NOEME WILLEM
VISSER Wie en Waarom

LITURGIE &CETERA Thema's
 Kerkelijk Jaar
Hoofddienst  Getijden Devotie Uitingsvormen 

Liturgie

LITURGIEK
Liturgiek TVG

Liturgiegeschiedenis

Joods

Vroeg Christelijk

Oosters Orthodox

Westers Katholiek

Protestants

HYMNOLOGIE

Geschiedenis van de Hymnodie

Oud Joodse Hymnodie
Vroeg Christelijke Hymnodie
Griekse Hymnodie tot 900AD
Latijnse Hymnodie
Lutherse Hymnodie
Calvinistische (Franse) Psalmodie
Nederlandse Gemeentezang
na de Reformatie

Engelse Hymnodie

Muziekgeschiedenis


Kunstgeschiedenis

Prehistorie, Oudheid en Vroege Middeleeuwen
Middeleeuwen
Renaissance
Barok en Rococo
Negentiende Eeuw
Twintigste Eeuw



Historie van de filosofie

een beknopt overzicht van de voorsocratici tot de renaissance

VOORSOCRATICI

Thales (6e eeuw v.Chr.), Milete
Oerstof: water (?)

Anaximander (Ī 611-549), Milete
Apeiron (het onbepaalde, onbegrensde) = oorzaak van alle Zijn.
Periodieke wisseling van ontstaan en vernietiging der werelden.
Oerstof: water. Evolutie: mens oorspronkelijk uit water afkomstig.

Anaximenes (?-527), Milete
Oerstof: lucht (ziel als levende adem); ook periodieke wisseling van ontstaan en vernietiging der werelden.

Pythagoras (Ī 580-500), Zuid-ItaliŽ
Heeft het woord filosofie voor het eerst gebruikt.
Oerwet i.p.v. oerstof, n.l. onveranderlijke getalmatige verhoudingen = harmonie van de wereld;
alles is in getalsverhoudingen gevormd.
Mystieke ideeŽn: o.a. reÔncarnatie.
PythagoreÔsche ethiek: zelfdiscipline, soberheid, onthouding.

Xenophanes van Elea (Ī 580-?)
PantheÔsme: ťťn hoogste, beste, alomtegenwoordig wezen (god) --> eeuwig onveranderlijk Zijn achter de veelheid van verschijnselen; eenheid in de wereld.

Parmenides (Ī 545-480), Elea.
onveranderlijk Zijn.
Waarheid & Weten tegenover Schijn & Menen.
Alleen het Zijnde bestaat, het niet-zijnde bestaat niet.
Zijnde is opvulling van lege ruimte.
Beweging veronderstelt niet-zijn: voorwerp kan alleen plaatsnemen daar waar niets is (lege ruimte = niet-zijn); echter 'niets' bestaat niet; er is dus geen beweging mogelijk (een analoge redenering voor 'ontwikkeling' en 'worden').

Zeno van Elea (Ī 490-?)
Paradoxen (Achilles en de schildpad & vliegende pijl) om Parmenides' tegenstanders te bestrijden.

Heraclitus (Ī 540-?), IoniŽ
Eenheid in de veelheid en veelheid in de eenheid.
Oervuur (oerenergie), waaruit - volgens wet - de wereld voortkomt (oplaaien) en waarin wereld weer terugvalt (doven). Wet = eenheid der tegenstellingen.
Samengaan en -werken van tegenstellingen dialectische ontwikkelingsleer (dialectiek = bewijsvoering met woord en weerwoord).
Panta Rhei (alles stroomt).

Empedocles (Ī 492-432), SiciliŽ
Vier grondstoffen (elementen): vuur, lucht, water en aarde. Afronding natuurfilosofie.
Drijvende en vormende krachten van alles wat er gebeurt zijn een verenigende (liefde/aantrekking) en een scheidende (haat/afstoting) kracht. In ontwikkeling overheerst afwisselend de een of de ander.

Democritus (Ī 470-360), ThraciŽ
Wereld bestaat uit ruimte-vullend Zijnde en lege ruimt/niet-zijnde.
Het ruimte-vullende is niet 'ťťn', maar bestaat uit ondeelbare, onveranderlijke en onvergankelijke deeltjes (atomen), die de ruimte geheel vullen. Alle atomen zijn van dezelfde 'stof', maar verschillen in grootte en gewicht.
Primaire eigenschappen zijn zwaarte, dichtheid (ondoordringbaarheid) en hardheid. Verschillen in vorm, ligging, grootte en ordening van atomen bepalen de eigenschappen van de dingen. Alle andere eigenschappen zijn secundaire eigenschappen en worden bepaald door de aard van onze zintuigen en niet door de dingen zelf, b.v. reuk, kleur, warmte, smaak en klank.
Er is eeuwige beweging van atomen in een oneindige ruimte, volgens onbekende wetten. Dingen ontstaan als gelijksoortige atomen zich binden.
De menselijke ziel bestaat uit atomen.

