 |
|  |
Historie van de filosofieeen beknopt
overzicht van de voorsocratici tot de renaissance VOORSOCRATICIThales
(6e eeuw v.Chr.), Milete Oerstof: water (?) Anaximander
(± 611-549), Milete Apeiron (het onbepaalde, onbegrensde) = oorzaak
van alle Zijn. Periodieke wisseling van ontstaan en vernietiging der werelden. Oerstof:
water. Evolutie: mens oorspronkelijk uit water afkomstig. Anaximenes
(?-527), Milete Oerstof: lucht (ziel als levende adem); ook periodieke wisseling
van ontstaan en vernietiging der werelden. Pythagoras
(± 580-500), Zuid-Italië Heeft het woord filosofie voor het eerst gebruikt. Oerwet
i.p.v. oerstof, n.l. onveranderlijke getalmatige verhoudingen = harmonie
van de wereld; alles is in getalsverhoudingen gevormd. Mystieke ideeën:
o.a. reïncarnatie. Pythagoreïsche ethiek: zelfdiscipline, soberheid, onthouding.
Xenophanes
van Elea (± 580-?) Pantheïsme: één hoogste, beste, alomtegenwoordig wezen (god)
--> eeuwig onveranderlijk Zijn achter de veelheid van verschijnselen;
eenheid in de wereld. Parmenides
(± 545-480), Elea. onveranderlijk Zijn. Waarheid & Weten tegenover Schijn
& Menen. Alleen het Zijnde bestaat, het niet-zijnde bestaat niet. Zijnde
is opvulling van lege ruimte. Beweging veronderstelt niet-zijn: voorwerp kan
alleen plaatsnemen daar waar niets is (lege ruimte = niet-zijn); echter 'niets'
bestaat niet; er is dus geen beweging mogelijk (een analoge redenering voor 'ontwikkeling'
en 'worden'). Zeno
van Elea (± 490-?) Paradoxen (Achilles
en de schildpad & vliegende pijl) om Parmenides' tegenstanders te bestrijden.
Heraclitus
(± 540-?), Ionië Eenheid in de veelheid en veelheid in de eenheid. Oervuur
(oerenergie), waaruit - volgens wet - de wereld voortkomt (oplaaien) en waarin
wereld weer terugvalt (doven). Wet = eenheid der tegenstellingen. Samengaan
en -werken van tegenstellingen dialectische ontwikkelingsleer (dialectiek = bewijsvoering
met woord en weerwoord). Panta Rhei (alles stroomt). Empedocles
(± 492-432), Sicilië Vier grondstoffen (elementen): vuur, lucht, water en aarde.
Afronding natuurfilosofie. Drijvende en vormende krachten van alles wat er
gebeurt zijn een verenigende (liefde/aantrekking) en een scheidende (haat/afstoting)
kracht. In ontwikkeling overheerst afwisselend de een of de ander. Democritus
(± 470-360), Thracië Wereld bestaat uit ruimte-vullend Zijnde en lege ruimt/niet-zijnde. Het
ruimte-vullende is niet 'één', maar bestaat uit ondeelbare, onveranderlijke en
onvergankelijke deeltjes (atomen), die de ruimte geheel vullen. Alle atomen
zijn van dezelfde 'stof', maar verschillen in grootte en gewicht. Primaire
eigenschappen zijn zwaarte, dichtheid (ondoordringbaarheid) en hardheid. Verschillen
in vorm, ligging, grootte en ordening van atomen bepalen de eigenschappen van
de dingen. Alle andere eigenschappen zijn secundaire eigenschappen en worden
bepaald door de aard van onze zintuigen en niet door de dingen zelf, b.v. reuk,
kleur, warmte, smaak en klank. Er is eeuwige beweging van atomen in een oneindige
ruimte, volgens onbekende wetten. Dingen ontstaan als gelijksoortige atomen
zich binden. De menselijke ziel bestaat uit atomen. Anaxagoras
(500-?), Athene Onbegrende hoeveelheid kwalitatief verschillende oerelementen,
'zaden/kiemen' (i.t.t. kwantitatief, bij Democritus). 'Nous' (denkende,
redelijke, onpersoonlijk gedacht geest) als 'eerste beweger', daarna alles volgens
ontwikkelingswetten. BLOEITIJD
GRIEKSE FILOSOFIEDe sofisten, w.o. Protagoras
(± 480-410) 'Sophistai' = 'leraren tot wijsheid'. Objectieve kennis is onmogelijk. Scepsis
m.b.t. theoretische kennis (practici), daarom ook morele scepsis. Redeneerkunst
meer een middel tot overreding dan tot overtuiging: niet wie gelijk heeft,
maar wie gelijk krijgt, het recht van de sterkste. Aandacht voor mens
i.p.v. natuur. Denken zelf tot onderwerp van denken gemaakt. Ethische maatstaven
aan kritisch onderzoek onderworpen. Socrates
(± 470-399) Socratische methode: anderen helpen bij de geboorte van hun ideeën;
dialectiek van de sofisten; logische trucs en slimmigheden; mens i.p.v. natuur
als onderwerp van denken; scepsis: "Ik weet dat ik niets weet." Plato
(427-347) Doel van de filosofie is maatstaven vinden voor denken en handelen.
