Duitsland en Falsterbo

About Me

Duitsland en Falsterbo

Reisverslag naar Noord - Duitsland en Falsterbo- Herfst 2008

Donderdag 16 oktober

We vertrokken om 7 uur ‘s ochtends. Mijn broer, die de boodschappen had gedaan en ondergetekende die de nodige voorbereidingen had getroffen. Dat betrof vijf dagen verblijf in een huisje op de natuurcamping in Pruchten, vervolgens de overtocht van Rügen (Sassnitz) naar Trelleborg en drie nachten verblijf in het Falsterbo Bird Observatory.
We kwamen na een voorspoedige reis om omstreeks 16 uur aan op de camping. Na te hebben ingecheckt en betaald (120 euro viel wel mee) zijn we nog even naar het uitzichtpunt van Oie Kirr gereden. Dat is de eerste afslag nemen in het gehucht Bresewitz. Veel vogels waren er nog niet te zien. Maar tegen een uur of zes barst het los, dus je moet even geduld hebben. Dan is het al flink schemering voordat de kranen zich laten verleiden om de overnachtingplaats op te zoeken: een klein eilandje in de Barther Bodden.
Later heb ik dit punt nog een keer bezocht op een ochtend om met mooi tegenlicht opnamen kunnen maken van kraanvogels met een roodachtige gloed als achtergrond.
Op vrijdag zijn we richting Günz gegaan. Eerst even een doorsteek gemaakt naar een kleine plaatselijke haven waar ik, ondanks de harde wind, nog mooi een baardmannetje kon fotograferen Daarna door naar het uitkijkpunt (met verhoging) en naar aankomende kraanvogels gekeken en geprobeerd ze op de foto te zetten. Jouke met de 100-400 millimeter lens en ik met de 500 millimeter. Beide hadden we wisselend succes. De ‘crane-rangers’ hielden een oogje in het zeil opdat de mensen niet aan de wandel gingen langs de weg en opdat auto’s niet stopten langs de weg waar de kranen zich ophielden, maar naar de parkeerplaats kwamen. De kraanvogels worden hier bijgevoerd, niet met maïs (te duur) maar met een soort bonen. Daarna verder naar het bezoekerscentrum in Gross Mohrdorf. Als je daarna nog even doorrijdt naar Hohendorf kom je bij een boerderij met een flinke hoogzit van waaruit je prima kunt fotograferen in de ochtenduren. Bijna elke dag zagen we wel één of meerdere zeearenden op verschillende plaatsen. Eén keer zat hij ochtends op nauwelijks 100 meter van de weg af op het land. Snel de auto aan de kant van de weg gezet en dat is hier nog niet zo makkelijk. Hij bleef even zitten en de reden was een prooi die in de buurt lag. Aan een begeleidende bonte kraai kon je goed zien hoe enorm beest het is.
Eén dag zijn we naar Rügen geweest om daar het nationale park Jasmund (met 3000 hectarehet kleinste Nationale Park van Duitsland) te bezoeken. Aan de oostkant zijn er ook hoge krijtrotsen, die bezocht kunnen worden, te bewonderen. Ze rijzen ruim 160 meter uit zee omhoog. Een wandeling in de herfst is heel bijzonder vanwege de mooie herfstkleuren. Tevens hebben we een kaartje gekocht voor de boot naar Trelleborg (105 euro). Verder het Prora bezocht: het reuzenverblijf voor Hitler’s arbeiders die er echter nooit geweest zijn. Er zouden 20.000 arbeiders tegelijk aan het ontbijt kunnen zitten! Nu raakt het ernstig in verval. Redelijk goed weer en geen regen overdag. Wel vaak een harde wind.

Bijzondere vogels hier in het Oostzeegebied aan de Duitse kant:

Zeearend: circa vijf keer een exemplaar.
Kraanvogels: ruim 55.000 (top ooit 70.000 in de regio).
Grote zilverreiger.
Raaf.
Bonte kraai: vervangt hier de zwarte kraai.
Rode wouw: niet algemeen in Noord Duitsland.
Drie eksters op een afgekloven ree langs de kant van de weg.
Torenvalk.
Houtduiftrek op Zingst (circa10.000 binnen een half uur!)
Baardmannetjes.

 

Overtocht naar Zweden.