Anaxagoras (500-?), Athene
Onbegrende hoeveelheid kwalitatief verschillende oerelementen, 'zaden/kiemen' (i.t.t. kwantitatief, bij Democritus).
'Nous' (denkende, redelijke, onpersoonlijk gedacht geest) als 'eerste beweger', daarna alles volgens ontwikkelingswetten.

 

BLOEITIJD GRIEKSE FILOSOFIE

De sofisten, w.o. Protagoras (Ī 480-410)
'Sophistai' = 'leraren tot wijsheid'.
Objectieve kennis is onmogelijk.
Scepsis m.b.t. theoretische kennis (practici), daarom ook morele scepsis. Redeneerkunst meer een middel tot overreding dan tot overtuiging: niet wie gelijk heeft, maar wie gelijk krijgt, het recht van de sterkste.
Aandacht voor mens i.p.v. natuur. Denken zelf tot onderwerp van denken gemaakt. Ethische maatstaven aan kritisch onderzoek onderworpen.

Socrates (Ī 470-399)
Socratische methode: anderen helpen bij de geboorte van hun ideeŽn; dialectiek van de sofisten; logische trucs en slimmigheden; mens i.p.v. natuur als onderwerp van denken; scepsis: "Ik weet dat ik niets weet."

Plato (427-347)
Doel van de filosofie is maatstaven vinden voor denken en handelen. In de eeuwige IdeeŽn zijn deze maatstaven te vinden.

  • IdeeŽnleer: Eros (1. liefdes-/geslachtsdrift; 2. god van de liefde) = streven om van zinnelijke naar geestelijke op te stijgen, via iedere bezigheid met het schone: lichamelijkheid --> muziek --> wiskunde --> kennis der IdeeŽn. Dialectisch denken stijgt op van bijzondere naar algemene.
    Grot-allegorie. IdeeŽn (eidos) zijn vormen, algemeenheden van het Zijn en bezitten de enige echte (metafysische) werkelijkheid. Dualisme.
  • Antropologie en ethiek: De ziel is onsterfelijk. Alle kennis is herinnering (uit vorige belichamingen van de ziel). D.m.v. deugd (= toestand van de ziel) kan de ziel deelhebben aan de wereld der IdeeŽn (n.l. de Idee van het Goede). Vier hoofddeugden: wijsheid, dapperheid, bezonnenheid, gerechtigheid.
  • Staatsleer: kritiek op staatsvormen: - oligarchie: kapitalisme, verdeeldheid (rijk en arm), behoeftigheid leidt tot stelen, dus i.p.v. streven naar wijsheid en rechtvaardigheid, streven naar winst en rijkdom; - democratie: vrijheid, leidt tot anarchisme; - tirannie: machtswellust, geen gerechtigheid. De Ideale staat: aristocratie: selectie van bestuurders leidt tot regering van de besten, geen privť-eigendom (leidt tot verdeeldheid), maar communisme inzake bezit en seksualiteit.

Aristoteles (384-322)

  • Logica: Normatieve formele wetenschap, bestaat uit de elementen: Begrip (denken alleen mogelijk volgens juiste begrippen - oftewel definities, die bestaan uit overeenkomsten en onderscheidingen tussen voorwerpen); Categorie (tien hoogste algemene begrippen: substantie, kwantiteit, kwaliteit, relatie, plaats, tijd, toestand, hebben, werken, ondergŠŠn); Oordeel (verband tussen twee begrippen; bevestigend/ontkennend, algemeen/bijzonder/eenvoudig, zijn/moeten/kunnen); Conclusie (volgt uit premissen: een algemene (major) en een bijzondere (minor) uitspraak; ofwel een syllogisme); Bewijs (samenvoeging van conclusies; moet gewaarborgd zijn: moet op algemener niveau ook bewezen kunnen worden); Inductie.
  • Fysica: Teleologisch, de natuur is doelmatig geordend.
  • Metafysica: Geen IdeeŽn, maar toch begrijpen we met kennis van het algemene iets van het wezen van het Zijnde. Kennis heeft betrekking op noodzakelijke onveranderlijke verschijnselen: vormen (verg. Plato's eidos). Materie of stof, los van vormen bezit geen werkelijkheid. De vormen zijn tevens het doel en de kracht van de stof, die ongevormde stof tot werkelijkheid maakt.
    Vier oorzaken voor het zijnde: causa materialis (de stof); causa formalis (de vorm); causa efficiens (de werkoorzaak, dat wat vormt); causa finalis (doeloorzaak, het waarvoor).
    Beweging ontstaat als vorm en stof met elkaar in aanraking komen. Beweging veronderstelt een (eerste) beweger: een zuivere vorm (zonder stof) is het absoluut volmaakte; een godheid die zuiver denken is.
  • Antropologie: vertrouwen in zintuigelijke waarnemening, een gemeenschappelijk zintuig voegt afzonderlijke zintuiglijke waarneming samen tot een volledig beeld van de werkelijkheid. De geest is onsterfeijk.
  • Ethiek: deugd is de hoogste perfectie van redelijkheid.
  • Staatsleer: mengvorm van democratie en aristocratie, zodat de middenklasse het zwaartepunt van de staatsgemeenschap vormt; dit is de beste garantie voor duurzaamheid.