In de eeuwige Ideeën zijn deze maatstaven te vinden. - Ideeënleer:
Eros (1. liefdes-/geslachtsdrift; 2. god van de liefde) = streven om van zinnelijke
naar geestelijke op te stijgen, via iedere bezigheid met het schone: lichamelijkheid
--> muziek --> wiskunde --> kennis
der Ideeën. Dialectisch denken stijgt op van bijzondere naar algemene. Grot-allegorie.
Ideeën (eidos) zijn vormen, algemeenheden van het Zijn en bezitten de enige echte
(metafysische) werkelijkheid. Dualisme. - Antropologie en ethiek:
De ziel is onsterfelijk. Alle kennis is herinnering (uit vorige belichamingen
van de ziel). D.m.v. deugd (= toestand van de ziel) kan de ziel deelhebben
aan de wereld der Ideeën (n.l. de Idee van het Goede). Vier hoofddeugden: wijsheid,
dapperheid, bezonnenheid, gerechtigheid.
- Staatsleer: kritiek op staatsvormen:
- oligarchie: kapitalisme, verdeeldheid (rijk en arm), behoeftigheid leidt
tot stelen, dus i.p.v. streven naar wijsheid en rechtvaardigheid, streven naar
winst en rijkdom; - democratie: vrijheid, leidt tot anarchisme; - tirannie:
machtswellust, geen gerechtigheid. De Ideale staat: aristocratie: selectie
van bestuurders leidt tot regering van de besten, geen privé-eigendom (leidt tot
verdeeldheid), maar communisme inzake bezit en seksualiteit.
Aristoteles
(384-322) - Logica: Normatieve formele wetenschap, bestaat uit de elementen:
Begrip (denken alleen mogelijk volgens juiste begrippen - oftewel definities,
die bestaan uit overeenkomsten en onderscheidingen tussen voorwerpen); Categorie
(tien hoogste algemene begrippen: substantie, kwantiteit, kwaliteit, relatie,
plaats, tijd, toestand, hebben, werken, ondergáán); Oordeel (verband tussen
twee begrippen; bevestigend/ontkennend, algemeen/bijzonder/eenvoudig, zijn/moeten/kunnen);
Conclusie (volgt uit premissen: een algemene (major) en een bijzondere
(minor) uitspraak; ofwel een syllogisme); Bewijs (samenvoeging van conclusies;
moet gewaarborgd zijn: moet op algemener niveau ook bewezen kunnen worden); Inductie.
- Fysica: Teleologisch, de natuur is doelmatig geordend.
- Metafysica:
Geen Ideeën, maar toch begrijpen we met kennis van het algemene iets van het wezen
van het Zijnde. Kennis heeft betrekking op noodzakelijke onveranderlijke verschijnselen:
vormen (verg. Plato's eidos). Materie of stof, los van vormen bezit geen
werkelijkheid. De vormen zijn tevens het doel en de kracht van de stof, die ongevormde
stof tot werkelijkheid maakt.
Vier oorzaken voor het zijnde: causa materialis
(de stof); causa formalis (de vorm); causa efficiens (de werkoorzaak,
dat wat vormt); causa finalis (doeloorzaak, het waarvoor). Beweging
ontstaat als vorm en stof met elkaar in aanraking komen. Beweging veronderstelt
een (eerste) beweger: een zuivere vorm (zonder stof) is het absoluut volmaakte;
een godheid die zuiver denken is. - Antropologie: vertrouwen in zintuigelijke
waarnemening, een gemeenschappelijk zintuig voegt afzonderlijke zintuiglijke waarneming
samen tot een volledig beeld van de werkelijkheid. De geest is onsterfeijk.
- Ethiek: deugd is de hoogste perfectie van redelijkheid.
- Staatsleer:
mengvorm van democratie en aristocratie, zodat de middenklasse het zwaartepunt
van de staatsgemeenschap vormt; dit is de beste garantie voor duurzaamheid.
