Ja meester.” (toen zei je meester)

Hij zei:” Mooi zo. Ga dan maar weer naar de klas en laat het niet weer gebeuren.”

Dat beloofde ik. en daarna ging tussen de middag braaf naar huis om te eten.

 

Willemien had de oplossing gevonden!

 

                                                                                               Brandus

 

    

 

 [Naar boven]

 

 

 

                                                                                    

HET OPSTEL

 

Heeft u ook wel eens zo´n periode dat je nergens zin in heb?

Morgen komt mijn computerleraar Kees Bakker, die van mij gewend is, dat ik iedere week een verhaal(tje) heb geschreven om op zijn website te zetten.

Eigenlijk staat m´n hoofd er nu niet naar, maar vorige week is er ook al niets van gekomen, en om morgen tegen hem te zeggen, dat ik weer geen verhaal(tje) heb geschreven, zint me ook niet.

Ik herinner me nu ineens een opstel dat ik heb geschreven, toen ik in de zesde klas van de lagere school zat in 1934.

Over ´t algemeen was ik vrij goed in opstellen maken, en kreeg hiervoor gemiddeld een acht. Het was één van de weinige vakken waar ik ruim voldoende voor kreeg, want de cijfers voor de andere vakken waren aan de magere kant.

Op een keer moesten we een opstel maken naar zgn. “vrije keuze,” je mocht zelf een onderwerp kiezen. Het was zo´n dag, dat ik nergens zin in had.

Maar ja, het moest nu éénmaal gebeuren. Na enig nadenken kreeg ik plotsklaps een grappig idee en schreef het volgende op:

 

VOETBALWEDSTRIJD

In verband met de slechte weersomstandigheden              is de wedstrijd

 

                         SPARTA   -  AJAX 

 

                                                         AFGELAST

 

                                                                                                                                                              Klinge

 

Einde opstel.

 

Meester (zo werd de leraar vroeger genoemd) Rijnbende riep van achter zijn lessenaar: ” Klinge,  heb je je opstel nu al af?”

Ik antwoordde: ” Ja meester.” Waarop hij vol ongeloof achter zijn lessenaar vandaan kwam om mijn opstel te bekijken. Natuurlijk was ik razend benieuwd hoe hij zou  reageren. Nu was mijn meester, een verwoed voetballiefhebber, en jeugdtrainer bij de voetbalvereniging Sparta.

Tot mijn opluchting zag ik een glimlach op z´n lippen verschijnen en schreef hij, zonder iets te zeggen, met rood potlood een zeven onder mijn opstel.

 

Zo, heer Bakker, heb ik toch weer een verhaaltje aan m´n aantal toegevoegd.

 

                                                                                                                    Brandus 

                                                                                                                

   

 [Naar boven]

 

 

DE AFWAS

 

Mijn  beide dochters Anja en Mia moesten, toen ze oud genoeg waren, na het eten ´s-avonds de afwas doen.

Nu had Anja een bloedhekel aan huishoudelijk werk (en nog), in ´t bijzonder aan afwassen. Ze was echter zuinig met haar zakgeld en kon goed sparen.

Ook het zaken doen zat er al vroeg in.

Ze probeerde altijd Mia voor een stuiver (5 cent) om te kopen, zodat die de afwas dan alleen moest doen.

Mia was een echte snoepster, die haar zakgeld meestal in snoep omzette.

Vaak was zij op haar zakgeld vooruit.

Had zij echter nog wel wat geld, dan was ze niet omkoopbaar en moest Anja er aan geloven en helpen met de afwas.

Regelmatig was het dan bekvechten geblazen, wie er af moest wassen en wie er af moest drogen. Elke keer was het raak!

Op een  avond toen zij weer zo aan het bekvechten waren, hing het mij goed de keel uit, en ik schreeuwde: ”Als jullie nou niet ophouden  met dat geruzie, dan  sla ik jullie koppen tegen elkaar!”

Schijnbaar hielp het, want het was gelijk doodstil. Helaas maar voor eventjes,  want nog geen twee minuten later begon het gekibbel opnieuw.

Ik rende naar de keuken, sloeg hun koppen tegen elkaar, en zei:

”Zo, wie niet horen wil, die moet maar voelen” en ging de kamer weer in, waar mijn vrouw me verwijtend aan keek, zo van: “Man, hoe heb je dat nou kunnen doen?!”

Ik kreeg gelijk spijt en ging naar de keuken terug om te kijken hoe mijn meiden het maakten. Nou, die maakten het prima! In plaats van 2  jankende meiden aan te treffen, stonden ze allebei te gieren van de lach.

Het “koppen slaan” was kennelijk veel te zacht geweest, en had in ´t geheel niet geholpen.

 

Mijn vaderlijk gezag had weer eens een deuk opgelopen.

 

 

                                                                                                          Brandus

 

 

[Naar boven]

 

DRONKEN

 

In de oorlog was ik werkzaam bij het Rantsoeneringsbureau voor Gedistilleerde Dranken (R.G.D.) in Schiedam.

Dit bureau distribueerde alcohol houdende dranken aan café´s, hotels, restaurants, etc., aan de hand van hun verbruiken in de jaren 1935-1939.

Er waren lijsten waarop alle bestaande alcoholhoudende dranken stonden.

Er stond o.a. een likeurtje op met de naam: ”Hemdje licht op”, dat echt bestaat.

Veel mensen weten en geloven het niet en denken dat het een geintje is, maar het is werkelijk waar. Vraag het maar bij een slijterij, of, als u een computer heeft, kunt u het vinden via de zoekmachine “GOOGLE” onder likeurtjes.

Een week na de bevrijding gaf het R.G.D. voor het personeel en genodigden een bevrijdingsfeest. Er was ook een muziekbandje aanwezig, waarin mijn vriend Dick Steenbrink drummer was. Aan sterke drank was natuurlijk geen gebrek.

Zelf had ik mijn buurmeisje Martha Jeronimus uitgenodigd om het feest bij te wonen.

Om elf uur hadden al heel wat luitjes de hoogte.

De “grote bazen” lagen op hun knieën op het dansvloertje achter een leeg lucifer`s doosje te blazen en hielden een wedstrijdje, wie het doosje het verste weg kon blazen.

Tegen twaalven was praktisch iedereen  Kachel “ .

Zelf was ik nog nuchter. Dronken was ik nog nooit geweest, ik was niet wat je noemt een “drinkebroer.”

Misschien raar, maar ik wilde ook dronken worden, om aan de weet te komen hoe dat voelde. Ik verzocht de serveersters die rond liepen steeds mijn glaasje te vullen als het leeg was. Het drankje deed er niet toe, met het gevolg, dat ik alles door elkaar zat te drinken, wat natuurlijk hartstikke stom was.   

Ik herinner me nog, dat ik op een gegeven moment mijn vriend opdracht gaf een polonaise te leiden en nam zelf plaats achter het drumstel, terwijl ik dat nog nooit gedaan had.

Maar aldus geschiedde en als ik nog een drankje wilde hebben sloeg ik met een trommelstokje “zachtjes” op het hoofd van een passerende serveerster om haar duidelijk te maken, dat ik nog wat te drinken wilde hebben.

Toen aan de polonaise een einde kwam, nam mijn vriend het drummen weer over en had ik flink “de hoogte.” Ik kon tegen iedereen die het maar horen wilde alleen nog zeggen:

 

” Eerlijk is eerlijk, waar of niet?”

 

Vanzelfsprekend kreeg ik steeds van iedereen gelijk.

Vreemd, dat ik me dit alles nog weet te herinneren.

 

Na het feest werd m´n buurmeisje door m´n vriend naar huis gebracht. Wel had ik  hem gevraagd om de andere dag naar mijn werk op te bellen dat ik te ziek was om te kunnen werken.  Hij beloofde dit te zullen doen.

Zelf toog ik alleen huiswaarts. Op de Rotterdamse dijk moest ik zo erg plassen, dat ik besloot dit tegen een daar staande boom te doen. Ik was dus, wat ze tegenwoordig zo mooi noemen, een “wildplasser.” Ook weet ik nog dat ik tijdens het plassen omviel. Toch wist ik overeind te krabbelen en veilig mijn huis te bereiken.

Op mijn slaapkamertje besloot ik voor het slapen gaan eerst nog een sigaretje te roken, en dat heb ik geweten!  Ik werd zo ziek als een hond.

Om kort te gaan, ik ben twee dagen werkelijk  dood- en doodziek geweest en was niet bij machte om naar mijn werk te gaan.

Toen ik na 2 dagen op mijn werk verscheen, moest ik gelijk bij de directeur komen, die mij vroeg, waarom ik 2 dagen niet op m´n werk was verschenen.

Ik vertelde hem, dat ik na het bevrijdingsfeestje doodziek geworden was en dat mijn vriend dit telefonisch door zou geven.

Dat was dus blijkbaar niet gebeurd.

Mijn directeur was niet “zo happy” met mijn verhaal en dreigde mij zelfs te ontslaan. Uiteindelijk streek hij z´n hand over z´n hart en zei: ”Ditmaal zal ik het nog door de vingers zien, maar als het nog eens gebeurd, kan je je biezen pakken en vertrekken.”

Achteraf bleek, dat m´n vriend vergeten was te bellen.

 

M´n lesje had ik echter geleerd, en na die tijd ben ik dan ook nooit meer dronken geweest. 

 

                                                                                                         Brandus

 

 

[Naar boven]

 

      

TOVEREN

Voor mijn dochtertjes Anja en Mia zal ik wat afgetoverd hebben, om over mijn kleinkinderen maar niet te spreken.

Voor Anja toverde ik meestal knikkers, een boekje, of een stuivertje (5 cent). Mia wilde altijd dat ik snoep voor haar toverde.

Als het zondag was en Mia vroeg of ik een bepaalde soort snoep voor haar wilde toveren (wat we niet in huis hadden) zei ze altijd: “Als je dat niet kan toveren, dan kan je ook niet toveren.”

Meestal moest ik zo´n ruitvormige zoute drop voor haar toveren, die deed zij dan aan een knijper en dan kon zij er op sabbelen zonder dat haar handjes vuil werden.

Hieronder laat ik enkele van mijn toverkunsten volgen, die ik me nog  kan herinneren.

Toen we in de Enschotstraat woonden in het Nooddorp in Rotterdam,

hadden we in het plafond van de woonkamer in de hoek een luchtrooster, met kleine gaatjes. Hier onder stond de bank van ons bankstel, een stukje van de muur af. Mia was niet thuis en ik zei tegen Anja, dat ik me weg kon toveren door de gaatjes van het luchtrooster, en dat ze heel goed naar de gaatjes moest blijven kijken, omdat ik razendsnel door de gaatjes in het luchtrooster zou verdwijnen.

Ik bleef maar tegen haar praten, en tijdens het praten kroop ik snel achter de bank. Toen dat gebeurd was riep ik: ” Okus, Pokus, Pilatus, Pats, ik wou dat ik door de gaatjes verdwenen was.”

Anja bleef naar de gaatjes kijken en toen ze mij niet door de gaatjes had zien verdwijnen, keek ze  om zich heen en zag mij natuurlijk niet. Ze keek weer naar de gaatjes, begon te huilen en riep:

“ Pappa, kom nou terug.”

Vliegensvlug kwam ik achter de bank vandaan en toverde mij, tot haar grote opluchting, weer terug. Anja´s leed was geleden.

Mijn vrouw Jeanne had dit alles hoofdschuddend gade geslagen.

 

Even voor het Sinterklaasfeest hadden wij onze kleinkinderen Marianne en Roland te logeren. In die tijd kon je ook chocolade sigaretten voor de kinderen kopen, o.a. van het merk Camel.

Toevallig rookte mijn vrouw toen ook Camel sigaretten.

Voor mij een prachtige gelegenheid om voor mijn kleinzoon Roland steeds een pakje Camel chocolade sigaretten om te toveren in een pakje echte  Camel sigaretten en daarna weer in chocolade sigaretten.

 

Toen ik dat zo´n keer of drie gedaan had en het pakje echte sigaretten weer terug zou toveren in  chocolade sigaretten, was het pakje chocolade sigaretten achter de poot van mijn fauteuil (waar ik het steeds verstopte) verdwenen en kon ik dus de chocolade sigaretten niet terug toveren, tot groot verdriet van Roland.

Ik keek mijn vrouw vragend aan, of zij misschien wist waar het pakje chocolade sigaretten gebleven was, maar zij haalde haar schouders op,

als teken dat zij het ook niet wist.

Mijn kleindochtertje Marianne (een jaar of zes oud) zei toen tegen haar broertje Roland: “ Roland, zal ik je pakje chocoladesigaretten eens terug toveren?!”

Ze liep naar het gootsteenkastje in de keuken, ging hiervoor staan en zei: “ Hokus, Pokus, Pilatus, Pats, ik wou dat Roland´s pakje sigaretjes in het gootsteenkastje was!” Ze deed het gootsteenkastje open en daar lag het chocoladepakje sigaretten van Roland.

Zonder dat iemand het gemerkt had, had ze kans gezien het pakje sigaretten achter de poot van mijn fauteuil te pikken en in het gootsteenkastje te verstoppen.

Over een “bijdehante tante” gesproken!

Zo werd de “Grote tovenaar”  ontgoocheld door een dreumes.

 

Voor mijn kleinzoon Danny Pormes moest ik steeds “Dinky Toys”

(model autotjes) toveren. Die was helemaal bezeten van autotjes.

Hij had er op laatst zoveel, dat ik niet meer goed wist welke hij wel of niet nog niet in zijn bezit had, en oh wee als ik een autotje had getoverd dat hij al had. Dan was hij zwaar teleurgesteld. Gelukkig had ik er altijd wel een paar in huis en mijn vrouw haastte zich dan om mij  ongemerkt een ander autotje toe te stoppen, zodat ik met de nodige toverformules het autotje dat hij al had om kon toveren in een ander. En dan was Danny weer gelukkig.

 

Als ik in Spanje was, moest ik altijd voor mijn kleinzoon Robbi toveren. Meestal toverde ik  chocolade reepjes “Kwatta” uit zijn haar. Deze reepjes kon ik voor het toveren goed verstoppen in mijn mouwen, of in een zakje van mijn overhemd.

Tegen zijn vriendjes zei hij altijd: ” Mijn opa kan echt toveren!”

Op een keer had hij een vriendje mee genomen, die niet wilde geloven dat ik toveren kon, en Robbi zei tegen mij: “Opa tover eens een reepje “Kwatta” uit zijn haar.”

En natuurlijk, opa deed dat en gaf daarna het chocoladereepje aan zijn vriendje. Dat tot groot verdriet van Robbi, want die had gedacht, dat hij het zou krijgen.

Toen ik bij Anja in de zaak weer eens een “Kwatta” reepje uit Robbi´s haar had getoverd, zei de kinderoppas tegen Robbi: ”Jij heb toch maar een lieve en knappe opa, ik wou dat hij voor mij ook eens een chocoladereep toverde.”

Nu had ik geen “Kwatta” reepje meer bij me, maar ik had op het keukenkastje in de keuken een grote chocoladereep “Milka” zien liggen. Vlug ging ik die halen, verstopte hem in mijn overhemd en zei tegen de kinderoppas: “Ga eens even op die stoel zitten, dan zal ik voor jou ook een chocolade reep uit je haar toveren.”

Zo gezegd, zo gedaan. Met een heleboel “poespas” toverde ik uiteindelijk de grote reep “Milka” uit d´r haar, waarop Robbi gelijk hevig begon te protesteren en jankend uitriep: ”Voor haar tover je een veel grotere reep dan voor mij”, en liep kwaad weg.

Z´n grotere broer Roland vond het prachtig en gierde van het lachen, tot ik tegen hem zei: “ Ja, je lacht wel, maar het was jou reep!”

Toen vond hij het ineens niet leuk meer en begon hevig te protesteren.

Ik stelde hem echter gerust en beloofde een nieuwe “Milka” reep voor hem te kopen.

Daarmee was de zaak opgelost.

 

                                                                                             Brandus                    

 

[Naar boven]

 

DE GROENE BARET

 

[Aanvang Citaat]:

 

De Groene Baret is het trotse symbool van het Nederlandse Corps Commandotroepen.

De mensen die de eer hebben om deze te dragen, hebben heel speciale, moeilijke prestaties verricht. Velen zelfs niet alleen gedurende hun opleiding, maar ook daarna in de praktijk.

De “Commando´s” zijn dan ook terecht trots op hun corps en tonen dit graag door hun “baret.”

Vooral voor de veteranen is dit belangrijk.

 

[Einde citaat].

 

Ruim een jaar geleden werd een groene baret bij de Koninklijke Landmacht  ingevoerd.

Na hevige protesten van alle kanten, kregen de militairen van de Kon. Landmacht uiteindelijk een blauwgroenachtige baret en bleef

“DE GROENE BARET” voorbehouden aan het Nederlandse Corps Commando´s.

 

Mijn schoonzoon Andy Pormes is ook in het bezit van deze Groene Baret, waar ik best wel een beetje trots op ben.

Toen deze baret aan hem werd uitgereikt was ik samen met mijn dochter Mia aanwezig. Het was echt wel een heel bijzondere gebeurtenis.

Voor het zover was kwamen alle militairen die voor

“de groene baret” in aanmerking kwamen, na een zware oefening in looppas, en in het bruin gekleed met bivakmuts op, het terrein opgemarcheerd, waar zij onder luid applaus en gejuich door de aanwezige familieleden werden ontvangen.

 

 

 

Na enige ceremoniële handelingen kregen zij stuk voor stuk de fel begeerde “Groene Baret” overhandigd en deze werd daarna van blijdschap en met trots aan het publiek getoond.

 

 

 

 

Vervolgens werd de groene baret ingewijd met bier.

 

Na alle plichtplegingen was het tijd voor de zgn. “rijsttafel” voor alle militairen met hun genodigden.

Alsof het zo moest wezen, mochten mijn dochter en ik ieder aan een zijde van de commandant plaats nemen. Deze was zo trots op zijn manschappen met de groene baret, dat hij er niet over uitgepraat raakte.

 

Nadat hij voor de zoveelste keer over de groene baret begon, zei ik voor de grap: ”Ik heb een rode baret,” waarop de commandant zei: ”Zo, dat is ook een bijzondere prestatie” en schudde mij de hand. Dit alles tot mijn stomme verbazing, want ik had helemaal geen rode baret en wist ook niet wat dat inhield.

Pas later kwam ik er achter, dat deze aan militairen werd uitgereikt, die, na een zware opleiding, geslaagd waren voor “ de Luchtmobile Brigade.”

Had ik dat geweten, dan had ik wijselijk mijn mond gehouden.

Mijn dochter Mia dacht: “M´n vader heeft weer wat!”, en keek gauw een andere kant op. Snel bracht ik nu zelf het gesprek weer op de groene baret en zei tegen de commandant dat ik “apentrots” was op m´n schoonzoon, omdat die nu ook de groene baret had.

 

De rode baret liet ik verder voor wat het was.

 

                                                                                                          Brandus

 

 

 

 

Ps. De volgende webadressen gaan over de Groene Baret en over de Comando’s:

 

http://www.degroenebaret.nl/

 

http://www.korpscommandotroepen.nl/commandostichting/degroenebaret/

 

http://www.korpscommandotroepen.nl/

 

 

[Naar boven]

 

 

 

Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale

 

 

Via de Remonstrantse kerk en de Zaterdagschool (net zoiets als de Zondagschool) ben ik in 1935 als jongentje van 12 jaar, lid geworden van de V.C.J.C. (Vrijzinnig Christelijke Jeugdcentrale) in Rotterdam.

Ik werd eerst ondergebracht in de jeugdgroep “De Vrije Vogels”, en 2 jaar later bij de wat oudere leden van plm. 14 tot 20/21 jaar.

Als teken van herkenning, droegen wij een halsdoek, met gevlamde kleuren  rood, wit en zwart. Ook was er een draagspeld met 2 dwarse rode balken (zijnde het logo van de V.C.J.C.) waardoorheen een vlammetje.

Niet alleen jongens, maar ook meisjes konden lid worden van de V.C.J.C.

Ik ben lid geweest tot ongeveer begin 1940, want toen werd de vereniging naar ik meen door de Duitsers verboden.

 

´s-Zomers gingen we meestal kamperen en ´s-avonds werden er dan bij het kampvuur uit volle borst liedjes gezongen, zoals:

 

Hoog op de gele wagen…….

De paden op de lanen in…….

Pick up your troubles in your old kit bag and smile. smile, smile……..

en ook het Duitse liedje Lustig ist das Zigeunerleben varia…….

 

Dit zijn er zo maar enkele die ik mij herinner.   

 

In mijn tijd waren ook Wim Meuldijk, Jaap van de Merwe en Frans Vrolijk lid, (eigen naam verm. Jan Versteeg).

Met Wim Meuldijk heb ik nog op de U.L.O. op het Boschpolderplein in Rotterdam gezeten.

Later is hij bekend geworden als schrijver, o.a. van de verhalen van Pipo de Clown, ook nu weer populair. Pim Meuldijk woont nu in Portugal.

Zijn dochter Belinda schrijft veel liedjes voor Rob de Nijs, met wie zij is getrouwd.

Jaap van de Merwe heeft bekendheid gekregen door het schrijven van boeken en cabaretprogramma´s, waarin hij soms meespeelde.

Hij woonde destijds in de Gijzingstraat in Rotterdam en wij kwamen zo nu en dan bij elkaar thuis, om, met nog wat andere leden, liedjes in te studeren.

Een liedje dat hij toen zelf geschreven had als jongen van een jaar of 15/16 ging over een kruidenier.

Enkele zinnen daarvan kan ik me nog herinneren, die gingen als volgt:

 

Niet langer verzinnen, kom hier maar naar binnen,

Want ik heb lekkere melk in flessen om je dorst te lessen en havermout,

Lekkere biscuitjes, zaad voor je parkietjes, soda en zout,

Peper en kaneel , aardappelmeel , en zakjes thee,

Potten jam en stroop heb ik te koop.

Pik alles maar mee…………

 

Helaas is de verdere tekst me ontschoten. 

 

Jaap van de Merwe is enige jaren geleden overleden.

 

Frans Vrolijk kreeg bekendheid onder deze naam als conferencier en toneelspeler. Frans Vrolijk is zijn artiestennaam, zijn werkelijke naam weet ik niet zeker.

Frans Vrolijk heeft André van Duin de fijne kneepjes van het vak geleerd en deze heeft dan ook voor een groot gedeelte zijn succes aan hem te danken

gehad.

 

Met Frans Vrolijk heb ik nog op toneel gestaan in een éénakter, getiteld

“De Gans,” waarin hij een boerenmannetje speelde.

Dit stuk werd opgevoerd in gebouw “Odeon”, als ik het goed heb, in de

Gouvernestraat een zijstraat van de Kruiskade in Rotterdam.

Het zal toen 1938 of 1939 geweest zijn.

 

De laatste keer dat ik Frans Vrolijk heb zien optreden, was in de televisieserie “Het zonnetje in huis”, met Johnny kraaikamp Sr. en Jr. in diverse scènes die in het café afspeelden.

 

Frans Vrolijk is inmiddels ook gestorven.

 

Een foto van hem heb ik, jammer genoeg, niet via de computer kunnen vinden.

 

Dit zijn zo wat herinneringen.

 

 

                                                                                                            Brandus.

[Naar boven]

KLEPPEREN

 

Begin jaren dertig was het zgn. klepperen erg in zwang.

Klepperen kon je wanneer je in het bezit was van 2 houten kleppers.

De kleppers waren ± 15 cm. lang, ± 4 cm. breed, en ± 1cm. dik.

De kleppers deed je tussen wijs- en ringvinger en je gebogen middelvinger. Het kleppergeluid ontstond als je je hand in een bepaald tempo heen- en weer en op- en neer bewoog.

Het was gewoon een slag, die je na flink oefenen te pakken kreeg. Wanneer je de kleppers net even boven het midden tussen je vingers deed als boven omschreven, dan kon je zowel met de boven-

als onderkant van de kleppers klepperen, en zgn. “roffels” slaan.

Dit lijkt allemaal erg moeilijk, maar ik kan u verzekeren dat de meeste kinderen, en ook heel wat volwassenen, deze kunst meester waren.

Bijna alle kinderen, zowel jongens als meisjes, waren dan ook in het bezit van kleppers. Het was echt een rage! Je kon ze in de speelgoedzaken kopen, en als je een beetje handig was, kon je ze ook zelf maken.

Mijn broer Rinus zat toen op de Ambachtschool en leerde voor timmerman. Hij had voor mij een paar prachtige kleppers gemaakt van eikenhout, met een ronding aan de uiteinden, waar m´n vriendjes jaloers op waren.

 

In die tijd had je het toen heel bekende “Jacob´s Hamels Kinderkoor”, dat iedere dinsdagmiddag om 17.00 uur een kwartiertje bij de A.V.R.O zong.

Dit programma werd veel beluisterd, en het kwartiertje was dan ook veel te vlug om.

 

Eén van de liedjes die dit koor zong was de “Kleppermars.”

Tijdens het refrein werd er op de maat van de muziek luid geklepperd. Vooral de wat ouderen onder u zullen dit liedje vast wel herinneren.  Het ging zo:

    

Hoor je wel m´n kleppers gaan

                            ´k Heb ´t pas geleerd

                            ´k Kreeg ´t bijna niet gedaan

                            Al maar geprobeerd.

 

                                               Refrein

                                     

                            Klepper-de klepper-de klep-klep-klep

                            Klepper-de klepper-de-klep-klep-klep

                            ´k Ben zoo blij dat ik,

                            ´k Ben zoo blij dat ik,

                            ´k Ben zoo blij dat ik ze he-heb

                            Klepper-de klepper-de-klep-klep-klep

                            Klepper-de klepper-de-klep-klep-klep

                            ´k Ben zoo blij dat ik,

                            ´k Ben zoo blij dat ik,

                            ´k Ben zoo blij dat ik ze heb.        

 

                            Moeder vind het toch zo´n kruis

                            ´t Maakt zoveel kabaal

                            Al dat leven hier in huis

                            ´t Is toch een schandaal

 

                                               Refrein

 

                            Daarom ga ik maar op straat

                            Met mijn vriendje Piet

                            Heerlijk klepperen op  straat

                            Dat geeft nooit verdriet

 

                                               Refrein

 

Wie, o wie, kleppert het klepperen weer nieuw leven in?

                                                                                             Brandus       

 

Ps. Voor het beluisteren van de melodie, klik op de volgende link:

 

                                      http://www.devirtueleklas.be/hitsforkids/kleppermars.htm 

                                                     

 

 

[Naar boven]

GALERIE “DOOLAARD”

 

Op zondag 3 juli 2005 ben ik naar galerie “Doolaard” van Kees & Elly Doolaard geweest, waar heerlijke ouderwetse dansmuziek viel te beluisteren.

De dansmuziek werd verzorgd door George Boer, een fantastisch musicus, met zijn kwartet.

 

Een verrassing was het, dat op een gegeven moment, zo maar uit het publiek, een zangeres (a la Rita Reijs) naar voren trad en met de band enkele bekende melodieën ten gehore bracht, die bijzonder in de smaak vielen.

Zij oogstte dan ook, terecht, veel succes.

 

Tot mijn grote verbazing was ook Gaston David aanwezig, die destijds op onze zilveren bruiloft (in carnavalstijl )met zijn bandje “The Mexico´s” de muziek verzorgde.

Ook gaf hij op humoristische wijze diverse imitaties ten beste van bekende artiesten o.a. van de toen bekende zangeres ELLA FITZGERALD.

Met allerlei spelletjes wist hij toen de aanwezige gasten danig te vermaken.

 

Helaas laat zijn gezondheid hem nu wat in de steek.

Voor deze middag had hij een speciale uitnodiging gekregen.

En wat heeft hij genoten!!!

 

Dat het een gezellig feestje is geweest staat buiten alle kijf.

Zij die niet aanwezig waren, hebben wat gemist.

 

Door Elly werden deze middag ook enige hartige hapjes rond gedeeld, die gretig aftrek vonden.

Aan het eind bedankte Elly de muzikanten met een bloementje.

Zij merkte als slot op, dat deze middag voor haar en Kees al geslaagd was, om het feit dat Gaston David zo enorm genoten had.

 

Maar niet alleen Gaston David heeft genoten, ik meen te mogen zeggen, alle aanwezigen, en daarom Kees en Elly, hartelijk dank.

Het is zeker voor herhaling vatbaar.

 

Vriendelijke groet,

Brandus Klinge

 

 

Ps. Zie ook www.keesdoolaard.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[Naar boven]

 

DE TEIL EN DE WATERSTOKER

 

In een vorig verhaal (zie mijn vader en mijn moeder) heb ik reeds uit de doeken gedaan, dat wij met z´n negenen waren.

Zaterdag dat was de “baddag”, dan moesten wij één voor één in de zinken badkuip, maar wij zeiden altijd “in de teil.”

 

Dat was een hele bedoening. Eerst naar de “waterstoker” 2 emmers heet water halen, mee naar huis sjouwen en dan de nodige trappen op naar de zolder waar de teil stond en dan het hete water in de teil kieperen.

 

Maar laat me eerst even uitleggen wat een “Waterstokerij” (in de volksmond “Waterstoker” genoemd)  is.

Eigenlijk is het een soort kruidenier, die ook heet water verkoopt, want je kon er o.a. ook koffie, thee, suiker, jam, zakjes kolen en kachelhoutjes kopen.

Als je stroop wilde kopen, moest je een leeg glazen potje meenemen, en dan pakte de waterstoker een stroopvat, en met een houten pollepel schonk hij al draaiende met de pollepel de stroop in je potje.

Een heel ritueel. Stiekem hoopte je dan dat de stroop er overheen zou lopen, maar dat gebeurde nooit.

Vooral op maandag “wasdag” had de waterstoker het erg druk, want dan kwamen veel vrouwen heet water halen voor de vuile was.

 

Onze waterstoker in Schiedam, in een straatje achter de Boerhavelaan, was een klein kereltje en werd door mijn zussen, Jo en Adrie, gekscherend “Piggelmee” genoemd, de kabouter uit de kinderboekenserie. 

 

In zijn winkeltje stond een grote vierkante stenen ketel, (je kan het vergelijken met een grote container) die van onderen warm gestookt werd met briketten (een kolensoort). Onderaan de ketel zat een grote kraan, waaruit, als je hem open draaide, heet water kwam. Een emmer heet water kostte geloof ik 2 of 3 cent.

 

 

Allereerst ging de oudste van het gezin in het bad, en zo vervolgens.

Het laatste was ik aan de beurt, en daarna onze hond “Bobby” die ook in mijn badwater gewassen werd.

 

Op de afgebeelde foto ziet u, van achteren naar voren gezien, achteréénvolgens:

mijn zussen Mien, Mar, Jo, mijn broers Wim en Rinus, mijn zus Adrie, dan ikzelf “broertje” genoemd, en het hondje Bobby.

 

Mijn broer Maarten heeft de foto destijds gemaakt, mijn broer Jan was op dat moment, jammer genoeg,  niet thuis.  

 

Dit alles staat in mijn geheugen gegrift!

 

 

                                                                                                             Brandus.

 

      

 

 

 

[Naar boven]

 

   

VISSEN

 

Als jongentje van een jaar of 10 ging ik met een paar vriendjes dikwijls op het Zwarte Weggetje in de sloten bij de voetbalvelden van de v.v. “Neptunus” op stekelbaarsjes en salamanders vissen.

Onze hengel was dan een boomtak met aan het uiteinde een zwart stukje ijzergaren gebonden van plm. 1 à 2 meter.

Een stukje boven het einde van het garen knoopte je overdwars een rood luciferhoutje, en dat was dan je dobber. Helemaal onderaan het garen knoopte je een wormpje. Een haakje kwam er niet aan te pas.

Als het luciferhoutje onderging haalde je op, en meestal had je dan een stekelbaarsje gevangen, die je in een potje of emmertje met slootwater deed.

Een enkele keer ving je ook wel eens een salamander, vooral een mannetjes salamander was heel mooi, met een roze buik van onder, en een prachtige soort kam van boven. Als je een salamander ving kwamen al je vriendjes kijken om je vangst te bewonderen.

Je vangst ging altijd mee naar huis om met trots aan je vader (als hij thuis was), je moeder en de rest van de familie te laten zien.

 

Ook ging ik wel eens met wat vriendjes in de Schie in Rotterdam op “Boerenlullen” vissen.

Veel mensen die dit lezen zullen zich nu afvragen: wat bedoelt hij hiermee.

Ik zal even proberen het uit te leggen. Boerenlullen waren een soort blauwachtige vissen van plm. 10/12 cm. lang. De echte benaming wist geen enkele jongen. Er werd altijd gezegd: “ Ga je mee boerenlullen vangen.” Als je in de Schie bij de “van Nelle” fabriek aan het vissen was, vroegen ze altijd: Heb je al boerenlullen gevangen?”

 

 

 

Als het regende ging je onder de spoorbrug bij “van Nelle” vissen.