Cynici: "Vrij zijn van behoeften", kosmopolieten, het komt er niet op aan wat de mens heeft, maar wat de mens is. Diogenes (leefde in een ton, 'als een hond' - in het grieks: 'kyon', wordt: 'cynisch'). De wereld is slecht, laten we dus proberen er onafhankelijk van te zijn.

Platonici: De door Plato opgerichte Academie. Aanvankelijk PythagoreÔsch met late ideeŽn van Plato, daarna scepticisme, eclecticisme, neoplatonisme. Gesloten in 529 na Chr.

 

HELLENISME

vanaf de dood van Alexander de Grote (Ī 325) tot Ī jaar 0. Een op de de Griekse cultuur gebaseerde kosmopolitische cultuur.
Drie begrippen staan centraal in de Romeinse (pragmatische) geest:
  • kosmos: geordend wereldgeheel
  • logos: alles besturende rede (oerfenomeen)
  • eros: leven voor het schone, verbonden met het goede

StoÔcijnen
Zeno (340-260) stichtte de school in de 'Stoa PoikilŤ' (bonte zuilengang).
De StoÔcijnen waren gematigder dan de cynici, door wie zij werden beÔnvloed.
Drie onderdelen in de filosofie:

  1. Logica: voortbouwen op Aristoteles. 1. retorica (monoloog); 2. dialectiek (met anderen redeneren/denken). Kennis moet uitgaan van waarneming van het concrete (empirisme). Het verstand is bij de geboorte een tabula rasa (ongeschreven blad).
  2. Fysica: materialistisch; monistisch; (immanente) wetmatigheid --> Logos (of: Nous / Ziel / Noodzakelijkheid) als determinerende kracht (pantheÔsme).
  3. Ethica: Leven volgens de natuur; mens = redelijk wezen --> De enige deugd: leven volgens de rede, leidt tot geluk. Het enige kwaad: niet-redelijk zijn. Al het andere is onverschillig. Affecten (driften, hartstocht) bedriegen de rede; daarom moet de mens strijden tegen affecten. Het doel van de ziel = hartstochtloosheid (apathie) = wijsheid.

Geen cynisch egoÔsme (= leven voor eigen onafhankelijkheid en innerlijke vrijheid), maar sociale eisen: rechtvaardigheid en mensenliefde (kosmopolitisme).

EpicureeŽrs
Epicurus (341-270) volgt de atoomleer van Democritus (natuurwetten, komen geen goden aan te pas) --> bevrijding van angst voor bovenaardse machten en de dood.
Genieten (van lust) = vermijden van onlust. Rede leidt het streven naar geluk. Echt geluk = ongestoorde bespiegeling, in kalme rust van de geest.

Sceptici
Sceptici houden echte kennis principieel voor onmogelijk.
Verscheidenheid in de wereld --> onkenbaarheid --> niet hoeven oordelen --> blijde, onverstoorbare zielerust.

Eclectici (uitkiezers)
Eclecticisme = versmelting van diverse filosofische scholen.

  • Romeins eclecticisme: Cicero (106-43 v.Chr.): praktisch nut.
  • Alexandrijns eclecticisme: Joods-Hellenistische filosofie. Versmelting van Oude Testament en Griekse filosofie (m.n. Plato).

Neoplatonisme (2e eeuw na Chr. - 6e eeuw)
Eclectisch, maar systematisch opgebouwd vanuit allesbeheersend grondbeginsel.

Plotinus (?-270 na Chr.), Rome.
God: het Ene / Eerste / Eeuwige / Hoogste / Goede = volmaakt en in rust: onvoorstelbaar dat het iets zou begeren of doen. 'Uitstraling' (emanentie) van God over verschillende 'zijnssferen': 1. Geest (niet God zelf, want goddelijke geest = geheel van IdeeŽn). 2. Wereldziel (wereld van het psychische) in elke afzonderlijke ziel aanwezig. 3. Materie (meest onvolmaakte; zelfs het duistere/kwade).
Mensdoel: zo dicht mogelijk naar het goddelijke toe --> extatisch ťťn-zijn met God: mystieke ervaring.

