| Noord-Spanje
Zweden
Lesbos
[2002]
Lesbos
[1999]
Zwitserland
Polen
Noorwegen
Ebro
Bargerveen
|
Bargerveen,
zwarte parel van Oost- Drenthe

Nadat Rob en ondergetekende
onze excursie met Flip hadden gemist vanwege uiteen lopende redenen,
hebben we toch gemeend het gebied te moeten bezoeken. We verbleven
op de SVR camping te Erica. We hadden nog een goede reden om het
gebied te bezoeken vanwege de aanwezigheid van een grijze wouw.
Zie elders voor een artikel over deze zeldzame dwaalgast. Deze wouw
was goed te zien vanaf een uitkijkpunt dat zich een honderd meter
voorbij het SBB kantoor bevindt. Hier hadden we ’s avonds
ook de nachtzwaluwen. Overdag vanuit ditzelfde punt ook vaak boomvalken
te zien jagend op libellen.
Geschiedenis en
ligging
In het uiterste zuidoosten van Drenthe, tegen de grens van Duitsland
in Nedersaksen, ligt dit uitgestrekte hoogveengebied. Het wordt
aan de westkant begrensd door de dorpen Weiteveen en Klazinaveen
en aan de noordoost kant door Zwartemeer. Vroeger maakte dit deel
uit van ‘Het Boertanger moeras’ het grootste hoogveenmoeras
van Europa. Alleen bij Boertange (tange = zandrug) was een weg naar
Duitsland. Het gebied besloeg ook delen van Duistland en had een
totale oppervlakte van zo’n 300.000 ha, waarvan 160.000 in
Nederland. Daar is nu nog ruim tweeduizend ha van over. Het gebied
is in drie delen verdeeld:
Het Meerstalblok,
dat in het noorden ligt, kent de meeste afwisseling en is daardoor
voor de wandelaars het meest interessant zijn. Dit gedeelte is niet
grootschalig verveend. Er zijn diverse routes uitgezet.
Het Amsterdamse Veld is wel grootschalig verveend, waardoor bijna
alle veen is verdwenen. Het oostelijke deel is ingericht voor hoogveenherstel.
Er is een schelpenpad aangelegd, derhalve kan men dit gedeelte prima
op de fiets doen.
Het Schoonebeeker Veld is grotendeels niet verveend, maar rechtstreeks
in cultuur gebracht. Hier kunnen we nog flinke hoeveelheden welriekende
nachtorchissen aantreffen. Nog steeds kan men restanten van bewoning
aantreffen in de vorm van appelbomen, kastanje en vlier. Het wemelt
er van allerlei soorten libellen. De grond is er erg arm, zoadat
de zonnedauw er plaatselijk overvloedig voorkomt. Door de rijkdom
aan insecten kan de zonnedauw, als insectenetend plantje, hier goed
gedijen.
Eeuwenlang bleef
dit gebied een ontoegankelijk veenmoeras en deed het dienst als
natuurlijke verdedigingslinie. Toen dit in de negentiende niet meer
van toepassing was werd het gebied ontsloten door kanalen en ‘wijken’
en kwam de vervening op gang. Het bruine goud (turf) werd afgevoerd
en de overgebleven zandgrond, vermengt met resten veen, werd door
de landbouw in gebruik genomen. Op de lagere school leerde meester
ons dat zich in dit gebied de Veenkoloniën bevonden. Het Bargerveen
ontsnapte hier aan een grootschalige vervening. In 1995 werd de
laatste turf gewonnen en daarna kon de inrichting van dit natuurreservaat
beginnen. Het landschap bestaat nu uit plassen en meertjes waar
ook de zeldzame geoorde fuut nog volop broedt. De plassen worden
gescheiden door dijkjes. In het Duitse deel gaat de exploitatie
echter nog volop door.
Het Bargerveen
is nu een belangrijk wetland. Dat betekent dat Vogelbescherming
een oogje in het zeil houdt. Vooral in het zuidoostelijke deel,
achter Weiteveen, bevinden zich flinke waterpartijen tussen de smalle
dijkjes. Daar is de geoorde fuut voor Nederlandse begrippen flink
vertegenwoordigd met zo’n dertig broedparen. Maar ook de insecten
liefhebbers kunnen hier hun hart ophalen met de vele soorten libellen
en vlinders. De ganzen doen dit gebied in de winter aan. Zelfs de
kraanvogels weten dit gebied in de trektijd te waarderen.
De grauwe klauwier
is hier goed vertegenwoordigd met ruim honderd broedparen. Het is
een van de weinige plaatsen waar we met enige regelmaat deze schaarse
Nederlandse broedvogel tegen kunnen komen. Ruim honderd broedparen
betekent meer dan de helft van de Nederlandse populatie! Overigens
heeft hij een geduchte reputatie dat hem verschillende volksnamen
hebben opgeleverd: doorndraaier, rode wurger, negendoder. Die benamingen
heeft hij te danken aan zijn typische gewoonte de prooi vast te
spietsen aan doorn van slee - of meidoorn. Daar kan hij een ware
verzameling prooien bijeen brengen die dient als voorraadschuur.