Cynici:
"Vrij zijn van behoeften", kosmopolieten, het komt er niet op aan wat de mens
heeft, maar wat de mens is. Diogenes (leefde in een ton, 'als een hond'
- in het grieks: 'kyon', wordt: 'cynisch'). De wereld is slecht, laten we dus
proberen er onafhankelijk van te zijn. Platonici: De door Plato
opgerichte Academie. Aanvankelijk Pythagoreïsch met late ideeën van Plato, daarna
scepticisme, eclecticisme, neoplatonisme. Gesloten in 529 na Chr.
vanaf
de dood van Alexander de Grote (± 325) tot ± jaar 0. Een op de de Griekse cultuur
gebaseerde kosmopolitische cultuur. Drie begrippen staan centraal in de Romeinse
(pragmatische) geest: - kosmos: geordend wereldgeheel
- logos: alles
besturende rede (oerfenomeen)
- eros: leven voor het schone, verbonden met
het goede
Stoïcijnen Zeno
(340-260) stichtte de school in de 'Stoa Poikilè' (bonte zuilengang). De Stoïcijnen
waren gematigder dan de cynici, door wie zij werden beïnvloed. Drie onderdelen
in de filosofie: - Logica: voortbouwen op Aristoteles. 1. retorica
(monoloog); 2. dialectiek (met anderen redeneren/denken). Kennis moet uitgaan
van waarneming van het concrete (empirisme). Het verstand is bij de geboorte een
tabula rasa (ongeschreven blad).
- Fysica: materialistisch; monistisch;
(immanente) wetmatigheid
--> Logos (of: Nous / Ziel / Noodzakelijkheid)
als determinerende kracht (pantheïsme). - Ethica: Leven volgens de natuur;
mens = redelijk wezen
--> De enige deugd: leven volgens
de rede, leidt tot geluk. Het enige kwaad: niet-redelijk zijn. Al het andere
is onverschillig. Affecten (driften, hartstocht) bedriegen de rede; daarom
moet de mens strijden tegen affecten. Het doel van de ziel = hartstochtloosheid
(apathie) = wijsheid. Geen cynisch egoïsme (= leven
voor eigen onafhankelijkheid en innerlijke vrijheid), maar sociale eisen: rechtvaardigheid
en mensenliefde (kosmopolitisme). Epicureeërs Epicurus
(341-270) volgt de atoomleer van Democritus (natuurwetten, komen geen goden aan
te pas) --> bevrijding van angst voor bovenaardse machten en de
dood. Genieten (van lust) = vermijden van onlust. Rede leidt het streven naar
geluk. Echt geluk = ongestoorde bespiegeling, in kalme rust van de geest. Sceptici Sceptici
houden echte kennis principieel voor onmogelijk. Verscheidenheid in de wereld
--> onkenbaarheid --> niet hoeven oordelen -->
blijde, onverstoorbare zielerust. Eclectici (uitkiezers) Eclecticisme
= versmelting van diverse filosofische scholen. - Romeins eclecticisme:
Cicero
(106-43 v.Chr.): praktisch nut.
- Alexandrijns eclecticisme: Joods-Hellenistische
filosofie. Versmelting van Oude Testament en Griekse filosofie (m.n. Plato).
Neoplatonisme
(2e eeuw na Chr. - 6e eeuw) Eclectisch, maar systematisch opgebouwd vanuit
allesbeheersend grondbeginsel. Plotinus
(?-270 na Chr.), Rome. God: het Ene / Eerste / Eeuwige / Hoogste / Goede =
volmaakt en in rust: onvoorstelbaar dat het iets zou begeren of doen. 'Uitstraling'
(emanentie) van God over verschillende 'zijnssferen': 1. Geest (niet God
zelf, want goddelijke geest = geheel van Ideeën). 2. Wereldziel (wereld
van het psychische) in elke afzonderlijke ziel aanwezig. 3. Materie (meest
onvolmaakte; zelfs het duistere/kwade). Mensdoel: zo dicht mogelijk naar het
goddelijke toe --> extatisch één-zijn met God: mystieke ervaring.
Vanaf
0 tot 800 na Chr. Tot 325: ontstaan van één machtige kerk; formulering van christelijke
dogma's. Daarna uitwerking tot een systeem van christelijke dogmatiek en filosofie
(m.n. Augustinus): Christendom: De mens en al het geschapene bestaan slechts
door God en omwille van God --> mens heeft tot taak de wil van
God te doen --> nederigheid --> grootste ondeugd:
zichzelf gelijk willen stellen aan God (i.t.t. Grieken: juist grootste deugd). God
is persoonlijk (geen 'het'), iedere individuele ziel is uniek. God is genadig
en verlossend. Tertullianus
(160-220): geloofswaarheid is superieur aan denkwaarheid --> filosofie
is ondergeschikt aan de theologie. Gnostici
vermengen christelijke geloofswaarheden met andere (heidense / joodse / neoplatonistische)
godsdiensten. - oorsprong en zin van het kwaad. God is zowel schepper
als verlosser van het kwaad
--> verschillende vormen van God.