 

PATRISTIEK

Vanaf 0 tot 800 na Chr. Tot 325: ontstaan van ťťn machtige kerk; formulering van christelijke dogma's. Daarna uitwerking tot een systeem van christelijke dogmatiek en filosofie (m.n. Augustinus):
Christendom: De mens en al het geschapene bestaan slechts door God en omwille van God --> mens heeft tot taak de wil van God te doen --> nederigheid --> grootste ondeugd: zichzelf gelijk willen stellen aan God (i.t.t. Grieken: juist grootste deugd).
God is persoonlijk (geen 'het'), iedere individuele ziel is uniek.
God is genadig en verlossend.
Tertullianus (160-220): geloofswaarheid is superieur aan denkwaarheid --> filosofie is ondergeschikt aan de theologie.

Gnostici vermengen christelijke geloofswaarheden met andere (heidense / joodse / neoplatonistische) godsdiensten.

  • oorsprong en zin van het kwaad. God is zowel schepper als verlosser van het kwaad --> verschillende vormen van God.
  • Zonde is niet eigen menselijke schuld. Individu moet wereldwijde strijd tussen goed en kwaad in zichzelf zien en herkennen --> inzicht.
  • Kennis van God(delijke) d.m.v. mystiek.

Aurelius Augustinus (354-430)
Ging in 387 over tot christendom, daarvoor micheeŽrs, scepticisme en Plotinus.
Belangrijke werken: 'Belijdenissen' en 'Over de Godsstaat'.
Een diep onbegrensd geheugen is de menselijke geest. Iets vergeten? Dan zoeken en vinden; hoe weten we dat wat we gevonden hebben, datgene is dat we zochten? --> geest is te beperkt om zichzelf te vatten. Diepte van de ziel proberen te doorgronden, blijkt bodemloos --> behoefte aan vast richtpunt: de onzekerheid, de twijfel ("cogito ergo sum"). Mystieke gedachte: introspectie.
Het uiterlijke is gťťn voortbrengsel van de geest << werkelijkheid die, onafhankelijk van het kennen, uit zichzelf bestaat: ordening en werkelijkheid van God; Goddelijke substantie existeert in drie personen: Vader, Zoon en de Heilige Geest.
Het tegenwoordige is het enige werkelijke aan de tijd --> het verleden (herinnering) en de toekomst (verwachting) zijn niet werkelijk. Tijd komt tot stand in verandering, eeuwigheid kent geen tijd, dus de tijd en de wereld zijn tegelijk geschapen.
Alleen Adam bezat vrije wil, beging zonde en sindsdien zijn alle mensen belast met de erfzonde, mens is niet meer vrij --> Predestinatie. Dood is straf voor zonde. Naar Gods oordeel worden sommigen uitverkoren voor de zaligheid, anderen bestemd voor eeuwige verdoemenis. De uitverkorenen zullen de Godsstaat vormen.

 

 

 

 

 

 

 

SCHOLASTIEK

  • 9e tot 12e eeuw: vroege scholastiek: universalia strijd. Verstrengeling van theologie en filosofie.
  • 13e eeuw: bloeitijd: invloed van Aristoteles' ideeŽn door contacten met Arabische en joodse filosofie tijdens kruistochten (1096-1270); ontstaan van universiteiten.
  • 14e en 15e eeuw: late scholastiek: nominalisme en mystiek. Ontbinding scholastiek.
De waarheid van het geloof redelijk funderen en begrijpelijk maken met behulp van bestaande dogmata - het tegendeel van vrij en onbevooroordeeld onderzoek.
  • d.m.v. rede beter inzicht in de geloofswaarheden
  • geloofswaarheden systematisch ordenen
  • verstandelijke bezwaren t.o.v. geloofswaarheden met wijsgerige argumenten weerleggen
Twee opvattingen m.b.t. de vraag naar werkelijkheid van het algemene / de 'universalia':

(1) Realisme: toekenning van de werkelijkheid aan het algemene, niet aan het individuele. Universalia ante res (algemene begrippen zijn eerder dan de dingen). Plato, neoplatonisme. (N.B. = nu idealisme: algemene ideeŽn zijn werkelijker dan concrete dingen).

Johannes Scotus (bijgenaamd Eriugena) (810-877)
Wereldgebeuren = kringloop: begint en eindigt in God: God is scheppende en niet-geschapen natuur; daaruit komen de geschapen en scheppende natuur, goddelijke gedachten, algemene begrippen (verg. platonische IdeeŽn); daaruit komen de geschapen en niet-scheppende natuur, de afzonderlijke dingen, de in de IdeeŽn hun oorsprong vindende individuele wezens. Tenslotte keert alles weer terug in God (verg. neoplatonisme).