Dat kan variëren van kevers en hagedissen tot veldmuizen. In
dit soort struiken maakt hij ook graag zijn nest. Het is één
van onze mooiste zangvogels, maar de omgebogen snavelpunt herinnert
ons aan minder vreedzame bedoelingen, vandaar de minder vleiende
bijnamen. In Drenthe wordt hij ook wel schatekster genoemd.
Ook andere zeldzame vogels kunnen hier worden waargenomen, zoals:
blauwborst, wielewaal en kwartels. Als we ’s avonds veel geduld
hebben en kunnen wachten tot de schemering dan kunnen we het typisch
geratel van de nachtzwaluwen beluisteren. Ook de boomvalken kunnen
we hier rond zien vliegen op jacht naar libellen. Een echt zeldzame
waarneming was de grijze wouw die in ieder geval de gehele afgelopen
maand juni aanwezig was en die honderden vogelaars naar dit gebied
lokte.
Ook botanisch
is het een interessant gebied. De ronde - en kleine zonnedauw kan
hier moeiteloos gevonden worden. Deze zeldzame planten vangen spinnen
en insecten om aan hun noodzakelijke voedingstoffen te komen. De
grond is hier te armetierig. Omdat de zonnedauw derhalve weinig
concurrentie ondervindt van andere plantensoorten gedijt het hier
prima. Ook de beenbreek hebben we gezien, echter maar op twee plaatsen
een enkel exemplaar. Veenpluis en wollegras zijn flink vertegenwoordigd.
Ook de gevlekte orchis en de welriekende nachtorchis kan men in
dit gebied aantreffen. Laatst genoemde soort is in Noord-Nederland
uit een heleboel terreinen verdwenen. In het Bargerveen bestaat
nog een bolwerk van deze nachtorchis. In dit hoogveenreservaat komt
de soort nog algemeen voor. Op een enkele plaats komen de twee genoemde
soorten samen voor.
Het gebied is
goed toegankelijk voor wandelaars. Duidelijke routebeschrijvingen
brengen de wandelaars op de fraaiste plekjes. Een brochure is verkrijgbaar
bij het kantoor van staatsbosbeheer in Zwartemeer. Wij hadden het
geluk dat we Gerrit tegen het lijf aanliepen. Deze rustige Drent
wou ons wel rondleiden in het gebied en als tegenprestatie wilde
hij wel wat geluidjes leren kennen. Derhalve spraken we om zes uur
’s ochtends af bij het parkeerterrein. Als men daarvan de
blauwe route loopt in het Meerstalblok dan komt men bordjes tegen
met allerlei wetenswaardigheden. Er is een vogelhut gebouwd door
de plaatselijke schooljeugd in samenwerking met SBB. Een betere
garantie tegen vandalisme is er volgens mij niet. Men vernielt toch
geen dingen die met eigen hand heeft opgebouwd? Ook op de fiets
is dit gebied goed toegankelijk via de schelpenpaden. In het Meerstalblok
schijnt ook nog een stukje hoogveen voor te komen dat niet door
mensenhand is beroerd. Zo wie zo is dit blok het meest natuurlijk,
omdat het niet grootschalig is verveend, dit in tegenstelling tot
het Amsterdamse veld. Dit gebied is ingericht voor hoogveenherstel.
Gerrit bracht ons op een fraai plekje waar we o.a.: veenbes, beenbreek
en lavendelheide aantroffen. Maar een klein, lees kwetsbaar, gebied
is voor het grote publiek afgesloten.
Later zijn we nog even met Gerrit Duitsland ingereden en het Bargerveen
aan de achterkant bekeken. Verder heeft hij ons nog bij een dood
lopende rivierarm gebracht dat omzoomd werd door een fraai rivierbos/struweel.
Dit gebied, genaamd Paradies, wekt misschien andere associaties
op, maar is zeker een bezoek waard. Het ligt vlak over de grens
richting Versen => Ems, voor grote brug links Börkener Paradies.
Eerste weg links, over klein bruggetje, na honderd meter parkeren.
Op reptielen gebied kunnen we verrast worden door de adder en de
levendbarende hagedis.
De beste tijd om het gebied te bezoeken is voorjaar en begin zomer.
De planten bloeien en de vogels zijn ook nog actief met hun zang.
Als het warm is worden ook de insecten actief. De steekmuggen en
de knutjes zijn dan erg vervelend. Zo lang men in beweging blijft
heeft men geen last, maar owee als men een tijdje stilstaat. De
plaatselijk huisarts wist te melden dat er vroeger op twee plaatsen
malaria voorkwam in Nederland: in en rond de Zaanstreek en in het
Bargerveen. Sommige mensen waarschuwen voor een terugkeer van deze
ziekte in onze wetlands die in de tropen nog steeds veel slachtoffers
maakt. De plaatselijke heelmeester had ook nog een aardige anekdote.