- Zonde is niet eigen menselijke schuld. Individu moet wereldwijde strijd tussen
goed en kwaad in zichzelf zien en herkennen
--> inzicht.
- Kennis van God(delijke) d.m.v. mystiek.
Aurelius Augustinus
(354-430) Ging in 387 over tot christendom, daarvoor micheeërs, scepticisme
en Plotinus. Belangrijke werken: 'Belijdenissen' en 'Over de Godsstaat'. Een
diep onbegrensd geheugen is de menselijke geest. Iets vergeten? Dan zoeken en
vinden; hoe weten we dat wat we gevonden hebben, datgene is dat we zochten? -->
geest is te beperkt om zichzelf te vatten. Diepte van de ziel proberen te doorgronden,
blijkt bodemloos --> behoefte aan vast richtpunt: de onzekerheid,
de twijfel ("cogito ergo sum"). Mystieke gedachte: introspectie. Het uiterlijke
is géén voortbrengsel van de geest << werkelijkheid die, onafhankelijk van
het kennen, uit zichzelf bestaat: ordening en werkelijkheid van God; Goddelijke
substantie existeert in drie personen: Vader, Zoon en de Heilige Geest. Het
tegenwoordige is het enige werkelijke aan de tijd --> het verleden
(herinnering) en de toekomst (verwachting) zijn niet werkelijk. Tijd komt tot
stand in verandering, eeuwigheid kent geen tijd, dus de tijd en de wereld zijn
tegelijk geschapen. Alleen Adam bezat vrije wil, beging zonde en sindsdien
zijn alle mensen belast met de erfzonde, mens is niet meer vrij -->
Predestinatie. Dood is straf voor zonde. Naar Gods oordeel worden sommigen
uitverkoren voor de zaligheid, anderen bestemd voor eeuwige verdoemenis. De uitverkorenen
zullen de Godsstaat vormen.
- 9e tot 12e eeuw: vroege scholastiek: universalia strijd. Verstrengeling
van theologie en filosofie.
- 13e eeuw: bloeitijd: invloed van Aristoteles'
ideeën door contacten met Arabische en joodse filosofie tijdens kruistochten (1096-1270);
ontstaan van universiteiten.
- 14e en 15e eeuw: late scholastiek: nominalisme
en mystiek. Ontbinding scholastiek.
De waarheid van het geloof redelijk
funderen en begrijpelijk maken met behulp van bestaande dogmata - het tegendeel
van vrij en onbevooroordeeld onderzoek. - d.m.v. rede beter inzicht
in de geloofswaarheden
- geloofswaarheden systematisch ordenen
- verstandelijke
bezwaren t.o.v. geloofswaarheden met wijsgerige argumenten weerleggen
Twee
opvattingen m.b.t. de vraag naar werkelijkheid van het algemene / de 'universalia':
(1) Realisme: toekenning van de werkelijkheid aan het algemene, niet
aan het individuele. Universalia ante res (algemene begrippen zijn eerder
dan de dingen). Plato, neoplatonisme. (N.B. = nu idealisme: algemene ideeën zijn
werkelijker dan concrete dingen). Johannes
Scotus (bijgenaamd Eriugena) (810-877) Wereldgebeuren
= kringloop: begint en eindigt in God: God is scheppende en niet-geschapen natuur;
daaruit komen de geschapen en scheppende natuur, goddelijke gedachten, algemene
begrippen (verg. platonische Ideeën); daaruit komen de geschapen en niet-scheppende
natuur, de afzonderlijke dingen, de in de Ideeën hun oorsprong vindende individuele
wezens. Tenslotte keert alles weer terug in God (verg. neoplatonisme). Anselmus
van Canterbury (1033-1109) Ontologisch godsbewijs: uit het begrip van
iets (God als grootst denkbare) een bewijs voor zijn werkelijk bestaan afleiden. God
is het grootst denkbare; als God alleen in het verstand aanwezig was, zou
men nog iets groters kunnen denken dan het grootst denkbare, n.l. dat God ook
in werkelijkheid is en niet alleen in het verstand. Dit is een tegenspraak, dus
God bestaat niet alleen in het verstand, maar ook in werkelijkheid. (2)
Nominalisme: Alleen concrete dingen zijn werkelijk: algemene begrippen
zijn niet in de werkelijkheid, maar in ons verstand aanwezig, het zijn niet meer
dan namen. Universalia post res (algemene begrippen komen na de
dingen) (verg. Aristoteles). Johannes Roscellinus (1050-1120): Op elkaar lijkende dingen samenvatten
op grond van hun gemeenschappelijke kenmerken. Wit-heid en Mens-heid als algemene
substantie bestaan niet, alleen concrete witte voorwerpen en mensen bestaan. Petrus
Abelardus (1079-1142) Synthese realisme en nominalisme.