In de zesde klas van de Lagere School kregen we op een keer natuurkunde les

en meester Rijnbende  (je zei toen nog meester) vroeg, wie kan er een zoetwatervis op noemen?

De één noemde een voorn, de ander een bliek, weer een ander een brasem enz.

Toen stak Wimpie Scholte z´n vinger op en riep triomfantelijk:

”Een boerenlul” meester.”

Een paar meiden begonnen te giechelen en ook meester Rijnbende kon zijn lachen met moeite bedwingen.

Hij heeft ons toen verteld, dat de werkelijke benaming van deze vis

“Grondel” is.

 

U kunt het geloven of niet, maar dit is een waar gebeurd verhaal.

 

 

                                                                                                               Brandus        

 

[Naar boven]

PINDAMANNETJES

 

Als jongetje van 11 jaar (1934) kreeg ik met de schoolklas zwemles in het zwembad “de Kous”, dat gelegen was achter de Hudsonstraat in Rotterdam.

 Je moest dan eerst de spoorbrug in de Hudsonstraat over om het zwembad te bereiken.

Meestal bleef je met een paar vriendjes op de spoorbrug staan wachten tot er een stoomlocomotief aan kwam, want als die onder de brug doorging, kreeg je de stoom van de locomotief over je heen, en dat vonden we prachtig.

Eénmaal bij het zwembad aangekomen moest je altijd tussen ijzeren hekken  wachten, tot de kinderen die nog in het zwembad waren hun tijd om was en naar  buiten kwamen, en pas dan mocht je naar binnen.Tijdens het wachten stond er altijd een zgn, “pindamannetje” met een blikken trommel voor z´n buik waarin de gesuikerde pindarepen zaten die je voor 5 centen kon kopen.

Sommige kinderen kochten wel eens zo´n reep om die dan tijdens het wachten op te peuzelen. Ook werd wel eens “botje bij botje” gelegd om een reep te kunnen kopen, die werd dan  doormidden gebroken en gedeeld onder luid gekibbel of de één z´n stukje niet wat groter was als dat van de ander.

De meeste pindamannetjes waren arme chinezen die China waren ontvlucht en als schepeling, op grotere en kleinere stoomschepen bescheiden werkzaamheden hadden verricht om zo hun reis naar Holland te bekostigen.

Ook gingen zij de huizen langs om met hun koopwaar te venten.

De pindamannetjes waren over´t algemeen bijzonder vriendelijke mensen.

Zij hadden maar weinig nodig hadden voor hun dagelijks levensonderhoud.

Velen van hun nageslacht hebben later “goed geboerd”, gezien de vele Chinese restaurants.

 

Een liedje dat toen veel werd gezongen, vooral door de kinderen, was het zgn. “PINDALIED” met de volgende tekst:

Pinda, pinda, lekka, lekka,

als je maar vijf centjes biedt,

Pinda, pinda, lekka, lekka,

of je kauwen kan of niet

Ik sta in dommel bij m´n trommel,

Tot ik  uit m´n jasje waai

Van je wiet, wiet, wiet,

Van je waai, waai, waai,

Wiedewiedewiet Sjanghai.

 

Ook op de radio werd het regelmatig ten gehore gebracht.

                                                                                                           Brandus

 

[Naar boven]

 

 

HET BRANDBLUSAPPARAAT

 

Het was op een middag in het jaar 1948 en is gebeurd in schafttijd op de gang van het kantoor van de Algemene Marine Magazijnen.

Dit kantoor was gevestigd op het Westplein in Rotterdam.  De schafttijd was toen nog 1½ uur.

Jan Jansen, een krachtpatser met een “Bodybuilder” figuur kwam op het idee, om het zware (rode) brandblusapparaat, met één hand omhoog en boven zijn hoofd te tillen.

Dit ging hem vrij gemakkelijk af, en hij daagde ons uit (waaronder Nootenboom, Wouterse,  ikzelf, en  nog 2 anderen (waarvan de namen me helaas ontschoten zijn)  het ook eens te proberen.

Zij het met de nodige moeite slaagden zij er ook in, en verlieten  vol trots het strijdperk.

Als laatste was ik aan de beurt en met uiterste krachtsinspanning lukte het mij ook.

Maar toen ik het brandblusapparaat éénmaal boven mijn hoofd had, schrok ik me de zenuwen, want de brandblusser begon spontaan te spuiten.

Grote hilariteit bij de anderen. ( “Leedvermaak.”)

Vlug zette ik het apparaat  op de grond, maar tot mijn spijt bleef het spuiten.

Goede raad was duur.

Jan Jansen zag m´n verschrikte gezicht, kreeg meelij, pakte het nog steeds spuitende apparaat op, liep er snel mee naar het toilet en richtte de schuimstraal in de W.C.-pot.

Na een tijdje hield het spuiten plotseling op, dit tot ons aller opluchting.

Vermoedelijk was door het steeds optillen een bepaalde hoeveelheid van twee verschillende vloeistoffen bij elkaar gekomen, waardoor het apparaat schuim begon te spuiten. Toen de ontstane  hoeveelheid schuim er uit was, hield ook het spuiten op.

Jan Jansen zette het brandblusapparaat vlug weer op z´n plaats en de nog aanwezige “schuimboel”  werd door ons snel opgeruimd.

Dit voorval  had  verder geen  gevolgen.

 

Alles liep met een “sisser” af.

                                                                                                                  

 

 Brandus

 

                                                                                                              

 

[Naar boven]

 

 

HET PISTOOL

 

 

Gedurende de crisisjaren (de jaren 30) lagen de schepen van de Scheepvaart en Steenkolen Mij. “stil”, wat wil zeggen dat er niet mee werd gevaren.

Het schip waarop mijn vader 1e machinist was, de ” Friesland”, lag aan de kade van de Merwedehaven in Rotterdam afgemeerd.

Mijn vader moest regelmatig “wacht” lopen, ook in de nacht. Om zich, zo nodig, tegen gespuis te beschermen, was mijn vader in het bezit van een pistool.

Wanneer hij thuis was borg hij het op in een laatje van zijn bureau dat hij vervolgens op slot deed.

Vanzelfsprekend mochten wij nooit in de laatjes van zijn bureau komen.

 

Mijn broer Jan was in die tijd voor z´n nummer in dienst bij de Landmacht.

Op een keer, toen Jan met verlof thuis was, had hij blijkbaar iets nodig dat hij niet kon vinden en besloot toen maar in een laatje van mijn vader´s bureau te zoeken.

Hij trok een laatje open, en wat lag daar? Inderdaad, het pistool van mijn vader.

Kennelijk had mijn vader vergeten het laatje op slot te doen.

Mijn broer Jan, die dacht dat het een klapperpistool was, haalde het uit het laadje, richtte het op het hoofd van mijn zus Johanna en haalde de trekker over.

Met een luide knal vloog de kogel uit het pistool en sloeg ongeveer 5 cm. boven haar hoofd in de muur. De schrik en paniek die er toen ontstond valt niet te omschrijven.

Gelukkig voor Johanna, en voor ons allen, bleek mijn broer Jan een slechte schutter.

 

Op het moment dat dit alles gebeurde, was mijn vader niet thuis, want anders was het leed voor Jan niet te overzien geweest..

Natuurlijk kreeg hij later van mijn vader een niet mis te verstane uitbrander, maar mijn vader was al lang blij, dat alles zo goed was afgelopen.

Wel kregen wij op ons hart gedrukt, om hierover met niemand te praten, om eventuele moeilijkheden achteraf te voorkomen.

 

Deze gebeurtenis is altijd een familiegeheim gebleven, totdat ik het nu in de openbaarheid heb gebracht.

 

 

                                                                                                                    Brandus        

[Naar boven]

 

 

 

KNIKKEREN

 

Vóór schooltijd knikkerde de kinderen vaak.

Vroeger had je een soort kalk knikkers, die meestal bruin waren.

Als je er per ongeluk op trapte, werd deze helemaal verpulverd.

Je had toen ook de zogenoemde “kattenkopjes” in de kleuren bruin en blauw.

Dat waren harde van een soort steen gemaakte knikkers  waarop  een stuk of zes kattenoogjes stonden.. Eén kattenkop stond geloof ik gelijk aan 5 kalkknikkers.

 

De laatste keer dat ik kattenkoppen knikkers heb gezien was in een museumpje in Oosterhout (N.Br.) met oud speelgoed, dat ik toen met mijn zus Adrie en zwager Gerard, heb bezocht, onderweg naar camping “´t Haasje”.

 

Het knikkerpotje was meestal een iets lager gelegen halve steen aan het einde van de stoep, een soort putje.

Als dat er niet was, werd er met een krijtje een klein vierkant hokje getekend. Dat was dan het potje waar je de knikkers met “schoffelen” of “pieken” moest zien in te krijgen.

Wie de laatste knikker in het potje kreeg had de pot met alle knikkers gewonnen.

Omdat er met schoffelen met de wijsvinger nogal eens veel te veel naar het knikkerpotje werd geschoffeld, werd later het zgn. “pieken” ingevoerd.

Dit gebeurde door je wijsvinger over je duim heen te plaatsen en dan je duim met een voorwaartse beweging naar voren te brengen, zodat je de knikker naar voren schoot.

 

Wat later kwamen de glazen knikkers, ook wel stuiters genoemd.

In Rotterdam noemde wij ze “Olkers”. Ik weet niet hoe deze naam is ontstaan.

 

Ook werd wel eens een glazen knikker uit een “ kogelflesje” priklimonade gebruikt. Zo´n kogelflesje was een flesje met een beugelsluiting waaronder een glazen kogeltje (knikker) zat, die je naar beneden moest drukken om te kunnen drinken. Deze kogelflesjes met priklimonade, in diverse smaken, werden vroeger vaak gekocht.

 

 

De wat grotere kinderen speelde ook wel eens een spelletje knikkeren, waarbij een stalen kogel (meestal uit een kogellager)  werd  gebruikt.

Er werd dan eerst met krijt een vierkant potje getekend, en dan moest iedere speler(ster) een bepaald aantal knikkers in het potje leggen.

Daarna werd er “geloot” wie of er het eerste mocht beginnen en zo vervolgens.

Je moest dan achter de stoeprand gaan staan en van daaruit met de stalen kogel proberen een aantal knikkers uit het potje (dat een paar meter verder was) te schieten. In Rotterdam noemde ze het “Hokkie knarren.”

 

Op de Schiedamscheweg in Rotterdam had je ook van die diepe portieken met muren met gele glimmende steentjes. Heel mooi.

In die portieken waren vier woningen gevestigd. Bijna tegen het einde van zo´n portiek tekende je met krijt een knikkerpotje en met een stalen kogel moest je dan, via één van de muren in het portiek de knikkers uit het potje zien te caramboleren. Dat vonden wij hartstikke leuk, maar sommige bewoners niet.   

 

Wat ik me ook nog herinner is, dat er op de lagere school meisjes waren die graag met me wilde lopen (een soort van verkering), omdat ik meestal goed in m´n knikkers zat.

Ze lieten dan een ander meisje een briefje aan mij geven met de inhoud:

“Wil je met me lopen?” en daaronder haar naam.

Ook lag er wel eens zo´n briefje op m´n schoolbank

Als je er dan in trapte, door eenvoudig met je hoofd “ja” te knikken, of een briefje met het “jawoord” af te geven, dan had je verkering.

Het eerste wat zo´n meisje dan vroeg: ”Heb je een paar knikkers voor me?”

En natuurlijk voldeed je dan aan haar verzoek.

(Zoals je ziet, ging het bij de vrouwtjes al vroeg om de “knikkers!”)

 

Toen mijn zussen en broers nog klein waren had één van mijn broers ( ik geloof dat het Maarten was), op zolder een knikkerpotje met een beitel in de houten vloer gemaakt. Als ze dan ´s avonds naar bed moesten gingen ze eerst stiekem op zolder nog een paar potjes knikkeren.

M´n moeder dacht dan dat er muizen op zolder waren, omdat ze beneden in de kamer steeds: “ rrrrrt --- rrrrrt ---rrrrt”  hoorde.

Toen mijn vader op een keer van zee thuis kwam vertelde ze hem dan ook, dat er boven op zolder muizen zaten. En wat deed mijn vader? Die ging van die houten muizenvalletjes zetten met zo´n springveer en een stukje kaas er in.

Zolang mijn vader thuis was gingen mijn broers en zussen natuurlijk niet knikkeren. De muizenvalletjes bleven, met de stukjes kaas er nog in, mooi leeg.

Zodra mijn vader weer naar zee ging werden de muizenvalletjes opgeborgen en werd er weer lustig op los geknikkerd.

Mijn moeder zei dan: ”Het lijkt wel of die verrekte muizen weten wanneer jullie vader op naar zee is.”

Pas veel later, toen mijn broers en zussen al groot waren, hebben ze het tegen mijn moeder opgebiecht, die er toen smakelijk om heeft gelachen.

Gelukkig zag mijn moeder de humor er van wel in.    

 

Het laatst dat ik geknikkerd heb was met mijn 2 dochtertjes Anja en Mia en mijn vrouw Jeanne. Dat gebeurde meestal in het weekend als het slecht weer was.

We hadden n.l. een groot vloerkleed in de kamer waar een figuurtje op stond, dat we als knikkerpotje konden gebruiken.

Anja wilde altijd schoffelen, maar die schoffelde met haar wijsvinger zowat naar het knikkerpotje toe en dat pikte wij natuurlijk niet.

Net als wij, moest ze van ons ook “pieken”, en daar was ze niet zo goed in.

 

Onder veel gekibbel, of een knikker nu wel of niet helemaal in het potje zat, kwam er na verloop van tijd dan een einde aan het knikkerspel.

 

Hoe Anja het klaarspeelde weet ik niet, maar die won op straat altijd met knikkeren, en kwam dan met haar knikkerzak propvol thuis.

Mia verloor vaak en als die geen knikkers meer had, dan pikte ze de nodige knikkers uit de knikkerzak van Anja, die ze steeds wist te vinden.

Anja zag dat dan direct en was razend, maar Mia hield zich “van de domme.” Zij kon weer knikkeren.

 

Beide zijn inmiddels al oma, maar zullen als zij deze verhalen lezen, ongetwijfeld gillen van de lach.

 

 

                                                                                                               Brandus

 

[Naar boven]

 

 

Jarig Jetje

 

Op het liedje “de Kleppermarsch” kreeg ik enkele leuke reacties; t.w. een van een mevrouw die met kleppers kwam opdraven die toentertijd gemaakt waren door haar vader van hardhout.

Ook was er een meneer die me kwam vertellen dat hij weer een paar kleppers ging maken.

Dit is voor mij aanleiding geweest om  nog een overbekend liedje uit die tijd, t.w.;  “ Jarig Jetje “ onder uw aandacht te brengen.

 

Ook herinner ik me nog een anekdote die toen plaats vond.

Jacob Hamel had de gewoonte om een kind een liedje solo te laten zingen.

Op een keer werd een jongentje uitverkoren om alleen een liedje te zingen. Toen hij dit gedaan had zei Jacob Hamel tegen hem:” Goed gedaan jochie en hoe heet jij?”

Het kereltje antwoordde beleefd:” Gerrit Meneer.”

Waarop Jacob hamel tegen hem zei: ”Zeg dan maar tegen je moeder dat ze een grote Gerrit heeft”. Dit is historisch!

 

Op zoek naar het liedje “Jarig Jetje” kwam ik niet alleen het liedje, maar ook een interessant verhaal en een, door mij onbekend, liedje over “Ullevellen” tegen.

Het geheel laat ik onderstaand volgen. De schrijver is mij, helaas, niet bekend.

 

                                                                                                     Brandus.

 

[Citaat:]

 

Ulevel

 

Dit liedje is voor de Tweede Wereldoorlog geschreven door Jacob Hamel, de dirigent van het kinderkoor van de A.V.R.O. Hij en zijn koor kluisterden in de jaren voor de oorlog hele gezinnen aan de radio. Hamel, die in 1883 in Amsterdam was geboren, werd in 1940 door zijn directie weggestuurd omdat hij jood was. Op 9 juli 1943 is Hamel in het vernietigingskamp Sobibor gestorven.

 

Jarig Jetje ging trakteren

Alle meisjes van de klas

Jetje had iets uitgekozen

Waar ze zelf zo dol op was

Ulevellen bracht ze mee                           Geplaatste foto is een gedeelte van het

Ieder kreeg er minstens twee (bis)           kinderkoor van Jacob Hamel in 1939.

Maar jawel, een stroom vriendinnen

Kwam ons Jetje tegemoet

Met de allerbeste wensen

Werd de jarige begroet

En ze vroegen, nog al glad,

Wat of Jet in 't zakje had (bis)

 

 

Ulevellen? Even proeven,

Eentje kwam er niet op aan

Nog één... Jetjes ulevellen

Gingen zoetjes naar de maan

En de klas, een gek geval,

Kreeg warempel niemendal! (bis)

 

 

 

Ulevellen zijn platte suikersnoepjes, die nu helemaal uit de gratie zijn. Ze hebben het onderspit moeten delven in de overdaad aan zoetwaren met welluidende namen als: winegums, autodrop, zoethoudertjes, gomballen, smulbeertjes, smily's, fruitgums, bananas en nog veel meer tandentergend suikergoed. Bovendien worden op verjaardagen in de schoolklas al sinds jaren nog maar weinig echte zoetigheid uitgedeeld. Heel verantwoord gaat de jarige rond met suikervrije kauwgum, fruit en een doosje worteltjes - "pak er nog maar een, hoor".

 

 

Er zijn meer oude snoepnamen die nog maar zelden worden gebruikt. Wie kent nog de jujubes? Dat zijn gomachtige zoete plakjes met een weinig doordringende smaak. Wijnballen zijn ook niet meer erg populair. Dat waren ze in het verleden alleen niet bij de ouders vanwege het grote vlekgevaar. Kokinjes zijn verworden tot kokindjes vanwege de associatie van snoep met jeugd, maar het is de vraag of ze het daardoor zullen redden. De borstplaat en bijbehorende suikerbeesten wordt alleen rond 5 december gegeten. De babbelaar, liefst met roomboter, is eveneens zeldzaam geworden. Ook de stroopsoldaatjes hebben het gevecht verloren. Een stroopsoldaatje is een in vetvrijpapier verpakte pegel van gestolde suikerstroop met een smaakje. Zeer slecht voor vullingen, in het bijzonder voor loszittende vullingen.
Gelukkig zijn er nog zoete zekerheden van alle jaren, zoals de toffee (heel vroeger caramelbrok geheten) en het muntdrop.

 

 

 

De ulevel heeft een bijzondere plaats in dit geheel. De naam zou zijn afgeleid van 'ulivella', de olijf en wel van de gesuikerde variant. Het snoepje werd verpakt in een papiertje met een rijmpje van niet altijd even goede kwaliteit. Ulevellenpoëzie staat daarom voor poëtisch broddelwerk. Multatuli laat Batavus Droogstoppel in de Max Havelaar een tirade tegen de poëzie houden. Daarin wordt dichtwerk afgezet tegen ivoordraaien.

 

Of denkt ge dat myn huishouden iets minder wel geregeld is, dan het wezen zou als ik voor zeventien jaar myn meisjen in verzen gezegd had dat ik haar trouwen wilde?  Gekheid!  Ik had dit toch even goed kunnen doen als ieder ander, want verzenmaken is een ambacht, zeker minder moeielyk dan ivoordraaien.  Hoe zouden anders de ulevellen met deviezen zoo goedkoop wezen? - Frits zegt:  "Uhlefeldjes" ik weet niet, waarom?  - En vraag eens naar den prys van een stel billardballen!

 

Dat 'Uhlefeldjes' in de hier aangehaalde tekst is de opmaat naar een elders verwoordde theorie dat een vrijgevige Deense diplomaat Uhlefeldt zijn naam heeft geleend aan deze snoepjes, waarop hij veel zou hebben getrakteerd.

 

Misschien dat door de rijmende verpakking de ulevel zo veel wordt bezongen. Eduard Jacobs, die leefde van 1868 tot 1914, is één van de tekstdichters die de ulevel hebben aangegrepen om kritiek op de maatschappij te uiten. Jacobs wordt algemeen gezien als de eerste Nederlandse cabaretier. Hij was diamantbewerker van origine, maar koos het muzikale pad nadat hij tijdens een verblijf in Parijs kennis had gemaakt met de cafés chantants aldaar.
Hij schreef vele prikkelende teksten. In het laatste couplet van het hier aangehaalde lied wordt verwezen naar de gewoonte om ulevellen in rijmpjes te verpakken.

 

 

 

Poezie en proza, een afscheidsbrief

 

M'n vriend, ik laat je hierbij weten

Al vind je dat misschien heel naar

Dat van ons trouwen niets kan komen

We passen heus niet bij elkaar

 

Ik blijf als dichter je vereren

Maar als ik je trouwde had ik een strop

Want met z'n tweeen armoe lijen

Het komt niet in m'n hersens op

 

'Je zoudt me op de handen dragen'

Schreef je me in je laatste brief

Dat is voor een enkel keer wel aardig

Maar een auto is me wel zo lief.

 

'Je ziet een hemel in m'n ogen'

Dat klinkt heel prachtig in een lied

Maar het moet een rare hemel wezen

Wanneer je scheel van honger ziet.

 

'Je vindt m'n gouwe blonde lokken

Het schoonste sieraad van de vrouw'

Maar ik betwijfel of de lommerd

Daarop een daalder lenen zou.

 

Jij hebt genoeg om te souperen

'Aan sterrenglans en maneschijn'

Geef mij maar een douzijntje oesters

Met 'n glasie lekk're moezelwijn.

 

'Je wilt me een koningsmantel weven

Van avondrood en zonnegoud'

Dat is heel mooi, maar beste jongen

Op den duur is het me te koud.

 

Je schrijft me dat je altijd 'rozen

Wilt strooien op m'n levenspad'

Maar vriend, je staat nu al zo lelijk

Bij de bloemisten in de klad.

 

Voordat je mij kunt onderhouwen

Gaat er misschien tien jaar voorbij

Zo lang kan ik onmogelijk wachten

Wacht jij dus liever maar op mij.

 

Schrijf jij maar verzen en sonnetten

Misschien krijg je m'n man tot klant

Want dezer dagen ga ik trouwen

Met een ulevellenfabrikant.

 

 

 

 

Als toetje nog een recept uit 1778 voor ulevellen:

 

Neemt witte zuiker, kookt die met het aftrekzel van klapper-roosen, en geraspte citroen-schil, al roerende tot dat hij stijf begint te worden, doet hem dan op papier in kleine brokjes, en laat ze droogen.

Voor de klapper-roosen en de citroenschil kan ook een andere smaakextract worden genomen. Neem zo weinig mogelijk water om het indikken niet te lang te laten duren. Kijk wel uit met het dikke suikerwater. Dat is ontzettende heet. Nu nog een rijmpje op een wikkelpapiertje en klaar!

 

 Als suggestie:

Deez' ulevel is zoet

zoals jij ook zijn moet.

 

[Einde citaat.]

 

[Naar boven]

 

 

Bowl

 

 

 

Mijn moeder had altijd een fles Coebergh in het drankkastje staan waarvan ik altijd één of twee glaasjes kreeg als ik op visite kwam. Niemand anders kreeg daar een glaasje van, want het was alleen voor Broer (zo noemde mijn moeder me altijd)  bestemd.

Wel een beetje vreemd, maar het was zo. Om haar te plagen vroegen mijn broers en zussen expres wel eens om een glaasje Coebergh,  maar het antwoord was steeds: ”Nee, dat is voor Broer.”

Op de bruiloft van mijn zus Johanna waren wij met onze 2 dochtertjes Anja en Mia een weekendje over gekomen vanuit Den Helder.

 

Mijn moeder woonde toentertijd n.l. in Schiedam.

Voor onze kinderen was een noodbedje op zolder gemaakt.

Speciaal gemaakte vruchtenbowl was er voor de kinderen.

Aan mijn vrouw vroeg mijn moeder of ze een glaasje bowl wilde proeven. Mijn vrouw deed dat en zei : ”Zalig!”

 

De kinderen kregen dus op die avond enkele glaasjes van de zelf gemaakte vruchtenbowl en ze vonden het heerlijk.

Om een uur negen  half tien vonden wij het de hoogste tijd om de kinderen naar bed te brengen en tot onze verbazing maakte ze ditmaal geen enkel bezwaar.

Toen we na een kwartiertje gingen kijken, sliepen zij tot onze verwondering als een roos.

Toen mijn moeder even later een glaasje Coebergh bessenjenever voor mij wilde inschenken, was de fles leeg. Want was er gebeurd?

In plaats van dat mijn moeder een fles rode limonadesap in de bowl had gedaan, had ze de inhoud van de fles Coebergh er in gekieperd.

Geen wonder dat de bowl zo lekker was, de kinderen waren dus in meer of mindere maten “teut” gevoerd.

Dat was de reden waarom zij zo lief gingen slapen.

Mijn moeder is vaak met deze vergissing geplaagd en op familie samenkomsten is dit verhaal vaak ”ten berde” gebracht.

 

En, zoals steeds, is dit weer een waar gebeurd verhaal.

                                                                                                  Brandus                                                                                                          

 

 

[Naar boven]

 

 

MAZELEN

 

Onze dochter Mia had een vreselijke hekel aan school.

Het liefst speelde ze de hele dag op straat. Ze gunde zich amper tijd om te eten.

Bij het avondeten zat ze op het puntje van haar stoel en vroeg dan:

“Mag ik na het eten nog vijf minuutjes buiten?”

Wij noemde haar dan ook “Straatmadelief.” had of niet.

Op een morgen toen mijn vrouw onderaan de trap riep:” Mia het is tijd om op te staan. Straks moet je naar school en anders kom je te laat.”

 

Met een zielig stemmetje riep Mia: ”Mam, ik ben zo ziek, en ik zit onder de rode vlekjes.”

Mijn vrouw rende naar boven, zag Mia, en zei “: Kind, je hebt de mazelen, ik zal vlug de dokter bellen, blijf maar lekker in bed,  je hoeft niet naar school.”

Ze rende de trap af om de dokter te bellen, maar toen ze beneden was riep Mia:

“Geen dokter bellen Mam, want als ik over vlekjes wrijf gaan ze vanzelf weer weg, kom maar kijken.”

Mijn vrouw snelde de trap weer op, en inderdaad, toen Mia met een beetje spuug over de rode vlekjes wreef, verdwenen die als sneeuw voor de zon.

Wat was het geval?

Mia had met een rode viltstift allemaal rode vlekjes op haar gezicht, armen en benen gemaakt en mijn vrouw was er in getuind.

 

Toen  mijn vrouw echter zei dat ze de dokter ging bellen dacht Mia: 

”Oh jé, foute boel, dat moet niet, want dan val ik door de mand.”

Dat was de reden  waarom  ze mijn vrouw gauw terug riep.

Jammer voor Mia, maar het “schoolziek” zijn ging mooi niet door.

 

Mia moest nu toch naar school!

 

Brandus

 

 

 

[Naar boven]

 

HOEK VAN HOLLAND

 

Vóór mijn geboorte woonde mijn ouders in Hoek van Holland.

Mijn vader was  toen op het “s.s. Friesland”  van de Scheepvaart en Steenkolen Maatschappij (S.S.M.) 1e machinist.

Het “s.s. Friesland” is tijdens de oorlog op een mijn gelopen, waarbij een bemanningslid te betreuren viel.

Mijn vader lag toen in Londen in het ziekenhuis.

(Zie het verhaal mijn vader en mijn moeder.)

 

De thuishaven van de S.S.M. was  in de Merwedehaven te Rotterdam. Om het ongemak op te heffen, dat mijn vader niet steeds met de trein vanuit Rotterdam naar Hoek van Holland en omgekeerd hoefde te reizen, besloot mijn moeder naar Rotterdam te verhuizen.

Dit tot groot verdriet van haar kinderen. Die hadden hun vriendjes en vriedinnetjes in Hoek van Holland waarmee zij altijd, als het weer het toeliet, op het strand en in de duinen konden spelen en ravotten.

 

Toen ik een jaar of 7 was (ik was van de 2e leg, zie het verhaal over mijn vader en moeder), gingen wij ´s-zomers, bij mooi weer, op zondag met z´n allen met de boot naar Hoek van Holland.

Blijkbaar kon m´n moeder Hoek van Holland  toch niet vergeten.

Op een mooie zondagmorgen, werd ik heel vroeg wakker en kon mijn linkerarm niet optillen en ook m´n hand niet bewegen. Ik schrok me lam. Het eerste wat ik dacht was: “Nou kan ik niet mee naar Hoek van Holland”.

Wat was het geval, ik had op m´n arm gelegen waardoor de bloedsomloop was gestremd. Toen ik n.l. met mijn andere hand m´n verlamde arm optilde, begon deze te tintelen en even later ook mijn hand, en niet lang daarna functioneerde

tot mijn grote opluchting alles weer perfect.

Gelukkig kon ik mee naar Hoek van Holland.  

 

Het was dan wel vroeg uit de veren, en met de hele familiekraam (broodjes en koffie, limonade en wat dies meer zij mee. Denk maar aan het bekende liedje: “We gaan naar Zandvoort”).

Eerst met de tram naar “de Boompjes” waar de boot naar Hoek van Holland lag afgemeerd.

 

Destijds had je ook de veerdienst,

“de Batavier Lijn”, die dagelijks met passagiers en vrachtgoed op Engeland voer, met de schepen Batavier II, III, IV en V. Op geplaatste foto ziet u één van deze schepen.

Deze stoomschepen vertrokken ook vanaf “de Boompjes.”

Dit even terzijde voor de wat oudere Rotterdammers.

 

Het vaartochtje naar Hoek van Holland duurde plm. een uur.

Eénmaal op de boot doolde ik overal rond,  vooral de machinekamer met al die glimmende koperen buizen, leidingen, metertjes en, niet te vergeten de stokers op de stookplaat, vond ik machtig.

De schepen waren toen, zoals gezegd stoomboten, en werden met kolen gestookt.

 

Op een zondag dat we weer eens met z´n allen met de boot naar Hoek van Holland gingen, vertrok het schip waarop m´n vader voer naar Engeland.

Noem het toeval, maar onderweg werden we door zijn schip (“s.s. Friesland”) ingehaald en bleef dit schip een tijdje naast de boot varen waarop wij zaten.

M´n vader was met z´n verrekijker hevig aan het zoeken of hij ons kon ontdekken, wat hem uiteindelijk gelukte, en toen was het natuurlijk naar elkaar zwaaien geblazen.Vol trots vertelde ik andere kinderen dat die man met de verrekijker mijn vader was.

Om de scheepvaart niet in gevaar te brengen voer de “Friesland”  ons even later snel voorbij.

Het was echt een bijzondere belevenis. Ik zie het nog voor me.

 

Het eerste wat mijn moeder deed als we in Hoek van Holland aankwamen, was een paar haringen kopen bij een haringvrouwtje, dat je altijd onderweg tegen kwam (vreemd genoeg in Scheveningse  klederdracht) met een zgn. juk over haar schouders waaraan 2 emmers hingen.

Dus geen rieten manden zoals op de foto afgebeeld.

In één van de emmers zaten de haringen.

 

Op de andere emmer legde zij een houten plankje waarop de haringen met een mesje werden schoon gemaakt. Ook het afval verdween in deze emmer.

Mijn moeder was gek op een hartige hap en tijdens het schoonmaken van de haringen stond zij te watertanden.

Op het strand aangekomen huurde mijn moeder een rieten strandstoel, waarna allereerst de haringen smakelijk, onder het geluid van “mmm –mmm –mmm”,

werden opgesmikkeld.

Wij renden zo snel mogelijk naar de zee om pootje te baden, te zwemmen, zandkastelen te bouwen of om

“landje veroveren” te spelen in het zand met een mesje. De ouderen onder u weten wel  hoe dat ging.

Kregen wij honger of dorst, dan op een drafje naar moeder in haar strandstoel, om de inwendige mens te versterken.

In de middag gingen we naar een zo geheten “strandtent” voor een ijsje of een andere versnapering, en om zo nodig, van het toilet gebruik te maken.

 

Daarna snel weer naar het strand, en als moeder een royale bui had, mochten we ezeltje rijden.

Tegen de tijd dat we weer naar huis moesten, was ik altijd zoek.

Omdat de boot niet wachtte, kreeg mijn moeder dan de zenuwen, en werd mijn zus Willemien, die jaren ouder was dan ik, er op uitgestuurd om “broertje” (zoals ik werd genoemd), te gaan zoeken.  Gelukkig wist Willemien “ broertje” steeds bijtijds op te sporen en kon mijn moeder weer opgelucht adem halen.

Wel kreeg ik een flinke uitbrander (waar ik me overigens niet zoveel van aantrok) waarna de terugtocht met de boot werd aanvaard.

 

Uiteindelijk kwamen we doodmoe thuis, en zodra we in bed lagen vielen we als een blok in slaap.