Op mijn vraag of hij wel eens patiënten had gehad die door
een adder gebeten waren antwoordde hij: “nee, ja één
keer!”. Hij stelde toen de vrouw de volgende vraag: “Had
hij pootjes?” Tot zijn niet geringe verrassing antwoordde
zij: ‘ja!’
Het gebied ligt nogal afgelegen en wordt door relatief weinig mensen
bezocht. Toch is het een aanrader mede daardoor. Men kan er diverse
routes lopen, maar als u de fiets meeneemt dan kan men het gehele
gebied doorkruisen. Neem dan ook de route langs de grens met Duitsland.
Men kan daar rustig de fiets neerzetten en het gebied inlopen Het
contrast is dan groot. Aan de Nederlandse kant laat men de natuur
zijn gang gaan, aan de andere kant van de grens grootschalige (veen)turfwinning.
Veemos vormt veen.
Dat dit plaats vindt kunt u zelf vaststellen als u het gebied bezoekt.
Veenmossen leven louter van regenwater. Ze groeien aan de bovenkant
aan en nemen hun eigen waterspiegel mee omhoog. Aan de onderkant
sterven ze af en zodoende wordt het pakket steeds dikker. De veenvorming
heeft tijd nodig. Ongeveer één mm per jaar. Als we
dan bedenken dat er ooit een veenpakket was van zeven meter dan
pas realiseren we ons pas wat onze voorouders hebben aangericht.
De waterscheiding loopt precies over het Bargerveen. Dat betekend
dat de neerslag enerzijds wordt afgevoerd via de Hunze naar de Eems,
anderzijds naar de IJssel.
P.S: de patrijzen
die in dit gebied voorkomen schijnen merendeels te behoren tot de
ondersoort Perdix p. sphagnetorum, oftewel veenpatrijs. De patrijzenstand
is nog maar een fractie van wat deze was voor de veertiger jaren.
Het bleek zelfs dan de spoorlijn Assen- Zwolle van groot belang
was voor de afvoer van vers wild, merendeels patrijzen, naar Amsterdam.
Het voortbestaan van de lijn, eind vorige eeuw, is hier grotendeels
aan te danken! Volgens oude literatuurbronnen werd vooral op de
zandgronden (heiden en hoogvenen) in Drenthe, Oost- en Zuidoost
Friesland, Groningen en delen van Duitsland deze veenpatrijs aangetroffen,
die zich onderscheidt van de West-Europese soort door een in alle
opzichten donkerder verenkleed. Tot in de jaren zeventig was men
van mening dat de ondersoort verdrongen zou zijn door de ‘gewone’
patrijs, maar het blijkt dat de laatste jaren de ondersoort veelvuldig
is waargenomen.
Bereikbaarheid:
Gemakkelijk per auto; met de bus is ook mogelijk. Deze stopt vlak
bij de SVR-camping ‘Panta Rhei’ aan de Noordersloot
3, 7887 TC te Erica (gem. Emmen). Tel. 0591- 302341.
Het zal duidelijk
zijn dat dit gebied naar Nederlandse maatstaven een uniek gebied
is. Het kan verkend worden via de uitgezette wandelroutes, maar
als men ook het gebied wil bezoeken dat grenst aan Duitsland dan
is een (terrein) fiets erg handig. Het gebied heeft veel te bieden
voor mensen die van weidse gezichten houden, of interesse hebben
in planten, insecten of vogels. Mocht u dit alles niet zelf willen
of kunnen ontdekken, roep dan de hulp in van SBB. Zij geven regelmatig
excursies. Het grootste voordeel is de rust die dit gebied nog uitademt.
De geïsoleerde ligging en de relatieve onbekendheid zijn daar
debet aan. Ook geschiedkundig biedt het voldoende aanknopingspunten.
Zie ook het oktobernummer (jaargang 2000) van Grasduinen.
Adres staatsbosbeheer:
Staatsbosbeheer, Zwartemeer, Kamerlingswijk OZ 83, 7894 AJ Zwartemeer.
Tel. 0591-313572. Hier zijn ook folders verkrijgbaar met routebeschrijvingen.
Literatuur:
Stichting werkgroep Avifauna Drenthe. 1982.Vogels van Drenthe. Uitgever
Van Gorcum, Assen.
Berg, v.d. A. 1996. Vogels in de kijker. Tirion
Laan, ter K. 1947. Aardrijkskundige woordenboek van Nederland. Batavia,
G.B. Van Goor en Zonen, ’s Gravenhage.
Bos, Frank. e.a. 1997. Veldgids Libellen. KNNV.
Wynhoff, I. e.a. 1999.Veldgids Dagvlinders. KNNV.
Kreutz, C.A.J. en H. Dekker. 2000. Orchideeën van Nederland.
Uitgever: B.J. Seckel.
Otte W. Zijlstra
|