Voor God geldt: universalia ante res; voor mensen geldt: universalia post res;
dus: universalia in rebus: algemene begrippen zijn in de dingen,
niet los ervan of er buiten. Noch individuele verschillen van concrete dingen,
noch het algemene begrip ontkennen. Thomas
van Aquino (1225-1274) - Twee domeinen van kennen, die niet
in tegenspraak zijn, van één waarheid:
- een objectief kenbare wetmatig geordende
werkelijkheid. (Filosofisch) kennen d.m.v. verstand. - een bovennatuurlijke
werkelijkheid. Staat boven het filosofisch kennnen, is ontoegankelijk voor filosofisch
denken --> niet met verstandelijke redeneringen te bewijzen; de
mysteries van het christelijk geloof. Kennen d.m.v. geloven. Omdat het
geloof waar is, is het niet met de rede in strijd (tegenspraak met het geloof
met verstandelijke middelen weerleggen). - Vijf godsbewijzen, waaronder
(verg. Aristoteles):
- Beweging (oorzaak) moet een beweger (veroorzaker) hebben
--> eerste beweger (veroorzaker) is God. - Teleologisch: datgene
wat van zichzelf geen kennis bezit, moet door een intelligent wezen naar doel
geleid worden, God dus. Wezen van God: tussen menselijke godsvoorstelling en
de (neoplatonistische) opvatting dat God geheel transcendent en onkenbaar is -->
kennis van God is mogelijk, maar is onvolmaakt. - Ziel is zuiver geestelijke
substantie, zonder materie, en is onsterfelijk. Als Aristoteles: passieve materie
(lichaam) en vorm als actief beginsel (ziel).
Kennis = gelijkwording van het
kennende subject en het gekende object; kennen is passief, ontvangend (als Aristoteles).
Zintuiglijke waarneming is materiaal voor kennis; actief intellect verwerkt dit
materiaal (verg. Kant). - Staatsleer: Noodzaak voor maatschappelijk gezag:
anders egoïstische belangen, geen zorg voor algemeen welzijn, dus een monarchie.
Wereldlijke macht is ondergeschikt aan geestelijke macht.
Johannes
Duns Scotus (± 1266-1308) Kritiek op Thomas: (Aristotelische)
filosofie valt niet te rijmen met (christelijke) theologie; kritiek op de methode
van bewijsvoering. Duns is in het universalia-vraagstuk een realist (als Thomas),
maar kent het individuele een hoge waarde toe (meer naar nominalisme; verg. renaissance
opvatting v.h. individuele). Vrije wil staat boven het denken -->
actief denken. Willem
van Occam (1290-1327) Vernieuwing van nominalisme
die de grondslagen van de scholastiek ondermijnt. Het concrete alleen en niet
het algemene begrip van de realisten is werkelijk, zelfs in God zijn geen universalia
'ante res'. De geloofsmysteries, zelfs de hele theologie, is onkenbaar en strijdig
met het verstand en dat moet zo geaccepteerd worden --> theologie
als wetenschap bestaat niet, theologie en filosofie moeten worden gescheiden,
evenals kerk en staat. Meester
Eckhart (1260-1327) Mystiek: neoplatonisme; Plotinus. God
is zozeer het volstrekte goede, ene, absolute en volmaakt transcendente dat we
over Hem geen enkele uitspraak kunnen doen. Theologie bestaat uit negatieve uitspraken.
RENAISSANCE EN
REFORMATIEIndividualisme: hoge waardering van de eigen vrije persoonlijkheid.
Vrije bestudering van de antieken, onafhankelijkheid van de theologie
en haar doeleinden. Ratio en empirie (rede en ervaring) als basis van de wetenschap.
Wereldlijkheid: niet-kerkelijk karakter van het denken. Uitvindingen: kompas,
buskruit, boekdrukkunst. - Natuurwetenschap: Nicolaus
Copernicus (1473-1543): Aarde draait om de zon en om eigen as. Johannes
Keppler (1571-1630): "Waar materie is, daar is wiskunde" en: "het boek
van de natuur is in wiskunde geschreven"
--> kwantitatieve benadering
van de natuur, i.p.v. kwalitatief (zoals de Grieken). Galileo
Galilei (1564-1642): Grondlegger van de moderne natuurwetenschap: o.a.
experimenten met vallende lichamen; niet waarom (zoals Aristoteles), maar
hoe vallen lichamen; het gaat om meetbare factoren -->
'natuurwet': beschrijving, niet verklaring van een fenomeen d.m.v. een
mathematische formule. Natuurverschijnselen zijn kwantitatief. - Humanisme:
renaissance, wedergeboorte, van de 'antieke mens', d.i. onbevangen, niet-scholastieke
belangstelling voor de klassieken. Voorbeeld: Michel
de Montaigne (1533-1592): wereldlijke geest, kritisch, sceptisch, vrij
van vooroordelen, mens als middelpunt van het denken.