Op dinsdag zijn we om half vijf opgestaan om met de boot van 8 uur vanuit Sassnitz de overtocht te wagen. Het regende bij aankomst in Trelleborg, maar later werd het droog. De trek begint in Zuid Zweden niet in de herfst maar al halverwege augustus. De boompiepers openen vaak het trekfeest. Vooral de soorten die over de Sahara heen moeten vliegen zullen het eerst vertrekken naar het zuiden. Zij hebben natuurlijk ook de grootste afstand te overbruggen. Kwikstaarten moeten 5000 kilometer afleggen en de boerenzwaluw het dubbele hiervan. Om zo’n afstand af te leggen neemt veel tijd in beslag. In de Sahara rusten boerenzwaluwen vaak overdag uit; niet zozeer om energie te besparen, maar om vochtverlies te beperken. Zie ook hierna. Veel soorten eten insecten en kiezen er vaak voor om hun broedgebied te verlaten als het aantal insecten nog op peil is. Boompiepers en gele kwikstaarten zijn de soorten die vaak de overhand hebben wat hun aantallen betreft in augustus. Een goede dag levert 6000 boompiepers op. Om de trek waar te nemen moet men al ruim voor zonsopgang aanwezig zijn. De eerste uren zijn de beste.

In het boek: ‘Wings over Falsterbo’ schat men dat ongeveer 500 miljoen vogels het noorden verlaten met de herfsttrek. Sommige trekken alleen overdag, sommige zowel ‘s nachts als overdag. Sommige soorten, bijvoorbeeld ganzen, trekken in grote gesloten formaties, andere zoals spreeuwen in een warrige groep. En dan het goudhaantje die er alleen op wegtrekt op een donkere herfstnacht. En dit zijn zo maar een paar wetenswaardigheden over het fenomeen trek. Wij hebben niet de intentie het raadsel over de trek op te lossen, we willen er alleen maar van genieten. Vandaar dat we eerst de specifieke trek van de kraanvogel hebben aanschouwd en daarna zijn doorgereisd naar Zuid Zweden en bij Falsterbo van de trek hebben genoten. Daar trekken overigens maar 1 tot 3 miljoen vogels over. Dat steekt schril af tegen de half miljard die eerder werd genoemd. We moeten ons realiseren dat het hier gaat om dagtrekkers omdat die alleen geteld worden. Het zal duidelijk zijn dat al is de trek gigantisch over het schiereiland Nabben het maar een zeer klein gedeelte is van het totale plaatje. Dat neemt niet weg dat het Falsterbo schiereiland veruit de beste plek is voor vogels om over te steken.
Dat heeft natuurlijk te maken met de geografische positie van het eiland om met het minste gevaar en minimale energie de overkant bereiken.

Waar we moeten zijn op het schiereiland voor de trek hangt af van de windrichting:

NW => kanaal bij Ljunghusen en Stenudden (1 km zuidwest van het kanaal).
NO => Ljungen (de heide) & Nabben.
ZW => Nabben, Kolabacken (vlakbij golfgebouw), Kanaal en Ljungen.
ZO => Slusan (iets ten zuiden van de haven van Skanör) en Flommen.

Woensdag 22 oktober

Naar Nabben (zuidpunt van Zweden) gereden en daar rond 8 uur gearriveerd. Wat erg opviel was de enorme trek van houtduiven en dan heb ik het over tienduizenden. Ben benieuwd wat ze daar geteld hebben die dag. Ook veel trek van: vinken, kepen, groenling. Verder zagen we voorbij komen: putters, sijs, kool- en pimpelmees en ringmus. Ook drie grauwe kiekendieven en een enkele buizerd. Door de sterke tegenwind hadden de kleine zangers het moeilijk. Ook een enkele veldleeuwerik en een paar ruigpootbuizerds gespot.
Vele sperwers vlogen rond en trokken ook door, achter de zangertjes aan. Over zee diverse grote groepen brandganzen en honderden eidereenden. Ter plaatse zaagbekken en brilduikers. In het Falsterbopark zagen we een paar zwarte spechten. Eentje vloog even over de punt bij Nabben; toen hij de grote waterplas aanschouwde vloog hij spoorslags terug.
Donderdag 23 oktober