 

                                                                                                           Brandus

 

                                                                                                                                                                                                                                

 

[Naar boven]

 

DE TROMMELAAR

 

M´n zus Adrie zal een jaar of 17 zijn geweest toen ze een vriendje had die “PINO” heette, of dat nu z´n echte of z´n  bijnaam was weet ik niet, maar hij werd zo genoemd.

Wij woonden destijds 3 hoog op de Schiedamscheweg en op de slaapkamer van m´n zus, waar zij met m´n andere zus Johanna sliep, was een balkonnetje.

De liefde van m´n zus Adrie voor Pino zat echter niet zo diep, zij beschouwde hem echt meer als een vriendje, terwijl hij smoorverliefd was.

Pino speelde trommel in een muziekkorps, en om indruk op mijn zus Adrie te maken liep hij ´s-avonds vaak al trommelend blokjes rond de chocolade- en bonbonfabriek “DE HEER” op het industrieterrein vlak bij ons huis.

Volgens zijn eigen zeggen ging hij daar speciaal daar oefenen, zodat men bij hem thuis en daar in de buurt zo weinig mogelijk last had van het trommelen.

Als m´n zus op ´t balkonnetje ging staan kon zij hem gade slaan terwijl hij al marcherend liep te trommelen.

Wanneer hij mijn zus in de gaten kreeg deed hij extra z´n best en sloeg zowat het vel uit de trommel vandaan. En als zij naar hem zwaaide kon hij z´n geluk helemaal niet op. Hij hield dan even op met trommelen en zwaaide wild enthousiast terug.

Maar Adrie had, om één of andere reden, niet altijd zin om op het balkonnetje te gaan staan zwaaien en zei dan tegen mijn zus Johanna:

“Ach zwaai jij even, want hij ziet toch niet dat jij het bent, de afstand is veel te groot.” Johanna deed dat dan, en ja hoor, Pino tuinde er in.

De volledige voornamen van mijn zus Adrie zijn:

 

                                ADRIANA SWOBINA

 

Om u een idee te geven hoe verliefd Pino wel was, gebeurde het volgende.

Tegen Sinterklaastijd werd er gebeld en stond de banketbakker aan de deur met

14 boterletters (banketletters) voor m´n zus Adrie.

Alle letters van haar voornamen.

En nou komt het; m´n zus Adrie hield helemaal niet van boterletters.

Dat was Pino blijkbaar niet bekend.

Wij hadden er echter een “goeie aan.” We hadden een groot gezin (9 kinderen), dus de boterletters kwamen echt wel op.

Hoe het met Pino en m´n zus Adrie is “uit geraakt” weet ik niet meer.

Wel weet ik dat zij niet lang daarna zelf smoorverliefd is geworden op éne Gerard ter Heurne, met wie ze nu al meer dan 60 jaar “ gelukkig” is getrouwd.

 

Brandus                                

 

[Naar boven]

 

SASKE

 

In ons huisgezin was steeds een hond aanwezig.

Toen we in de Olivier van Noortstraat in Den Helder woonden, hadden wij een Mechelse herder die Kora heette. Een lieve trouwe hond, waar geen greintje kwaad bij zat. Zomaar van de één op de andere dag werd Kora erg ziek en moest de dierenarts er aan te pas komen. Wat bleek, een hondenhater in de buurt had zgn. “scherp”  in (vermoedelijk) stukken worst gedaan en daarna uitgestrooid. Hiervan hadden 5 honden in de buurt gegeten, ook Kora.  Al deze honden  moest de dierenarts laten inslapen, omdat hun ingewanden stuk waren.

Het verdriet in ons gezin was zó groot, dat mijn vrouw en ik toen hebben besloten geen hond meer te nemen.

En wat gebeurde op de verjaardag van mijn vrouw?

Anja en Mia kwamen ´s-morgens vroeg mijn vrouw feliciteren met een hondenmand waar in  een zwart witte spaniel lag van ongeveer 1 jaar.

En wat zeiden die meiden tegen mijn vrouw? “Je mag nooit iets weigeren wat je voor je verjaardag krijgt.”

En wat moet je dan? U begrijpt het al. Het hondje “Saske” genaamd, werd geaccepteerd en liefdevol in ons gezin opgenomen.

Het dient gezegd, dat Saske een bijzonder slim en  lief hondje was, dat al gauw ons hart had gestolen.

Wel had hij (het was een mannetje) de vervelende gewoonte om, als hij maar even de kans zag, weg te ”piepen”.

Hij was dol op auto rijden. Als wij visite kregen van iemand met een auto, was hij gelijk de beste vriendjes met die persoon. De groenteboer die altijd met z´n auto door de straat reed, nam altijd z´n herdershond mee. Die lag dan naast hem op de bank in de auto, tot grote jaloezie van Saske.

Op een keer was Saske hem weer eens gesmeerd, net op het moment dat de groenteboer met z´n auto met de herdershond door de straat reed. Saske zag de hond in de auto van de groenteboer zitten en werd zo jaloers, dat hij uit nijd

tegen de rijdende auto op vloog en daarna levenloos op straat bleef liggen. Mijn vrouw was helemaal overstuur. Saske werd naar binnen gedragen en  op het grasveldje achter ons huis neer gelegd. Dit alles gebeurde toen ik niet thuis was en op mijn verjaardag. Toen ik thuis kwam en mijn vrouw het hele verhaal had verteld, zei ik: “Leuk verjaardagscadeautje” Ik verweet mijn vrouw (volkomen ten onrechte) dat ze niet goed op Saske had gepast en ging vlug naar hem kijken. Terwijl ik op mijn knieën bij Saske zat  kwam net de dierenarts. Hij onderzocht Saske en zei:

“Typisch een spaniel. Kleinzerig. Mankeert praktisch niets.”

Geef hem vandaag en morgen maar een half aspirientje en dan is Saske is weer

“het ventje.” Zo gezegd, zo gedaan, en inderdaad de dierenarts kreeg gelijk.

Als Saske echter ondeugend was geweest en een standje kreeg, ging hij gauw  mank lopen (net als z´n baas) en keek ons zielig aan om meelij te wekken. De komediant!

Op zondag hadden wij altijd een boterkoekje bij de thee of koffie, en als wij Saske dan een kaakje wilde geven (wat hij doordeweeks altijd kreeg) draaide hij beledigd z´n kop om, want “meneer” bliefde ook een boterkoekje.

Saske had een eigen slaapplaatsje in zijn mand in de keuken, want wij wilden niet hebben dat hij bij één van onze meiden in bed sliep. Mia wilde dat ook niet, maar Anja onze oudste dochter vond het niet erg en Saske wist dat precies.

Als m´n vrouw of ik de keukendeur niet helemaal goed had gesloten voor we gingen slapen, had Saske dat direct in de gaten. Hij wachtte dan een poosje totdat m´n vrouw en ik in bed lagen en deed dan pas de keukendeur voorzichtig open, ging op kousenvoeten de trap op, en tikte dan met één nagel

voorzichtig tegen Anja´s slaapkamerdeur en Anja liet Saske dan stiekem binnen.

Dan sliep hij die nacht bij Anja op bed.

Wij hadden het wel in de gaten, maar zagen het voor die enkele keer door de vingers en hadden dan eerlijk gezegd ook geen zin ons bed uit te gaan.

 

Mia mocht Saske soms graag plagen. Meestal bracht ik op zaterdag een zak snoep voor de meiden mee. Mia pakte dan een snoepje uit de zak en deed dan  net of ze het aan Saske wilde geven. Als die het dan wilde pakken, trok Mia gauw haar hand terug. De zakken snoep van Anja en Mia lagen dan nog op tafel en Saske pikte vlug de zak met snoep van Mia en ging er mee vandoor.

Mia natuurlijk “blèrre.” Maar wij zeiden: “Eigen schuld, moet je Saske maar niet pesten.” Even later kwam Saske  met de zak met snoepjes terug, want hij lustte ze niet, dit tot grote opluchting van Mia.

 

 

Saske herkende het geluid van mijn bromfiets direct. Ook al was ik nog lang niet in onze straat, dan wist hij al dat ik er aankwam. Ging dan eerst op de vensterbank aan de voorkant zitten tot hij mij voorbij zag rijden en vloog daarna op de vensterbank aan de achterkant waar onze schuur was. Daar zette ik altijd mijn brommer neer. Vervolgens werd ik enthousiast en vreugdevol door Saske begroet.

Wij noemde Saske wel eens gekscherend “Opa Dribbel”, omdat hij vaak van de vensterbank aan de voorkant naar de vensterbank aan de achterkant rende.

 

Saske was helemaal geen waakhond als ik thuis was. Iedereen was welkom en werd enthousiast begroet, behalve iemand in uniform. Hij haatte uniformen.

Vermoedelijk door iemand in uniform getrapt of geslagen vóór hij bij ons kwam.

Als ik er echter niet was, dan veranderde Saske ineens in een waakhond. Vooral als ik er een weekendje tussenuit was. Wij hadden dan geen betere waakhond kunnen hebben.

Saske herkende ook altijd het belletje van de ijscoman en sprong dan al kwispelstaartend op de vensterbank, wetend dat hij altijd een ijsje  kreeg in een torenwafeltje. Saske was er gek op. 

 

Saske zat graag achter eenden aan. Hij sprong dan te water om te proberen een eend te vangen wat hem natuurlijk nooit lukte omdat de eend snel weg vloog als die Saske in ´t vizier kreeg.

Op een 2e kerstdag was ik met mijn zus Johanna en zwager Piet aan het wandelen met Saske. Het had licht gevroren. Toen we op de Kanaalweg kwamen zagen we dat er een dun laagje ijs op het water in de gracht stond waarover een eend waggelde. Saske kreeg de eend in de gaten en sprong pardoes de kade af op het dunne laagje ijs, ongeveer anderhalve meter onder hem. Prompt zakte hij er door. Het was een geluk dat het ijs zo dun was, want daardoor brokkelde het steeds af toen Saske naar de kant zwom. Helaas kon hij echter niet op de kant komen omdat de hoogte veel te groot was. Goede raad was duur.

Uiteindelijk besloot ik op mijn buik te gaan liggen met mijn bovenlijf zo ver mogelijk over de rand van de kade, terwijl mijn zwager op mijn benen ging zitten voor tegenwicht en mijn zus m´n voeten vast hield.

Op die manier kon ik, na enkele vergeefse pogingen, tot mijn grote opluchting, net met mijn middelvinger achter de halsband van Saske komen. Ik tilde hem omhoog en gooide hem met een zwieper op de kant. Saske was gered!

´t Jonge, ´t jonge, was dat even schrikken! Was Saske bijna voor onze ogen verdronken.

Misschien is het allemaal zo goed afgelopen omdat het 2e Kerstdag was!   

Saske is 17 jaar oud geworden, een hoge leeftijd voor een hond.

 

Wij hebben diverse honden gehad, maar Saske heeft een speciaal plekje in onze herinnering, vooral bij Anja. Zij wilde Saske meenemen toen ze ging trouwen.

Maar die vlieger ging niet op.

 

                                                                                                                 Brandus

        

            

[Naar boven]

 

DE POETS VAN OPA!

 

Mijn kleinzoon Roland zal ongeveer 15 of 16 jaar geweest zijn, toen ik bij mijn dochter Anja in Spanje logeerde.

Roland kreeg van mijn dochter opdracht boodschappen te gaan doen (waar hij een enorme hekel aan had), maar na veel tegensputteren ging hij uiteindelijk op de fiets met boodschappenlijstje en boodschappentas op pad.

Het was een uur of negen ´s-avonds en schemerdonker, maar de winkels in Spanje zijn ´s-zomers tot 10 uur open.

Nadat Roland was vertrokken zei ik tegen Anja dat ik nog even het dorpje (Estartit) in ging om ergens op een terrasje een borreltje te drinken en mensen te kijken, wat een leuke bezigheid is.

Op een gegeven moment kreeg ik mijn kleinzoon Roland in ´t oog, die zijn fiets met een tas met boodschappen aan het stuur tegen de winkel zette en naar binnen ging. Terwijl Roland in de winkel stond om nog een paar boodschappen te doen, pikte ik vlug de tas met boodschappen van het stuur, deed deze onder mijn jack en verstopte mijzelf achter een geparkeerde auto een eindje verderop.

Kort daarna kwam Roland de winkel uit met een plastic zakje boodschappen, dat hij in de grote boodschappentas wilde stoppen die aan het stuur hing. Maar die tas hing er niet meer. Roland begreep er niets van en keek vol ongeloof naar zijn fiets. Terwijl ik achter de auto verscholen zat, speelde zich het volgend kostelijk tafereel voor m´n ogen af. Het vraagt wel een beetje van uw voorstellingsvermogen en fantasie.

 

Roland pakte z´n fiets, keek of de boodschappentas op de grond lag of op de bagagedrager, zette toen de fiets weer terug en ging op een afstandje naar z´n fiets staan kijken, alsof de boodschappentas vanzelf weer te voorschijn zou komen. Deze handelingen herhaalde hij diverse malen.

Toen de boodschappentas wegbleef, rende Roland naar de hoek van de straat en keek of hij misschien iemand met zijn boodschappentas zag lopen. Ik vond dat de voorstelling nu lang genoeg geduurd had. Onopgemerkt kwam ik achter de auto vandaan, liep op m´n gemak naar Roland toe en vroeg met een heel onschuldig gezicht: ”Is er wat aan de hand Roland?”

Hij begon te razen en te tieren van: “Ja, hebben ze potdomme (hij gebruikte wel een ander woord) m´n tas met …”  Toen viel zijn blik plotsklaps op een stukje van de boodschappentas dat onder mijn jack uitstak en vol verontwaardiging schreeuwde hij: “Kl…zak, dat heb jij gedaan!” Zo kwaad was hij.

 

Normaal zou hij dit nooit tegen zijn opa gezegd hebben. Ik heb het hem ook niet kwalijk genomen. Kon er zelfs om lachen en Roland even later gelukkig ook,  want hij zag wel in, dat zijn opa hem een poets gebakken had.

                                                                                                      Brandus                

 

[Naar boven]

 

SCHOOLRAPPORT

 

Toen mijn beide dochters Anja en Mia nog op school zaten, en de rapporten werden uitgedeeld, kregen zij naar gelang van de cijfers, altijd een bepaald geldbedrag van ons.

Dat ging ongeveer als volgt:

 

Voor een 5 niets

Voor een 6 een stuiver (5 cent)

Voor een 7 een dubbeltje (10 cent)

Voor een 8 een kwartje (25 cent)

Voor een 9 een gulden (100 cent)

Voor een 10 een rijksdaalder (2 gulden en 50 cent)

 

Voor een 4 ging er weer een stuiver af en zo vervolgens.

 

In die tijd kreeg je voor alle vakken nog een cijfer. Tegenwoordig gaat het anders.

Anja haalde altijd heel goede cijfers, (kostte me een hoop poen) bij Mia was het wat minder. Vooral met rekenen had Mia moeite.

Voor de grap gaf ik Mia expres wel eens een stuiver te weinig voor haar rapport, maar dat had ze snel in de gaten. Dan kon ze opeens wel goed rekenen.

Nadat bij ons de buit binnen was, gingen zij snel al onze  kennissen af om hun rapport te laten zien, maar het voornaamste was natuurlijk om “te vangen.”

 

Na de lagere school heeft Mia de ”Inas” (Inrichtings assistente) opleiding in Schagen gedaan en haalde zowaar (tot onze stomme verbazing) een 10 voor boekhouden op het eindexamen. Dat vak alleen al kostte mij al een knaak (2 gulden 50 cent).

Maar de hoofdzaak was dat Mia was geslaagd.

Zoals gezegd Anja kon heel goed leren en heeft na haar schoolopleiding (Lyceum) uit nijd in Duitsland gewerkt, om de taal goed te leren. Had daar n.l. op school een onvoldoende voor. Heeft in Duitsland ook nog even aan toneel gedaan. Anja reist en trekt (tijdens haar vakantie) nog steeds graag naar het buitenland en naar vreemde landen.

Nu woont zij al jaren in Spanje en beheerd een groot duiksportbedrijf in Estartit aan de Costa Brava.

 

Anja en Mia zijn inmiddels alweer oma.

 

Waar blijft de tijd!?

                                                                                                                Brandus  

 

[Naar boven]

 

 

 

DE KEIHARDE VOGEL

 

Als jongen van een jaar of 15 stond ik “op goal” (in het doel) van het schoolvoetbalelftal van de U.L.O. Dit mede omdat ik mijn rechterbeen mis.

Zonder te willen opscheppen mag ik zeggen dat ik, ondanks mijn handicap, vrij goed kon keepen.

Vooral bij schoten in de hoeken wist ik de ballen meestal goed uit het doel te werken.

Het gebeurde tijdens een wedstrijd, dat bij een schot in de rechterbovenhoek, ik  de bal met een snoekduik uit het doel wist te ranselen. Hierbij kwam ik wat ongelukkig neer, en met wat gekraak brak de kunstknie van mijn prothese.

 

Iedereen schrok zich “te pletter”, maar ik stelde hen gerust en zei:

“Geen paniek, het is gelukkig de knie  van mijn kunstbeen en het doet echt geen pijn.”

Lopen ging echter niet meer.

De spelers wisten wel dat ik een kunstbeen had, maar het publiek niet.

Op een gegeven moment zag ik een kennis met zijn fiets aan de zijlijn tussen het publiek staan. Ik riep hem en vroeg zijn fiets te leen, zodat ik naar huis kon fietsen. Later kon hij dan de fiets bij mij thuis weer ophalen.

Natuurlijk ging hij akkoord en stond zijn fiets af.

Ik stapte op en het fietsen ging prima. Doodgemoedereerd reed ik weg, of het de gewoonste zaak van de wereld was.

 

 

 

Tijdens het wegrijden hoorde ik nog wel iemand uit het publiek zeggen:

 

                              “ DAT IS OOK EEN KEIHARDE VOGEL!”

 

                                                      

                                                                                                   Brandus

 

[Naar boven]

 

DE FAMILIE KUNST

 

Toen de Marine Magazijnen in 1947 vanuit Rotterdam naar Den Helder werden overgeplaatst, was het voor het personeel kiezen of delen. Ontslag nemen of naar Den Helder verhuizen. De keuze was niet moeilijk, praktisch het gehele personeel verhuisde naar Den Helder.

Dit ging echter niet “zonder slag of stoot”, want eerst moest voor het personeel een voorlopig een kosthuis worden gevonden, tot er nieuwbouwhuizen beschikbaar kwamen.

Uiteindelijk kwam ik, gedurende 7 maanden, in de kost bij de familie Kunst in de Soembastraat. Een bijzonder hartelijke en aardige familie.

Het gezin bestond uit: vader, moeder, dochter Martha (ongeveer 16/17 jaar), en zoontje Bill plm. 1½ jaar, het zgn. nakomertje.

Bill zat nog in een kinderstoeltje met potje (in Rotterdam noemde we het een

“kakstoeltje”) aan tafel met eten.

Mevrouw Kunst noemde ik al spoedig ”Ma Kunst” en meneer Kunst “Pa Kunst.”

Ik kan gerust zeggen, dat ik vooral door ma Kunst danig werd verwend.

Ze kookte altijd iets aparts te eten waarvan ze wist dat ik het graag lustte..

Pa Kunst zei dan wel eens gekscherend: ”Je moet die knul niet zo verwennen, anders gaat ie nooit meer bij ons weg.”

Pa Kunst heette van z´n voornaam IJsbrand, en daar plaagde ik hem wel eens mee en zei: “Wie heet er nou IJsbrand, want ijs is koud en brand is heet.” Dan antwoordde hij: “Zeg jij nou maar niks met die gekke voornaam van jou, want wie heet er nou Wijbrandus?  Zo´n gekke naam heb ik nog nooit van m´n leven gehoord.”

Eén en ander om u een indruk te geven hoe gemoedelijk het er aan toe ging.

Als we ´s-morgens nog met z´n drietjes aan het ontbijt zaten (pa Kunst was al weg en Martha naar school) en ma Kunst tijdens het afruimen even in de keuken was, dan gaf ik vlug de open jam-of strooppot aan Bill. Die smeerde zichzelf dan helemaal onder en kraaide het uit van plezier. Als ma Kunst de keuken uitkwam en Bill zag, dan keek ze me aan en zei: ” Brandus Klinge, ben je weer bezig geweest. Ik kan dat kind niet even alleen met je laten, of je haalt weer een streek uit en moet ik hem weer helemaal verschonen. Dondersteen!”

Echt kwaad kon ze echter nooit op me worden.

Wel nam ze voortaan (als ze het niet vergat) bij het afruimen eerst de jam- of strooppot mee naar de keuken.

 

Martha Kunst had nogal wat vriendjes die op de Zeevaartschool zaten. Als ik me goed herinner was éne Pum Couperus haar favoriete vriendje. Later hoofd Marine Transport Dienst in Den Helder geworden. 

Vaak kwamen die vriendjes ´s-avonds op visite en als ik dan mijn gitaar pakte en begon te zingen, dan werd het feest. Alle populaire liedjes uit die tijd werden  uit volle borst meegezongen.

Als besluit moest ik voor ma Kunst altijd het liedje “Dat is mijn Rosalien” van de toen bekende humorist Willy Vervoort zingen.

 

De tekst van het refreintje is als volgt:

 

“Dat is mijn Rosalien met haar pimpelpaarse wangen

Zij heeft oren groot, daar kan je de kamer mee behangen

Zij heeft een onderkin, gelijk een zeppelin

Ik ben toch maar met haar getrouwd,

Want ze heeft een hart van goud.”

 

Ma Kunst vond het elke keer weer prachtig.

Om half elf was het uit met de pret. Bedtijd geblazen!

Dan werden de jongens van de Zeevaartschool de deur uit geloodst.

 

Af en toe werd mijn vrouw door de familie Kunst uitgenodigd een weekendje over te komen, zonder dat zij hiervoor extra kostgeld wilde hebben.

Op ´s-rijkskosten mochten wij n.l. éénmaal in de 14 dagen naar huis.

Tussen mijn vrouw en de familie Kunst klikte het meteen.

 

Op een keer mocht mijn vrouw ons dochtertje Mia, toen ongeveer 2 jaar oud, meenemen. 's-Morgens zag ze de kleine Bill Kunst, die van dezelfde leeftijd was, in z'n blootje lopen en toen ze Bill's "piemeltje" zag zei ze tegen mijn vrouw: "Ik wil ook zo'n ding!" Want zoiets had ze nog nooit eerder gezien. We moesten er allemaal smakelijk om lachen, maar leg maar eens uit dat zoiets niet gaat.

Bill Kunst is inmiddels al jaren getrouwd en tekenleraar in Den Helder. Hij heeft voor dit verhaal de hieronder geplaatste familiefoto toegezonden.

 

Na 7 maanden kregen we een huis in de Olivier van Noortstraat toegewezen (no. 51) waar we zijn ingetrokken.

Daar hebben onze dochters Anja en Mia een fijne jeugd gehad.

Toen konden de kinderen nog betrekkelijk veilig op straat spelen, omdat er nog weinig autoverkeer was. 

In de zomer bij mooi weer lekker naar het strand en later, toen ze wat ouder waren, kamperen op camping “De Donkere Duinen.”

 

Het contact met de familie Kunst is echter altijd gebleven.

Mijn dochters noemde ma Kunst: tante Jo en pa Kunst: oome IJs.

Zij waren dol op onze kinderen, en dat was wederzijds, (rijmt nog ook).

Bijna elke dag (als de kinderen naar school waren) moest mijn vrouw

´s-morgens bij ma Kunst op de koffie komen.

 

Pa en ma Kunst en hun dochter Martha zijn helaas niet meer in leven.

Wij (Anja, Mia en ik) zullen echter altijd met dankbaarheid en plezier aan hun

terug denken.

 

 

                                                                                                              Brandus 

 

 

[Naar boven]

 

 

 

 

BASKETBAL

 

Voorwoord:

 

Deze sport werd in 1950 geïntroduceerd door  de heer Perels, die na een reis in de Verenigde Staten zich inspande, om het Basketbal ook in Den Helder populair te maken. Vele verenigingen melden zich aan, waaronder ook MarMag

(Marine  Magazijnen). De eerste wedstrijdjes werden op een buitenterrein aan het Schapendijkje gespeeld, waar nu de tennisbanen zijn.

Nadat de heer Perels enkele maanden  later naar Alkmaar verhuisde, werd zijn taak overgenomen door Kapitein Klaassen van het korps Mariniers.

Deze gaf Basketballes- en training in de Sportschool op de oude Rijkswerf, waar naderhand ook de competitie wedstrijden plaats vonden.

De volgende personen van MarMag hebben de Basketballessen destijds gevolgd, t.w.: Kees Minnaard, Ton Wouterse en ondergetekende.

                                                                                              W. Klinge

 

 

Juli 1953 kreeg de Basketbalafdeling van MarMag (Marine Magazijnen) een uitnodiging van de vereniging Z.B.V.S. (Zwem- en Basketbalvereniging Santpoort) om met een damesteam deel te nemen aan een basketbaltoernooi dat op 4 september 1953 in Santpoort werd gehouden.

Deze uitnodiging werd in dank aanvaard, omdat nog niet eerder aan een basketbaltoernooi werd deelgenomen en het als een welkom uitje werd beschouwd en een goede gelegenheid om het spelpeil wat op te vijzelen.

Er werd door MarMag nog niet zo lang aan basketbal gedaan.

 

´s-Morgens vroeg werd, op die bewuste dag, met de trein richting Santpoort vertrokken, waar we hartelijk door een delegatie van het bestuur van Z.B.V.S. werden ontvangen en naar een prachtig sportcomplex met basketbalvelden en zwembaden werden gebracht.

Er namen ook gerenommeerde ploegen uit Haarlem en Amsterdam deel, en toen we deze dames in actie zagen sloeg de schrik ons om ´t hart en gaven we onszelf geen schijn van kans om ook maar één wedstrijd te winnen.

 

Maar het kan verkeren. Ik geloofde m´n ogen niet. Elke wedstrijd werd, zij het op ´t nippertje, met één of twee punten verschil door de dames van MarMag gewonnen, dit tot groot plezier van de  toeschouwers zelfs die van Z.B.V.S. (als hun eigen ploeg niet speelde.)  Ze hadden zelfs een slogan voor ons bedacht.

Die ging als volgt:

 

”  M. A. R. M.A. G.   MarMag spreekt een woordje mee.”

 

Vraag me niet waar we dat aan te danken hadden. Ik zou het echt niet weten.

Het miste echter z´n uitwerking op de speelsters niet. Ze speelden als nooit tevoren.Wilde persé niet verliezen. Bijna alles lukte en tot hun eigen stomme verbazing, en het meest die van mij, werd zowaar de 1e prijs in de wacht gesleept. (Een prachtige wisselbeker).

Onder luid applaus van het publiek en ook van de sportieve tegenstandsters werd een pure vreugdedans uitgevoerd.

Vraag niet wat het van m´n “rikketik” heeft gevergd.

 

 

 

 

 

Tijdens de terugtocht naar Den Helder werd de veroverde trofee vol trots aan alle treinreizigers getoond onder luid gezang van:

 

“WE ARE THE CHAMPIONS.”

 

 

 

Zo zie je maar dat wonderen echt bestaan!!!

                                                                                                      

 

Brandus

 

 

 [Naar boven]

 

 

50 JAAR LATER!

 

Toen ik op een condoleancebezoek na het overlijden van Martha Kunst

(dochter van de familie Kunst waar ik in 1947 zeven maanden in de kost geweest ben) alleen aan een tafeltje zat, kwam een ouder echtpaar bij mij zitten. Vreemd, want er waren nog lege tafeltjes genoeg.

Na verloop van tijd raakte we in gesprek en vroeg ik aan de vrouw waar zij Martha van kon. Zij vertelde dat zij een vroegere vriendin van Martha was toen zij nog in Den Helder woonde en merkte op dat mijn gezicht haar zo bekend voorkwam.

Ik vertelde haar dat ik jaren geleden veel aan basketbal en aan toneel had gedaan. Na het woordje toneel sprong ze op en riep:

”Verrek, jij bent Wybe Klinge, ik heb nog toneel met je gespeeld!”

 

Hoewel we op een condoleancebezoek waren, valt te begrijpen dat we daarna toch gezellig heel wat afgebabbeld hebben. Haar man bleek een Engelsman te zijn met wie zij destijds getrouwd was en toen naar Engeland is verhuisd.

Nu woont zij in Purmerend.

 

Het toneelstuk waarin zij meegespeeld had wist ze zich niet meer te herinneren.

Zij had als secretaresse bij het hoofd van de Marine Magazijnsdienst (de heer Damen) gewerkt in de Lijsterstraat op het bureau pal naast het bureau waar ik werkzaam was. Het was Henny de Leeuw. Kan je nagaan!

Hoe is ´t mogelijk dat juist zij bij mij aan het tafeltje kwam zitten.

Achteraf bleek dat wij elkaar in zo´n 50 jaar niet gezien hadden.

Niet vreemd dat je elkaar dan na zo´n tijd niet meer herkent.

Bij het vertrek schreef zij vlug op de achterkant van een kassabonnetje haar adres en telefoonnummer en gaf het aan mij.

Thuis gekomen heb ik dat in mijn  adressenboek opgeborgen.

 

Nu wil het toeval, dat ik vorige week (24 oktober 2005) een verhaal typte over het blijspel “Betje Regeert” en toen ik daar de foto´s van bij zocht, stond zij zowaar ook op één van die foto`s.

Door mijn computerleraar dhr.Kees Bakker, worden de toneelfoto´s geplaatst in mijn verhalen over toneel en daarna op zijn website ( www.cjbonline.nl ) gezet, zodat een ieder die een computer met internet bezit ze kan lezen.

 

 

 

Dus vlug het kassabonnetje opgezocht, Henny de Leeuw gebeld en gezegd dat zij in 1955 heeft meegespeeld in het blijspel “Betje Regeert” en zij o.a. ook op de groepsfoto staat en dat die te vinden is op de website van dhr.Kees Bakker bij  verhalen van vroeger onder de rubriek TONEEL.

Het website-adres heb ik inmiddels aan haar toegezonden.

Zij vond het allemaal geweldig.

 

Ja, ja mensen, toeval of niet, maar het kan raar lopen in de wereld!!!

 

Op geplaatste foto ziet u Henny de Leeuw in het blijspel “Betje regeert.”

 

                                                                                                       Brandus                                                                                                                                                                                                           

 

                                                                                    

[Naar boven]

 

 

DE BEDDENZEIKER

 

In 1954 nam MarMag met een dames-en herenteam deel aan een Basketbaltournooi in Santpoort dat op een weekend werd gehouden.

Het damesteam moest de wisselbeker verdedigen die in 1953 was veroverd.

Ook de toneelgroep van MarMag was uitgenodigd om op de zaterdagavond een toneelstuk op te voeren.

Alle speelsters, spelers en toneellisten werden bij leden van Z.B.V.S. ondergebracht om te eten en te slapen. Dit omdat het basketbaltournooi in het weekend werd gehouden en zondagmorgen weer vroeg werd voortgezet. Hartstikke leuk en gezellig!

Siem Bakker die, als hobby en bijverdiensten over een geluidswagen (een afgedankte en omgebouwde lijkwagen) beschikte ging mee om voor geluid en muziek te zorgen op het sportcomplex in Santpoort.. In de geluidswagen waren tevens zitplaatsen  voor een man of zes. Er gingen 6 heren van het basketbalteam mee in de geluidswagen. Dat scheelde weer in de kosten.

Nadat alles was geregeld zei Piet van Oosterum tegen mij: “Je kan Siem Bakker  niet meenemen hoor. Dat is een “ beddenzeiker.”  Siem Bakker zou eveneens bij één van de mensen van ZBVS worden ondergebracht. Maar dat kon ik niet maken.

Ik zat in zak en as. Hoe moest ik Siem Bakker op een nette manier afwimpelen.

Goede raad was duur. Ik lag de hele nacht te piekeren hoe ik dit op een nette manier moest oplossen.

De volgende morgen tijdens het koffiedrinken op ´t werk,  Siem Bakker was ook aanwezig, ging het gesprek over militaire dienst.

Toen zag ik mijn kans schoon.

Ik begon een heel verhaal op te hangen dat je geheid voor de militaire dienst werd afgekeurd als je in bed plaste en dat lieden die afgekeurd wilde worden tegen de keuringsarts vertelde dat ze in bed plasten en dat ik vurig hoopte dat er geen beddenplasser mee naar Santpoort ging.

Na mijn verhaal barstte Siem Bakker  in lachen uit en verraadde daardoor zichzelf. Het was allemaal van tevoren afgesproken om mij te grazen te nemen. De boeven! Maar het was ze prima gelukt.

Er viel wel een pak van m´n hart, want nu kon alles doorgaan als gepland.

Op de zaterdagavond trad het toneelgezelschap op.

Het was mijn gewoonte om, voordat het doek opging, te controleren of alles in orde was en goed werkte. Ook de electrische deurbel had ik gecontroleerd en die werkte prima.