- Reformatie:
Maarten Luther
(1483-1546): Bestrijdt de pretentie dat de kerk de enige bemiddelaar is tussen
God en de mensen (protest op aflatenstelsel), in plaats daarvan een 'algemeen
priesterschap'; ieder individu komt voor zichzelf te staan (renaissancistische
bevrijding van het individu). Verlossing van schuld d.m.v. geloof in het 'Schrift',
het geopenbaarde woord van God: evangelistisch. Scherpe tegenstelling tussen rede
en geloof; anti-Aristoteliaan; vijand van de filosofie.
- Rechts- en staatsfilosofie.
Ontstaan van koninkrijken en nationaal besef.
Niccolò
Machiavelli (1469-1527) Zelfhandhaving en machtvermeerdering
is het enige beginsel voor politiek handelen, alle middelen - moreel en immoreel
- zijn daartoe geoorloofd, immorele middelen blijken immers dikwijls het meest
succesvol. Politicus moet mens, die dom en zwak is, uitbuiten. Recht wordt begrensd
door staatsgrenzen. Tussen staten onderling bestaat geen enkele moraal of recht.
Hugo
de Groot (1583-1645) Er bestaat een natuurlijk recht, dat noodzakelijk
voortvloeit uit de door God gewilde natuur van de mens, dat de mens een met rede
begaafd, maatschappij vormend wezen is. Mensen en staten zijn er te allen tijde
aan gebonden. Het recht staat dus boven de staat (tegenpool van Machiavelli).
Edelste recht is het volkenrecht. Thomas
Hobbes (1588-1679) Is materialist, wijst vrijheid
van de wil af. Oer- of natuurtoestand: anarchie, mens is een egoïst, die uit is
op eigen voordeel, dus zelfhandhaving en bezit van zoveel mogelijk goederen -->
"Oorlog van allen tegen allen". Uit verlangen naar zekerheid en veiligheid onderwerpen
mensen zich, d.m.v. het afsluiten van een maatschappelijk contract, aan de wil
van een autoritaire staatsorde die de absolute macht heeft. Thomas
More (1478-1535) 'Utopia': een ideale socialistische
gemeenschap: einde van uitbuiting van lagere klassen, iedereen levert een bijdrage
aan gemeenschappelijke produktie, gemeenschappelijk bezit, vrij onderwijs voor
iedereen (verg. Plato). Giovanni
Pico della Mirandola (1463-1494) Mens dient zijn eigen
natuur te bepalen door creatieve zelfontplooiing; Zonde is niet ontrouw aan God,
maar verlies van 'eigen wilsbeschikking' (b.v. aan kerk); verlossing d.m.v. autonomie
i.p.v. geloof --> optimistisch antropocentrisme, humanisme. Nicolaus
Cusanus (1401-1464) Aarde is geen middelpunt en
beweegt, heelal heeft geen grenzen. Nadruk op individualiteit en onderlinge verschillen.
God heeft de wereld geschapen volgens mathematische principes (m.n. oneindigheid).
God is het absolute oneindige, in wie alle tegenstellingen samenvallen (coincidentia
oppositorum). Tegenstellingen (tussen godsdiensten) op hoger niveau verenigen.