Een prachtige dag en daar hebben we goed gebruik van gemaakt. Eerst even naar de punt van Nabben en daar een herhaling van gisteren: veel trek van houtduiven en vinkachtigen. We wilden vandaag ook even naar Fyledalen. Toen we terugkwamen bij de auto werden we verrast door een viertal notenkrakers. Daarna op naar Fyladalen. Via Malmö en Sjöbe naar Röddinge. Daar niet de eerste en ook niet de tweede afslag naar het dorpje nemen.
Circa 1 kilometer voorbij het dorp komt er een bordje Fyland: daar rechtsaf slaan. Die weg nemen en op het eind van die weg linksaf het dal inrijden. De vallei ligt dus ten westen van Tomelilla en bestaat uit een dal met vooral loofhout (met name beuken). De vallei is 50 meter diep en ruim 15 kilometer lang. Het dal is ruim 10.000 jaar geleden ontstaan tijdens de laatste ijstijd.
Prachtige herfstkleuren vielen ons ten deel. Op het eind hebben we even een langere stop gemaakt. Daar zagen we diverse buizerds en rode wouwen en even later ook een steenarend en daar is dit dal ook wel een beetje beroemd om. In het bos een eekhoorn en ik meende ook een boomkikker te horen. Na een tijde weer terug naar Falsterbo, omdat we nog even bij de hei van Ljungen wilden kijken. Het is ruim een uur rijden vanaf het dal naar de hei en daar waren we om ongeveer 14 uur. Doordat het licht bewolkt weer was en er een lichte bries waaide, besloten toch nog een heleboel roofvogels de oversteek te wagen. Enkele honderden hebben we er gezien, soms in groepjes twintig. Het betrof sperwer, buizerd en ruigpootbuizerd. Enkele kruisbekken vlogen heen en weer in de naaldbomen. We hadden ons echter niet bij de hei geposteerd, maar even ten noorden van de rotonde richting Skanor. Door de zuidelijke wind kregen ze wat drift naar die kant van het schiereiland.

Enkele officiële aantallen van de ‘migration counts at Nabben’; de twee dagen dat we er waren even een paar cijfers met elkaar vergeleken en dan kun je zien welke invloed het weer heeft op de trek.

Woensdag 22oktober: zwaar bewolkt en straffe tegenwind.

Brandgans 4320 sterke vliegers en die gaan wel door.
Eidereend 3320 idem.
Sperwer 1232
Buizerd 0! duidelijk afhankelijk van thermiek.
Ruigpootbuizerd 27
Rode wouw 0
Smelleken 9
Kauw 1320
Houtduif 6760 wachten op betere tijden.
Veldleeuwerik 46

Donderdag 23 oktober: zonnig en weinig wind.

Brandgans 5350
Eidereend 1450
Sperwer 1221 niet afhankelijk van de thermiek.
Buizerd 587 durven de oversteek nu wel aan.
Ruigpootbuizerd 91
Rode wouw 74 ook de rode wouw durft het aan.
Smelleken 0
Kauw 10360
Houtduif 40850! pakken deze dag om massaal door te gaan.
Veldleeuwerik 494

Hieruit blijkt duidelijk dat de thermiekvliegers wachten op geschikte omstandigheden. Van de houtduif is bekend dat ze wachten op geschikte (staart) wind. Maar soms overspelen ze hun hand (vleugel) en wachten ze te lang. Op een gegeven ogenblik raast het trekhormoon zo dominant door hun aders dat ze soms met slechte weer moeten oversteken. (zie ook het voornoemde boek). Op Zingst zijn we getuige geweest van de enorme aantallen trekkende houtduiven die voor een deel ongetwijfeld ook op Falsterbo doorgekomen zijn. Tot en met 25 oktober 2008 waren er al ruim 310.000 geteld. De vinken/kepen worden op één hoop gegooid omdat ze in gezamenlijke groepen doortrekken. Wel is bekend dat het merendeel vink betreft. De teller tot en met 25 oktober stond op ruim 1,1 miljoen vogels! Deze zangvogels vliegen tot het eind van de ochtend zodat ze in de middaguren nog wat kunnen foerageren. Dan kunnen ze de volgende dag weer een etappe afleggen op weg naar hun winterverblijf.

Lennart Karlsson,, Wings over Falsterbo e.a. 2004. Anser supplement no.222
Bijlsma, G. Algemene en schaarse vogels van Nederland. 2001.GMB uitg. Haarlem
Website Falsterbo: http://www.skof.se/fbo/index_e.html

 

Aanvullende informatie over de vogeltrek.