Anselmus van Canterbury (1033-1109)
Ontologisch godsbewijs: uit het begrip van iets (God als grootst denkbare) een bewijs voor zijn werkelijk bestaan afleiden.
God is het grootst denkbare; als God alleen in het verstand aanwezig was, zou men nog iets groters kunnen denken dan het grootst denkbare, n.l. dat God ook in werkelijkheid is en niet alleen in het verstand. Dit is een tegenspraak, dus God bestaat niet alleen in het verstand, maar ook in werkelijkheid.

(2) Nominalisme: Alleen concrete dingen zijn werkelijk: algemene begrippen zijn niet in de werkelijkheid, maar in ons verstand aanwezig, het zijn niet meer dan namen. Universalia post res (algemene begrippen komen na de dingen) (verg. Aristoteles).
Johannes Roscellinus (1050-1120): Op elkaar lijkende dingen samenvatten op grond van hun gemeenschappelijke kenmerken. Wit-heid en Mens-heid als algemene substantie bestaan niet, alleen concrete witte voorwerpen en mensen bestaan.

Petrus Abelardus (1079-1142)
Synthese realisme en nominalisme. Voor God geldt: universalia ante res; voor mensen geldt: universalia post res; dus: universalia in rebus: algemene begrippen zijn in de dingen, niet los ervan of er buiten. Noch individuele verschillen van concrete dingen, noch het algemene begrip ontkennen.

Thomas van Aquino (1225-1274)

  • Twee domeinen van kennen, die niet in tegenspraak zijn, van ťťn waarheid:
    - een objectief kenbare wetmatig geordende werkelijkheid. (Filosofisch) kennen d.m.v. verstand.
    - een bovennatuurlijke werkelijkheid. Staat boven het filosofisch kennnen, is ontoegankelijk voor filosofisch denken --> niet met verstandelijke redeneringen te bewijzen; de mysteries van het christelijk geloof. Kennen d.m.v. geloven.
    Omdat het geloof waar is, is het niet met de rede in strijd (tegenspraak met het geloof met verstandelijke middelen weerleggen).
  • Vijf godsbewijzen, waaronder (verg. Aristoteles):
    - Beweging (oorzaak) moet een beweger (veroorzaker) hebben --> eerste beweger (veroorzaker) is God.
    - Teleologisch: datgene wat van zichzelf geen kennis bezit, moet door een intelligent wezen naar doel geleid worden, God dus.
    Wezen van God: tussen menselijke godsvoorstelling en de (neoplatonistische) opvatting dat God geheel transcendent en onkenbaar is --> kennis van God is mogelijk, maar is onvolmaakt.
  • Ziel is zuiver geestelijke substantie, zonder materie, en is onsterfelijk. Als Aristoteles: passieve materie (lichaam) en vorm als actief beginsel (ziel).
    Kennis = gelijkwording van het kennende subject en het gekende object; kennen is passief, ontvangend (als Aristoteles). Zintuiglijke waarneming is materiaal voor kennis; actief intellect verwerkt dit materiaal (verg. Kant).
  • Staatsleer: Noodzaak voor maatschappelijk gezag: anders egoÔstische belangen, geen zorg voor algemeen welzijn, dus een monarchie. Wereldlijke macht is ondergeschikt aan geestelijke macht.

Johannes Duns Scotus (Ī 1266-1308)
Kritiek op Thomas: (Aristotelische) filosofie valt niet te rijmen met (christelijke) theologie; kritiek op de methode van bewijsvoering.
Duns is in het universalia-vraagstuk een realist (als Thomas), maar kent het individuele een hoge waarde toe (meer naar nominalisme; verg. renaissance opvatting v.h. individuele).
Vrije wil staat boven het denken --> actief denken.

Willem van Occam (1290-1327)
Vernieuwing van nominalisme die de grondslagen van de scholastiek ondermijnt.
Het concrete alleen en niet het algemene begrip van de realisten is werkelijk, zelfs in God zijn geen universalia 'ante res'.
De geloofsmysteries, zelfs de hele theologie, is onkenbaar en strijdig met het verstand en dat moet zo geaccepteerd worden --> theologie als wetenschap bestaat niet, theologie en filosofie moeten worden gescheiden, evenals kerk en staat.

Meester Eckhart (1260-1327)
Mystiek: neoplatonisme; Plotinus.
God is zozeer het volstrekte goede, ene, absolute en volmaakt transcendente dat we over Hem geen enkele uitspraak kunnen doen. Theologie bestaat uit negatieve uitspraken.