Ik gaf een seintje dat het doek gehaald kon worden. Alles ging naar wens, tot het moment aanbrak dat de electrische deurbel moest overgaan. Mooi niet dus.

Een grappenmaker had er na mijn controle met z´n vingers aan gezeten, met als gevolg dat de deurbel niet overging.

De mensen op het toneel stonden dus “voor paal” en  tevergeefs op het belletje te wachten. Niemand kwam op het idee om te zeggen: “Ik geloof dat er gebeld wordt” en daarna de deur open te doen. En nu komt het. De souffleur raakte in paniek en ging de deurbel nadoen door  luid:

” PPPPRRRRTTTT ……….. PPPPRRRRTTTT”  te roepen.

Het publiek gierde van de lach, maar ik kon wel door de grond zakken.

Ik geneerde me dood. Na het openen van de deur kon het spel gelukkig worden hervat en kreeg de toneelgroep aan het einde toch een spontaan en luid applaus.

 

Mijn vrouw en ik waren ondergebracht bij de voorzitter van ZBVS en zijn vrouw, de familie Slot. Al gauw tutoyeerden we elkaar en was het Jaap en Tiny en Jeanne en Brandus.

Jaap en Tiny waren fantastisch lieve mensen, die niet wisten hoe ze het ons naar de zin moesten maken.

Ook alle leden van MarMag waren goed te spreken over de gezinnen waar zij waren ondergebracht.

 

Helaas slaagde het damesteam er niet in de wisselbeker weer in de wacht te slepen, maar behaalde toch een keurige derde plaats.

Het herenteam viel helaas net buiten de prijzen.

 

Het jaar daarop werden alle leden van ZBVS voor een weekend uitgenodigd om aan een Basketbaltournooi van MarMag deel te nemen. Die werden nu ondergebracht bij de leden van MarMag.

Jaap en Tiny Slot logeerden vanzelfsprekend bij ons en onze 2 dochters Anja en Mia waren dol op ze.

Jaap en Tiny zijn zelfs nog aanwezig geweest op onze Zilveren Bruiloft

gehouden op 02 april 1972.

Regelmatig logeerden we een weekendje bij elkaar, waar helaas een einde aan kwam na het overlijden van Jaap.

 

                                                                                                      

Het team dat de 3e plaats haalde.                                                     Brandus                                                                                                                                                     

        

 

[Naar boven]

 

WILLEM VAN IEPENDAAL (1891-1970)

 

 

Willem van Iependaal was een bekende boekenschrijver, geboren en getogen in Rotterdam in de buurt Tuindorp-Vreeswijk. Zijn werkelijke naam was

Willem van den Kulk. Hij schreef ook gedichten.  

Hij was een sociaal schrijver en spreker, vooral begaan met  het lot der armen en kon niet tegen sociaal onrecht.

Van zijn hand verschenen o.a. de boeken Polletje Piekhaar, Onder de Pannen, Hotel stoot je hoofd niet, Lord Zeepsop, De Lijmkit en de De Krakepoot.

Van deze boeken zijn hoorspelbewerkingen gemaakt, die elke zaterdagavond via de radio werden uitgezonden. En geloof me, men bleef er voor thuis.

Het meest bekend was wel “Polletje Piekhaar”. Daarin vertolkte Eddy, die later bekendheid kreeg in de TV serie “Vrienden voor het leven,” de rol van “Polletje Piekhaar.”

Jammer genoeg zijn, tot op heden, nog steeds geen toneelbewerkingen  verschenen van genoemde boeken, zodat men ze op toneel, en eventueel ook op de TV kan zien. 

Hoop dat dit nog eens gebeurd.

Is weer eens heel wat anders dan al die “Soap-series” van tegenwoordig, waar maar geen einde aan komt.

 

De Amsterdamse  politie commissaris H. Voordewind, schreef destijds de boeken “De commissaris vertelt, de commissaris vertelt verder, en vervolgens de commissaris vertelt door.”

Willem van Iepedaal hekelde de verhalen in die boeken en schreef toen zijn boek:

“De commissaris kan me nog meer vertellen.” Schitterend.

 

In 1952 hield Willem van Iependaal een lezing voor de Personeelsvereniging “MarMag” (Marine Magazijnen) in Den Helder. De lezing ging over “De humor in de Nederlandse taal.” Hij deed dat op een wijze dat je een speld kon horen vallen. Iedereen hing aan zijn lippen.

Ook gaf hij enige voorbeelden van verkeerd taalgebruik, zoals het onaangename met het aangename verenigen. Onderstaand enige voorbeelden.

Vreselijk of ontzettend leuk. Leuk is niet ontzettend of vreselijk zeg liever: enorm of bijzonder  leuk.

Vreselijk of ontzettend ongeluk is wel goed.

Verschrikkelijk goed. Goed is niet verschrikkelijk. Zeg liever: heel goed.

Verschrikkelijk ongeluk is wel goed.

Vreselijk aardig. Aardig is niet vreselijk. Zeg liever: Bijzonder aardig.

Dank u zeer. Doet het pijn? Zeg liever hartelijk dank of enorm bedankt.

Klein momentje. Momentje is al kort. Klein hoort er niet bij.

Klein geitje. Geitje is al klein.

Klein pakje. Pakje is al klein.

 

En zo kan ik nog wel even doorgaan, maar u begrijpt wat hij bedoelde.

 

Let u maar eens op de omroepsters en omroepers op radio en TV hoe vaak ze zich bezondigen aan soortgelijk verkeerd taalgebruik.

Trouwens ikzelf ook, al probeer ik het zoveel mogelijk te vermijden.

 

In ieder geval heb ik er veel van opgestoken. Het kwam mij o.a. goed van pas bij het wijzigen van dergelijke fouten in geschreven toneelstukken.

Veel en veel meer over de schrijver, verteller en dichter Willem van Iependaal kunt u vinden wanneer u  in de zoekmachine “GOOGLE” de naam Willen van Iependaal typt en “GOOGLE” laat zoeken.

Beslist doen! Het is echt de moeite waard!

 

                                                                                                       Brandus

 

 

Ps.       Op onderstaande website kunt u de biografie vinden van Willem van Iependaal!

         http://www.iisg.nl/bwsa/bios/kulk.html

         GOOGLE is te vinden via

         www.google.nl  

        

 

 

[Naar boven] 

 

 

GRATIS BOODSCHAPPEN

 

Toen we drie hoog op de Schiedamscheweg 267a  in Rotterdam woonde haalde mijn moeder altijd boodschappen in de kruidenierswinkel van Pietje van de Wal beneden ons. Pietje was een vrouw. Mijn moeder betaalde haar boodschappen nooit contant, maar liet deze opschrijven en betaalde dan aan het einde van de week de rekening.

Zij nam mij vaak mee en ik heb nooit gezien dat mijn moeder centjes aan Pietje v.d. Wal gaf. En toch kreeg zij haar boodschappen en dat waren er nogal wat.  Ons gezin bestond uit 9 kinderen, waarvan er nog 6 thuis waren.

 

Toentertijd was ik een jaar of 5/6 en werd altijd “broer of broertje” genoemd omdat ik de jongste uit het nest was.

Mijn moeder vergat wel eens een boodschap en zag er dan tegen op alle trappen

af en op te lopen voor één vergeten  boodschap en zei dan b.v. tegen mij:

“ Broertje, haal jij even een pak zout bij Pietje v.d. Wal.”  Nou, dat deed

“ broertje” wel, want dan kreeg hij een snoepje van Pietje. Betalen hoefde hij niet, want Pietje schreef dat weer bij de rekening. Maar dat wist “broertje” niet, want die dacht dat je bij Pietje alles voor niets kreeg.

Op zekeren dag was ik met 2 vriendjes van mijn leeftijd op straat aan het spelen toen ik trek in een chocoladereep kreeg. Dus op naar Pietje v.d. Wal en daar vroeg ik om 3 chocoladerepen, één voor mij en voor mijn vriendjes ook elk één.

De volgende dag toen we met z´n drietjes weer buiten speelde kreeg ik trek in een rolletje “frujetta” zoals wij het noemde. Daar zaten allerlei vruchtensnoepjes in. U snapt het al, vrolijk en opgetogen stapte ik naar Pietje v.d. Wal en haalde drie rolletjes “frujetta.”  En zo gebeurde dat nog een paar maal.

Toen mijn moeder op zaterdag de rekening gepresenteerd kreeg, schrok ze zich een hoedje van het hoge bedrag en zei tegen Pietje v.d. Wal:

“Maar al die chocoladerepen en rolletjes “frujetta” heb ik niet besteld.” Waarop Pietje v.d. Wal antwoordde: “Jawel, want die is uw zoontje wezen halen.”

Op dat moment ging bij mijn moeder  een “pitje” branden. Ze begreep hoe “de vork aan de steel stak” en gaf Pietje v.d. Wal opdracht voortaan niets meer aan mij af te geven zonder boodschappenbriefje.

 

En zo kwam een einde aan het “gratis snoepfestijn” voor mij en m´n vriendjes.

 

                                                                                                       Brandus              

    

 

 

 

 

 [Naar boven]

 

 

  

ZONDAGMORGEN

 

Toen onze beide dochters nog klein waren mochten ze iedere zondagmorgen een poosje bij ons in bed. Het was dan eerst bekvechten geblazen wie er tussen mijn vrouw en mij in mocht. Dat losten we meestal op door hun een getal onder de 10 te laten raden en wie het juiste getal geraden had mocht dan het eerst tussen ons in leggen en de ander aan de zijkant van mijn vrouw of mij.

Na enige tijd werd er dan gewisseld.

Eerst werd er wat gebabbeld over alledaagse dingen en daarna mochten zij zich uitleven door vieze woordjes te zeggen zoals: poep, pies. stront, en noem maar op. Hierna was het tijd voor vieze liedjes. Het eerste liedje ging  over een smerige Jan Soldaat, het tweede over Jan Tierlantijntje en het derde over een vieze bakker. Deze liedjes had ik van mijn veel oudere broer Maarten had geleerd toen ik een jaar of vier was. De tekst bestond uit slechts één regeltje, t.w.:

Jan Blote Kont, Jan Blote Kont, Jan smerige soldaat.

En dan werd de klemtoon vooral gelegd op “Blote Kont.” Onder luid gegiechel van beide dames werd dat dan zo´n 10 keer herhaald.

 

Daarna werd vervolgd met Jan Tierlantijntje, dat ging als volgt:

Jan Tierlantijntjes moeder liet een poep

Het was nog maar een kleintje

Ze gooide hem in de soep.

 

Ook dit de nodige keren herhaald. Besloten werd met hun Favoriete liedje van de vieze bakker, dat luidde:

Er zou eens een bakker uit bakken gaan, halee halo

Hij ging met z´n kont voor de oven staan, halee halo

Hij liet opeens een harde sch…t

Toen waren alle koekies heet, halee halo

De bakkers bakken allemaal zo, halee halo

De bakkers bakken zo.

 

En dit fraaie lied werd eindeloos herhaald, terwijl ze het uit gilden van de pret.

Mijn vrouw hoorde dit alles hoofdschuddend, maar toch glimlachend aan.

 

Na zo´n kwartiertje was het echter afgelopen met de dolle pret, dan zei ik dat het  mooi genoeg geweest was, en dat het nu tijd was om zich te wassen, aan te kleden en dan aan tafel voor ontbijt.

 

Ik kan u verzekeren, dat mijn dochters er niet slechter van zijn geworden.

In tegendeel. Inmiddels zijn ze nu beide oma en mijn jongste dochter Mia leert nu aan haar kleinkinderen bovenstaande “vieze liedjes”.

 

Het blijft dus in de familie.

 

                                                                                                       Brandus

 

[Naar boven]

 

[Verhaal nr. 100]

 

MIJN SJAANTJE

 

Toen mijn dochter Mia en mijn schoonzoon Andy Pormes mij talloze malen hebben verzocht mijn verhalen over vroeger op papier te zetten, heb ik uiteindelijk aan dit verzoek gehoor heb gegeven. Nooit gedacht dat ik het nog eens tot 100 verhalen zou brengen. En nu is het dan zover.

Waarover of over wie zal ik mijn 100e verhaal schrijven?

Dat kan maar één persoon zijn, en dat is over Jeanne.

Ik noemde haar bijna altijd Sjaantje.

Het is wel een moeilijke opgave, omdat Sjaantje bescheiden was en het misschien niet gewild zou hebben.

Haar stelregel was: ”Eenvoud siert de mens.”

Mijn verhalen zouden echter niet compleet zijn zonder een verhaal over Jeanne en daarom waag ik het er op.

Ik probeer het zo sober en beknopt mogelijk te houden.

 

Sjaantje heeft geen gemakkelijke jeugd gehad. Na de Lagere School mocht ze niet verder leren, maar moest gelijk aan´t werk om geld te verdienen. Haar vader, van wie ze zielsveel hield, was i.v.m. de crisisjaren, werkloos en elk centje in´t huishouden was welkom.

Haar broertje Wout, op wie ze stapelgek was, had zwaar astma en moest door haar vaak naar de openluchtschool in Rotterdam worden gebracht. Ze zette hem dan op haar schouders en droeg hem zo naar school. Sjaantje en haar broer Wout hebben ook later steeds een speciale band met elkaar gehad.

Ook hield ze veel van haar grootouders die in Zeeland in een boerderijtje woonde. Het was feest voor haar als ze daar een weekje mocht logeren, dan was ze de koning te rijk.

 

Sjaantje heb ik aan ´t eind van de oorlog leren kennen toen ik in Schiedam in de Boerhavelaan woonde. Tijdens de bevrijdingsfeesten werd ik verliefd op haar en gelukkig was dat wederzijds. Zij woog toentertijd 40kg.

Voor we gingen trouwen hebben wij nog een tijdje samen gewoond, wat destijds “hokken” genoemd werd en waarover toen nog “schande” werd gesproken.

Op 02 april 1947 zijn we in Rotterdam in ´t huwelijksbootje gestapt.

Toen onze dochters Anja en Mia waren opgegroeid en wij inmiddels in Den Helder woonde, is Sjaantje gaan werken in een stoffenzaak “De Stoffenhaven.”  Later werd deze zaak over genomen door de firma “van Dam” en werd zij filiaalhoudster. Op haar 42e jaar behaalde zij haar Middenstandsdiploma en het Stoffenbrevet. Voorwaar een prestatie.

 

Haar werk was haar hobby. Zij ging nooit met tegenzin naar de zaak.

Chagrijnig heb ik haar nooit gezien.

 

Door haar bazen (de heer Reiss van de Stoffenhaven en later de heer Veerman van de firma van Dam) werd zij enorm gewaardeerd. Bij het personeel was zij geliefd en ook bij veel klanten. Zij kon niet alleen een lap stof verkopen, maar de klanten ook van advies dienen voor het maken van een jurk, een mantelpakje een bruidsjapon, etc. Dat leidde tot een flinke klantenbinding.

 

Sjaantje was iemand die zichzelf kon wegcijferen voor anderen, vooral als het om de kinderen en mij ging. Als wij maar gelukkig waren, dan was zij het ook.

Haar hobby´s waren: Toneel, Basketbal, Bridge en later puzzelen.

Vooral op het toneel was zij één van de uitblinkers.

 

Door een ernstige ziekte kwam er na ruim 20 jaar een einde aan haar werkzaamheden in de stoffenzaak. Zij werd geopereerd en hoewel het aanvankelijk goed ging, werd zij wat later steeds door allerlei ziekten en kwalen geplaagd. Ondanks dat bleef Sjaantje steeds haar goede humeur en gevoel voor humor houden.

Al was zij nog zo ziek en iemand vroeg.”Hoe gaat het er mee?” Dan was steevast haar antwoord: ”Goed hoor.”

Tijdens haar ziekte mocht zij graag puzzelen. Elke maand kocht ik een 4 sterren doorloper puzzelboekje voor haar. Alle puzzels daarin loste ze praktisch zonder het raadplegen van boeken op. Wat ik erg knap vond.

 

Op 23 september 2003 kwam er een einde aan haar lijdensweg.

 

Lieve Jeanne, je was een “geweldige” vrouw, gastvrouw, moeder en oma.

Wij, Anja, Mia, Andy, ikzelf en de vele anderen die je hebben gekend, zijn je niet vergeten.

We hielden, en houden van je.

 

Sjaantje, dat ik dit alles heb geschreven, moet je me maar vergeven.

 

Je hebt het verdiend!

Jouw  Brandus

 

 

 

Naschrift.

Meneer Klinge, gefeliciteerd met uw honderdste verhaal! Vandaag 11 januari 2006, de dag waarop dit verhaal op de website geplaatst is, is tevens de geboortedag van Sjaantje! Wat bijzonder, net zogoed als dat ik het een bijzondere prestatie vind van de schrijver, om 100 alleszins leesbare verhalen te hebben geschreven voor Verhalen van Vroeger! Op naar de volgende 100!   

Kees Bakker

 

[Naar boven]

 

 

 

 

TEUTEBELLEN

 

In de oude sportschool op de Rijkswerf zat ik te wachten op enkele dames van het MarMag (Marine Magazijnen) basketbalteam, dat een wedstrijd moest spelen tegen een ander team uit Den Helder.

Vlak voor het tijdstip waarop de wedstrijd moest beginnen kwamen deze dames vrolijk en lacherig de sportzaal binnen en moesten zich “haasje rep je” omkleden, wat met veel gegiechel en geklets gepaard ging.

Wat was de oorzaak? Deze dames waren, vooraf aan de wedstrijd, naar de bruiloftreceptie van één van hun collega´s van kantoor geweest, en hadden daar de nodige “aperitiefjes” genuttigd. Ze begonnen dus enigszins “teut” aan de wedstrijd.

Nu was er een speelster bij, Esther Birkenfeld, een vrolijk type (inmiddels is zij al oma), die om het minste of geringste kon schaterlachen, en nu zij een “neutje” op had was het hek helemaal van de dam.

Toen ze op een gegeven moment de bal kreeg toegespeeld werd op hetzelfde moment een komische opmerking gemaakt. Zij moest hierom zo lachen, dat zij de bal op de grond legde, er op ging zitten en het publiek vrolijk toelachte. Dit tot groot vermaak van iedereen, behalve van mij, haar coach. Ik wist niet hoe gauw ik Esther moest wisselen voor een andere speelster.

We werden door de tegenpartij finaal in de pan gehakt. Toen we uiteindelijk toch een keer wisten te scoren, juichten de dames van MarMag of ze het winnende doelpunt hadden gescoord.

 

Vraag me niet naar de uitslag, ik weet alleen dat wij slechts één keer hadden gescoord.

 

Ik geneerde me wel een beetje, maar daar hadden de MarMag-dames geen boodschap aan.

Zij hadden, ondanks de grote nederlaag, een “plezante” wedstrijd gespeeld.

 

                                                                                                        Brandus                                                                                                                      

 

 

 

[Naar boven]

 

 

 

HET GEBED

 

Regelmatig kwamen 2 zoontjes (plm. 6 en 7 jaar) van mijn vriend Luc en zijn vrouw Ina van Eijbergen op zondagmorgen zo tegen half 12 bij ons op visite.

Wij woonden toen in de Olivier van Noortstraat 51 in den Helder.

Zij hoopten dan dat mijn vrouw om een uur of twaalf poffertjes voor hun en onze 2 dochtertjes ging bakken. Vandaar dat zij regelmatig “te gast” (zoals ze in Den Helder zeggen) kwamen. Soms brachten ze zelfs nog een paar vriendjes mee en vroegen of mijn vrouw daar ook poffertjes voor wilde bakken.. Maar mijn vrouw vond dat geen enkel bezwaar, die bakte gewoon wat poffertjes meer.

 

Op een keer kwamen de 2 zoontjes van Luc van Eijbergen op een zondagmiddag tegen 5 uur. Mijn vrouw was in de keuken bezig met het eten voor de warme maaltijd. Wij aten s´avonds altijd warm.

Toen de 2 knaapjes mijn vrouw zo met het eten bezig zagen vroegen zij:

“Tante Jeanne mogen wij bij u eten?”  Mijn vrouw antwoordde dat zij dan eerst even hun moeder ging bellen of die het goed vond.

Nou, hun moeder Ina had geen bezwaar.

Toen de tafel gedekt was en het eten opgeschept zei één van de jochies:

“Tante Jeanne, moeten we niet eerst niet bidden?” Bij hun thuis waren zij n.l. gewend te bidden voor het eten.

Mijn vrouw antwoordde voor de grap: “Hier hoeft dat niet, want ik bak het gebed altijd mee in het eten.” Nou, dat vonden de 2 knaapjes prachtig.

 

Het gevolg was wel, dat toen ze de volgende dag thuis aten en weer moesten bidden voor het eten, ze tegen hun moeder zeiden:

”Mam, je moet net als tante Jeanne doen, die bakt het gebed altijd mee in het eten. Dan hoeven voortaan niet meer te bidden.”

 

Hoe dit probleem werd opgelost is me niet bekend, wat ik wel weet is;

dat ze thuis moesten blijven bidden voor het eten.

 

                                                                                              Brandus

  

 

[Naar boven]

 

 

TAFELTENNIS

 

De Personeelsvereniging van de Marine Magazijnen (MarMag) had ook een tafeltennisteam waar ik in meespeelde.

Hoewel ik een handicap heb (rechterbeen een prothese) en al een jaar of 40 was,  kon ik toch nog vrij aardig mijn partijtje meespelen.

 

Toen we op een keer tegen een andere vereniging moesten spelen vroeg een  speler van de tegenpartij, wat mankeert er aan uw been?

Alsof het de gewoonste zaak van de wereld was antwoordde ik: “Vorige week had ik een tegenstander die sloeg het pingpongballetje zo keihard tegen mijn been, dat ik er nu nog last van heb.”

Al mijn medespelers schoten in de lach. Nog meer om het stom verbaasde en verbouwereerde gezicht van de vragensteller, dan om mijn antwoord.

Ik heb hem toen maar vlug uit de droom geholpen en verteld dat ik door een ongeluk mijn been was kwijtgeraakt.

 

Even later moest ik tegen een jonge knaap van een jaar of 17 spelen, die schijnbaar gedacht heeft zijn partijtje makkelijk van mij te kunnen winnen.

Het tegendeel bleek het geval.

Zij het op het nippertje, wist ik hem te verslaan, tot groot ongenoegen van hem. Mijn medespelers gaven mij een luid applaus.

Dit schoot bij de knaap die verloren had in het verkeerde keelgat, want uit frustratie maakte hij toen blijkbaar een nare opmerking over mijn been. Dit hoorde mijn teamgenoot Corrie Ruiten. Hij vloog de knaap aan en het was vechten geblazen. Gelukkig wisten mijn medespelers en ik Corrie Ruiten tot bedaren te brengen, terwijl de onsportieve knaap door zijn eigen teamgenoten onder handen werd genomen.

 

Corrie Ruiten is inmiddels al opa. Ik ontmoet hem nog bijna iedere week met z´n vrouw in de Hema in Den Helder bij het koffie drinken. Er worden dan vlug nog wat oude verhalen opgehaald.

 

Corrie Ruiten vanaf deze plaats nogmaals bedankt dat je het destijds voor me hebt opgenomen!

 

                                                                                       Brandus   (W. Klinge)                                                                       

 

 

[Naar boven]

 

 

KUN JE NOG ZINGEN, ZING DAN MEE

 

 

Hoewel niet Katholiek, hadden wij toch een groot gezin.

Negen kinderen. Vier van vóór de 1e wereldoorlog (1914-1918)

en 5 er na. Ik had 4 zussen en 4 broers.

Toen we allemaal wat ouder waren werden er vaak bij de piano (bespeeld door mijn zus Adrie)  liedjes gezongen uit het muziekboek

“Kun je nog zingen, zing dan mee.”

Op de lagere school in de 5e en 6e klas  moesten wij tijdens de zangles ook veel liedjes uit dit muziekboek zingen. Toen kreeg je nog zangles op school. Ik geloof dat dit nu (helaas)  helemaal van de baan is. 

Onderstaand enkele titels van deze liedjes, die vooral bij de ouderen  herinneringen zullen oproepen.

 

         Wij leven blij wij leven blij op Neerlands dier-b´´ren grond.

         Naar zee. (Ferme jongens stoere knapen)

         De paden op de lanen in.

De Reddingboot. (Wak-kre jongens, Hollands trots)

         Avondliedje. (Natuur ligt in dromen verzonken)

         Het roosje.(´t Knaapje zag een roosje staan)

         Het avondklokje. (´t Zonnetje gaat van ons scheiden)

         Klein vogellijn.( Klein vogellijn op groene tak)

         Hoog op de gele wagen.        

Vogeltje wat zingt gij vroeg.

         Hollands vlag je bent mijn glorie.

         Waar de blanke top der duinen.

         Wie Neerlands bloed door d ádren vloeit. (Denk dat dit lied niet

         meer gezongen kan en mag worden)

         In een blauw geruiten kiel.

         Avondliedje. (Natuur ligt in dromen verzonken)

         Het Zandmannetje. (De bloempjes gingen slapen)

        

Zo kan ik nog wel even door gaan. Dit zijn slechts enkele liedjes uit dit muziekboek.

Er staan er nog heel veel meer in. Helaas worden de meeste van al deze liedjes weinig of niet meer gezongen.

Tegenwoordig zijn er smartlappenkoren, koren met zeemansliedjes, etc. maar koren die ook liedjes uit eerder genoemd muziekboek zingen zijn er bij mijn weten niet. Op de televisie wordt er ook, helaas, totaal geen aandacht aan geschonken. Het lijkt wel of men zich er voor geneert. En toch hebben vele van deze liederen prachtige teksten.

Ik vrees, dat in de nabije toekomst, al deze liedjes in het “vergeetboek” zullen raken.

Mijn zus Adrie, inmiddels 86 jaar, speelt ze gelukkig nog steeds op de piano. Maar ik denk dat zij één van de weinige is.

 

In Duitsland worden alle oude volksliedjes wel “in ere” gehouden.

Regelmatig worden ze via de radio en televisie ten gehore gebracht, o.a. door het welbekende Fischer Chor.

 

Welk koor durft het nu eens aan om ook enkele liedjes uit het muziekboek “Kun je nog zingen, zing dan mee” op hun repertoire te nemen?

 

U zult er vooral de wat ouderen een groot plezier mee doen.

 

                                                                                                       Brandus   

 

 

 

[Naar boven]

 

 

 

 

BLOEMKOLEN

 

Al weer heel wat jaartjes geleden werd ik opgenomen in het Gemini Ziekenhuis in Den Helder omdat ik een galsteentje zou hebben, dat operatief verwijderd moest worden. Achteraf bleek dat het niet 1 galsteentje was maar 5 galstenen, terwijl ook mijn galblaas verwijderd moest worden omdat die ontstoken was.

Al met al heeft de operatie twee en een half uur geduurd.

Toen ik na de operatie in een apart zaaltje lag om weer bij m´n positieve te komen, hoorde ik in de verte steeds de naam “Paula” roepen. Omdat ik barstte van de dorst riep ik, nog steeds half dizzy: “Paula water” waarop Paula met een nat watje m´n lippen nat maakte en ik zei: “Paula, je bent lief!”

Nadat ik weer wat bij de tijd was werd ik op een zaal met andere patiënten gelegd. Daar vertelde ik het bovenstaande tegen de overige patiënten en ook over Paula.  Nu lagen op de zaal 2 patiënten die allebei getrouwd waren met een verpleegster die werkzaam waren het ziekenhuis en op bezoekuur even naar hun echtgenoten kwamen kijken. Voor de grap vroegen beide heren aan hun vrouw (de verpleegsters) wie deze Paula was waar ik zo gek op was. Maar die zeiden het niet te weten.

Toen mijn vrouw op bezoek kwam vertelde beide heren tegen haar het verhaal over Paula en zeiden:” Kijk maar uit mevrouw, want uw man,  is verkikkerd op die Paula.” Dit om mij te plagen, maar mijn vrouw trapte er niet in.

Toen de dokter bij mij langs kwam vroeg ik of ik in het circus beland was.

Verwonderd vroeg hij: “Hoezo?” waarop ik antwoordde:” Ik lijk wel een slangenmens met die zeven slangen.”

Hij had de gewoonte om aan patiënten die aan de beterende hand waren te vragen hoe ze zich voelden. Als die dan antwoordden: ”Goed hoor dokter.” Dan zei hij, tot blijdschap van de patiënt: “Dan mag u met weekend naar huis.” Tegen mij zei hij: “U blijft nog een poosje onze gast.” Toen ik hem vroeg hoe hij zich voelde, antwoordde hij: “Prima!” Waarop ik tegen hem zei: “Dan mag u morgen naar huis.” Lachend en met de woorden: “Dat heb ik ……..(grote knoop) nog nooit meegemaakt!”, verliet hij de zaal.

 

Even later kwam de hoofdzuster langs met een boezem daar zeg je “U” tegen.

Zij kwam kijken hoe het met me ging. Ze zag dat één van de slangetjes niet goed zat en wilde dat herstellen. Ze stond rechts van het bed, terwijl het betreffende slangetje aan de linkerkant was. In plaats van om te lopen ging ze over mijn bed hangen, met haar omvangrijke boezem vlak boven mijn neus. Toen ze op deze wijze het euvel had verholpen en de zaal bijna had verlaten, kon ik niet nalaten het carnavalsliedje: ” ´k Heb hele grote bloemkolen, bloemkolen, bloemkolen”

te zingen.

Of zij het gehoord heeft weet ik niet, maar ik denk het wel.

 

Mijn mede patiënten lagen in een deuk!

 

                                                                                              Brandus

 

[Naar boven]

 

 

VERDWENEN KINDERSPELEN

 

 

In mijn jeugdjaren werd er vaak, voor de school begon aan bokspringen gedaan.

Niet te verwarren met haasje over. Zoals hiernaast afgebeeld.

Wij zeiden altijd “Bokkie springen.” Er werden dan 2 partijen van een stuk of  6 jongens per partij gevormd. De éne partij moest “bok” staan en de andere partij moest springen. Eén jongen van de “bok” partij ging dan tegen de muur staan, vouwde zijn handen met de onderkant naar boven. De voorste jongen van de “bokken” moest daar zijn hoofd in leggen, terwijl de overige 5 hun hoofd tussen de benen van z´n voorganger stak. Zo ontstond er een rij van 5 gebukt staande jongens ( bokken.) De andere partij moest dan één voor één op de ruggen van de bokken springen zonder er af te vallen. De eerste springer moest proberen zover mogelijk te komen, zodat er ruimte genoeg kwam voor de overigen, en zo vervolgens.  Viel er één van de springers van een bok af, dan moesten de springers voor “bok” staan. Viel er niemand af, dan moest de voorste springer een aantal vingers omhoog steken en roepen: ”Bok, bok, bok, hoeveel horens heb ik op m´n kop?” De voorste bok moest dan raden hoeveel vingers er omhoog gestoken waren. Noemde hij het juiste aantal, dan werden de springers bok, en de bokken springers. Raadde hij het juiste aantal niet, dan werd er weer van voren af aan begonnen.

Dit spel was bij de jongens erg geliefd.

 

DIABOLOËN

 

Bij de meisjes was in die tijd het “Diaboloën” erg in zwang.

Attributen waren: 2 stokjes aan elkaar verbonden met een touwtje van plm.

1½ meter en een diabolo. Zie afgebeeld plaatje.

De diabolo werd op de straat gelegd en met de schoen werd één kant van de diabolo opgelicht en het touwtje in de gleuf van de diabolo gelegd. Daarna werd de diabolo voorzichtig opgetild en door de stokjes snel op en neer te bewegen werd de diabolo op het touwtje aan het draaien gebracht. Vervolgens bracht men de stokjes naar opzij, zodat het touwtje met de draaiende diabolo strak kwam te staan. Als het zover was, werd met een zwieper de diabolo zo hoog mogelijk de lucht in gegooid. De kunst was om de diabolo daarna weer met het touwtje op te vangen zonder dat deze op straat viel. Wie dat het beste deed was winnaar.

Ook gingen er wel eens 2 meisjes tegenover elkaar staan, één van hen had dan een draaiende diabolo en wierp deze dan naar de ander die hem dan op moest vangen op het touwtje tussen haar 2 stokjes. Lukte dat, dan wierp zij hem weer naar de ander en zo vervolgens. Een heel kunststuk, maar sommige meiden waren daar reuze handig in. Diaboloën zie je nog wel eens in het Circus.

 

 

STROHOEDJES TELLEN

In de dertiger jaren droegen veel mannen in de zomer een strohoed.

Het was toen bij de jeugd een sport wie de meeste strohoedjes (zie afbeelding Lou Bandy) had geteld. Dat ging als volgt: als je een man zag met een strohoed

dan maakte je je duim nat met je tong  en sloeg met de vuist van die hand in de palm van je andere hand en begon met één, daarna twee,  enz. enz.

Met een vriendje sprak je af dat die in een andere straat strohoedjes ging tellen.

Na verloop van een afgesproken tijd kwam je weer bij elkaar. Wie de meeste strohoedjes had geteld was de winnaar. Over het aantal werd niet gelogen.