Wat zet de trek in gang? Soms is het door gebrek aan voedsel zoals bij de kramsvogel of anders door de biologische klok die aangestuurd wordt door de daglengte en gereguleerd door hormoonklieren. Maar vaak is het voor de mens niet altijd duidelijk. Terwijl hier nog voldoende voedsel is, trekken toch de gierzwaluwen eind augustus massaal weg. Bij vogels die hier alleen te zien zijn tijdens een invasie is voedsel bereikbaarheid wel een belangrijk drukmiddel om hun broedgebied te verlaten. Te denken valt aan pestvogels (die tegenwoordig bijna elk jaar wel gezien worden) en grote kruisbek. Wel is het zo dat de vogels die de Sahara voorbij moeten half september Falsterbo wel gepasseerd zijn. Halverwege de herfst passeren vooral hier vooral nog vogels die overwinteren in Europa of soms in Noord-Afrika.

Hoe lang kan een vogel vliegen? Vet verbranding levert de meeste energie op. Twee keer zoveel als uit koolhydraten met als extra voordeel dat er bij de verbranding vocht vrij komt. Een vogel die op trek gaat moet er voor zorgen dat de tank vol zit. Men heeft het idee dat een vogel met 10% vetvoorraad een vliegtijd heeft van 10 tot 20 uur en daardoor een vliegbereik heeft van 500 tot 750 kilometer. Als ze grote barrières moeten overwinnen zoals de Sahara dan kan het vet% oplopen tot 50 %. Dan kan soms een afstand van 4000 kilometer afgelegd worden. Nadeel is natuurlijk het hogere vlieggewicht. Daarom trekken kleine vogels, als de omstandigheden het toelaten, telkens relatief kleine stukjes.

Hoe vinden ze hun weg? Dit heeft de mens al lang gefascineerd. Soms vliegen de jongen met hun ouders mee naar de overwinteringgebieden (ganzen & kraanvogels bijvoorbeeld), maar vaak ook niet. Denk alleen maar eens aan de koekoek. De oudere vogels gaan na het leggen van een ei in een ander mans nest er al gauw vandoor naar zuidelijke streken. Dat kan al eind juli beginnen. De jongere koekoeken vertrekken pas eind augustus en begin september en toch weten ze feilloos hun gebieden in het zuiden te bereiken. Ook bij de wespendief trekken de jongen niet met de oudere vogel mee terug. Vanaf 20 augustus begint de trek van de volwassen vogels over Nabben (zuidpunt van Zweden), terwijl de juveniele vogels in midden september nog een piek vertonen in de aantallen. Deze registratie is mogelijk omdat de kenners de juveniele vogels goed kunnen onderscheiden van de volwassen beesten. Wel is gebleken door onderzoek in een planetarium dat ’s nachts trekkende vogels zich kunnen oriënteren op de sterrenhemel al of niet ondersteund door het aardmagnetisch veld van de aarde. Recent onderzoek heeft aan het licht gebracht dat bij vogels speciale zenuwcellen (neuronen) in hun ogen gevoelig zijn voor het aardmagnetisme. Deze geven de impulsen door aan de hersenen van de vogel. Overdag trekkende vogels hebben de zon als lichtpunt; knap is natuurlijk dat hun inwendige kompas rekening houdt met de draaiing van de aarde. Oudere vogels, die de reis al een keer gemaakt hebben, gebruiken ook geografische kenmerken zoals rivieren, bergketens, kustlijnen etcetera.

Pas onlangs is er nieuwe informatie bekend geworden over de rosse grutto’s die in Alaska broeden. De vliegroutes waren niet precies bekend, wel dat ze van Alaska (hun broedgebied) vlogen naar Nieuw Zeeland (overwintering gebied). Dat onderzoek is als volgt tot stand gekomen. Op een slechte dag voor de rosse grutto vlogen er een aantal zich te pletter tegen een radarpost aan de kust van Alaska. Deze belanden uiteindelijk bij hoogleraar (dierecologie) en Waddenzeedeskundige Theunis Piersma op de snijtafel. Daar bleek dat ze moddervet waren en een vetpercentage hadden van 55% en dat was ongehoord hoog. Wat moesten die vogels met zoveel vet? Teveel is niet handig in verband met je trekgewicht.
Een uitwendige zender was niet mogelijk, het zou de stroomlijn van de vogels teveel onderbreken tijdens de lange trek. Sinds kort is er een inwendige zender van 25 gram beschikbaar die geïmplanteerd moest worden door een dierenarts. Dit onderzoek heeft geleid tot nieuwe inzichten betreffende de trekroute. Het blijkt dat ze de waddengebieden van Alaska moddervet moeten verlaten om non-stop de Stille Oceaan over te kunnen vliegen. Ze doen over deze reis circa 8 dagen en hebben dan ruim 10.000 kilometer af moeten leggen met een gemiddelde snelheid van ruim 52 km/uur. Hebben de dieren geen vocht nodig? Het blijkt dat als de temperatuur maar onder de 7 0 C blijft ze voldoende vocht kunnen genereren uit de vetverbranding. Het betreft hier zo’n 150.000 rosse grutto’s die dit kunstje uithalen en van de overjarige beesten is 95 % succesvol. Het is ongelofelijk dat ze dit 30 tot 40 jaar kunnen volhouden want deze vogels kunnen behoorlijk oud worden. Het voordeel van deze trekroute is dat ze op een hoogte van (schat men) 2 á 4 kilometer geen roofvogels tegen komen en dus betrekkelijk veilig in hun overwintering gebied komen. In Nieuw-Zeeland is weer voldoende voedsel voor hen in de daar aanwezige waddengebieden en er is ook zeer weinig predatie. De terugreis gaat anders via de Gele Zee en ze maken gebruik van rugwinden die afkomstig zijn van de Tibetaanse hoogvlakte. Het zal duidelijk zijn dat nog lang niet alles duidelijk is betreffende dit trekfenomeen.