 

RENAISSANCE EN REFORMATIE

Individualisme: hoge waardering van de eigen vrije persoonlijkheid. Vrije bestudering van de antieken, onafhankelijkheid van de theologie en haar doeleinden. Ratio en empirie (rede en ervaring) als basis van de wetenschap. Wereldlijkheid: niet-kerkelijk karakter van het denken.
Uitvindingen: kompas, buskruit, boekdrukkunst.
  • Natuurwetenschap: Nicolaus Copernicus (1473-1543): Aarde draait om de zon en om eigen as. Johannes Keppler (1571-1630): "Waar materie is, daar is wiskunde" en: "het boek van de natuur is in wiskunde geschreven" --> kwantitatieve benadering van de natuur, i.p.v. kwalitatief (zoals de Grieken). Galileo Galilei (1564-1642): Grondlegger van de moderne natuurwetenschap: o.a. experimenten met vallende lichamen; niet waarom (zoals Aristoteles), maar hoe vallen lichamen; het gaat om meetbare factoren --> 'natuurwet': beschrijving, niet verklaring van een fenomeen d.m.v. een mathematische formule. Natuurverschijnselen zijn kwantitatief.
  • Humanisme: renaissance, wedergeboorte, van de 'antieke mens', d.i. onbevangen, niet-scholastieke belangstelling voor de klassieken. Voorbeeld: Michel de Montaigne (1533-1592): wereldlijke geest, kritisch, sceptisch, vrij van vooroordelen, mens als middelpunt van het denken.
  • Reformatie: Maarten Luther (1483-1546): Bestrijdt de pretentie dat de kerk de enige bemiddelaar is tussen God en de mensen (protest op aflatenstelsel), in plaats daarvan een 'algemeen priesterschap'; ieder individu komt voor zichzelf te staan (renaissancistische bevrijding van het individu). Verlossing van schuld d.m.v. geloof in het 'Schrift', het geopenbaarde woord van God: evangelistisch. Scherpe tegenstelling tussen rede en geloof; anti-Aristoteliaan; vijand van de filosofie.
  • Rechts- en staatsfilosofie. Ontstaan van koninkrijken en nationaal besef.

NiccolÚ Machiavelli (1469-1527)
Zelfhandhaving en machtvermeerdering is het enige beginsel voor politiek handelen, alle middelen - moreel en immoreel - zijn daartoe geoorloofd, immorele middelen blijken immers dikwijls het meest succesvol. Politicus moet mens, die dom en zwak is, uitbuiten. Recht wordt begrensd door staatsgrenzen. Tussen staten onderling bestaat geen enkele moraal of recht.

Hugo de Groot (1583-1645)
Er bestaat een natuurlijk recht, dat noodzakelijk voortvloeit uit de door God gewilde natuur van de mens, dat de mens een met rede begaafd, maatschappij vormend wezen is. Mensen en staten zijn er te allen tijde aan gebonden. Het recht staat dus boven de staat (tegenpool van Machiavelli). Edelste recht is het volkenrecht.

Thomas Hobbes (1588-1679)
Is materialist, wijst vrijheid van de wil af. Oer- of natuurtoestand: anarchie, mens is een egoÔst, die uit is op eigen voordeel, dus zelfhandhaving en bezit van zoveel mogelijk goederen --> "Oorlog van allen tegen allen". Uit verlangen naar zekerheid en veiligheid onderwerpen mensen zich, d.m.v. het afsluiten van een maatschappelijk contract, aan de wil van een autoritaire staatsorde die de absolute macht heeft.

Thomas More (1478-1535)
'Utopia': een ideale socialistische gemeenschap: einde van uitbuiting van lagere klassen, iedereen levert een bijdrage aan gemeenschappelijke produktie, gemeenschappelijk bezit, vrij onderwijs voor iedereen (verg. Plato).

Giovanni Pico della Mirandola (1463-1494)
Mens dient zijn eigen natuur te bepalen door creatieve zelfontplooiing; Zonde is niet ontrouw aan God, maar verlies van 'eigen wilsbeschikking' (b.v. aan kerk); verlossing d.m.v. autonomie i.p.v. geloof --> optimistisch antropocentrisme, humanisme.

Nicolaus Cusanus (1401-1464)
Aarde is geen middelpunt en beweegt, heelal heeft geen grenzen. Nadruk op individualiteit en onderlinge verschillen. God heeft de wereld geschapen volgens mathematische principes (m.n. oneindigheid). God is het absolute oneindige, in wie alle tegenstellingen samenvallen (coincidentia oppositorum). Tegenstellingen (tussen godsdiensten) op hoger niveau verenigen. Kennisleer: (1) zintuigelijke waarneming, onsamenhangende indrukken --> (2) redelijk denken, ordening van indrukken --> (3) het omgrijpende denken, de onderscheiden tegenstellingen als in God verenigd beschouwen --> (4) niet-weten, door mystieke ervaring ťťn worden met God.

Giordano Bruno (1548-1600)
De wereld is een dynamische eenheid, omdat de kosmos een groot levend organisme vormt, dat door ťťn beginsel wordt beheerst: God, het geheel der tegenstellingen. God staat niet boven, maar is in de wereld, als onveranderlijke natuurwet --> gelijkstelling van God en natuur (PantheÔsme).