Kennisleer: (1) zintuigelijke waarneming, onsamenhangende indrukken -->
(2) redelijk denken, ordening van indrukken --> (3) het omgrijpende
denken, de onderscheiden tegenstellingen als in God verenigd beschouwen -->
(4) niet-weten, door mystieke ervaring één worden met God. Giordano
Bruno (1548-1600) De wereld is een dynamische eenheid,
omdat de kosmos een groot levend organisme vormt, dat door één beginsel wordt
beheerst: God, het geheel der tegenstellingen. God staat niet boven, maar is in
de wereld, als onveranderlijke natuurwet --> gelijkstelling van
God en natuur (Pantheïsme). Francis
Bacon (1561-1626) "Kennis is macht." Filosofie heeft
tot taak het doel en de methode van wetenschap te bepalen. Het doel is
vooruitgang, praktische toepassing en natuurbeheersing door de mens. De
methode bestaat uit het denken zuiveren van vooroordelen en de juiste manier
van onderzoeken vinden en toepassen --> inductie, empirische
cyclus. Kennisideaal
is wiskunde, die is universeel, is in principe voor iedereen toegankelijk
en inzichtelijk, en heeft onaantastbare methode van bewijsvoering. Dit moet ook
gaan gelden voor de filosofie. Streven naar een heldere, overzichtelijke vorm
en harmonieuze opbouw. René
Descartes (1596-1650) Deductieve afleidbaarheid
uit eenvoudige begrippen --> streng logische analyse. Onvoorwaardelijk
zekere methode: "Welke uitspraken of oordelen kunnen aanspraak maken op onmiskenbare
geldigheid?" --> Methodische twijfel: (1) Ik moet aan
alles (traditie, zintuigelijk waarneembare, enz.) twijfelen -->
zekerheid dat ik op dit moment twijfel, dus denk. "Alles wat ik buiten mij waarneem
zou bedriegelijk kunnen zijn, alles wat ik maar kàn denken zou onwaar kunnen zijn,
maar twijfelend ben ik in ieder geval zeker van mezelf als denkend wezen." -->
Cogito ergo sum. (2) Alles wat ik even onmiddellijk helder en duidelijk
(claire et distincte) inzie als deze zekerheid, moet even zeker zijn: dus
God bestaat. De idee van God als het volkomene, kan niet worden afgeleid uit de
uiterlijke waarneming, noch door iemand zelf gevormd worden, omdat beide eindig
en onvolmaakt zijn --> Absolute zekerheid van God. (3) God
is in zijn waarachtigheid de garantie dat mensen de waarheid kunnen kennen. Hoe
is dan dwaling en vergissing mogelijk? "De vrije wil maakt het de mens mogelijk
de ene voorstelling te aanvaarden en de andere te verwerpen. Alleen in de werkzaamheid
van de vrije wil en niet in de voorstelling zelf ligt de bron van alle dwaling."
--> De mens heeft juist en onjuist denken zelf in de hand. Twee
ideeën van substanties die niet bewezen of herleid kunnen worden: lichaam en geest
(uitgebreidheid en denken): dualisme. Kritiek op Descartes: - Dualisme
leidt tot psychosomatisch probleem: waar is de verbinding tussen uitgebreidheid
en denken, tenslotte beïnvloeden ze elkaar? - Kan men door radicale twijfel
volledig breken met zijn vroegere denken en vanuit het niets opnieuw beginnen?
"Nee, methodische twijfel is een toneelstukje met Ik en God in de hoofdrol." God
is het garantiebewijs dat de betrouwbaarheid van de rede moet bevestigen. Hoe
kan de rede de betrouwbaarheid van de rede bewijzen, als haar betrouwbaarheid
niet al bij voorbaat vast staat? - De beginselen van de mechanistische en mathematische
natuurverklaring zijn niet van toepassing op de filosofie: een miskenning van
ervaring als kennisbron. Benedictus
de Spinoza (Baruch Despinoza) (1632-1677) - Tractatus
theologico-politicus (1670); - Ethica, in meetkundige trant uiteengezet (1677). De
Substantie is het eeuwige ene of oneindige, dat onder of achter alle dingen
is en alle Zijn bevat en in zich verenigd; Bestaat vanuit zichzelf en daarbuiten
bestaat niets: Substantie = God = (scheppende) Natuur. Modus is alles
wat niet, zoals de substantie, vanuit zichzelf vrij en tegelijk noodzakelijk bestaat:
de wereld van (eindige) verschijnselen (de geschapen natuur). Het is alles wat
zijn voorwaarde heeft in iets anders. Elk eindig ding heeft God als onmiddelijke
oorzaak. De schakel tussen God als oneindige substantie en de afzonderlijke
modi is de 'oneindige modificatie', de absolute som van de modi (= Alles). De
oneindige substantie heeft twee eigenschappen: denken (géén bepaald of
beperkt denken) en uitgebreidheid (geen lichaam dus, want elk lichaam is
begrensd). Net zomin als er twee substanties zijn (zoals Descartes leerde), maar
slechts één substantie die onder twee aspecten bekeken moet worden, zomin bestaat
een bepaald wezen en m.n. de mens uit twee gescheiden substanties; ziel en lichaam
zijn twee facetten van het zelfde wezen: monisme. Wils- (keuze-)vrijheid
bestaat niet, menselijk handelen volgt natuurwetten (o.a. wet van zelfhandhaving).