Veel later werd dit gedaan met nummerborden van auto´s op te schrijven.

 

 

 

KAARTEN

 

In de dertigerjaren kaarten de kinderen met doorgeknipte sigarettenmerken die op het doosje zaten. Eerst werd er verzameld tot men een flink stapeltje had, dat dan meestal met een elastiekje bij elkaar gehouden werd tot je met een ander kind ging kaarten. Meestal ging je dan met de ander op de stoeprand zitten.

De kaarten (sigarettenmerken) met de blanco kant boven.

De bovenste kaart werd dan omgekeerd zodat het sigarettenmerk zichtbaar werd en op de blauwe soeprand gelegd. Je tegenspeler(ster) deed hetzelfde en lag de kaart op jouw kaart. Meestal ontstond er dan een stapeltje kaarten. Wanneer op een gegeven moment het merk hetzelfde was dan de laatst omgedraaide kaart, dan was het stapeltje voor hem (haar.)

Ik kan me nog herinneren dat destijds een bekende slogan was:

Ik loop m´n benen uit m´n reet voor een “North State!”     

 

 

 

VERSTOPPERTJE

 

 

In Rotterdam speelde we dit spelletje meestal op straat en noemde het “Schuillee.” Verstoppertje kon je bijna overal spelen, bijvoorbeeld ook in het bos of gewoon in huis met broertjes en/of zusjes.

Voor het spel begon werd er eerst afgeteld wie de zogenaamde “buut” moest

zijn, dat was diegene die de anderen op moest zoeken. Meestal ging het aftellen als volgt: alle medespelenden hielden hun beide vuisten op, met de duimen naar boven. De afteller begon bij zichzelf en zei: ”Pot” en gebruikte zijn kin als

1e vuist en sloeg dan met z´n vuist op z´n andere echte vuist en daarna op de vuisten van de anderen. Hij/zij zong of sprak daarbij het volgende:

 

“Olleke - bolleke  - rebe  -  solleke – olleke – bolleke  - knol!

 

Dus bij olleke werd op de kin geslagen, bij bolleke op de echte vuist, bij rebe op de 1e vuist van diegene er naast, bij soleer op de andere vuist en zo het kringetje rond. De vuist waarop hij (meestal keihard) sloeg bij “knol” deed niet meer mee en hield dus 1 vuist over. Zo bleef er uiteindelijk iemand met 1 vuist over, en die was dan “de buut.”  Deze ging meestal met één gebogen arm tegen een voorop vastgestelde plaats tegen de muur staan. Op de gebogen arm werd het hoofd gelegd, de ogen gesloten, waarna het aftellen begon, zo van:

 

10, 20, 30, 40, 50, 60, 70, 80, 90, 100, 110.  Ik kom. Wie niet weg is wordt gezien.

 

Daarna begon het zoeken naar de anderen. Wanneer er iemand gevonden was werd snel naar de vastgestelde plaats gelopen, werd de naam van de gevondene genoemd en afgetikt op deze plaats. Wel moest gezorgd worden dat de gevondene niet eerder op deze plek was, want dan moest “de buut” weer van voren af aan opnieuw tot 110 gaan tellen.

Ik neem zonder meer aan, dat u allemaal dit spel wel eens heeft gespeeld.

 

 

 

BUSSIE TRAP

 

Ongeveer gelijke spelregels als verstoppertje.

Het “bussie” (blikje) werd meestal als vaste plaats op een “putdeksel “ (riooldeksel) geplaatst. Eerst werd er afgeteld wie het “bussie” moest bewaken, die de “buut” werd genoemd. Dat gebeurde door middel van een opzegversje b.v. “Iene miene mutten 10 pond grutten, iene miene mutten speelt de baas, wil je het niet geloven, klim naar boven, klim in de mast enz.enz.

 

Het “bussie” werd dan door iemand zo ver mogelijk weg getrapt, waarna de “buut” het op moest halen en achteruit terug moest lopen, zodat hij de anderen niet kon zien, weer op de putdeksel terug zetten. De anderen die zich inmiddels hadden verstopt moesten worden opgespoord.. Had hij iemand gevonden dan moest hij vliegensvlug terug naar het busje en deze met het noemen van de naam “aftikken.” Natuurlijk moest er wel worden gezorgd eerder bij het “bussie” te zijn dan de ander, want anders schopte die het “bussie” weer een eind weg en kon “de buut” weer opnieuw beginnen. Steeds moest “de buut” er voor zorgen allen die zich verscholen hadden te vlug af te zijn. Als dat gelukt was, dan moest de eerste die was afgetikt “buut” zijn.

 

HOEPELEN

 

Als jochie van een jaar of 8 gebruikte ik als hoepel een oud fietswiel waar de spaken uit waren en een stokje van ± 30 cm. Je sloeg dan met het stokje tegen het fietswiel tot dit de nodige vaart had. Dan stak je het  stokje in de sleuf  van het fietswiel waar het beschermlint voor de binnenband had gezeten. Door al hollend tegen het stokje te duwen bleef het wiel draaien tot je moe werd en er genoeg van kreeg.

Zie de afbeeldingen. Het meisje in klederdracht heeft als hoepel zo´n oud fietswiel waar de spaken uit zijn.

Er waren ook houten hoepels en ijzeren hoepels met een stuk rond ijzer waaraan aan het uiteinde een ronding om de hoepel zat. Door met deze ronding tegen de hoepel te drukken ging de hoepel vooruit.

Je had dus geen stokje nodig. De houten en ijzeren hoepels waren in de speelgoedwinkels te koop.

 

 

STELTLOPEN

 

Werd vroeger veel gedaan, zowel door meisjes als jongens .

Je had stelten met één verhoging voor de beginnelingen en stelten met

2 verhogingen  voor de wat gevorderden. (Zie afbeeldingen)

Sommige kinderen zagen kans op één stelt te hinkelen. Maar dat waren de “cracks.”

Stelten waren in de speelgoedwinkels te koop.

Handige vaders, maakten ze zelf voor hun kind(eren).

In plaats van op stelten werden ook wel op blikjes gelopen.

Men nam dan 2 legen blikjes en 2 cm. naast de bodem van elk blik werden dan aan beide kanten een gaatje gemaakt waardoor een touwtje van ongeveer 2 meter werd getrokken. Dan werden de uiteinden van het touwtje aan elkaar geknoopt, zodat een grote lus ontstaat waaraan het blikje vast zit. Vervolgens werden de blikjes rechtop gezet met de bodemkant naar boven waarop men dan ging staan. Dus elke voet op een blikje. Dan trok men met een hand de touwtjes strak, zodat het blikje onder de voeten bleef zitten en dan ging men lopen.

 

 

 

TOLLEN

 

Kinderen die tollen zie je niet meer op straat.

Benodigdheden: een tol en tollenstokje met een touwtje van ongeveer 50 cm. waaraan op het uiteinde 1 of 2 knoopjes zaten die je er zelf in knoopte. Hiermee sloeg je tegen de tol waardoor die al draaiend een eind verder terecht kwam. Je liep er achter aan en sloeg dan wederom.

Er was een verscheidenheid aan tollen die in speelgoedwinkels te koop waren. De meest gebruikte was wel die waar het jongentje op het tegeltje mee aan het tollen is. Zo´n tol had aan het einde een stalen of ijzeren pin (in Rotterdam noemde we dat de “taas.”)

Meestal brachten we de tol aan het draaien door de “taas” tussen 2 straatstenen te duwen, dan het  touwtje om de tol winden en daarna met een ruk aan het stokje de tol weg te slingeren die dan  een eind verder al draaiend terecht kwam. Daar liep of rende je dan naar toe en sloeg de tol met het touwtje weer een eind verder. Net zo lang tot de tol uitging, of omdat je moe werd. Ook werd de tol wel draaiend gemaakt door deze tussen duim en wijsvinger van beide handen te nemen hiermee een draaiende beweging te maken en dan de tol los te laten. Er waren nog wel meer manieren om de tol aan het draaien te brengen, maar ik heb alleen de manieren vermeld die ikzelf gebruikte.

   

 

JOJO

 

Vroeger had bijna ieder kind, zowel meisje als jongen een jojo.

Die waren er in allerlei soorten. (Zie geplaatste afbeeldingen.)

Je had ze zelfs met muziek en licht. Deze werden echter in hoofdzaak door bedrijven weggegeven als relatiegeschenk.

Bij de gewone jojo zat aan het einde van het touwtje een lusje.

Eerst rolde je het touwtje op in de sleuf van de jojo, waarna je wijs en middelvinger in het lusje stak. Door de jojo los te laten en het touwtje op en neer te bewegen ging, als je het goed deed, de jojo van beneden naar boven en omgekeerd. De kunst was de jojo zolang mogelijk draaiende te houden.

 

 

KLEPPEREN

 

Begin jaren dertig was het zgn. klepperen erg in zwang.

Klepperen kon je wanneer je in het bezit was van 2 houten kleppers.

De kleppers waren ± 15 cm. lang, ± 4 cm. breed, en ± 1cm. dik.

De kleppers deed je tussen wijs- en ringvinger en je gebogen middelvinger. Het kleppergeluid ontstond als je je hand in een bepaald tempo heen- en weer en op- en neer bewoog.

Het was gewoon een slag, die je na flink oefenen te pakken kreeg. Wanneer je de kleppers net even boven het midden tussen je vingers deed als boven omschreven, dan kon je zowel met de boven-

als onderkant van de kleppers klepperen, en zgn. “roffels” slaan.

Dit lijkt allemaal erg moeilijk, maar ik kan u verzekeren dat de meeste kinderen, en ook heel wat volwassenen, deze kunst meester waren.

Bijna alle kinderen, zowel jongens als meisjes, waren dan ook in het bezit van kleppers. Het was echt een rage! Je kon ze in de speelgoedzaken kopen, en als je een beetje handig was, kon je ze ook zelf maken.

 

(Voor een uitvoerig verhaal over “Klepperen”  zie het aparte hoofdstuk!)

 

BALSPELEN

 

(met 3 soms 4 ballen)

 

Het ballen met 3 ballen werd in hoofdzaak door de meisjes gedaan. Deze werden dan stuk voor stuk zo snel mogelijk tegen een muur of in de lucht gegooid en het was dan de kunst deze stuk voor stuk weer op te vangen en zo snel mogelijk weer tegen de muur of in de lucht te gooien zonder dat er een bal op straat viel. Sommige meisjes waren hierin zo gehaaid, dat ze het zelfs met 4 ballen konden.

 

 

DIEFIE MET VERLOS

 

Toen ik als jongentje van een jaar of 10 op de Schiedamscheweg in Rotterdam woonde speelde ik met mijn vriendjes vaak “Diefie met verlos.”

Dat ging als volgt: er waren 2 partijen van zo´n 7 jongens per partij.

De éne partij waren de agenten die de dieven moesten vangen. Om ze te herkennen droegen de dieven meestal een geknoopte zakdoek om hun arm. Vanzelfsprekend speelde de andere partij voor agent.

Voor het spel begon werd er eerst “gepoot” om de partijen te kiezen. Dan gingen 2 jongens ongeveer 3 meter uit elkaar staan met de voeten naar elkaar toe. Dan ging men stap voor stap naar elkaar toe. Wie dan z´n voet of halve voet tussen de voet van de ander kon zetten mocht het eerst een jongen voor zijn partij kiezen, en daarna mocht de andere jongen kiezen. Zo ontstonden de 2 partijen.

De partij van de jongen die het “poten” gewonnen had waren de dieven die gevangen genomen moesten worden en de andere partij dus de agenten die de dieven moesten vangen. Bij ons diende een lantarenpaal als de gevangenis.

Als er een dief gevangen was moest hij de lantarenpaal met één hand vast houden en kreeg een agent als bewaker bij hem. Werd er nog een dief gevangen dan moest deze de hand van de andere dief vast houden en zo vervolgens tot de laatste dief gevangen was. Een dief die nog niet gevangen was kon echter de dief of dieven die wel gevangen was (waren) echter verlossen (bevrijden) door deze aan te tikken zonder dat de bewakende agent of één van de andere agenten hem aantikte. Dan moesten de verlossende dieven opnieuw gevangen worden. Als alle dieven gevangen waren dan wisselden de partijen. De dieven werden dan agenten en de agenten dieven.

Zo speelden wij dit spel.

Er waren echter ook andere mogelijkheden om dit spel te spelen.       

                                                                                                                      

 

  HINKELEN MET STEENTJE OF BLOKJE

 

Dit spel werd meestal op straat gespeeld door meisjes.

Eerst werd met krijt op de stoep het spel getekend. (zie afbeelding)

Meestal werd op straat een steentje gebruik i.p.v. een blokje.

Het spel gaat als volgt:

 

Je gaat in het vakje start staan en met je hand leg je het steentje op no.1.

Op één voet probeer je al hinkelend het steentje in no. 2 te schuiven.

Dan spring jezelf naar no. 2 en daarna probeer je het steentje met je hinkelende voet in no. 3 te schuiven. Vervolgens in 4, 5, 6, enz. steeds verder tot in het vakje “hemel”. Denk er om, je voet mag nooit met een voet op de lijnen terecht komen en het steentje moet steeds binnen het bedoelde no. vakje belanden. Dus niet op de lijn en niet in een ander no. vak.

Als het steentje in het vakje hemel ligt spring je met 2 voeten tegelijk en met een halve draai in het vakje “hel,” zodanig dat het hinkelperk terug vóór je ligt.

Nu mag je een paar seconden uitrusten

Hierna pak je het steentje op en hinkelt je terug naar start. Wel moet je op de nummers 7, 4 en 1 telkens met één voet staan.

Op de nummers 8, 9, 5, 6, 2 en 3 sta je steeds in spreidstand. Dus met één voet in elk no., b.v. één voet in 8 en één voet in 9.

Wanneer je het niet lukt om tijdens de heenweg in de “hemel” te komen en je b.v. blijft steken op no. 2 omdat je het fout deed, dan is de volgende speelster aan de beurt en ga jij verder op no. 2  als het jouw beurt weer is.

Je hoeft dus niet steeds opnieuw te beginnen.

 

Noot:

          De woorden “hemel” en “hel” werden vaak niet gebruikt.

          Alleen start en eind.

 

TOUWSPELLETJE

 

In de jaren dertig was vooral bij de meisjes het volgende touwspelletje erg geliefd. Ik zal proberen het zo goed mogelijk uit te leggen.

Een touwtje van plm. 2 meter werd aan elkaar geknoopt.

Daarna werd het éne eind met een slag om een pols geslagen en het andere eind met een slag om de andere pols. Dan werd de middelvinger van de rechterhand onder het touwtje dat om de pols zat van de linkerhand gedaan en het touwtje strak getrokken. Hierna werd de middelvinger van de linkerhand onder het touwtje gedaan dat om de pols zat van de rechterhand en ook strak getrokken.

Er ontstaat dan een soort brug.

Vaak werd dit spel door 2 meisjes gedaan. Als de zgn. brug er éénmaal was, dan nam het andere meisje deze op een bepaalde manier met de vingers van haar beide handen over en dan weer omgekeerd. Zo ontstonden er steeds nieuwe figuren. Soms gebruikte ze mond en tong als hulpmiddel om het touwtje een ander figuur te kunnen geven. Meisjes waren daar reuze handig in.

 

 

 

SCHIPPER MAG IK OVER VAREN

 

Voor dit spelletje begon werd er eerst weer afgeteld wie de schipper was.

Meestal ging dit aftellen als volgt.

Degene die aftelde begon met het kind naast haar/hem en zei:

 

“Ie wie waai weg, jij waait weg.”

 

Het kind waar hij/zij met het aanwijzen terecht kwam bij het woord “weg”

viel af. Het aftellen ging zo door tot er op laatst maar één kind over was. Dit kind was dan “de schipper” en hij/zij ging midden op de straat staan. De overige kinderen op de stoep. Zij begonnen dan te zingen:

 

(kinderen) Schipper mag ik over varen ja of nee

De schipper antwoord: “Ja.”

(kinderen) Moet ik dan een cent betalen ja of nee

De schipper antwoord: “Ja.”

(kinderen) Hoe?

 

De schipper gaf dan aan hoe ze moesten oversteken naar de andere kant van de straat. Bijvoorbeeld hinkend op één been, met gebogen rug of iets anders.

De schipper moest deze houding zelf ook aannemen en een overstekend kind zien aan te tikken vóór deze de overkant had bereikt. Als een kind werd aangetikt vóór het de overkant had bereikt, dan werd dat kind schipper.

 

Onnodig te zeggen dat dit spel tegenwoordig moeilijk meer op straat gespeeld kan worden i.v.m. het drukke autoverkeer.        

            

 

 

TOUWSPRINGEN

 

Vroeger zag je op straat vaak meisjes die aan het touwspringen waren.

Dat gebeurde met een touw van ongeveer 6 meter lang en een centimeter

of 3 dik. Aan elk eind van het touw stond een meisje te draaien en onder het zingen van:

 

                   In spring de bocht gaat in

 

moesten de overige meisjes dan één voor één in het draaiende touw springen.

Tijdens het zingen van:

 

                   Uit spuit de bocht gaat uit

 

moest dan één voor één uit het draaiende touw worden gesprongen.

Als een meisje op het draaiende touw sprong dan moest zij een meisje aflossen dat stond te draaien.

Alvorens met het spel werd begonnen werd eerst afgeteld welke 2 meisjes het touw moesten draaien. Dit gebeurde meestal met het versje:.

 

                   Ie wie waai weg, jij waait weg

 

Bij weg viel er elke keer een meisje af. Dat ging zo door tot er uiteindelijk 2 meisjes over bleven die dan het touw moesten draaien.

 

Soms werd er zelfs met 2 touwen tegen elkaar in gedraaid om het springen nog moeilijker te maken.

 

Meestal werd dit touwspringen door 6 of meer meisjes gedaan.

 

 

LEERTJE TREK

 

In Rotterdam ging je als jongen wel eens een stukje afval leer bij de

schoenmaker vragen. Meestal kreeg je dat wel. Je maakte daar dan een vierkantje of rondje van en met een priem maakte je een gaatje in het midden. Dan nam je een touwtje van ongeveer 1 meter lang en stak dat door het gaatje. Aan de andere kant maakte je een stevige knoop in het touwtje, zo dik, dat je hem niet meer door het gaatje terug kon trekken.

Vervolgens maakte je het leertje nat met water en drukte dat met je voet op de blauwe stoeprand stevig aan. Het natte leertje zoog zich dan muurvast aan de blauwe stoeprand. Kunst was dan of je zo sterk was dat je het leertje met het touwtje weer los te trekken. Dat lukte bijna niemand. Wanneer het niet lukte, kon je het leertje los krijgen door flink met je schoen tegen de zijkant van het leertje te schoppen naar het uiteinde van de stoeprand.

Mij is niet bekend of dit spel ook in andere steden of plaatsen werd gedaan.

 

 

STRAATVOETBAL

 

  

Voor schooltijd gingen we altijd eerst op straat een partijtje voetballen met de jongens van de klas.

Auto´s reden er praktisch nog niet in die tijd.

Eerst werd er dan met zgn. “poten” twee partijen gekozen. Dat ging dan als volgt: 2 jongens gingen op ongeveer 3 meter van elkaar staan en dan voetje voor voetje naar elkaar toe. Wie het laatste zijn voet kon zetten mocht dan het eerst kiezen en daarna de ander, tot er twee partijen waren gevormd.

De bal waarmee doorgaans gespeeld werd, is een verhaal apart.

Eerst werd van wat oude kranten een stevige bol gevormd van plm. 10 cm. omtrek en daar overheen werden dan reepjes rubber getrokken, geknipt uit een oude fiets binnenband. Geld om een echte bal te kopen hadden we niet.

Tijdens het voetballen gingen er natuurlijk af en toe wel een paar reepjes rubber af, maar dat mocht de pret niet drukken, die deed je er dan gewoon weer om.

De doelen werden gevormd door op plm. 4 à 5 meter afstand een jasje of iets dergelijks neer te leggen. De ouderen onder u weten zich dat vast nog wel te herinneren.

  

Hierover wil ik niet uitweiden, omdat ik zonder meer aanneem dat dit bij u allen genoegzaam bekend zal zijn. Zo niet, dan verwijs ik u naar het verhaal

 “De Tennisbal” onder deze rubriek.

 

Zo, dit zijn wat spelletjes die ik als kind zelf heb gedaan, gezien, of herinner.

Ongetwijfeld zullen er vroeger nog wel meer spelletjes zijn gespeeld die mij niet bekend zijn, of die ik vergeten ben.

Ik heb slechts een beeld willen geven hoe er vroeger, nog betrekkelijk zonder gevaar, op straat gespeeld kon worden.

Helaas is dit met het huidige verkeer niet meer mogelijk.

 

Maar wat was het een leuke tijd!!!

 

                                                                                                       Brandus

 

   

      

[Naar boven]

 

 

DE VUILNISMAN

 

 

Nog niet zo gek lang geleden kondigden in de grote steden de vuilnismannen met een grote houten ratel hun komst aan.

Vliegensvlug kwamen dan de vrouwen met hun vuilnisemmers of zakken naar buiten rennen en zetten die aan de rand van de stoep. Meestal waren het de vrouwen die het vuil op straat zetten, omdat de mannen al naar hun werk waren.

Wel een verschil met tegenwoordig nu iedereen lang van tevoren weet wanneer het vuil wordt opgehaald.

 

Ik herinner me nog dat enige tijd geleden enkele wat oudere vuilnismannen, naar ik meen uit Amsterdam, op de televisie werden geïnterviewd en toen met hun houten ratels een soort wijsje ten gehore brachten wat ik erg knap vond. 

 

                                                                                                                                     

Brandus

 

 

 

 

DE SCHARENSLIEP

 

Een inmiddels uitgestorven beroep.

Zelf kan ik me nog herinneren dat de scharensliep vroeger huis aan huis aanbelde om te vragen of er nog iets te slijpen viel. Hij sleep niet alleen scharen, maar ook messen, schaatsen en allerlei andere dingen.

Daarvoor beschikte hij over het benodigde gereedschap.

De scharensliep had een duwkar op 2 wielen. Onderaan  zat een  houten traplat die hij met zijn voet in beweging bracht waardoor de slijpsteen ging draaien.

De slijpsteen werd nat gehouden met wat water dat af en toe uit een buisje op de slijpsteen sijpelde.

Vooral van de kinderen had hij veel bekijks, (zie geplaatste afbeelding.)

Helaas is dit beroep uit het straatbeeld verdwenen. De mensen slijpen nu zelf hun messen, verrichten reparaties zelf, of kopen zo nodig nieuw.

 

                                                                                                                                    Brandus

 

                                                                                                         

 

 

[Naar boven]

 

MUZIEKINSTRUMENT

 

Als kind gebruikte je vroeger vaak een kammetje met een sigarettenvloeitje als muziekinstrument. (Wij gebruikten meestal een “RIZZLA” vloeitje.)

 

 

Je legde het vloeitje dan achter of vóór het kammetje en met je mond tegen het kammetje (of vloeitje) blies je dan al toeterend een liedje.

Als je het tegelijk met nog meerdere kinderen deed en allemaal met hetzelfde melodietje, dan had je een klein blaasorkest.

 

Mijn vroegere buurman Wiebe Bakker was er een meester in en deed het nog dikwijls zuiver voor de lol.

 

 

 

 

HOELA-HOEP

 

Nog niet zo gek lang geleden was Hoela Hoep een rage. .

Het werd zowel door meisjes als jongens beoefend, maar vooral de meisjes waren er bedreven in.

Sommige presteerden het zelfs met 2 of 3 hoepels tegelijk.

Ook werden er wedstrijden gehouden wie de hoepel het langst draaiende kon houden.

Tegenwoordig zie je het niet meer op straat.

Een enkele keer zie je het nog wel eens in het circus.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Brandus

 

[Naar boven]

 

GRIESMEELPUDDING met bessensap

 

Als jongen van 14 jaar ging ik vaak met een stel vrienden op zondag, en als het mooi weer was, vanuit Rotterdam naar Meijendel (vlak bij Den Haag) fietsen.

We speelden dan in het Meijendelse bos, of gingen naar het strand om te zwemmen. Tegen een uur of half vijf fietsten we dan weer terug, zodat we tegen etenstijd weer thuis waren.

Na zo´n dag rammelden we van de honger, en als knapen van 14/15 jaar, konden we behoorlijk wat weg stouwen.

Toen ik om ongeveer half zes bij mijn thuis aanbelde, werd er niet open gedaan.

Er bleek niemand thuis te zijn. Ik belde toen bij de buurvrouw aan en vroeg of ik via haar waranda naar onze waranda mocht klimmen, zodat ik bij onze keukendeur kon komen, omdat ik vermoedde dat die niet op slot zou zijn en dan kon ik zo in onze woning komen.

Gelukkig maakte de buurvrouw geen bezwaar en dus klauterde ik zo naar onze waranda. Maar helaas, de keukendeur zat wel op slot. Op het moment dat ik teleurgesteld weer via onze waranda naar het huis van de buurvrouw terug wilde gaan, zag ik een schaal met daar op een door mijn moeder gemaakte heerlijke griesmeelpudding met bessensap staan.

En niet zo´n kleintje ook, want we waren nog met een man of zes thuis. Griesmeelpudding met bessensap was, en is nog steeds, mijn lieveling´s “toetje.” Binnen de kortste tijd heb ik met mijn zakmes een flinke homp uit de griesmeelpudding gesneden en naar binnen gewerkt. Daarna klom ik weer naar de waranda van de buurvrouw en ging, na de buurvrouw bedankt te hebben, op straat spelen.

Toen we met de hele familie om een uur of zeven ´s-avonds aan tafel zaten en de maaltijd was genuttigd, ging mijn moeder naar de waranda om het “toetje,” de griesmeelpudding met bessensap, van de waranda te halen.

Even later kwam ze boos terug en riep verontwaardigd:

”Er is een stuk uit de griesmeel pudding verdwenen, onbegrijpelijk. Zeker een kat gedaan!”

Ik liet haar maar in die waan en vertelde niet dat ik de schuldige was.

Het gevolg was wel, dat we nu allemaal een kleiner stuk van de overgebleven griesmeelpudding kregen.

Dat ik m´n portie al binnen had verzweeg ik wijselijk.

 

Jaren later heb ik de ware toedracht van het verhaal aan mijn moeder opgebiecht en toen heeft ze er smakelijk om moeten lachen.

 

Brandus     

[Naar boven]

 

 

 

PIJLTJES GOOIEN

 

Vroeger, in de dertiger jaren, ik was toen een jaar of 11, maakten we zelf van stopverf of teer, een spijkertje en wat duiven- of kippenveren een pijltje.

Bij de schilder vroeg je dan om een stuk stopverf, en maakte daar een rolletje van tussen je handen, tot ongeveer de grote en dikte van een kroket. Destijds werd stopverf meestal gebruikt om ramen in een kozijn vast te zetten.

Hetzelfde kon je doen met een stuk teer. In het ene eind drukte je dan de kop van het spijkertje een stuk in de stopverf of teer, maar zorgde er voor dat de punt van het spijkertje er uit bleef steken.

Aan het andere eind stak je een kippen- of duivenveer en je werppijltje was klaar. Voor je er mee ging gooien moest je wel even wachten tot de stopverf of teer hard geworden was.

Op een flink stuk hout of op een houtenschutting tekende je dan 10 cirkels.

De buitenste cirkel was het grootst en 10 punten waard. Daarna een cirkel met 20 punten, dan een cirkel met 30 punten, enz, enz. Het laatste cirkeltje was de zgn. roos en 100 punten waard.

Met je vriendjes hield je dan een wedstrijd wie na b.v. 10 keer gooien de meeste punten had behaald. Die was de winnaar.

Zoals gezegd, zo ging het vroeger in mijn jeugd. Heel wat anders dus dan het tegenwoordige darten. Hierbij worden de mooiste pijltjes (nu darts genoemd) gebruikt.

Ook het scorebord en puntentelling is geheel anders. Als ik me niet vergis is dit spel uit Engeland over komen waaien.

Hoewel ik er dikwijls op de T.V. naar kijk, snap ik er nog steeds geen “jota” van. Maar dat ligt natuurlijk aan mij.

Tegenwoordig bestaan er talloze dartclubs en worden er zelfs professionele wedstrijden gehouden waarmee aardig wat geld te verdienen is.

 

 

En............Nederland heeft zelfs een echte dartkampioen, t.w. Barney.

 

Ja, ja, tijden veranderen.   

 

 

 

                                               Brandus

 

[Naar boven]

 

 

KANARIE

 

Twee collega´s van mij die werkzaam zijn geweest op Marinevliegkamp

“De Kooy” in den Helder kweekten thuis zangkanaries, ook voor de verkoop.

Zij waren op verschillende afdelingen op “De Kooy” werkzaam.

Ik zal ze in dit verhaal niet bij hun echte naam noemen, maar laat ik ze voor het gemak maar Pieterman en Vogelzang noemen.

Voor wat betreft de verkoop van een kanarie waren het concurrenten.

Bij meneer Vogelzang op de afdeling werkte een leuke knaap die Piet heette.

Hem stelde ik voor om zijn chef meneer Vogelzang een poets te bakken. 

Als ik bij hem op de afdeling kwam moest hij  tegen meneer Vogelzang zeggen, dat hij van plan was een kanarie te kopen bij meneer Pieterman, maar dat die er 35 gulden voor vroeg en dat hij dat wel wat aan de hoge kant vond.

Meneer Vogelzang zou dan gegarandeerd tegen hem zeggen dat hij beter een kanarie bij hem kon kopen, omdat hij goedkoper was. Hij moest dan aan meneer Vogelzang vragen wat hij voor een kanarie vroeg en die zou dan ongetwijfeld een prijs van 25 gulden noemen. Hij moest dan antwoorden dat hij dat toch nog te duur vond en dat hij dan toch maar kip ging eten.

Piet vond het een pracht mop. Ik sprak met hem af dat ik op een bepaalde tijd  op de afdeling van meneer Vogelzang zou komen en dan op een gegeven moment met meneer Vogelzang een gesprekje over kanaries zou beginnen. Ik zou hem dan een seintje geven en op dat moment moest Piet met het afgesproken verhaal op de proppen komen. Toen ik op de afdeling van meneer Vogelzang kwam begon Piet al te grinniken en ik dacht “Oh, Oh” dat gaat fout, Piet kan zijn lachen niet houden. Maar gelukkig, op het afgesproken  teken begon Piet, zij het wat lacherig, toch zijn verhaal af te steken. En verdomd, meneer Vogelzang trapte er in.

Toen Piet tegen meneer Vogelzang had gezegd dat hij 25 gulden toch nog te duur vond en maar kip ging eten, barstte iedereen in lachen uit en kon meneer Vogelzang niets anders doen dan, zij het als de bekende boer die kiespijn heeft, mee te lachen.

 

En ook dit is weer een waar gebeurd verhaal.

 

Brandus

  

 

[Naar boven]

 

 

DE MUG

 

Toen we in de Boerhavelaan in Schiedam woonden, sliep ik in het zijkamertje.

Op een nacht dat ik wakker lag, hoorde ik tot mijn stomme verbazing mijn vader vloeken. Ik vond dat nogal vreemd, omdat ik mijn vader nog nooit had horen vloeken. Ons had hij het ook ten strengste verboden. Zelfs “rot” vond hij een lelijk woord. Toen ik op een keer eens tegen hem zei: ”Ik heb me rot gelachen” zei hij tegen mij dat moet je niet zeggen, je moet zeggen: “ik heb zó moeten lachen.”  Aan de hand hiervan zult u begrijpen dat ik er niets van snapte.

Ik kon er niet van slapen.

 

Nadat mijn vader ´s-morgens was vertrokken vroeg ik aan mijn moeder of zij wist waarom mijn vader ´s-nachts gevloekt had.

Zij begon te schudden van het lachen en ik kreeg  het volgende verhaal te horen:

 

“ Nou, ik kon vannacht niet slapen omdat er steeds een mug rond m´n hoofd zoemde. Ik had al een paar maal met m´n hand in het donker in de lucht liggen maaien, maar steeds tevergeefs. Ten einde raad besloot ik toen maar het lichtje op m´n nachtkastje aan te doen en ja hoor, ik zag dat kreng wel vliegen, maar  kon hem niet te pakken krijgen.

Op een gegeven moment nam hij plotseling een duikvlucht zo op de wang van je slapende vader. Ik bedacht me geen moment en gaf gelijk een flinke mep op de wang van je slapende vader. Die schrok zich de zenuwen, keek me verschrikt aan en vroeg: “Wat doe jij nou?” Waarop ik doodgemoedereerd antwoordde:

”Ik sla een mug dood.”

 

En dat was dus de reden waarom je je vader hoorde vloeken.

De mug heb ik niet meer gehoord.

 

Waar gebeurd!                    

 

Brandus    

 

[Naar boven]

 

HELEMAAL “NikS” GEBROKEN

 

Mijn vader had een keer voor mijn moeder een kopjesrek met 6 Chinese kop en schoteltjes meegenomen, toen hij na een scheepsreis weer eens thuis kwam.