Francis Bacon (1561-1626)
"Kennis is macht." Filosofie heeft tot taak het doel en de methode van wetenschap te bepalen. Het doel is vooruitgang, praktische toepassing en natuurbeheersing door de mens. De methode bestaat uit het denken zuiveren van vooroordelen en de juiste manier van onderzoeken vinden en toepassen --> inductie, empirische cyclus.

 

RATIONALISME

Kennisideaal is wiskunde, die is universeel, is in principe voor iedereen toegankelijk en inzichtelijk, en heeft onaantastbare methode van bewijsvoering. Dit moet ook gaan gelden voor de filosofie. Streven naar een heldere, overzichtelijke vorm en harmonieuze opbouw.

Renť Descartes (1596-1650)
Deductieve afleidbaarheid uit eenvoudige begrippen --> streng logische analyse.
Onvoorwaardelijk zekere methode: "Welke uitspraken of oordelen kunnen aanspraak maken op onmiskenbare geldigheid?" --> Methodische twijfel:
(1) Ik moet aan alles (traditie, zintuigelijk waarneembare, enz.) twijfelen --> zekerheid dat ik op dit moment twijfel, dus denk. "Alles wat ik buiten mij waarneem zou bedriegelijk kunnen zijn, alles wat ik maar kŗn denken zou onwaar kunnen zijn, maar twijfelend ben ik in ieder geval zeker van mezelf als denkend wezen." --> Cogito ergo sum.
(2) Alles wat ik even onmiddellijk helder en duidelijk (claire et distincte) inzie als deze zekerheid, moet even zeker zijn: dus God bestaat. De idee van God als het volkomene, kan niet worden afgeleid uit de uiterlijke waarneming, noch door iemand zelf gevormd worden, omdat beide eindig en onvolmaakt zijn --> Absolute zekerheid van God.
(3) God is in zijn waarachtigheid de garantie dat mensen de waarheid kunnen kennen. Hoe is dan dwaling en vergissing mogelijk? "De vrije wil maakt het de mens mogelijk de ene voorstelling te aanvaarden en de andere te verwerpen. Alleen in de werkzaamheid van de vrije wil en niet in de voorstelling zelf ligt de bron van alle dwaling." --> De mens heeft juist en onjuist denken zelf in de hand.
Twee ideeŽn van substanties die niet bewezen of herleid kunnen worden: lichaam en geest (uitgebreidheid en denken): dualisme.
Kritiek op Descartes:
- Dualisme leidt tot psychosomatisch probleem: waar is de verbinding tussen uitgebreidheid en denken, tenslotte beÔnvloeden ze elkaar?
- Kan men door radicale twijfel volledig breken met zijn vroegere denken en vanuit het niets opnieuw beginnen? "Nee, methodische twijfel is een toneelstukje met Ik en God in de hoofdrol." God is het garantiebewijs dat de betrouwbaarheid van de rede moet bevestigen. Hoe kan de rede de betrouwbaarheid van de rede bewijzen, als haar betrouwbaarheid niet al bij voorbaat vast staat?
- De beginselen van de mechanistische en mathematische natuurverklaring zijn niet van toepassing op de filosofie: een miskenning van ervaring als kennisbron.

Benedictus de Spinoza (Baruch Despinoza) (1632-1677)
- Tractatus theologico-politicus (1670);
- Ethica, in meetkundige trant uiteengezet (1677).
De Substantie is het eeuwige ene of oneindige, dat onder of achter alle dingen is en alle Zijn bevat en in zich verenigd; Bestaat vanuit zichzelf en daarbuiten bestaat niets: Substantie = God = (scheppende) Natuur.
Modus is alles wat niet, zoals de substantie, vanuit zichzelf vrij en tegelijk noodzakelijk bestaat: de wereld van (eindige) verschijnselen (de geschapen natuur). Het is alles wat zijn voorwaarde heeft in iets anders. Elk eindig ding heeft God als onmiddelijke oorzaak.
De schakel tussen God als oneindige substantie en de afzonderlijke modi is de 'oneindige modificatie', de absolute som van de modi (= Alles).
De oneindige substantie heeft twee eigenschappen: denken (gťťn bepaald of beperkt denken) en uitgebreidheid (geen lichaam dus, want elk lichaam is begrensd). Net zomin als er twee substanties zijn (zoals Descartes leerde), maar slechts ťťn substantie die onder twee aspecten bekeken moet worden, zomin bestaat een bepaald wezen en m.n. de mens uit twee gescheiden substanties; ziel en lichaam zijn twee facetten van het zelfde wezen: monisme.
Wils- (keuze-)vrijheid bestaat niet, menselijk handelen volgt natuurwetten (o.a. wet van zelfhandhaving). Algemene begrippen van goed en kwaad bestaan niet.
Het wezen van elk ding (ook de mens) is zijn streven om zichzelf te handhaven. Deugd is het vermogen in dit streven te volharden --> macht. Macht reikt even ver als het natuurlijk recht (= natuurwetten = macht van de natuur) van de mens. Handelen volgens eigen Deugd = handelen volgens de natuur van de mens = redelijkheid = streven naar begrip, het sturen van hartstochten. Spinoza wantrouwt de zintuigen en instincten/hartstochten, maar twijfelt niet aan het verstand en zijn vermogen heldere kennis en onvoorwaardelijke zekerheid te bieden. Door de rede begrijpen we de wetmatige noodzakelijkheid en als we de noodzaak van iets inzien, moeten we het aanvaarden; aanvaarden van absolute zekerheid = willen --> vrijheid (bevrijding van lijden) d.m.v. inzicht. Aanvaarden van de noodzakelijkheid is niet meer passief ondergaan, maar er autonoom, vrij tegenover staan. Alles wat noodzakelijk is, is Gods wil: aanvaarding van het noodzakelijke = liefde tot God = liefde tot het onveranderlijke lot (verg. Nietzsche).

Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716)
Verbinding mechanistisch atoombegrip met teleologische zienswijze: De wereld is opgebouwd uit oneindig veel substanties: Monaden (=eenheden). Monaden zijn:
1. Punten, puntvormige substanties --> geen continuŁm. Materie is dus geen uitgebreidheid.
2. Krachten, krachtcentra: Een lichaam is niets anders dan een complex van krachtcentra (verg. natuurkunde).
3. Zielen. De puntvormige oersubstanties zijn bezield in verschillende gradaties: Lage monaden (onbewuste voorstelling); hogere monaden (menselijk bewustzijn); hoogste, centrale monade (God: oneindig bewustzijn, alwetendheid).
4. Individuen. Alle monaden zijn verschillend. Er is continuÔteit tussen de monaden onderling: van hoogste goddelijk monaden tot de meest eenvoudige. Monaden zijn afgesloten van hun omgeving en hebben eigen voorstellingen. Alles wat met en in de monade gebeurt, komt voort uit haar zelf en uit haar wezen.
Hoewel alle monaden zich volkomen zelfstandig ontwikkelen, volgens hun eigen individuele wetten, zijn ze toch op elkaar afgestemd: ze vormen immers samen het harmonisch geheel van de wereld (Harmonia praestabilita = tevoren vastgestelde harmonie). God heeft als schepper van iedere monade de interne ontwikkeling van de monade zo afgesteld dat ze in volstrekte harmonie loopt met andere monaden.
Voorbeeld: Stel twee klokken lopen altijd zonder de minste afwijking gelijk. Daar zijn drie verklaringen voor (met klok als metafoor voor substantie):
1. De twee klokken zijn technisch zo met elkaar verbonden dat de ene mechanisch van de andere afhankelijk is en dus niet kŗn afwijken (verg. Descartes' wisselwerkingstheorie).
2. Er is een technicus die de klokken voortdurend controleert en ervoor zorgt dat ze gelijk lopen. Dit is het standpunt van de occasionalisten: Bij iedere aanleiding zorgt God ervoor dat denken en uitgebreidheid met elkaar overeenstemmen.
3. De klokken zijn met zo'n precisie gecontrueerd dat onderlinge afwijking bij voorbaat is uitgesloten (Leibniz' harmonia praestabilita).
N.B. Spinoza had een eenvoudiger oplossing: Er is slechts ťťn klok (substantie) met twee wijzerplaten verbonden met hetzelfde mechaniek.
Theodicee: God heeft de best mogelijke wereld geschapen. Was er een beter mogelijk, dan zou God die niet gekend hebben, wat strijdig is met zijn alwetendheid; of God kon geen betere scheppen, wat strijdig is met zijn almachtigheid; of God wilde geen betere scheppen, wat strijdig is met zijn goedheid. Hoe dan is kwaad mogelijk? Drie soorten kwaad: het metafysische kwaad (de eindigheid van de wereld - onvermijdelijk als God de wereld wilde scheppen); het fysieke kwaad (geschapen wezens zijn onvolmaakt - anders waren ze gelijk aan God - dus hebben ze onvolmaakte ervaringen (lijden, ongenoegen)); het morele kwaad (onvolmaakte wezens schieten te kort en zondigen dus, zeker als het van God vrijheid heeft gekregen.
Kritiek op Leibniz: Vrijheid van de mens valt niet te rijmen met de harmonia praestabilita, die deterministisch is.

 

NAWOORD


Bij het maken van deze bladzijde is gebruik gemaakt van een uittreksel van: H.J. StŲrig: Geschiedenis van de filosofie (twee delen), 21e druk, 1990, gemaakt door P.v. Grieken