Weser (Noord-Duitsland)

About Me

Weser (Noord-Duitsland)

Bezoek aan de Weser in Noord-Duitsland.

Onze uitvalsbasis was een fraai gelegen camping aan de Weser, 40 km ten noorden van Bremen. Via Berne is deze camping gemakkelijk bereikbaar. Hij is gelegen vlak aan de getijdenrivier de Weser. Het gebied hier heet de Juliusplate en ligt vlak naast de veerovergang naar Bremen. Dit betekent dat de camping tussen de zomer- en winterdijk in ligt en dat heeft soms consequenties. De campinghoudster vertelde dat haar camping vorig jaar driemaal overstroomd raakte, maar dit jaar nog niet. Vooral met noordoosten wind kan het water via de ingang bij Bremerhaven ver het land in worden gestuwd. Op de landelijk aangelegde camping viel het geluid van de staartmezen meteen op. Ook de gekraagde roodstaart was aanwezig. In de schemering begon de ransuil te roepen. Vanaf de camping is de zomerdijk bereikbaar; daar kun je een heel stuk over heen wandelen (fietsen kan ook) en dan heb je een prachtig uitzicht op de rivier, met rivierduinen aan de ene kant en het achter de zomergebied gelegen gebied aan de andere kant. Boven de rivier visdief en in de rietvelden was de roep van de koekoek te horen. Dat maakte de rietzanger en de sprinkhaanzanger waakzaam. In de lucht een bruine kiekendief die over de rietvelden ‘zweefde’ en de buizerd.
De volgende dag, drie mei 2009, zijn we naar Neuenburger bos geweest één van de oerbossen die hier in de buurt ligt. Beide Oostfriese ‘oerbossen’ liggen in de Duitse deelstaat Niedersachen. Het Neuenburg is gelegen tussen de plaatsen Varel en Neuenburg. Het oerbos is 25 ha groot en maakt deel uit van een groter bosgebied. De oude bomen zijn een opvallend kenmerk van deze oude bossen. Maar ook de gelaagdheid: een kruidenlaag, struiklaag en bomenlaag zijn duidelijk herkenbaar. En als men even de bosgrond beroerd, valt de rijkdom aan geleedpotigen op: diverse soorten pissebedden, duizendpoten en miljoenpoten. Het moet voor salamanders een waar eldorado zijn! We vonden hier geen salamanders, al moeten die er wel zijn natuurlijk. Was het weer was te mooi? Deze dieren houden niet van droogte en dat was het hier al wekenlang geweest. De natuur had vocht nodig, dat was duidelijk.