Als sier werd vroeger dan zo´n wandrekje tegen de muur (wand) op gehangen.

De kopjes hingen aan een haakje, en de 6 schoteltjes stonden achter een dwarslatje, dat op het kopjesrek was bevestigd. Helaas kan ik u geen afbeelding van zo´n kopjesrek tonen, en moet u het maar met de 3 geplaatste kopjes en schoteltjes doen zonder kopjesrek. 

Op een dag, toen mijn moeder niet thuis was, moest mijn zus Willemien het huis schoon maken. Ramen lappen, stofzuigen, stof afnamen, etc. U kent al die karweitjes wel. Mijn zus Willemien zal toen een jaar of 20 zijn geweest en ik een kleuter van een jaar of 2, waar Willemien ook op moest passen. Ik was een “nakomertje” en werd altijd “Broertje” genoemd omdat ik de jongste uit het nest van 9 kinderen was. Willemien noemde ik toen altijd “Mina” omdat ik nog geen Willemien kon zeggen.

Willemien werd door mijn moeder ook wel eens gekscherend “juffrouw breekallemachtig” genoemd, omdat zij nogal veel brak.

Een kopje, een glaasje, een vaas, en noem maar op.

Nadat Willemien de nodige opruimwerkzaamheden had verricht, pakte zij  een plumeau, om daarmee voorzichtig de kop en schoteltjes af te stoffen. En u voelt het al aankomen, prompt viel er een schoteltje uit het rekje aan gruzelementen.

Vlug gooide zij de scherven in de vuilnisbak en zette de overige 5 schoteltjes zodanig in het rekje neer, dat op het eerste gezicht niet te zien was dat er maar 5 in plaats van 6 schoteltjes in het rekje stonden. Toen zei ze tegen mij:

” Broertje, niet tegen moeder zeggen hoor dat Mina iets heeft gebroken, anders komt er weer grote razie (ruzie).” Ze zei expres razie omdat ik in plaats van ruzie altijd razie zei. Mina wist dat ik niet tegen ruzie kon, omdat ik dan altijd  begon ik te huilen. Door simpel “nee Mina” te zeggen beloofde ik Mina dus haar niet te verraden. Tegen de avond kwam mijn moeder thuis en haar eerste gang was dan altijd naar de W.C. Omdat de nood hoog was had ze de W.C. deur open laten staan. Terwijl mijn moeder op de W.C. zat en ik voor de open W.C. deur stond, zei ik  met een wijds gebaar van mijn handen tegen haar:” Mina heb helemaal niks gebroken.”  Waarop mijn moeder riep: “Allemachtig, is die meid weer aan het breken geweest!” Toen zij echter mijn stomverbaasde gezicht zag, zo van “hoe kan ze dat nou weten, ik zeg toch dat Mina helemaal niks heeft gebroken” schoot ze in de lach en kwam Mina er genadig af.

In m´n onschuld en tegen m´n wil had ik “Mina” toch verraden.

 

Brandus

 

[Naar boven]

 

DE BEWAARSCHOOL

 

In 1928 was de tijd aangebroken dat ik als jochie van 4/5 jaar naar de   “Bewaarschool” moest. In die tijd heette dat zo. Hoe komen ze op het woord? Naderhand werd het gelukkig “Kleuterschool” genoemd. Klinkt heel wat beter.

De eerste dag had mijn moeder me ´s-morgens gebracht en gehaald. Die middag moest mijn zus Willemien, die al in de twintig was, mij naar de Bewaarschool brengen. Ik was een “nakomertje,” gebakerd door Willemien. En aan iedereen die het maar horen wilde vertelde ze dat vol trots. Ze was ook gek met me. Onderweg liep ik al te blèren dat ik niet naar de Bewaarschool wilde.

En Willemien (die ik toen “Mina” noemde) probeerde mij op alle mogelijke manieren gerust te stellen en te troosten, maar zonder succes.

Toen we bij de school kwamen begon ik zo erbarmelijk te huilen, dat Willemien er niet goed van werd. Met bloedend hart gaf zij mij aan de juffrouw van de Bewaarschool af en liep zo snel mogelijk weg. Echter straten verder hoorde zij mij nog steeds hartverscheurend  “Minaaaaa, Minaaaaa, Minaaaaaa” roepen, en kreeg enorme spijt dat zij mij bij de Bewaarschool had achter gelaten.

Het eerste wat zij  dan ook tegen mijn moeder zei toen ze thuis kwam was:

” Dat is de eerste en laatste keer dat ik “Broertje” (zo werd ik altijd genoemd omdat ik de jongste uit het nest van 9 kinderen was) naar de Bewaarschool heb gebracht. Hij heeft zo gehuild en steeds zo zielig “Minaaaa, Minaaaa, Minaaaa”  geroepen, dat het me door merg en been ging.”

Mijn moeder zei toen:” Nou, als hij dan zo´n hekel aan de Bewaarschool heeft, dan blijft hij voortaan maar thuis.” Verkeert natuurlijk, maar begrijpelijk, want

toen mijn moeder mij ´s-morgens naar de Bewaarschool had gebracht,

bewaarschoolhad  zij dezelfde taferelen met mij meegemaakt. Dat was dan ook de reden waarom zij Willemien had opgedragen mij ´s-middags naar de Bewaarschool te brengen. De Bewaarschool had wel iets weg van een gevangenis, en ik ben er dus maar één dag op geweest.

Wel moest ik op m´n zevende jaar tot mijn verdriet, naar de Lagere School, ook vaak de “Grote School” genoemd. Dat was verplicht. Mijn liefde voor school is echter nooit bijzonder groot geweest. (Mijn jongste dochter Mia kampte met hetzelfde euvel. Zie mijn verhaal “Mazelen” onder deze rubriek.)

De appel valt dus niet ver van de boom.                                                  

                                                                                                         Brandus       

 

 

[Naar boven]

 

 

 

WONDER BOVEN WONDER

 

Het zal ongeveer 15 jaar geleden zijn dat mij een nogal ernstig ongeluk over kwam met mijn auto.

Nadat ik boodschappen had gedaan in Schagen reed ik over de Grote Sloot terug naar mijn huis in Anna Paulowna. Terwijl ik over de Grote Sloot reed keek ik stom toevallig (wat ik nooit doe) door wat boompjes die aan de rechterkant langs de sloot stonden en zag met grote snelheid een auto het boerenerf af komen rijden. Ik dacht die ziet mij niet aan komen en rijdt zonder te kijken het erf af. Hetgeen ook gebeurde. Ik remde zo hard mogelijk en stuurde  mijn rechtervoorwielen de grasberm in. De wielen zakte tamelijk diep in de berm weg en dat haalde ook nog de nodige vaart uit mijn auto. Hierdoor vloog de auto die het erf af kwam net voor mij de weg op. Mijn auto schoot over de op- en afrit  van de boerderij heen en  belandde aan de andere kant met een enorme klap rechtop in de sloot.

Door het gewicht van de gastank achterin sloeg mijn auto gelukkig net niet over de kop, want dan had ik met mijn hoofd in het water komen te liggen, met alle gevolgen van dien. De bestuurder van de  andere auto was een jonge knaap. Hij had de klap gelukkig gehoord en kwam terug rijden om te kijken wat er aan de hand was. Het bleek een kennis te zijn van de mensen die op de bewuste boerderij woonde en waar hij op visite was. Omdat hij bijtijds thuis wilde zijn voor het eten was hij, met zo´n vaart het boerenerf af gereden en had mij inderdaad niet opgemerkt.

De boer en zijn vrouw en nog wat andere mensen die de klap ook hadden gehoord waren snel ter plaatse. Sommige probeerden mij uit de auto te sjorren.

Ik zei echter tegen hun dat ze hiermee moesten stoppen en dat ikzelf wel zou proberen uit de auto te komen. De linkerdeur van mijn auto kon nog ongeveer

30 cm open en met kunst en vliegwerk wist ik mezelf uit de auto te wringen en de slootkant op te klauteren. De boer wilde zijn tractor halen om mijn auto uit de sloot te takelen, maar daarmee ging ik niet akkoord en zei dat eerst de politie gewaarschuwd moest worden om  de toestand in ogenschouw te nemen en proces verbaal op te maken.

De boerin zei: “Komt u nu maar vlug mee naar binnen want u loopt zo mank, dan zal ik snel een dokter bellen.”

Waarop ik antwoordde:” Dat hoeft niet mevrouw, want zo loop ik altijd. Ik heb namelijk een kunstbeen.”

Omdat ik zo wit zag als een vaatdoek, stond zij er toch op dat ik in de boerderij een kop koffie kwam drinken om van de schrik te bekomen.

Nadat de politie drie kwartier later eindelijk was gearriveerd en proces verbaal was opgemaakt werden de boodschappen uit mijn auto overgeladen in de auto van een zoon van de boer, die mij ook naar huis heeft gebracht.

Mijn auto was total-loss, maar ik was “Wonder boven wonder” ongedeerd.

 

Brandus

[Naar boven]

 

 

WONDEREN BESTAAN ECHT!

 

Het zal ruim een jaar geleden zijn toen het echtpaar Postma voor het eerst in de  Herv. Kerk in Anna Paulowna kwam. Mevr. Postma lag in een ligrolstoel voortgeduwd door haar man. In dit verhaal zal ik beide, naar ik aanneem met hun goedvinden, gemakshalve bij hun voornamen:  Jan en Greet noemen.

Regelmatig bezochten zij de Oase kerkdiensten. (Zie ook http://www.oaseweb.nl/)

Het viel me op, dat zij soms na enige tijd een kerkdienst verlieten en niet meer terug kwamen. Achteraf bleek, dat, als iemand per ongeluk tegen de rolligstoel stootte waarin Greet lag, zij dan hevige pijnen kreeg en naar huis wilde.

Om dit euvel in ´t vervolg te voorkomen werd een apart plekje voor de ligrolstoel gecreëerd.

Greet had 6 jaar geleden bij een auto ongeluk een “Whiplash” en een hersenstam beschadiging opgelopen en was zodoende in de ligrolstoel beland. Inmiddels was zij “uitgedokterd.” En verder niet meer te behandelen.

Jan had al meer dan 20 jaar last van reactieve bronchieën , hetgeen wil zeggen: allergisch voor alle geurtjes en luchtjes. Ook hier was niets meer aan te doen.

Op woensdagavond 14 juni j.l. 19.30 uur werd in de kerk een

Genezings Samenkomst gehouden met Bob Brasset uit Canada, bijgestaan door Peter de Jong uit Nederland die o.a. ook de vertaling verzorgde.

Ofschoon ikzelf niet gauw in deze genezende wonderen geloof, was ik heen gegaan om te kijken of er toch misschien mensen van hun ziekten en of kwalen zouden worden afgeholpen.

Ook Jan en Greet waren aanwezig. Na de inleiding en gezang ging Greet met een begeleidster wankelend en stapvoets naar gebedsgenezer Bob Brasset. Nadat Peter de Jong in het Engels aan Bob Brasset  had kenbaar gemaakt wat Greet mankeerde, begon deze daarna z´n gebed om genezing. Greet vertelde mij nadien dat zij tijdens het gebed het gevoel had  “opgetild” te worden, zich licht en blij voelde en erg dicht bij God.

En waarachtig, na het gebed kon Greet haar nek weer bewegen, had geen pijn meer en liep zo´n 20 meter heen en weer en daarna naar haar plaats.

Niet te geloven! Wel gebeurd! Na de dienst heeft zij een uur!!! rond gelopen en met verschillende mensen gepraat, wat zij voor die tijd niet kon omdat zij zich niet kon concentreren. Nu kan zij weer lopen, fietsen, bewegen en praten.

Of dat nog niet genoeg was, ook Jan werd van zijn kwaal afgeholpen en verklaarde later, dat ook zijn haatgevoelens jegens sommige personen waar hij nog iets mee te vereffenen had, waren verdwenen.

Er waren trouwens nog meerderen, die volgens eigen zeggen, baat hebben gehad van een genezingsgebed.

We zijn nu weken verder en zowel met Greet als met Jan gaat het prima, en wat zijn zij dankbaar en gelukkig, en wat ben ik blij voor deze mensen.

Bovenstaande heb ik met eigen ogen aanschouwd en meegemaakt, waardoor mijn geloof in een “Hogere Macht” enorm is toegenomen.

Brandus

 

 

[Naar boven]

 

 

 

 

De weg kwijt

 

In 1947 werden de Marine Magazijnen  overgeplaatst vanuit Rotterdam naar Den Helder.

Omdat voor het merendeel van het personeel nog geen woning in Den Helder beschikbaar was werden deze (waaronder ook ik) ondergebracht in een kosthuis

samen met mijn collega´s Jan Jansen, Ton Wouterse, Nootenboom en nog enkele anderen kwamen wij terecht  in het kosthuis van de familie de Vries in de Javastraat.

Eenmaal per 14 dagen mochten wij met het weekend op kosten van het Rijk met de trein naar huis. Natuurlijk wilden wij graag elk weekend  naar moeder de vrouw en de kinderen in Rotterdam. Onze salarissen waren in die tijd echter nog niet van dien aard, dat we het reisgeld zelf konden bekostigen vanwege het huishoudgeld.

Nu ging er af en toe wel eens een vrachtwagen van de Marine met het weekend naar Rotterdam.

Het was verboden om achterin personen mee te nemen. Het gebeurde echter wel eens dat een chauffeur, die begreep dat we graag naar Rotterdam wilden, ons toch stiekem achterin meenam onder het gesloten dekzeil.

Zo gebeurde het ook een keer, dat een chauffeur die nogal stotterde ons  meenam. Onderweg raakte hij echter de weg kwijt. Hij stopte ergens, stapte uit en vroeg aan een voorbijganger de weg.

Deze wees ons de weg als volgt:

“U gaat rechtuit en bij de eerst volgende splitsing slaat u linksaf, of wacht is even….. Is het nou links of rechtsaf? Even denken hoor…. Eerst rechtdoor en dan linksaf, of is het toch rechtsaf? Of is het nou de 2e splitsing”?

En dat herhaalde zich een paar maal. Onze chauffeur werd er zo kriegelig en ongeduldig van, dat hij nijdig de cabine instapte tegen ons zei:

“Die vvvvent llllllult me te lllllllllang lang langzaam”, en weg reed.

Wij lagen in een deuk.

 

Dit is een waar gebeurd verhaal.

 

Brandus

 

   

 

    [Naar boven]

 

 

SCHILLENBOER

 

Nog niet zo heel lang geleden reed er nog een schillenboer met paard en wagen door de straten om aardappelschillen en groenteafval op te halen.

Dit werd meestal in een mandje of emmer door één van de kinderen van het gezin naar de schillenboer gebracht. Vaak ontstond er ook ruzie onder de kinderen wanneer het gezin uit meerdere kinderen bestond, omdat de schillenboer altijd wel een handje olienoten (nu pelpinda´s genoemd) aan het kind gaf dat de schillen kwam brengen.

Nu verdwijnen de schillen en het groenteafval in de groene vuilnisbakken.

 

 

KOLENBOER

 

Toen we nog in de Olivier van Noortstraat in Den Helder woonden, kwam éénmaal in de week kolenboer Bethlehem met zijn paard en wagen om kolen en petroleum te verkopen. Voor de wagen stond een prachtig zwart paard, dat nogal schichtig was. Je kon beter niet te dicht bij komen.

De kolen werden toen in hoofdzaak in papieren zakken geleverd, in tegenstelling tot enkele jaren daarvoor, toen de kolen nog in gonjezakken naar het kolenhok   werden gesjouwd en daarin leeg gekieperd. De gonjezakken hingen dan  over de rug van de kolenboer, die dan ook een soort puntmuts op zijn hoofd had met een grote flap er aan die over zijn schouders hing. (Zie foto)

Kolenboer Bethlehem heeft “goed geboerd”.  De familie bezit nu diverse pomp stations en een groot auto- en garagebedrijf in Den Helder.

De warmte komt nu uit elektrische- en of gaskachels.

 

 

MELKBOER

 

Vroeger kwam ook de melkboer met zijn wagen dagelijks langs. Iedere melkboer had zo z´n eigen wijk. Op de melkkar stonden meestal 2 melkbussen met onderaan een koperen kraantje. Eerst werd de bestelde melk in een maatbeker geschonken en vervolgens in de kan c.q. emmertje van de klant.

Meestal verkocht de melkboer ook kaas en eieren.

 

 

 

Later verscheen de melkboer in een gemotoriseerde wagen en verkocht niet alleen zuivelproducten maar ook nog diverse andere artikelen.

Toen we in de Boerhavelaan in Schiedam woonde kwam de melkboer (Piet Gustaffson) ook nog aan de deur. Hij raakte verliefd op mijn zus Johanna.

En de liefde was wederzijds. Later zijn zij in “´t Huwelijksbootje” gestapt. Inmiddels zijn genoemde beroepen uit het straatbeeld verdwenen.

 

 

 

GROENTEBOER

 

Ook de groenteboer met paard en wagen is uit het straatbeeld verdwenen.

Als kind heb ik vaak met zo´n groenteboer mee gereden.

Heel vroeger had je zelfs een groenteboer met een hondenkar.

Zie afgebeelde foto uit 1895.

 

 

 

 

 

 

 

 

Begin 1900 verschenen de eerste groenteboeren met paard en wagen.

 

De afgebeelde foto is uit 1915.

Een karrider onderweg met zijn vracht

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nu heeft de groenteboer een eigen winkel.

Veel mensen kopen hun groente en fruit echter in een Supermarkt.

 

 

 

 

Brandus

  

 

 [Naar boven]

 

 

“NOSTALGIA”

 

Zondag 3 september 2006 trad het dames-salonorkest “NOSTALGIA” op in de Galerie van Kees en Elly Doolaard.

Het was wat je noemt: “ Een schot middenin de roos.”

Wat hebben de, gelukkig vele, aanwezigen genoten van de muziek die dit, uit acht dames gevormde gezelschap, ten gehore bracht.

Voor de aanvang van het concert werd een kaars aangestoken voor al die mensen die, door wat van omstandigheden dan ook, niet aanwezig konden zijn.

Veel van de bekende melodieën uit de jaren 20 en 30 werden zachtjes door het publiek mee geneuried of gezongen, maar ook uit de periode daarna.

Soms ging dit gepaard met enthousiast handgeklap.

Liedjes uit de “Oude Tijd” waren o.a. Bellamie, Oh Donna Clara, Elisabeth en

Tea for two , om er slechts enkele te noemen.

Dit alles werd afgewisseld met het spelen van bekende tango´s van Melando en de nodige Weense walsen.

Kortom een heel gevarieerd programma met “Voor elk wat wils” en, zoals bij de opening van het programma werd gezegd, van: “Vooral gezellige en blije muziek.”

Tijdens het spelen van de liedjes uit de twintig en dertiger jaren zag ik vooral de ouderen onder het publiek (waaronder ikzelf) enorm genieten.

Vaak heb ik mijn oudere broers en zussen (ik was de jongste uit het nest van

9 kinderen) al die gespeelde melodieën horen zingen, zodat heel wat oude herinneringen bij mij naar boven kwamen.

De toegang was, zoals gewoonlijk bij Kees en Elly, geheel gratis.

Wel werd verzocht na afloop een bijdrage voor de weeskinderen in Roemenië in de melkbus bij de ingang te willen deponeren.

Na afloop van het concert kreeg het gezelschap een langdurige en welverdiende staande ovatie.

Met de woorden: “Goede wijn behoeft geen krans” kregen de dames van het salonorkest elk een fles rode wijn aangeboden door Elly.

Van ganser harte hoop ik, (en ik denk velen met mij), dat “NOSTALGIA” nog een keer in de Galerie van Kees en Elly terug komt.

Kees en Elly, Elly en Kees, hartelijk, heel hartelijk dank voor het gebodene!!!

 

Brandus  

 

 

 

MOTORCROSS

 

Toen mijn kleinzoon Danny Pormes een jaar of 16/17 was deed hij veel aan motorcrossen en het dient gezegd, hij was daar behoorlijk goed in. Meestal viel hij in de prijzen. Als hij in Den Helder moest crossen gingen mijn vrouw en ik ook altijd kijken en vooral mijn vrouw Sjaantje was behoorlijk fanatiek waar het Danny betrof.

Wanneer hij in Brabant of Limburg moest crossen gingen zijn vader Andy en zijn moeder Mia altijd mee.

Het was dan vroeg uit de veren geblazen om op tijd aanwezig te zijn voor de wedstrijden. De crossmotor werd dan in het busje geladen en voor het wegrijden controleerde Andy het busje altijd op eventuele mankementen..

Zo ook op een zondagmorgen tegen 6 uur. Terwijl Andy onder de motorkap iets controleerde,  drukte Mia, volgens eigen zeggen per ongeluk, op de claxon. Andy schrok zich “te pletter” en  vloog van schrik zowat met z´n kop door de deksel van de motorkap. Mia gilde van de lach, en onder het uitroepen van:” Het ging per ongeluk, het ging echt per ongeluk vluchtte ze het busje uit, nagezeten door Andy.

Maar ja, Andy kende Mia langer dan vandaag en wilde het niet geloven.

Mia heeft het overleefd, maar het heeft een tijdje geduurd voordat Andy wat van de schrik was bekomen en naar de crosswedstrijd kon worden vertrokken.

 

Op verjaardagen en familiebijeenkomsten wordt dit verhaal, tot grote hilariteit van de aanwezigen, nog dikwijls opgehaald.

 

Brandus 

                                                                                                        

 

KAKELVERSE EIEREN

 

 

 

Enige tijd geleden liep er regelmatig een vrouwtje door de straten in Anna Paulowna, die verse eieren verkocht. Zo ook in de van Foreeststraat waar mijn dochter Mia met haar man Andy woont.

Mijn dochter kocht de eieren echter altijd bij een Supermarkt. Tot op een dag Andy, voor hij naar zijn werk ging, tegen Mia zei: ”Mia vandaag komt het “eierenwijfie,” zoals zij genoemd werd, door de straat en dan moet je bij haar eieren kopen want die zijn kakelvers en dus veel smakelijker dan de eieren uit de Supermarkt.”

 

 

 

Mia kocht die dag dan ook kakelverse eieren bij het “eierenwijfie” en zette die op het aanrecht in de keuken.

Toen Andy die avond uit z´n werk thuis kwam was het eerste dat hij aan Mia vroeg: “En heb je nog eieren bij het “eierenwijfie” gekocht?” Waarop Mia antwoordde: ”Ja hoor, kakelvers. Ze staan op het aanrecht in de keuken. Ze zijn nog warm.”  

En ja hoor, daar ging Andy naar de keuken om aan de eieren te voelen of ze nog warm waren terwijl Mia gilde van de lach.

Toen pas kreeg Andy in de gaten dat hij in de maling genomen was en moest Mia maken dat ze weg kwam.

 

 

 

 

 

 

 

Brandus

 

 

 

 

 

 

 

[Naar boven]

 

 

Een ontroerend moment

 

Toen ik nog op vliegkamp “De Kooy” werkzaam was werd er altijd in schaftijd een partijtje Volleybal gespeeld in de sportzaal. Ik deed daar ook altijd aan mee en kon, ondanks mijn handicap, aardig meekomen. Vooral met serveren wist ik menig puntje te scoren.                                                 

Zonder dat ik het wist stond er altijd een marineman te kijken.   

Jaren later toen ik gepensioneerd was en uiteindelijk in Vreedenhoff  kwam te wonen kwam er, in de recreatiezaal aldaar, op een gegeven moment een man op me af en zei:” Ik ken u van vliegkamp “De Kooy.” Ik zei: ”Sorry, maar ik ken u niet.” Waarop hij antwoordde: “Ik bewonderde u altijd zo als u op “De Kooy” aan het volleyballen was.” Mijn naam is Pièrre en ik sta hier vaak achter de tap.

Nadat ik mij ook voorgesteld had ontstond een geanimeerd gesprek en hieruit kwam naar voren dat hij ook aan toneel gedaan had en in een bandje trompet gespeeld had. We hadden elkaar in ieder geval veel te vertellen.

Niet veel later heeft hij ook kennis gemaakt met mijn vrouw Jeanne, die ik altijd Sjaantje noemde. We konden het goed met elkaar vinden en na verloop van tijd ging hij haar ook Sjaantje noemen. Hij mocht haar graag.

Tijdens de ziekte van Sjaantje leefde hij erg mee en bezocht haar ook in het ziekenhuis. Helaas is Sjaantje niet meer. Nu 3 jaar geleden, om precies te zijn op 23 september 2003, is zij overleden.

Enkele dagen geleden toen ik achter de computer zat voelde ik plotseling een hand op mijn schouder en toen ik omkeek bleek het Pièrre te zijn. Ik vroeg hem waarom hij dat deed en kreeg als antwoord: “Zomaar.” Ik begreep er niet veel van. Toen ik om 5 uur naar huis wilde gaan vroeg hij: ”Ben je alleen thuis?”

Ik antwoordde bevestigend. Hij zei: ”Dan kom ik zo even bij je langs, want ik wil graag nog een keer de foto van Sjaantje zien die op je bureau staat.”

Ik zei: “Oké, en dan drinken we gelijk een borreltje.” En zo kreeg ik even later Pièrre op bezoek. Nu drink ik altijd voor het eten een borreltje en met een klein gebed staande bij haar foto proost ik dan op Sjaantje.

Ik wist van Pièrre dat hij niet gelovig is, omdat hij eens tegen mij gezegd had: “Dood is dood.”

Nadat ik mijn gebedje gedaan had, stond Pièrre plotseling op, liep met z´n flesje bier naar de foto van Sjaantje, sprak een soort kort gebed uit en proostte op Sjaantje.

Dat moment ontroerde mij enorm. Ik begreep meteen waarom hij die middag een hand op m´n schouder lag.

Met een brok in m´n keel heb ik hem bedankt.

 

Brandus

 

 

 

[Naar boven]

 

 

BULLETJE EN BOONESTAAK

 

In 1922 verscheen in de toenmalige Volkscourant een stripverhaal over Bulletje en Boonestaak geschreven door A.M. de Jong, de tekeningen zijn van George van Raemsdonck.

Het  gaat over twee knapen van plm. 12 jaar die wel eens een wereldreis mee wilde maken aan boord van het schip waarop hun vaders resp. kapitein en stuurman waren. Dan konden zij eens een hele tijd bij hun vaders zijn die zij zo weinig zagen omdat deze zo vaak en lang van huis waren i.v.m. de lange reizen die gemaakt werden.  Zo besloten zij op de avond voor het schip vertrok stiekem, via een tros waarmee het schip was afgemeerd, aan boord te klauteren. Dat lukte wonderwel en zij verstopten zich daarna in het ruim waar de kolen lagen opgeslagen om het stoomschip varende te houden.

Natuurlijk worden zij na verloop van tijd moment ontdekt. Na een opgelegde straf besluiten hun vaders ze maar mee te nemen op hun reis omdat ze het toch wel leuk en gezellig vonden hun zoon´s een tijd bij hun te hebben.

Zo beleven zij allerlei avonturen met het koksmaatje Kalkhoofd en met de bootsman Hein die  prachtige verhalen kon vertellen.

Door de koffie en theefabriek van Nelle in Rotterdam werden al de verhalen uitgegeven in  boekwerkjes. Men moest dan een bepaald aantal koffiebonnen of theebonnen opsturen om in het bezit van zo´n boekwerkje te komen. In totaal waren er zeven delen. De serie heeft gelopen tot 1937.

Zelf heb ik alle delen zeker wel driemaal gelezen. Ik heb er enorm van genoten en vond ze reusachtig spannend en amusant. Ik veronderstel dat de ouderen onder u vast wel eens van Bulletje en Boonestaak hebben gehoord of gelezen.

Een aantal van de herdruk van deze boekjes zijn nu in het bezit van m´n kleinzoon Danny dia inmiddels ook al weer in de dertig is. Toen hij een jaar of 9 was kwam hij steeds een deel lenen en als hij dat uit had kwam hij een volgend deel halen zonder dat hij het reeds geleende deel mee terug bracht. En zo kwam hij in het bezit van mijn boekjes van Bulletje en Boonestaak. De linkmiegel.

En nu blijkt dat ook mijn computerleraar Kees Bakker vroeger gek was op de verhalen van Bulletje en Boonestaak. Hartstikke leuk!

 

Om u een indruk te geven onderstaand enkele afbeeldingen uit deze boekjes..  

 

 

 

 

 

 

 

 

Brandus

 

(Klik op de volgende link voor meer......... over deze Bulletje en Boonestaak! http://www.dbnl.org/tekst/jong003were01_01/ )

 

[Naar boven]

 

 

 

 

BIJBELStudie

 

 

Van mijn 14e tot 16e jaar heb ik op catechisatie gezeten in de Remonstrantse kerk te Rotterdam en kreeg ik bijbelles van dominee Tjalsma.

 

Ongeveer een jaar geleden ging ik op een woensdagavond naar de kerk aan de Molenvaart in Anna Paulowna met een  stuk koraal dat ik van m´n dochter had gekregen om aan een kennisje van mij te geven. Mijn schoonzoon had dat destijds uit zee opgedoken. Van mij wisten zij dat het kennisje van mij gek is op alles wat maar met de zee te maken heeft.

Ik wist dat zij op woensdagavond naar de Bijbelstudie ging en besloot het even naar haar toe brengen voor het begin van de Bijbelstudie.

Deze werd gehouden in de pastorie van de kerk, maar eerst werd er in de kerk koffie gedronken. Toen ik het stuk koraal in de hal van de kerk aan haar had gegeven nodigde zij mij uit om in de kerk mee koffie te drinken en daarna een Bijbelstudie mee te maken in de pastorie.

Omdat ik die avond verder toch niets om handen had zei ik: “Vooruit dan maar.”

Dus ik mee de kerk in. En wat gebeurde er?

Toen de koffie voor mij was ingeschonken en ik amper een teug genomen had pakte één van de aanwezigen dames plotseling mijn kop koffie op en zei:

“Ik breng het wel even voor u naar de pastorie dan hoeft u er niet mee te lopen.”

Natuurlijk lief van haar, maar zij was zeker bang dat ik de benen zou nemen.

Dus ik achter haar aan naar de pastorie. Daar werd ik hartelijk welkom geheten door de persoon die de Bijbelstudie leidde.

En zo maakte deze “man op leeftijd”  onder het genot van een “bakkie koffie” na heeeeeel veel jaren weer eens een Bijbelstudie mee.

 

Grappig!

 

En zo zie je maar: “God´s wegen zijn ondoorgrondelijk!”

 

 

Brandus

    

 

[Naar boven]

 

 

40 JAAR LATER

 

Heel veel jaren geleden speelde ik mee in  bovengenoemde revueschets.

Hierin speelde ik een oud mannetje (mannetje op leeftijd), die na 40 jaar een oude liefde van hem opzoekt om de relatie weer te herstellen. De eerste zinnen die ik moest zeggen waren: ”40 jaar later en voor het eerst kom ik weer over je drempeltje. Diep in me was een stem die zei ga, en ik gong, ik ging bedoel ik.” Er ontwikkelt zich dan een heel gesprek over hoe het vroeger allemaal was en hoe gelukkig zij waren en waarachtig, de “oudjes” komen weer  tot elkaar.

Tijdens deze schets zingen zij beiden het toen bekende liedje waarvan ik me onderstaande 3 coupletten nog herinner. 

                          

Ik denk dikwijls aan die jaren

toen wij nog kinderen waren

O wat speelden wij vrolijk met elkander

Ik denk dikwijls aan die tijd

 

Wij liepen steeds tezamen

Als we de school uitkwamen

Zo verliefd en gelukkig met elkander

Ik denk dikwijls aan die tijd

 

Later werd jij m´n  meisje

liepen we saam in ´t plantsoen

En bij ´t licht van ´t maantje

Gaf je mij de eerste zoen

 

 

Op de foto.: Tiny van Engelsdorp Gastelaars, Wybe Klinge,

        en achter de piano Mevr. Hoebe-Bijl.

                  .

Natuurlijk denkt iedereen dat dit in werkelijkheid nooit zal gebeuren.

Verkeerd gedacht!

De ouders van een kennisje van mij zijn 40 jaar geleden gescheiden en later beide hertrouwd. Inmiddels is haar moeder al 7 jaar weduwe en haar vader sinds een jaar weduwnaar. Via e-mailtjes kwamen ze weer in kontakt met elkaar en  onlangs werd besloten elkaar weer eens te ontmoeten. Zij hadden daarbij wel wat steun nodig van mijn kennisje en haar oudere broer om een brug te slaan.

 

Mijn kennisje fungeerde in hoofdzaak vanaf de zijlijn, als het ware als een soort schakel, wat wel de nodige takt vereiste. Het eerste contact heeft tijdens een etentje plaats gevonden en onlangs kwam het hele gezin bij elkaar en dat verliep reuze gezellig en zowaar werd er heel wat af gelachen.

 

Of het een “HAPPY END”  wordt weet ik niet, de tijd zal het leren.