 

Vogels hebben ook vocht nodig tijdens de trek. Als de temperatuur laag genoeg is (5 –7 graden Celsius) halen ze voldoende uit de vetverbranding. Bij hogere temperaturen wordt de waterbalans negatief en dit beperkt hun vliegbereik. Men schat dat een vogel bij een temperatuur van 15 graden acht tot zestien uur kan vliegen; bij een temperatuur van 25 graden maar twee tot drie 3 uur. Waarschijnlijk is dat de reden dat vogels graag op grotere (en dus koelere) hoogte trekken! Thermiekvliegers gebruiken hoogte om weg te zweven. Buizerds zoeken een warme luchtbel op om zoveel mogelijk hoogte te winnen voordat ze zich laten afglijden naar Denemarken. Echter, ze verliezen 1 meter op 15 meter afstand. Dus om 15 kilometer te overbruggen moeten ze 1 kilometer hoogte winnen. Op een afstand van 25 kilometer naar Denemarken toe moeten ze op een hoogte van 1800 meter beginnen. Die hoogte halen ze bijna nooit. Als ze een hoogte bereiken van 1000 meter is het al veel. Ze moeten dan de laatste 10 kilometer in actieve vlucht afleggen. Waarnemingen vanaf de Deense kant bevestigen dit. Ze zien daar vaak buizerds aankomen op een tiental meters boven zeeniveau.
Dat niet alle vogels gelijktijdig wegtrekken uit Scandinavië wisten we wel maar er zijn ook dag- en nachtploegen. Hierbij een globaal overzicht wat we aan kunnen treffen.

Dagtrekkers:
Ooievaars & kraanvogel (thermiek)
Roofvogels (thermiek)
Duiven; op Zingst waren we daar getuige van!
Zwaluwen
Piepers en leeuweriken & kwikstaarten
Kraaiachtigen
Spreeuwen
Vinken
Gorzen
Nachttrekkers:
Uilen, koekoek.
Winterkoning, roodborst en
roodstaart.
Tapuit en paapje
Lijsters
Vliegenvangers
Klapekster en klauwieren
Goudhaantjes
Karekieten en rietzangers
Dag en nacht trekkers:
Zwanen en ganzen
Eenden
Steltlopers
Meeuwen en sterns.

Aanvullende informatie over de kraanvogel.

Kraanvogels in Nederland.
Ook in Nederland kunnen we soms genieten van enkele kleine groepen kraanvogels en dan met name als het een tijdje oostenwind is geweest in oktober/november. Want dan trekken ze verder naar het zuiden (Lac du Der) en later nog verder naar de Dehesa in Spanje waar ze onder de bomen voedzame eikels eten. Na een aantal jaren van overzomerende kraanvogels in Nederland broeden er nu hier ook en wel in het Fochteloërveen. De najaarstrek is vaak wat massaler dan de voorjaarstrek, al kunnen dan ook soms enkele exemplaren gezien worden bijvoorbeeld in de Wieringermeer (voorjaar 2008). Het zal duidelijk zijn dat je in het oosten van het land, in de trektijd van de kranen en met oostenwind de meeste kans hebt om ze te zien. Vooral in De Peel worden ze dan gezien met in de topjaren meer dan 1500 exemplaren.

Otte W. Zijlstra