De volgende dag naar het oerbos Hasbruch. De geschiedenis in een notendop. Hasbruch wordt voor het eerst genoemd in een oorkonde uit 1258, waarbij de toenmalige eigenaar van het gebied, het klooster van Hude, aan boeren in de omgeving de gebruiksrechten van het bos verleende. Men verkreeg grasgroei door het bos te verbranden. De eiken met de dikke bast waren daar tegen bestand. Een andere mogelijkheid om de grasgroei te bevorderen was het knotten van schaduwgevende bomen zoals de beuk en de haagbeuk. Het loof van de haagbeuk werd soms gebruikt als veevoer. De eik laat redelijk wat licht door en dat is de reden dat er nog een fraai ontwikkelende ondergroei aanwezig is. Vroeger kon er nog gierst groeien. Nu zagen we vooral bosanemoon, dalkruid, goudveil en veel varens en mossen. De struiklaag daarboven was vooral bezet met kamperfolie, hulst en meidoornstruiken. Voor een botanist allemaal erg interessant. De eikels werden vroeger gegeten door de varkens, maar wel onder begeleiding. Zwijnenhoeder was een gangbaar beroep in die tijd. Het gebied, dat in die tijd aanzienlijk groter was dan tegenwoordig, werd tot in de achttiende eeuw door plaggen en (soms illegale) houtkap sterk verkleind. Hasbruch was bovendien eeuwenlang in gebruik als bosweide, totdat in de negentiende eeuw de boeren één voor één hun gebruiksrechten verkochten. De laatste deed dat in 1882. In de tweede wereld oorlog werd ook een deel gekapt; men had behoefte aan brandstof.
De ontwikkeling van Hasbruch tot een natuur- en recreatiegebied begon in 1830, toen in het bos de eerste wandelpaden werden aangelegd. In 1889 werd bijna 17 ha van het bos aangemerkt als natuurgebied. Dat werd in 1938 uitgebreid tot 29 ha. In 1997 werd het gehele bos als natuurgebied aangewezen. Ongeveer 40 ha werd daarbij als Naturwaldreservat verklaard, wat met zich meebrengt dat dit deel van Hasbruch niet voor bosbouw mag worden gebruikt en ook niet wordt onderhouden. Dit deel van het gebied wordt vaak als oerbos gezien.
Ook in het Hasbruch zijn weer zeer oude eiken aanwezig en ze hebben zelfs eigen namen gekregen, zoals de Amalien Eiche. Sommige zijn dood maar staan nog fier overeind. En dan blijkt dat de natuur sterft van het leven, maar leeft ook van het sterven. De vele spechtengaten in de stam bewijzen dat er wat te halen valt. Als lichte staketsel steken de oude woudreuzen af tegen de voorjaarsluchten. Het Hasbruch is een restant van een voormalig 'Hudewald', een beweid bos. Tot in de negentiende eeuw moet het een parkachtig karakter hebben gehad, met verspreid staande zomereiken, beuken en haagbeuken. Daarna zijn grote delen omgezet in op houtproductie gericht bos. Kleine delen in het centrum werden tot reservaat verklaard: de beweiding werd gestopt en er mocht niet meer worden gekapt. Het Hasbruch was vanaf de negentiende eeuw beroemd door de vele oeroude eiken, die een romantische sfeer van de schimmige Middeleeuwen met zich meedroegen. Van de honderden oude eiken die het Hasbruch vroeger telde, zijn er nog enige tientallen over. Samen met de zgn. Grosse Eiche was dit in de negentiende en begin twintigste eeuw de grootste eik in het Hasbruch. De Grosse Eiche werd in 1923 verwoest door brand nadat een onvoorzichtige roker een brandende sigaret weggooide bij de eik. De Amalieneiche hield het langer vol, maar was eind jaren zeventig op sterven na dood en viel op 10 februari 1982 om. De restanten van de volledig holle reus zijn nog altijd indrukwekkend.
Hij had in 1979 een stamomvang van 10 meter en zijn leeftijd werd geschat op 1250 jaar, op basis van jaarringtellingen in de 19e eeuw. Het bosgebied is ook bekend om zijn spechten. Diverse soorten komen er voor waaronder de zwarte en de groene. Ook de middelste bonte specht komt ervoor. Wij kwamen o.a. ook voor de vuursalamander. Zoals gezegd was het droog weer geweest en omdat amfibieën snel uitdrogen vanwege hun dunne huid kruipen ze weg onder stenen en afgevallen takken. Regelmatig onder een geschikt stuk hout kijken leverde uiteindelijk wel een exemplaar op. Hij bleef mooi zitten en zodoende konden we er een paar plaatjes van maken. Wat meteen opvalt zijn de felle (waarschuwings) kleuren. Geel en zwart betekend in de natuur vaak een waarschuwing: ik ben gevaarlijk of giftig (vaak beide). Ook de wesp bedient zich van deze kleuren. De volgende dag ontdekten we nog een exemplaar. Ook de Alpenwatersalamander (landvorm) hebben we hier aangetroffen.
De vuursalamander (Salamandra salamandra) is de grootste, meest opvallende en bekendste salamander van Europa en kan wel 20 cm groot worden. Het is de enige landsalamander die in Nederland voorkomt en onmiskenbaar wat uiterlijk betreft. Hij heeft een gedrongen zwart lichaam met gele vlekken of strepen afhankelijk van de ondersoort. Op de poten zitten gele vlekken bij de aanhechting aan de romp. In Nederland is zijn verspreiding beperkt tot Zuid Limburg en op enkele plaatsen in het oosten van het land. De soort houdt van vochtige loofbossen, doorsneden met bronbeekjes. Er moet voldoende dekking te vinden zijn op de grond. Vaak is hij te vinden onder afgevallen takken en bij regen ook wel overdag actief. Het is een zeer honkvaste soort die haar larven afzet in helder zuurstofrijk water. Het voedsel bestaat uit wormen en naaktslakken. Na enkele dagen zijn we weer verder getrokken. Het blijkt erg interessant om eens een gebied te bezoeken ‘net ‘over de grens. Niet alleen voor de vogels maar ook de hoge landschappelijke waarde in combinatie met de oerbossen maakt het een bezoek waard. Lok. N53 .4.108/E008.28.623 (Hasbruch)
Otte W. Zijlstra, Niedorp