Maar het gezegde luidt: “Oude liefde roest niet.”

 

 

 

 

 

[Naar boven]

 

 

 

Brandus

 

 

AL  JOLSON

 

 

 

In de twintiger jaren was de Amerikaanse zanger Al Jolson heel bekend.

Vooral door het liedje “Oh Sonny Boy” werd hij een wereldster.

Hij trad altijd op met een pikzwart geschminkt gezicht met witte lippen.

Mijn veel oudere broer Maarten (zelf was ik een “nakomertje” van een jaar

of drie vier) was een groot bewonderaar van Al Johnson en zong vaak, niet onverdienstelijk, veel liedjes van hem.

Op zeker moment kwam het idee bij hem op om zo nu en dan als

Al Jolson  in café´s op te  treden om een extra zakcentje te verdienen.

Hij wist het trouwpak van mijn vader te bemachtigen om zich te verkleden.

Met schoensmeer maakte hij zijn gezicht pikzwart en ik vermoed met een stukje

krijt of iets dergelijks zijn lippen wit. 

Al de spulletjes nam hij stiekem mee van huis, want mijn moeder mocht het niet aan de weet komen, omdat die het vast en zeker niet goed gevonden had.

Hij was wel zo link, dat hij het trouwpak van mijn vader pikte als die op zee zat. Mijn vader voer n.l. als  machinist op de grote vaart en was dus vaak van huis.

De verkleedpartij en het schminken voltrok zich meestal, na goedvinden van de kroegbaas, op het toilet van het café, waarna hij optrad als Al Jolson en zo een aardig zakcentje verdiende.

Hoe hij dit steeds voor mijn moeder verborgen wist te houden is me een raadsel.

Pas jaren later kwam zij het aan de weet en toen vond ze het een prachtig.

Veel van het bovenstaande heb ik van horen vertellen op verjaardagen, omdat ikzelf destijds veel te jong was.

 

Mijn broer Maarten had “gouden handjes” en ik heb hem altijd bewonderd om z´n handigheid en veelzijdigheid. We konden goed met elkaar opschieten.

Tijdens de barre hongerwinter 1944/´45 heb ik diverse bijzondere hongertochten met hem gemaakt die onder de rubriek 1940-1945 te lezen zijn.

 

Brandus

      

      

 

 

 

 

 

[Naar boven]

 

CANDY

 

Lang, heel lang geleden was er een candymaker in India die een speciale “candy” heeft gemaakt. Hij deed dit van een soort hard wit snoepgoed  (pepermunt), dat de onbevlekte ontvangenis, de  belofte van God, de dood van Jezus Christus,  plus de structuur van de kerk inhield.

Hij maakte de candy in de vorm van een  “J “ voor de naam “Jezus ” en tevens

in de vorm van een herdersstaf voor het zo nodig ophalen van afgedwaalde lammeren en schapen.

De candymaker bracht rode strepen in deze candy aan als symbool van het lijden van Jezus aan het kruis.

 

Als u deze candy ziet  herinner u dan:

 

ONZE REDDER

 

ONZE HERDER

 

  ONZE GENEZER

 

       ONZE VERLOSSER

 

 ONZE GOD.

 

De betekenis van deze “ candy “ heb ik nooit begrepen. Ik heb altijd gedacht dat het een soort “wandelstok” was. Jarenlang heb ik regelmatig aan anderen gevraagd of zij de betekenis wisten, echter zonder resultaat. Veel mensen weten dus blijkbaar ook de betekenis van deze “candy” niet.

Tot mijn grote verbazing kreeg ik een kerstkaart van de mij bekende familie Sijm waarin het bovenstaande staat beschreven en “deze man op leeftijd” nu eindelijk  de betekenis van deze “candy” weet.

 

En zo zie je maar:

 

“EEN MENS IS NOOIT TE OUD OM TE LEREN”

 

Brandus

 

 

 

 

[Naar boven]

 

 

 

WELPEN

 

In de zomer van 1949 kampeerde mijn vrouw en ik met onze jongste dochter  Mia (toen een jaar of 2) op de toen nog eenvoudige kampeerboerderij van de familie van Nunen in Oosterhout.

Wij sliepen in een gedeelte van een enigszins omgebouwde paardenstal.

Rechts op de foto mijn vrouw en ik. Achtergrond de paardenstal.

Naast onze slaapplaats was er nog een slaapgelegenheid voor een boom van een kerel  die als bootwerker werkzaam was in de havens van Rotterdam.

Daarboven was een zolder, waar zo´n 20 welpen van de  padvinderij sliepen.

De bootwerker was de herrie en het lawaai in de havens van Rotterdam ontvlucht voor een “rustige” let wel “rustige” vakantie op de kampeerboerderij van de fam. van Nunen.

Nou, de eerste dagen kwam daar weinig van terecht. 

U begrijpt dat die welpen niet direct braaf gingen slapen, maar eerst daar boven op de zolder flink “keet” schopten en voor ze aan slapen toekwamen was het al zowat middernacht. Dit was zo al een paar dagen het geval, tot het de bootwerker op een avond “teveel” werd en hij bulderde:

“ Houwen jullie nou g…………… je muilen is op mekaar!”

De stippeltjes mag uzelf invullen, maar opslag was het doodstil, en het bleef doodstil. De welpen waren zich de zenuwen geschrokken.

M´n vrouw en ik stikte bijna van het ingehouden lachen, terwijl ons dochtertje Mia rustig door alles heen sliep.

De dagen daarna zijn de welpen braaf op tijd gaan slapen tot grote opluchting van de bootwerker, die overigens een “goedsul” was waar geen greintje kwaad bij zat. De rest van zijn vakantie waren de welpen en hij dan ook de beste “maatjes” en heeft hij achteraf smakelijk om het gebeuren gelachen.

 

Noot:

De eenvoudige kampeerboerderij van destijds is inmiddels uitgegroeid  tot recreatiepark “´t Haasje.” 

Zie site:  www.haasjeoosterhout.nl

 

Brandus

 

 

 

[Naar boven]

 

 

 

 
  Onthulling

 

 

Van de gemeente Anna Paulowna kreeg ik een uitnodiging om samen met

Sarina Sanders op zaterdag 13 januari 2007  het naamplaatje van het

“WMO KOPPUNT” loket (WMO = Wet Maatschappelijke Ondersteuning)

te onthullen door het wegtrekken van een gordijn dat de naam van de instelling verborgen hield.

Toen ik enige tijd voor de onthulling plaats zou vinden in het gemeentehuis arriveerde werd ik hartelijk welkom geheten door Petra Toornstra.

Mij was ter oren gekomen dat één van de dames van het gemeentehuis mij wel kon zoenen als ik de uitnodiging aanvaardde. Toen ik aan haar vroeg wie deze dame dan wel was begon ze te lachen en wist ik meteen dat zij het was.

Sportief zoende zij me dan ook op beide wangen en een hartelijker ontvangst had ik me niet kunnen wensen.

Omdat het nog wel even zou duren alvorens de “plechtigheid” plaats zou vinden nam ik plaats op het zitbankje in de hal. Na enige tijd kwam de burgemeester naast mij zitten om een praatje te maken en terwijl wij zo gezellig  aan het babbelen waren kwam er een echtpaar op ons af en vroeg de man aan mij of ik de burgemeester was.

Ik voelde me (gezien mijn leeftijd) zeer gevleid, maar wees op de burgemeester naast mij. Deze zei, na met de man kennis gemaakt te hebben: ” Maar deze man (hij wees op mij) is een belangrijk persoon”.  Waarop ik voor de grap reageerde met: ”Ja, ik ben de loco-burgemeester.”

De burgemeester kon met moeite een glimlach onderdrukken.

De vrouw van de man vroeg mij wanneer de raadsvergadering was en toen heb ik haar verteld dat ik het niet wist en maar een grapje maakte en dat ik geen loco-burgemeester was maar een gepensioneerde rijksambtenaar.

Gelukkig kon men de grap wel waarderen.

Om half elf gaf wethouder Franken voor de aanwezigen een uiteenzetting omtrent de bedoeling en op welke wijze de vergoeding van thuiszorg en dergelijke voortaan door de gemeente zal worden geregeld.

Vervolgens werden de dames Karin Verbruggen en Esther de Groot aan het publiek voorgesteld die de mensen, die daarvoor in aanmerking, komen met raad en daad zullen bijstaan. 

Hierna werden Sarina en ik uitgenodigd om via het wegtrekken van het gordijn het naambord te onthullen.

Met enige moeite lukte dat, waarna een hartelijk applaus volgde.

Namens de gemeente werd door wethouder Franken aan Sarina en mij een leuke attentie overhandigd en was er gelegenheid om nog gezellig een kopje koffie te drinken met een versnapering.

 

 

W. Klinge (Brandus)

 

 

 

[Naar boven]

 

 

Las Vegas

 

 

 

Van mijn dochter Anja kreeg ik in 2003 een geheel verzorgde reis naar Las Vegas aangeboden van 12 t/m 27 december. En wat heb ik genoten!

Na in Philadelphia overgestapt te zijn landde het vliegtuig ´s-avonds om 23.30 uur in Las Vegas, waar ik door Anja en haar Amerikaanse vriendin Susie werd opgewacht.

Om te beginnen maakte Susie een rondrit door Las Vegas met haar auto om mij de prachtige en feestelijke Kerstverlichting te laten zien, waarna ik naar hotel “Frontier” werd gebracht. Na het uitpakken van de bagage etc. dook ik doodvermoeid in bed.

De volgende dag ben ik met Anja naar een enorm grote Cowboy-beurs geweest waar ik m´n ogen heb uitgekeken. Wat daar allemaal te koop was, is ongelooflijk.

Wel meer dan duizend met de hand gemaakte leren Cowboyhoeden. Deze zijn erg prijzig. Evenals de lederen hoedendozen die met de hand bewerkt zijn.

Ook Indianen kleding is te daar koop. Vooral de lederen kleding voor de zgn. “Squaw´s” is prachtig. Evenals de met de hand bewerkte lederen zadels.

De ruime lederen bankstellen waarin allerlei met de hand gesneden cowboytaferelen staan zijn bijzonder mooi. Ik heb er in gezeten en je zit er heerlijk comfortabel in. Over de prijs zal ik maar zwijgen. Cowboylaarzen voor mannen en laarsjes voor vrouwen bij de vleet!

Bij een min of meer bekende Cowboy heeft m´n dochter een poster van hem gehaald, waarop zijn handtekening en mijn naam staan. Dit als herinnering.

Hierna zijn we naar de “Bingo” geweest en dank zij oplettendheid van Anja een prijsje van 19 dollar gewonnen.

Benzine is daar enorm goedkoop t.w. 1 dollar 57 per gallon (plm. 4 liter) wat ongeveer gelijk is aan 1 euro 57. Het eten is erg goed en goedkoop. Als je “Buffet” neemt, kan je onbeperkt van alles en nog wat eten voor slechts 8 dollar (8 euro).

Ik ben de middag daarop met Anja weer naar de “Bingo” geweest. Door een ouder echtpaar werd de “Jackpot” van maar liefst 109.750 dollar gewonnen. Vanzelfsprekend waren die dolgelukkig.

s-Avonds zijn we naar de show “La Caga” geweest van Frank Marino. Daarin treden allemaal als vrouw verklede kerels op. Anja had dit expres niet tegen mij gezegd omdat ze wist dat ik daar niet zo op gesteld ben. Als je niet weet dat het mannen zijn zou je er als kerel lelijk intuinen. Die mannelijke artiesten hebben allemaal prachtig gevormde benen waarop menige vrouw jaloers zou zijn.

Er was er één bij die Tina Turner op een fantastische wijze imiteerde.

Veel jonge vrouwen raakte op een bepaalde manier opgewonden van die als vrouwen verklede kerels en begonnen te gillen en te schreeuwen tijdens hun optreden. Ik heb ze met verbazing gadegeslagen.

Na afloop zijn we wezen eten bij een Italiaanse eetgelegenheid en werden daar geholpen door een Nederlandse serveerster uit Amsterdam. Hoe is het mogelijk.

Ze was 7 jaar geleden naar Las Vegas gekomen op vakantie en gelijk gebleven.

Ze miste alleen de “nieuwe haring.”  Ja, Nederlanders kom je overal tegen!

 

De volgende dag zijn we naar een geweldig groot “Romaans” winkelcentrum geweest met prachtige beelden en beeldhouwwerken.

Anja zei: ” Pa, moet je eens naar boven kijken dan zie je een mooie blauwe lucht met overdrijvende wolken.” En inderdaad het was zo. Maar het blijkt allemaal niet echt te zijn, maar ongelooflijk goed nagebootst.

Bij een beeldengroep van Julias Ceasar, met vrouw en zoon met zwaard lopen ook mensen in Romaanse klederdracht die allerlei informatie geven. Zo ook bij de beeldengroep Bacchus (de God van de drank). Anja vertelde dat ieder heel uur deze beelden tot leven komen, waarop ik reageerde met de opmerking: ”Je denkt zeker je vader in de maling te nemen.” Ze zei: ”Nou wacht maar af.” En inderdaad, het is echt zo. Elk heel uur gaan die beelden die op pilaren in de grond blijken te staan plm. 2 meter omhoog en praten en bewegen zich, evenals hun lippen, handen en vingers. Julias Ceasar staat op uit z´n stoel en begint een redevoering te houden. Op een gegeven moment breekt er hevig onweer los met donder en bliksem en vuur uit de fonteinen, ja er komt zelfs vuur uit het zwaard van de zoon van Julias Ceasar. Dit alles met schitterende lichteffecten.

Je gelooft je ogen niet.

Ook bij de beeldengroep van Bacchus en zijn vrouwen gebeurd van alles.

De vrouwen praten met elkaar en bewegen, terwijl Bacchus lekker zit te “tetteren.” De voorstelling duurt ongeveer een kwartier, waarna de pilaren waarop de beelden staan weer in de grond zakken en de beelden weer in standbeelden veranderen.

Dit alles geloof je alleen maar als je het zelf gezien hebt.

 

De volgende attractie waar ik met Anja naar toe geweest ben was het overdekt winkelcentrum Venetië, waar ik m´n ogen heb uitgekeken.

Schitterende plafonds- en wandschilderingen van enorme omvang. Prachtige beeldhouwwerken. Venetië gedeeltelijk nagebouwd met gondels op het water en zingende gondeliers. Toen we er waren hadden we het geluk dat er net een trouwerij in een wit met goud omlijnde gondel plaats vond, precies op de plek waar wij stonden. In de gondel zaten behalve het bruidspaar ook een ambtenaar van de burgerlijke stand en de getuigen. Dus alles officieel.

Na de trouwplechtigheid met het kussen, het traantje bij de bruid, voer de gondel weg onder het applaus van het publiek en zong de gondelier het welbekende lied “Oh Solomio.”

 

Ook de Eiffeltoren, zij het in een kleinere vorm, is in Las Vegas aanwezig.

 

De dag daarop naar een 3 etage´s hoge en overdekt winkelcentrum geweest met heel veel juwelierszaken en dure kledingzaken waar veel prominente figuren hun inkopen doen.

Er is daar ook een juwelierszaak waar alleen “Rolex” horloges te koop zijn. In deze zaak is constant een politieagent aanwezig.

Hier zijn ook enorm veel en allerlei soorten “Snackbars.”

Griekse, Italiaanse, Amerikaanse, Indische, nou ja, te veel om op te noemen.

s-Avonds zijn we naar linedancing in hotel Frontier wezen kijken en hier hebben we cowboyvoedsel gegeten, bonen en veel vlees. Er werden wedstrijden gehouden wie er het langst op een wilde bewegende namaakstier kon blijven zitten.

Er werd ook les gegeven in “line-dancing.”

 

1e Kerstdag naar een imposante kerk geweest waar plm. 3000 mensen aanwezig waren. Vluchtig nog even kennis gemaakt met de dominee.

Tijdens de kerkdienst werden onder meer 2 toneelstukjes opgevoerd.

En hoewel de acteurs amateurs waren, werd er heel goed gespeeld.

 

2e Kerstdag met Anja naar een Hotel-Casino in een andere plaats geweest waar de man van Anja´s vriendin Susie werkzaam is. W zijn daar met een bus naar toe gereden. Daar hoef je niet voor te betalen. Gebruikelijk is dat je de chauffeur 1 dollar (is plm. 1 euro) fooi geeft.

De tuinen van dit Hotel-Casino zijn prachtig verlicht met allerlei kleuren.

Anja heeft ons daar getrakteerd op een Kerstdiner. Erg lekker.

 

De volgende dag naar de show van illusionist David Copperfield geweest.

Geweldig wat ik daar allemaal gezien heb. Je weet dat je voor de gek gehouden wordt, maar snapt er niets van.

Toevallig waren de ouders van David Copperfield die avond ook in de zaal aanwezig en werden door hem hartelijk welkom geheten. Zij zaten vlak voor ons

En we hebben na afloop van de voorstelling nog even vluchtig kennis met hun gemaakt.

Ook met Anja naar een formidabele show in theater “Jubilee” geweest.

Er werden allerlei gedeelten van musicals opgevoerd. Te beginnen met liedjes uit de jaren twintig van o.a. Al Johnson met uiteraard ook kleding uit die tijd.

Enkele van deze liedjes kon ik mij nog goed herinneren omdat mijn broer Maarten die altijd zong. (Zie mijn verhaal Al Johnson)

Uit de musical “Titanic” werden enkele scènes ten tonele gebracht.

Op het toneel zie je het schip in zee zinken en in mistdampen zie je de reddingsboten voorbij varen.

Aan deze show werken over de honderd mensen mee, o.a. showgirls, trommelaars, in gordijnen zwevende acrobaten, enz., enz.

Kleding, décors, belichting, kortom alles was perfect.

Om nooit te vergeten!!! 

 

Al het bovenstaande geeft zo ongeveer weer die dingen die ik gezien en meegemaakt heb. Las Vegas staat bekend als een “GOKSTAD” en dat is ook inderdaad zo.

Praktisch overal zijn Casino´s en hoor je het geratel van de gokmachines. In alle winkelcentra zijn rolstoelen te huur voor mensen die slecht ter been zijn. Alle winkels zijn 24 uur open en overal is steeds de politie aanwezig.

 

Het was voor mij een hele belevenis dit alles te hebben mogen meemaken.

 

Anja, BEDANKT!!!

 

Brandus

 

 

 

 

 

[Naar boven]

 

 

 

 

 

Dameshoedje
 

Ik zal een jaar of twee geweest zijn toen ik op een dag graag een dameshoedje wilde hebben. Niemand begreep waarom.

Iedereen vroeg verwonderd “een dameshoedje?”  Wil je niet een ander cadeautje “broertje”, wat moet je nou met een dameshoedje. Ik werd altijd “broertje” genoemd omdat ik de jongste uit het nest van 9 kinderen was.

Er werd allerlei speelgoed opgenoemd, maar ik was niet van m´n stuk te krijgen. Ik wilde perse een dameshoedje.

Nou, er werden allerlei dameshoedjes opgetrommeld en op m´n kop gezet, maar ik bleef maar om een dameshoedje zeuren. Iedere keer als er weer een ander dameshoedje op m´n kop gezet werd riep ik:

“Nee, ik wil een DAMESHOEDJE”.

Natuurlijk werd er bij elk dameshoedje tegen mij gezegd: “Broertje dit is toch een dameshoedje.” Maar broertje vond van niet.

Dit duurde zo´n tijdje en toen ging bij mijn 18 jaar oudere zus Willemien een “lichtje branden.”  Zij begreep uiteindelijk wat ik bedoelde.

Want wat was het geval? Ik had eens op een verjaardag van een meisje gezien dat die een feestmuts op had. Dat bedoelde ik. Dat wilde ik.

Maar ik wist niet dat het een feestmuts werd genoemd.

Bovendien was dat woord toen veel te moeilijk voor mij.

Ik wist niet beter dan dat het een dameshoedje was.

Nou, Willemien heeft vlug in een feestartikelenwinkel een feestmuts gekocht en die op m´n kop gezet en “broertje” was de koning te rijk!

 

Brandus

 

 

Noot:

Dit verhaal werd vaak op verjaardagen en dergelijke  door Willemien te berde gebracht. Willemien ging er altijd prat op dat zij mij gebakerd had.

 

 

 

 

[Naar boven]

 

 

GEFOPT

 

Jaren geleden speelden mijn vrouw en ik bridge in de bridgeclub B.B.C. (Breezandse Bridgeclub) in hotel restaurant “Bloemenlust.”

 

Regelmatig moesten wij toen tegen wethouder Han van Lierop en zijn partner de heer de Vries spelen.

Het dient gezegd, het was altijd prettig spelen tegen hen, met wisselend succes.

 

Nu is Han van Lierop (inmiddels gepensioneerd) een verwoed postzegelverzamelaar, terwijl mijn vrouw en ik destijds ook postzegels verzamelden. Zo nu en dan nam ik enkele postzegels voor hem mee die wij dubbel hadden en dan was hij als een kind zo blij.

 

Bij openingen van diverse evenementen moest hij vaak als wethouder of loco-burgemeester aanwezig zijn om de opening te verrichten en een speech te houden.

Een foto van hem stond dan steevast in de Polderbode.

 

Op een keer toen er weer een foto in de Polderbode van hem stond waarop zijn hoofd bijzonder goed uitkwam, kreeg ik plotseling het idee om zijn hoofd als bijzondere postzegel te gebruiken en aan hem te geven.

Ik knipte zijn hoofd uit de Polderbode en deed deze in een gesloten enveloppe.

Op de bridgeclub overhandigde ik, een beetje geheimzinnig, de enveloppe aan hem en fluisterde hem toe:”Hierin zit een heel zeldzame postzegel, maar omdat ik u zo graag mag wil ik hem toch aan u geven. Open hem maar als u thuis bent, want hier heeft niemand iets mee te maken.”

Heel voorzichtig stopte hij de enveloppe in de binnenzak van zijn jasje en bedankte mij heel hartelijk..

 

Graag had ik zijn gezicht willen zien toen hij thuis gekomen de enveloppe opende en zijn eigen uitgeknipte hoofd er uit haalde als de zeldzame postzegel.

 

Nooit heeft hij hierop gereageerd.

 

Pas vanmorgen ( 08 mei 2007) toen ik hem bij het postkantoor tegenkwam en hem er aan herinnerde, vertelde hij me dat hij het een prachtmop heeft gevonden.

 

Brandus

 

[Naar boven]

 

 

 

UIERBOORD

 

Wat is uierboord?

Heel veel mensen, uitgezonderd de meeste  Rotterdammers, weten niet wat uierboord is.

Uierboord  werd in de volksmond “koeientiet” genoemd, dat in de dertiger jaren(werkeloosheid en crisistijd), door meestal  arme gezinnen werd gegeten, vooral in Rotterdam. Bij elke slager in Rotterdam was het destijds te koop. 

Of dat nu nog zo is weet ik niet, maar ik denk dat er ook nu in Rotterdam nog wel slagers te vinden zijn die het verkopen.

 

Ik kan me nog herinneren dat er in de Spanjaardstraat in Rotterdam op de markt een kraam stond waar je uitsluitend gekookte uierboord kon kopen..

Veel vrouwen kwamen dan met een pannetje aan de kraam om uierboord te kopen en kregen er dan ook wat jus bij.

Het was te koop in stukken of plakken. Uierboord kan ook gestoofd of gebakken worden gegeten.

Het is te vergelijken met gekookte lever, en heeft een gele kleur.

Een enkele keer werd het bij ons thuis ook wel eens gegeten op brood en met wat zout er op is het best wel te eten.

In Rotterdam wordt er elk jaar door mensen uit de artiestenwereld een  “Uierboordfeest”  georganiseerd in één of ander hotel restaurant waar veel bekende, en vooral Rotterdamse artiesten  op af komen.

André van Duin is gek op uierboord en hij is dan ook elk jaar op dit, voor hun feestmaal, van de partij.

 

Brandus

 

Noot:

 

Uierzalf en uiercrème zijn nog steeds te koop bij de drogist.

Het zijn een ouderwetse middeltjes voor de huid en, zijn volgens gebruiksaanwijzing, vochtbestendig, en hebben een verzorgende, verzachtende en ontsmettende werking.

Helpen soms ook tegen jeuk. 

 

 

 

[Naar boven]

 

 

 

FIETSTOCHT

 

Het zal in 1978 geweest zijn toen er een fietstocht rondom Anna Paulowna werd gehouden. Men kon voor twee afstanden inschrijven, t.w. 16 of 32 km.

Mijn schoonzoon Andy Pormes,  mijn dochter Mia,

Arie en Ria Schenkel, de families Witkamp, de Haas, en Truyens hadden zich laten inschrijven voor de afstand van 16 km. Zij waren allen trouwe supporters van een voetbal jeugdteam van BKC waarin hun zoontjes speelden.

Ook mijn vrouw en ik behoorden tot de supportersschare. Onze kleinzoon Danny keepte n.l. in dit elftal.

In de rust dronken de vaders en moeders van de spelertjes, m´n vrouw en ik

in de kantine koffie c.q. thee met elkaar. En wat was dat steeds oer gezellig!!!

Hoewel ik in jaren niet meer had gefietst, kregen ze mij zo gek om me  ook in te laten schrijven voor de 16 km. afstand.

Start en finish waren bij het toenmalige zwembad het Oude Veer. 

In m´n jonge jaren en in de hongerwinter had ik met m´n kunstbeen zoveel afstanden gefietst en afgelegd, dat een afstandje van 16 km geen bezwaar voor mij mocht zijn.

We kregen een routebeschrijving en mijn schoonzoon Andy fungeerde als gids. De routebeschrijving plaatste hij op het stuur van zijn fiets. Onderweg waren er diverse controleposten waar je een stempeltje op je deelnemerskaart moest halen.

Als ik me niet vergis moest je voor de 16 km afstand 4 van die stempeltjes hebben om in aanmerking te komen voor een medaille.

Vol goede moed togen wij op weg, maar na

2 controleposten te zijn gepasseerd kwamen we, na ongeveer een half uurtje te hebben gefietst, nog steeds geen 3e controlepost tegen, laat staan een 4e.

Om een lang verhaal kort te houden heeft Andy na heel veel fietsen, toch de 3e en 4e controlepost gevonden voor de vereiste stempeltjes. Maar de afstand die we inmiddels hadden afgelegd was beduidend meer dan 16 km, volgens mij wel 36 km.

Ik heb het vermoeden dat Andy de 36 km route heeft gevolgd.

Toen we uiteindelijk bij de finish aankwamen en ik met een enorme zadelpijn (etc.) doodmoe op een stoeltje neer plofte, was ik blij en toch wel een beetje trots dat ik de tocht had volbracht en de medaille kreeg overhandigd …………….

ook al was het de 16 km medaille.

(Op hiernaast geplaatste foto toon ik met enige trots mijn medaille)

 

 

Brandus

 

[Naar boven]

 

 

 

.

bruiloft

 

bruiloft

Inmiddels is het alweer bijna 2 jaar geleden toen mijn kleinzoon Roland in Spanje op 01 oktober 2005 in het huwelijksbootje stapte met zijn Spaanse

bruidje Mar. Vreemd genoeg een wat Hollands aandoende naam voor een Spaanse vrouw. 

Ongeveer een maand voor die tijd kreeg ik een telefonische uitnodiging van Roland met de mededeling dat als ik niet kwam, de bruiloft niet door zou gaan.

Nou, en dat wilde ik natuurlijk niet op m´n geweten hebben, dus beloofde ik hem te komen.

Enkele dagen voor de bruiloft stapte ik met m´n schoonzoon Andy Pormes, m´n dochter Mia, m´n kleinzoon Danny en Erna op het vliegtuig naar Spanje. Zelf logeerde ik in hotel Panorama in Estartit, terwijl de anderen elders in Estartit werden ondergebracht.                                                                                      

 

Brandus en Roland

Een dag voor de “grote dag” vroeg Roland of ik zin had om een rondje Estartit mee te vliegen in zijn sportvliegtuigje.

Nou, dat leek me wel wat. Weer eens wat anders dan in een groot passagiersvliegtuig.

Sommige lieden vroegen mij of ik niet bang was, maar in tegendeel.

Ik vertrouwde mijn hele “ hebben en houwen” met een gerust hart aan Roland toe, in de wetenschap dat hij, zo vlak voor z´n huwelijk, “magere Hein” geen schijn van een kans zou geven.

Alvorens te starten werd alles eerst door Roland zeer grondig gecontroleerd.

Het kostte mij enige moeite om me met mijn  kunstbeen in het vliegtuigje te wringen, maar uiteindelijk lukte het.

Ik moet zeggen dat het een hele belevenis was om Estartit zo vanuit de lucht te bekijken met de zee en het strand onder ons. Ik vond het geweldig.

Het starten en landen van het vliegtuigje ging Roland voortreffelijk af.

Ik heb enorm van de rondvlucht genoten.

De volgende dag toog ik ´s-morgens om 9 uur in m’n  “pakkie deftig” naar de zaak van Anja, in de veronderstelling dat de trouwerij om een uur of tien - half elf zou plaats vinden.

Van het personeel van de zaak kreeg ik echter te horen dat dit pas in de avonduren  plaats zou vinden en we er gezamenlijk om 5 uur heen gingen met een bus.

 

(Op geplaatste foto bruidspaar Roland en Mar)

 

Ik liep dus de hele dag mooi te wezen in m´n “pakkie deftig.”

Maar zittend op het terras van restaurant  “CHEERS” en onder het genot van een “bakkie” echte Hollandse koffie, ondertussen op m´n gemak mensen kijkend

(een leuke bezigheid),  kwam ik de dag wel door. 

Tegen vijven meldde ik me bij de bus waar al veel bruiloftsgasten stonden. Toen iedereen aanwezig was vertrokken we. De bus was zo goed als vol.

 

 

 

 

Het bleek dat de trouwerij in een kasteeltje ergens in de omgeving van Girona zou plaats vinden. Volgens zeggen ongeveer een uurtje rijden om er te komen. Omdat er onderweg een ongeluk had plaats gevonden moest de chauffeur van de bus een flink eind omrijden en arriveerden we dus later dan gepland.

Het kasteeltje stond halverwege op een berg en het bergpad daarheen bleek te smal voor de bus, zodat we met z´n allen naar het kasteeltje moesten lopen.

Nou, en dat heb ik geweten. Het was bloedje heet en met veel gepuf en inwendig gevloek, bereikte ik het kasteeltje.

Daar heb ik Roland gekscherend om een medaille en een getuigschrift gevraagd als beloning voor al m´n inspanningen.

Na de huwelijksvoltrekking (in het Spaans) en de felicitaties, kon men zich te goed doen aan allerlei hapjes en drankjes.

 

 

 

Een kok was steeds  druk in de weer om allerlei heerlijke warme hapjes te maken. Dit alles duurde ongeveer een uur. Gedurende die tijd werd er heel wat af gedronken en gekletst. Zowel in het Spaans, Duits. Engels en Nederlands.

Het was een internationaal gekakel van jewelste.

Voor de grap nam ik op een gegeven moment achter de dichtgeklapte piano plaats. Deze bleek op slot.  Met veel bravour en verwarde haren voor m´n gezicht deed ik net of ik de 7e symfonie van Beethoven speelde.

Tot m´n stomme verbazing kreeg ik aan het eind van m´n pantomime nog

applaus ook, maar wellicht dat ze gedacht hebben: “die kerel is dronken.”

 

Inmiddels was het tijd geworden om aan tafel te gaan voor het diner, en dat was in één woord voortreffelijk!

 

 

Tegen twaalven was er gelegenheid voor een dansje. De muziek werd verzorgd door een disjockey onder het motto: “het hoeft niet mooi te zijn als het maar hard is.”

Al gauw vluchtte ik dan ook de tuin van het kasteel in, die met schijnwerpers schitterend was verlicht in allerlei kleuren.

De bruiloft hield ik voor gezien.

 

Af en toe kwam er iemand in de tuin om een luchtje te scheppen of om een praatje met me te maken.

Ook Angeliquie (een vroegere medewerkster van Anja)  kwam op een gegeven moment naar me toe en zei met een zacht en zielig stemmetje:

”Ik ben jarig.” Dat deed me wel wat.

Ik vermoedde dat ze zich in al het feestgedruis toch wat eenzaam voelde.

Ik heb haar gefeliciteerd en getracht wat op te vrolijken.

 

Het zal 2 uur, half drie geweest zijn toen aan het feest een einde kwam en de terugtocht werd aanvaard.

Gelukkig hoefde ik niet lopend de berg af, maar bracht mijn kleindochter Marianne en haar vriend Dirk mij met hun auto naar de gereedstaande bus onderaan de berg.

Op de terugweg zong IK, af en toe bijgestaan door bruidegom Roland, het hoogste lied. De anderen waren of te moe, of hadden te diep in het glaasje gekeken.

Budy (een goede kennis) was zich nergens meer van bewust en lag zalig in “Bachus” armen te ronken.

Tegen 5 uur in de morgen kroop ik (niet dronken) in hotel Panorama onder de wol en was blij dat IK deze bruiloft niet hoefde te betalen.