Algemene begrippen van goed en kwaad bestaan niet. Het wezen van elk ding (ook
de mens) is zijn streven om zichzelf te handhaven. Deugd is het vermogen in dit
streven te volharden --> macht. Macht reikt even ver als het natuurlijk
recht (= natuurwetten = macht van de natuur) van de mens. Handelen volgens eigen
Deugd = handelen volgens de natuur van de mens = redelijkheid = streven
naar begrip, het sturen van hartstochten. Spinoza wantrouwt de zintuigen en instincten/hartstochten,
maar twijfelt niet aan het verstand en zijn vermogen heldere kennis en onvoorwaardelijke
zekerheid te bieden. Door de rede begrijpen we de wetmatige noodzakelijkheid en
als we de noodzaak van iets inzien, moeten we het aanvaarden; aanvaarden van absolute
zekerheid = willen --> vrijheid (bevrijding van lijden) d.m.v.
inzicht. Aanvaarden van de noodzakelijkheid is niet meer passief ondergaan,
maar er autonoom, vrij tegenover staan. Alles wat noodzakelijk is, is Gods wil:
aanvaarding van het noodzakelijke = liefde tot God = liefde tot het onveranderlijke
lot (verg. Nietzsche). Gottfried
Wilhelm Leibniz (1646-1716) Verbinding mechanistisch
atoombegrip met teleologische zienswijze: De wereld is opgebouwd uit oneindig
veel substanties: Monaden (=eenheden). Monaden zijn: 1. Punten,
puntvormige substanties --> geen continuüm. Materie is dus geen
uitgebreidheid. 2. Krachten, krachtcentra: Een lichaam is niets anders
dan een complex van krachtcentra (verg. natuurkunde). 3. Zielen. De
puntvormige oersubstanties zijn bezield in verschillende gradaties: Lage monaden
(onbewuste voorstelling); hogere monaden (menselijk bewustzijn); hoogste, centrale
monade (God: oneindig bewustzijn, alwetendheid). 4. Individuen. Alle
monaden zijn verschillend. Er is continuïteit tussen de monaden onderling: van
hoogste goddelijk monaden tot de meest eenvoudige. Monaden zijn afgesloten van
hun omgeving en hebben eigen voorstellingen. Alles wat met en in de monade gebeurt,
komt voort uit haar zelf en uit haar wezen. Hoewel alle monaden zich volkomen
zelfstandig ontwikkelen, volgens hun eigen individuele wetten, zijn ze toch op
elkaar afgestemd: ze vormen immers samen het harmonisch geheel van de wereld
(Harmonia praestabilita = tevoren vastgestelde harmonie). God heeft als
schepper van iedere monade de interne ontwikkeling van de monade zo afgesteld
dat ze in volstrekte harmonie loopt met andere monaden. Voorbeeld: Stel twee
klokken lopen altijd zonder de minste afwijking gelijk. Daar zijn drie verklaringen
voor (met klok als metafoor voor substantie): 1. De twee klokken zijn technisch
zo met elkaar verbonden dat de ene mechanisch van de andere afhankelijk is en
dus niet kàn afwijken (verg. Descartes' wisselwerkingstheorie). 2. Er
is een technicus die de klokken voortdurend controleert en ervoor zorgt dat ze
gelijk lopen. Dit is het standpunt van de occasionalisten: Bij iedere aanleiding
zorgt God ervoor dat denken en uitgebreidheid met elkaar overeenstemmen. 3.
De klokken zijn met zo'n precisie gecontrueerd dat onderlinge afwijking bij voorbaat
is uitgesloten (Leibniz' harmonia praestabilita). N.B. Spinoza had een eenvoudiger
oplossing: Er is slechts één klok (substantie) met twee wijzerplaten verbonden
met hetzelfde mechaniek. Theodicee: God heeft de best mogelijke wereld geschapen.
Was er een beter mogelijk, dan zou God die niet gekend hebben, wat strijdig is
met zijn alwetendheid; of God kon geen betere scheppen, wat strijdig is met zijn
almachtigheid; of God wilde geen betere scheppen, wat strijdig is met zijn goedheid.
Hoe dan is kwaad mogelijk? Drie soorten kwaad: het metafysische kwaad (de eindigheid
van de wereld - onvermijdelijk als God de wereld wilde scheppen); het fysieke
kwaad (geschapen wezens zijn onvolmaakt - anders waren ze gelijk aan God - dus
hebben ze onvolmaakte ervaringen (lijden, ongenoegen)); het morele kwaad (onvolmaakte
wezens schieten te kort en zondigen dus, zeker als het van God vrijheid heeft
gekregen. Kritiek op Leibniz: Vrijheid van de mens valt niet te rijmen met
de harmonia praestabilita, die deterministisch is.
NAWOORD Bij het maken van deze bladzijde is gebruik gemaakt van een
uittreksel van: H.J. Störig: Geschiedenis van de filosofie (twee delen), 21e druk,
1990, gemaakt door P.v. Grieken | |
|