 

Brandus

Onderstaand nog enkele foto´s.

Robi, Anja en Brandus

 

 Andy en Brandus

Angélique en Brandus  

 

 

[Naar boven]

 

 

TEROELE IDSKENHUIZEN

 

Jaren en jaren geleden toen we nog in de Olivier van Noordstraat in Den Helder woonde werden we door Anja en haar man Bas uitgenodigd om een 14 daagse  vakantie door te brengen in een door hun gehuurd vakantiehuisje in Teroele Idskehuizen in Friesland gelegen aan het Koevordermeer en met gebruik van een zeilboot.

Nou, daar hadden m´n vrouw en ik wel oren naar.

Bas had dit huisje gehuurd aan de hand van een advertentie in de “Telegraaf.”

Op de vrijdagavond voor ons vertrek naar, het door ons uitgesproken

Teroele Ipske Huuzen, was Roland (hun zoontje) plotsklaps niet erg lekker en wij vreesden dat onze vakantie in duigen zou vallen. Maar gelukkig was hij de volgende morgen weer wat opgeknapt en had geen koorts. Daarom waagden wij het er op naar Teroele  Ipske Huuzen te vertrekken.

Het zal ongeveer 10 uur in de morgen geweest zijn toen we, na veel zoekwerk, bij het minuscule dorpje (toentertijd  20 inwoners) aan kwamen.

 

Onderweg waren we een nogal bouwvallig houten huisje gepasseerd in een modderig weiland.

 

 

 

 

 

 

Voor de grap zei ik tegen Anja: ” Dat is zeker ons vakantiehuisje.” Waarop zij antwoordde:

 “M´n vader heeft weer wat. Natuurlijk niet!”

Bij een aannemer in het dorpje moest de sleutel worden opgehaald en kregen we te horen waar het huisje stond. En jawel hoor, het was het bewuste huisje wat we onderweg waren tegen gekomen.

Na ons door de modder (het had enkele dagen voor we vertrokken flink geregend) een weg te hebben gebaand, en Bas met de sleutel het huisje had geopend, zagen we als eerste in het halletje een grote gedenkplaat hangen met de titel: “Ter herinnering aan de Belgische vluchtelingen.”

Nou, dat was een leuke binnenkomer, want, toeval of niet,  Bas en Anja woonde op dat moment in België. Dat was dus lachen geblazen.

Toen we de kamer binnen kwamen was het eerste wat opviel de velen sporen slakkenslijm op het nogal versleten vloerkleed.

Ik plofte in een gemakkelijk uitziende fauteuil neer en had gelijk de loszittende leuning in m´n hand.

Bas nieuwsgierig geworden wat er in het kastje van het dressoirtje zou zitten hield bij het openen gelijk het deurtje in z´n hand.

Denk nu niet dat ik dit alles zwaar zit te overdrijven, nee in tegendeel, het is werkelijk waar gebeurd.

Na enige tijd besloten Bas en ik maar eens naar de zeilboot te gaan kijken en wat bleek, de zgn. zeilboot was een ijzeren roeibootje met anderhalve roeispaan.

Niet te geloven.

 

Het enige positieve was, dat Roland inmiddels helemaal was opgeknapt.

 

Nou ja, we zijn de dag door gekomen en vrij vroeg naar bed gegaan.

Ook het beddengoed was niet bepaald om over naar huis te schrijven, maar we namen het maar voor lief.

 

Van slapen kwam echter niet veel terecht, omdat we steeds weer vol verontwaardiging begonnen te praten over het feit dat iemand zoiets durfde te verhuren.

 

Het zal ongeveer 6 uur in de morgen geweest zijn toen ik luidkeels riep:

“Inpakken en weg wezen. Ik blijf hier niet langer. In Den Helder heb ik een prachtig huis met alles er op en er aan en ik ben niet van plan hier 14 dagen in deze “gribus” door te brengen.”

Nou, gelukkig was iedereen het daar roerend mee eens en het werd dus:

“inpakken en wegwezen.”

 

We hadden al ontdekt dat vlakbij een soort kruidenierswinkeltje was dat gelukkig al open was. Het zal toen even over zevenen geweest zijn.

Daar hebben we wat te eten hebben gekocht en aan het vrouwtje dat ons hielp gevraagd of zij de sleutel aan de aannemer terug wilde geven.

Ze vroeg: ”Gaan jullie nu al weg?” en toen we bevestigend antwoordde en verteld hadden waarom, zei ze: “Jullie zijn al de zoveelste die na één dag vertrekken.”

Kan je nagaan!

 

Wat waren we gelukkig toen we weer in ons eigen vertrouwde huis waren.

Voor ons gold toen echt: ” Eigen haard is goud waard!”

 

Naar de borgsom die vooruit betaald was konden we fluiten.

 Brandus

 

 [Naar boven]

  

 

 

TRANSIT CAMP HOEK VAN HOLLAND

 

Kort na de oorlog werd door de Engelsen het Transit Camp in Hoek van Holland in gebruik genomen, waarin voornamelijk Engelse militairen werden gehuisvest.

 

Ook waren er een aantal burgers werkzaam die voornamelijk uit Rotterdam en omgeving kwamen.

 

Zij werden dan ´s-morgens per truck naar het Transit Camp vervoerd en ´s-avonds weer naar hun woonplaats gebracht.

Zij kregen een bewijs voor maaltijden, welke in de civiele eetzaal gebruikt moesten worden. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De onderkomens bestonden voornamelijk uit koepelvormige barakken gemaakt van ijzeren golfplaten.

Ongeveer zoiets als op nevenstaande afbeelding.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik ben daar ongeveer 2 maanden als telefonist werkzaam geweest en ik woonde toen nog in Schiedam.

 

Enkele jaren geleden, ik logeerde toen bij een neef van mij,

Arie Klinge en zijn vrouw Alie in Schiedam, vertelde ik Arie dat ik vlak na de oorlog een tijdje in het Transit Camp in Hoek van Holland werkzaam was geweest als telefonist. Tot m´n stomme verbazing zei hij toen dat hij daar ook enige tijd als kok had gewerkt.

Door omstandigheden hadden we elkaar in geen jaren gesproken en het was puur toeval dat ik over het Transit Camp begon.

 

Frappant toch!

 

Onderstaand 3 foto´s van legitimatiekaartjes.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Brandus

[Naar boven]

 

 

 

VLOTJE SPRINGEN

 

Mijn broer Maarten zal ongeveer een jaar of 10 geweest zijn toen hij van mijn moeder een paar liter melk moest halen bij de melkboer.

Zij gaf hem een dubbeltje en het melkkannetje, en Maarten ging op stap.

Onderweg kwam hij langs de Schie waar een paar houten vlotten in het water lagen. Een vlot bestond uit een stuk of 5 of meer met elkaar verbonden boomstammen.

Deze boomstammen werden dan later in een zagerij tot planken verzaagd.

Enkele jongens waren aan het vlotje springen, een toen niet ongevaarlijke bezigheid. Je moest dan van het éne vlot op het andere springen en dan weer terug zonder in het water te vallen..

Maarten kon de verleiding niet weerstaan en ging met het dubbeltje in de ene en de melkkan in de andere hand ook vlotje springen.

Nu zat er op een bepaald vlot een kleine vierkante opening en of het zo moest zijn sprong Maarten daar per ongeluk precies in. Het dubbeltje in de éne en het melkkannetje in z´n andere hand.

Prompt ging hij kopje onder en verdween. Als door een wonder en tot z´n geluk kwam hij niet onder het vlot terecht.

Even later kwam hij  precies in het vierkante gat weer met z´n kop boven water. Vlug werd hij op het vlot getrokken. Het dubbeltje had hij nog in z´n éne hand, maar het melkkannetje in z´n andere hand was verdwenen.

Zo vlug als hij kon rende hij drijfnat naar huis en vertelde wat hem was overkomen. Het dubbeltje gaf hij aan moeder terug.

Zij vroeg waar het melkkannetje gebleven was en toen vertelde hij dat hij dat had los gelaten en in het water lag.

Zonder na te denken zei mijn moeder: “Dan ga je maar terug en kijken of je het kan vinden.”

Mijn vader, die toevalligerwijs nu eens thuis was en niet op zee, zei tegen mijn moeder: ”Ben je gek geworden? Wees blij dat die knul nog leeft. Voor hetzelfde geld was hij onder het vlot terecht gekomen en verdronken.”

Gelukkig drong dit nu ook tot mijn moeder door en hoefde  Maarten niet naar het melkkannetje op zoek te gaan.

 

Naschrift:

Toen dit is gebeurd was ik nog niet geboren.

Het verhaal heb ik uit overlevering en werd regelmatig verteld op verjaardagen en ander familieaangelegenheden.

 

 

Brandus

 

[Naar boven]

 

 

 

FRAPPANT!

 

In m´n jongensjaren toen ik in de Boerhavelaan in Schiedam woonde had ik een vriend Piet Antheunisse, die eveneens in Schiedam woonde in de van Leeuwenhoeckstraat. Regelmatig kwam ik bij hem thuis op visite.  

Gezamenlijk met mijn andere vriend Ad Klok kampeerden wij regelmatig op de kampeerboerderij van de familie van Nunen in Oosterhout.

Piet Antheunisse had een jonger broertje Ton die al jaren woonachtig is in Australië.

Bij een zoektocht op internet kwam Ton bij toeval terecht op de website van Kees Bakker (mijn computerleraar) t.w. www.cjbonline.nl. Hij zag op deze website het e-mailadres van het Internetcafe van Verzorgingstehuis Molenweid in Wieringerwaard,   waarop ook mijn verhalen (Verhalen van Vroeger) staan.

   Toen hij de naam Brandus Klinge las ging bij hem een “pitje branden” en herinnerde hij dat Brandus destijds een vriend met een     

Piet op de fiets in de van Leeuwenhoeckstraat. kunstbeen van zijn broer Piet was. Ook herinnerde hij zich dat deze Brandus Klinge wel eens gekheid met z´n kunstbeen uithaalde. Dat was voor hem een reden via internet vanuit Australië naar mij op zoek te gaan.

Omdat mijn computerleraar Kees Bakker ook les geeft in Molenweid zag hij bij toeval dat Ton Antheunisse via een mailtje naar mij op zoek was en via hem kwam ik aan het mailadres van Ton.

Regelmatig mail ik nu met Ton in Australië die mij, let wel, na bijna 70 jaar bij toeval op het spoor is gekomen.

Als dit niet FRAPPANT te noemen is weet ik het niet meer.

 

Van Ton ben ik aan de weet gekomen dat mijn jeugdvriend Piet Antheunisse helaas vier jaar geleden op 80 jarige leeftijd is overleden.

 

 

 

 

 [Naar boven]

 

 

Brandus   

"Moeder Ant soep”, het petroleumstel

en nog meer

 

Ik weet nog goed dat mijn moeder elke week soepgroente met balletjes en een mergpijpje kookte. Dit werd dan speciaal op een petroleumstel gedaan.

Zij gebruikte hiervoor het petroleumstel want zo zei ze, dat kon het zo lekker zachtjes “trekken.” En het dient gezegd:

de soep van mijn moeder was heerlijk en werd door ons altijd “moeder Ant” soep genoemd.

Mijn moeder heette van haar voornaam Johanna, maar mijn vader noemde haar altijd Ant. Vandaar dat wij het gekscherend altijd “moeder Ant soep" noemde.

Als iemand in de familie soep maakt vragen wij nu nog of het “moeder Ant soep" is.

Ook voor het zgn. “draadjesvlees” werd altijd het petroleumstel gebruikt, want daarop kon het zo heerlijk zachtjes gaar “sudderen.”

´s-Zaterdagmiddag was het meestal witte rijst met krenten, een klont boter en suiker. Ik vond het best wel lekker, maar tegenwoordig hoef je daar niet mee aan te komen, nasi is daarvoor in de plaats gekomen. Ook kregen wij op zaterdagmiddag i.p.v. rijst met krenten wel eens karnemelkse boekweitgrutten met boter en stroop. Als er grutten overbleven werden die de volgende dag gebakken en met boter en stroop gegeten. Lekker en voedzaam.  

Als toetje kregen wij na een warme maaltijd vaak griesmeelpudding met bessensap omdat mijn moeder wist dat ik daar gek op was en zij mij wilde verwennen.

Mijn moeder maakte altijd heel veel werk van het eten en het bovenstaande zijn slechts enkele kook en eetgewoonten die ik me nog herinner.

 

Brandus

 [Naar boven]

 

 

Doop door onderdompeling

 

Op 04 mei 2008 werd een “doopdienst” gehouden in de kerk “Anker” te Middenmeer.

Voor deze doop hadden zich 7 mensen opgegeven, waaronder ikzelf.

De reden waarom ik mij liet dopen was gelegen in het feit dat ik destijds een wonderbaarlijke genezing heb meegemaakt in de  kerk aan de Burgemeester Mijnliefstraat te Anna Paulowna waar door Bob Brasset uit Canada een genezing samenkomst werd gehouden. (Zie mijn verhaal wonderen bestaan echt.)

De vertaling in het Engels verzorgde Peter de Jong.

Met onze “Lieve Heer” had ik een soort belofte afgesloten dat als ik werkelijk een wonderbaarlijke genezing zou meemaken ik mij zou laten dopen.

Welnu, ik maakte een dergelijke genezing mee en diende mijn belofte dus gestand te doen.

In beginsel was het de bedoeling dat ik mij in zee zou laten dopen, doch die zomer was het behoorlijk koud en steeds slecht weer, terwijl ook mijn bloeddruk veel te hoog was en mijn gezondheidstoestand niet optimaal.

Het dopen werd dus uitgesteld tot de omstandigheden met mijn gezondheid beter waren. Gelukkig was dat op 04 mei j.l. het geval.

Nu is 04 mei voor mij een wat ongelukkige datum omdat ik de oorlog 1940-45

heb meegemaakt en 04 mei een dag is waarop de doden herdacht worden die in genoemde oorlog zijn omgekomen. Omdat de kerk in Middenmeer voor de doop alleen op deze dag beschikbaar was heb ik me uiteindelijk toch voor doop  opgegeven, mede omdat ik het niet langer uit wilde stellen.

In mijn jeugd heb ik het, tot verdriet van mijn moeder, nooit laten doen omdat ik mij te slecht vond en de mening ben toegedaan dat als iemand zich laat dopen hij of zij er ook naar moet leven. Voor mezelf was ik de mening toegedaan dat ik dit toen niet kon.

Gezegd dient te worden dat alles voor de doop in Middenmeer prima geregeld was. Zelf had ik de beschikking over de kinderopvangruimte waar ik me rustig kon omkleden voor de doop.

Na de preek van Peter Zeeman was ik het eerste voor de doop aan de beurt.

Het eerste wat mij opviel was, dat het water tot mijn verrassing heerlijk verwarmd was en daarop had ik echt niet gerekend. Wel moest ik voorzichtig zijn om niet te vallen, want het was nogal glad, maar Peter en zijn zoon Menno hielden mij stevig vast.

Het eerste wat ik zei na mijn onderdompeling was:          “Het is volbracht.”

Op de eerste plaats wilde ik hiermee zeggen dat ik mijn belofte aan onze

“Lieve Heer” ben nagekomen en mijn moeder blij geweest zou zijn dat ik mij uiteindelijk toch heb laten dopen.

 

Voor de tijd die mij nog is gegund zal ik proberen een goed mens te zijn.

Na de doopplechtigheid werd het door mij opgegeven lied “de Heer is mijn Herder” gezongen. Dit lied was het lievelingslied van mijn moeder en dit schoot mij als eerste te binnen toen mij onverwacht werd verzocht of ik een  bepaalde voorkeur voor een lied had.

Hierna ging ik me omkleden en nam in de kerk plaats.

Nadat iedereen gedoopt was en zich had omgekleed werd door Frans Vlaming aan alle dopelingen een prachtig met de hand gemaakt doopbewijs uitgereikt, waarvoor mijn complimenten.

Hierna was er voor iedereen de gelegenheid om de dopelingen te feliciteren met hun genomen beslissing en het eventueel overhandigen van een bloemetje en of geschenken.

Daarna was er voor iedereen gelegenheid om in een zaaltje koffie of thee met cake te gebruiken en wat na te kletsen over de afgelopen gebeurtenissen.

Dit werd een gezellig gebeuren en er werd wat afgekletst.

Graag wil ik alle mensen bedanken voor alle bloemen, geschenken, spreuken, bijbelteksten en goede wensen die ik heb gekregen.

Mijn dochter Mia en mijn schoonzoon Andy  hebben alles feestelijk uitgestald op tafel bij mij thuis met de bloemen. Prachtig. En wat heb ik veel gekregen!

Een speciaal woord van dank aan Peter Zeeman, zijn zoon Menno voor de gesproken woorden en verder aan de mannen van  OASE van het “sterke geslacht” die mij behulpzaam zijn geweest om mijn doop mogelijk te maken.

 

Brandus

[Naar boven]

 

KOSTGELD

 

Toen onze dochter Anja voor het eerst ging werken mocht zij haar eerst ontvangen salaris zelf houden. Daarna moest zij een, naar onze mening, klein bedrag aan kostgeld betalen.

Als het eten haar niet aanstond was haar commentaar steevast:

“Ik betaal nou toch zeker kostgeld!”

Gelukkig trok mijn vrouw Jeanne zich daar weinig van aan, temeer omdat dit zo genaamde kostgeld iedere keer op haar spaarbankboekje werd bijgeschreven om later de uitzet te kunnen betalen wanneer zij ging trouwen.

Maar dat wist Anja niet.

Enkele maanden voor  de trouwerij zou plaats vinden, vertelde mijn vrouw haar dat zij elke keer het zogenaamde kostgeld op haar spaarbankboekje had laten bijschrijven voor de uitzet.

Anja kreeg op dat moment een kleur van schaamte en blijdschap en wist niet hoe ze mijn vrouw moest bedanken.

 

Zo had ze, onverwacht, toch nog een aardig centje voor haar uitzet.

 

Brandus

 [Naar boven]

 

             Overpeinzing

 

 

Wat zou ik graag een schilderij maken

 

met grauwe grijze wolken

 

en een wilde zee

 

met hoge woeste golven

 

met  witte koppen waarop schuimvlokken

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

die er van af spatten

 

en die als het ware van het doek rollen

 

om alle leed en onrecht op deze wereld

 

en ook alle frustraties weg te spoelen.

 

 

 Maar helaas ………………. ik heb het “talent” niet.

 

 

 

 

Brandus

 [Naar boven]

 

 

 

WAT MIJ ALS KIND TOTAAL NIET INTERESSEERDE

 

Ik zal ongeveer 8 jaar geweest zijn toen ik in Rotterdam regelmatig met Rooms Katholieke vriendjes ging figuurzagen.

Dit gebeurde bij de Kruisvaarders, een Katholieke vereniging.

Ik herinner mij nog dat ik daar ook een zeemeeuw, die op een meerpaal stond, in hout te hebben gebrand. 

Ook ging ik ´s-zondags regelmatig met mijn vriendjes naar de R.K. kerk en droeg om mijn nek een blauw Maria medaillon aan een koordje.

Voor het slapen gaan deed ik altijd braaf mijn gebedje.

Ik was geloof ik nog katholieker dan mijn vriendjes.

Op een dag kwam de pastoor bij ons aan de deur en vroeg aan mijn moeder (mijn vader was op zee) of zij Katholiek was. Mijn moeder antwoordde ontkennend en vertelde de pastoor dat zij Remonstrants was.

De pastoor vertelde mijn moeder dat ik regelmatig bij de Kruisvaarders

kwam om te figuurzagen en dergelijke en of zij daar geen bezwaar tegen had.

Hierop antwoordde mijn moeder, dat, als ik daar geen slechtigheid leerde, zij er geen enkel bezwaar tegen had.

Niet lang daarna kreeg ik andere vriendjes waarvan de ouders lid waren van de

S.D.A.P. die toen “De Rooien” werden genoemd.

De S.D.A.P. had in de Nanningsstraat een verenigingszaaltje waar de kinderen zich konden bezighouden met allerlei soorten handenarbeid en met die vriendjes ging ik in dat zaaltje weer figuurzagen.

Gelukkig vond mijn moeder het allemaal best en zelf stond ik er echt  niet bij stil of mijn vriendjes katholiek waren of niet, of waarvan de ouders lid waren van de S.D.A.P.

 

Als kind speelde je gewoon met elkaar, geloof en politiek deden er niet toe.

 

 

Brandus   

[Naar boven]

 

Zeeschilderij

 

Enig tijd geleden stond in de Polderbode (het lokale weekblad van Anna Paulowna) een artikel dat op zaterdag 16 augustus j.l. voor een ieder de mogelijkheid bestond om een zeeschilderij te maken, ook al had men geen enkele ervaring.

Doek, verf, kwasten, etc. werden beschikbaar gesteld en tegen betaling van het inschrijfgeld mocht men het geschilderde zeegezicht mee naar huis nemen.

Nu wilde ik al geruime tijd graag een zeeschildering maken van een woeste zee,

maar ik had geen enkele ervaring en schreef daarom mijn overpeinzing (zie mijn voor-vorige verhaal!) die ik aan Kees Doolaard overhandigde.

(Zie ook Galerie Doolaard, een van mijn vorige verhalen!)

 

Mijn overpeinzing gelezen hebbende was hij het met de laatste zin niet eens.

Hij was de mening toegedaan dat ik het misschien wel kon en wist mij om te praten dat ik het zou proberen. Gevolg was dat ik die zaterdagmiddag bij “Galerie Doolaard” bleef om mijn zeeschilderij te maken.

Kees had beloofd mij behulpzaam te zijn na zijn “slapie”.

Vooraf gaf Elly zijn vrouw, onder het genot van een kop koffie of thee met koek, een korte technische uiteenzetting.

Daarna gaf zij met schilderen op een doek aan hoe men diende te beginnen.

Aanwezig waren 8 dames en 2 heren die zich hadden opgegeven om aan dit evenement deel te nemen.

Ook Olga, als assistente aanwezig, gaf zo nodig aanwijzingen en was eventueel behulpzaam bij het schilderen.

Het zal ongeveer een goed uur later geweest zijn toen Kees na z´n “slapie” mij te hulp kwam om een zee te schilderen. Nou, ik moet zeggen hij kan er wat van.

Hij bleef zowat de hele tijd aan het schilderen en af en toe liet hij mij op zijn aanwijzing ook heel even wat prutsen.

Om kort te gaan, er ontstond uiteindelijk toch een zeeschildering welke in hoofdzaak door Kees gemaakt was en het aanzien alleszins waard. Toen mij echter werd gevraagd het schilderij met mijn naam te signeren wilde ik daar niets van weten. Omdat Kees het leeuwenaandeel geschilderd had wilde ik het wel met de naam Kees Doolaard signeren, maar dat wilde hij niet, zodat het schilderij niet is gesigneerd. De nabespreking was heel gezellig met koffie of thee, waarna iedereen (behalve ik) zijn of haar geschilderde zeeaanzicht mee naar huis nam.

Het door Kees (en een heel klein beetje door mij) geschilderde zeegezicht bleef bij Kees en Elly om ingelijst te worden, waarna het door mij aan iemand of aan een liefdadige instelling zal worden weggegeven.

Omdat ik toch het één en ander over de opzet en dergelijk heb opgestoken

ben ik van plan om het t.z.t. nogmaals een keer te proberen, met de hoop dat het mij dan beter lukt en ik minder hulp nodig heb, zodat ik het dan wel met mijn naam kan signeren.

 

 

                                                                                                            Brandus

 

[Naar boven]

 

Onderzoek

 

Onlangs moest ik voor een onderzoek aan m´n “rikketik” naar het Gemini ziekenhuis in Den Helder.

Uit bezorgdheid werd ik vergezeld door mijn schoonzoon Andy en mijn dochter Mia. Om bij de afdeling te komen waar het onderzoek zou plaats vinden moest ik zowat het hele ziekenhuis doorlopen. Toen ik uiteindelijk doodmoe bij de vrouwelijke Tsjechise arts kwam vertelde ik haar dat ik wel aan de vierdaagse mee kon doen omdat ik zo´n eind in het ziekenhuis gelopen had. Zij begreep mij echter helemaal verkeerd en zei vol bewondering: ”Heeft u met dat been (ik heb n.l. een kunstbeen) de vierdaagse meegelopen?!”

M´n dochter kon met moeite haar lachen bedwingen en vertelde haar dat ik het maar bij wijze van spreken had gezegd omdat ik in het ziekenhuis zo veel had moeten lopen. Gelukkig begreep ze het toen en werd ik naar diverse andere afdelingen verwezen voor verder onderzoek. Daarna moest ik weer bij haar terug komen voor de uitslag.

In het ziekenhuis had Mia het behoorlijk koud gekregen en Andy gevraagd bij mij te blijven zodat zij zich beneden in de hal wat kon verwarmen en koffie drinken. Zo gezegd, zo gedaan.

Toen de onderzoeken achter de rug waren kon ik niet nalaten tegen één van de niet onknappe en aardige zusters te zeggen: ”Als ik u zie voel ik me al een eind opgeknapt”. Waarop deze enorm begon te blozen en van de afdeling wegvluchtte.

Vervolgens ging ik begeleid door Andy naar de vrouwelijke Tsjechise arts om de uitslag van de onderzoeken te vernemen.

Gelukkig viel het allemaal wel mee. Zij schreef wat medicijnen voor om de klachten te verhelpen en zei: ”Maar als u weer last krijg moet u aan de bel trekken”. Toen kon ik niet nalaten te vragen: ”Welke bel?”

Mijn schoonzoon Andy lag in een deuk toen hij het verwonderde gezicht van de

arts zag. Zij begreep er totaal niets van. Ik heb haar toen maar uit de droom geholpen en met een tikje op haar schouder verteld dat ik maar een grapje maakte en wel begreep wat zij bedoelde.

Gelukkig moest zij er toen ook smakelijk om lachen

In de hal van het ziekenhuis hebben wij de hele toedracht aan Mia verteld en daarna lachend en vrolijk het ziekenhuis verlaten.

 

Brandus

 

[Naar boven]

 

  

SinteMaarten

 

Toen wij nog maar enkele dagen in Den Helder woonden vertelde onze buurvrouw mijn vrouw  dat er de volgende dag (11 november) door de kinderen SinteMaarten werd gevierd en dat mijn vrouw wel het nodige snoep in huis moest halen omdat de kinderen ´s-avonds met verlichte lampions SinteMaartenliedjes kwamen zingen om snoep op te halen.

Nu kwamen wij uit Rotterdam en daar werd dit niet gedaan. Het was dus voor ons en onze 2 dochters weer wat nieuws.

Inderdaad kwamen de kinderen de volgende avond met hun verlichtte lampionnetjes langs en zongen dan zo vlug mogelijk een SinteMaartenliedje om snel naar het volgende adres te gaan om daar weer het nodige snoep in de wacht te slepen.

In de haast hadden onze 2 dochtertjes Anja en Mia onderstaand liedje geleerd:

 

SinteMaarten had een koe, die moest naar de slager toe.

 

Was hij dik of mager, hij moest naar de slager.

 

En ook zij gingen zo snel mogelijk de huizen langs voor snoep.

Regelmatig kwamen zij weer thuis om hun zak snoep te legen als deze vol was om dan weer snel te verdwijnen om zoveel mogelijk lekkers te vergaren.

Al gauw bleek dat mijn vrouw veel te weinig snoep had ingekocht en ten einde raad begon zij het snoep, dat onze 2 meiden hadden opgehaald, uit te delen.

Die kregen dat al gauw in de gaten en waren daar helemaal niet blij mee.

Maar nood breekt wetten, en al was het met tegenzin, zij moesten  er wel genoegen mee nemen.

De jaren er na zorgde mijn vrouw er wel voor met SinteMaarten voldoende snoepgoed in huis te hebben om uit te delen.

 

Maar elk jaar gaat met SinteMaarten dit verhaal nog rond in de familie.

 

Brandus    

[Naar boven]

 

 

Inwoning

 

Vlak na de oorlog 1940-1945 was er vooral in Rotterdam en omstreken grote woningnood. Het gevolg van het bombardement van de binnenstad van Rotterdam door de Duitsers en het “Vergeten bombardement” op het westen van Rotterdam door de Engelsen.

 

          Zie mijn boeken “Mijn Memoires 1940-1945” en “Brandus verteld”.

Of kijk op website www.cjbonline.nl  bij Verhalen van vroeger onder

de met rubriek 1940-1945.

 

Na de bevrijding in 1945 werd eventuele inwoning verplicht.

Om woekerprijzen voor de afgestane woonruimte te voorkomen, werd het “Prijzenbureau voor Onroerende Zaken” in het leven geroepen.

Indien men over overtollige woonruimte beschikte, kreeg men dus

inwoning van een gezin dat niet over een woning de beschikking had.

Van tevoren kwam er eerst een gemeenteambtenaar de woning  in ogenschouw nemen. Kwam deze voor inwoning in aanmerking, dan werd de huurprijs bepaald van het afgestane woongedeelte welke aan de hoofdbewoner moest worden betaald inclusief een winstpercentage van 20%.

In die tijd was ik werkzaam bij dat “Prijzenbureau” en  ik kan u de verzekering geven dat in veel gevallen heel wat ruzie ontstond  tussen de hoofdbewoners en het inwonende gezin.

Als men de beschikking had over een grote woning met kans op inwoning, probeerde men vaak met allerlei middelen en uit alle macht hieraan te ontkomen.

 

In maart 1953 heb ik in een revue meegespeeld waarin ondermeer de schets “Huiselijk verkeer” voorkwam waarin het bovenstaande goed tot uitdrukking komt.

 

Om u een indruk te geven over deze toestanden destijds volgt nu het verslag van de schets met foto.

 

 

 

 

Huiselijk verkeer

 

 

De schets “Huiselijk verkeer” waarmee deze revue werd besloten  kan ik me nog goed herinneren.

Een gezin of echtpaar zonder woning  kwam dan eerst kijken of ze wel bij je in wilde trekken.

 

In de schets is er een gezin dat inwoning dreigt te krijgen van een echtpaar en dat helemaal niet ziet zitten. Zij besluiten het echtpaar dat eventueel zal komen inwonen en polshoogte komt nemen af te schrikken door zich nog erger dan het huishouden van Jan Steen voor te doen.

Vader met z´n voeten in een teil met water, een zoon met bokshandschoenen die met Jan en alleman wil vechten, opa op een hobbelpaard, een dochter die niets anders doet dan ruzie zoeken en schelden, en ga zo maar door.

Toen het echtpaar dit alles aanschouwde en aanhoorde sloeg de schrik hun om het hart.

 

Tot groot vermaak van het  gezin en onder grote hilariteit van het publiek, slaat het echtpaar uiteindelijk op de vlucht en valt het doek.

 

De list was gelukt.

 

In werkelijkheid ging het er misschien iets minder heftig aan toe, maar

neemt u van mij aan dat in veel gevallen van alles werd geprobeerd om inwoning te voorkomen.

 

Brandus

[Naar boven]

 

 

 

 

Niet te geloven!

 

Toen ik op een zaterdagmiddag bij de HEMA in Den Helder koffie zat te drinken kwam er een mevrouw op me af en vertelde mij dat ze een stukje uit de Helderse Zondagkrant had uitgeknipt voor mij, betreffende de opening van het negende filiaal van de stoffenzaak Van Dam  aan de Beatrixstraat op 23 augustus 1968. (Thans de lunchroom van de Hema.)

Zij wist dat ik momenteel in Anna Paulowna woonachtig ben en daar wordt de Helderse Zondagkrant niet bezorgd. Ook wist zij dat mijn vrouw jaren geleden is overleden, maar destijds bedrijfsleidster was van deze zaak.

Omdat in het artikel tevens een foto was geplaatst van deze opening, waarop ook mijn vrouw staat, had zij dit verslag voor mij uitgeknipt.

U zult begrijpen dat ik enorm verrast was. Deze foto was mij niet bekend en dat zij bij het zien van deze foto aan mij gedacht heeft en het geschrevene met geplaatste foto voor mij heeft uitgeknipt vond ik bijzonder lief en attent.

Ik heb haar dan ook  uitvoerig bedankt.

 

Te uwer informatie onderstaand het geplaatste artikeltje met foto in de Helderse Zondagkrant van 31 augustus 2008.

 

 

Citaat.

 

Gouden jaren bij Van Dam

 

Op 23 augustus 1968 opende mevrouw Veerman-Blom het negende filiaal van stoffenzaak Van Dam aan de Beatrixstraat.

 

Bedrijfsleidster mevrouw Klinge-Steutel beleefd met een aantal verkoopsters gouden jaren.

 

Presentator Vermooten zocht één van de medewerksters Truus Scherpenzeel op

 

 

 

 

 

Einde citaat.

 

 

 

 

 

Brandus

 

[Naar boven]

 

 

 

 

 

 
 

[Terug naar verhalen van vroeger]           [Terug naar Welkom]            [Terug naar Nieuws]