
Alpenmarmot

Zwitsers landschap

Zernez in Zwitserland (Graubunde)
Deelnemers: mink- jouke
en otte zijlstra
van 16/8 tot 23/8 2001
Algemene informatie
Doel van de reis was een bezoek te brengen aan Graubünden;
Zernez vormt dan een goede uitvalsbasis, omdat het centraal gelegen
is in dit deel (zuidoosten) van Zwitserland. Het heeft een uiterst
gevarieerd landschap en derhalve wordt het ook wel het land van
de 150 dalen genoemd. Elk van deze dalen heeft weer een eigen karakter
met mensen die zich bewust zijn van hun eigen identiteit. Het is
hierdoor dat de bergen niet hebben gezorgd voor een scheiding, maar
het vormde juist de basis voor vereniging en dat lag ten grondslag
aan het ontstaan van het Kanton Graubünde. Kantons hebben een
grote mate van autonomie. Vier talen worden in Zwitserland gesproken:
Duits, Frans, Italiaans en Raetoromaans. Laatst genoemde taal gaat
terug tot het Latijn dat vroeger in de provincie Raetie werd gesproken.
Zwitserland werd vroeger door de Kelten bewoond toen Caesar de Helvetiërs
en Raatiers in 59 v. C. onderwierp.
Reisverslag
Op donderdagochtend om klokslag vijf uur vertrokken we vanuit Dedgum
(Fr.) naar Zwitserland om de natuur van het Zwitsers Nationale Park
te bewonderen, lopen en te fotograferen. We hebben op de heenreis
de westelijke route van het Rijndal genomen via de 61. Bij Engen
in Zuid Duitsland hebben we een camping opgezocht voor de eerste
nacht. De volgende dag richting Konstanz langs de Bodensee. Daar
waren we even de route kwijt, maar hervonden die spoedig. Via Landquart
naar Klosters (1179 m). Daar hebben we gekozen voor de Fluelapass
(2383 in). Ter plaatse lag nog wat sneeuw. Op de terugweg liepen
hier de koeien over de weg. Op het hoogste punt was een uitbater
actief. We gingen verder richting Davos (1575 m) en vlak voordat
we het stadje binnen reden moesten we linksaf, richting Zernez (1472)
waar we al snel de camping Cull opreden.
Zernez ligt in het kanton
Graubünden tegen de Italiaanse grens aan. Na ons te hebben
aangemeld hebben we een plekje dicht bij de rivier opgezocht zonder
stroomvoorzieningen. De rivier bulderde achter ons langs en op dat
ritme konden we goed in slaap komen. Later zakte de rivier flink,
omdat het debiet sterk terugliep. In het algemeen hadden we prima
weer met soms in de nacht een beetje regen en overdag warm weer.
Als de zon echter achter de bergen schuil ging, in de namiddag rond
een uur of vijf, koelde het snel af. Een enkele keer was het ‘s
nachts koud. Omstreeks acht uur in de ochtend kwam de zon weer het
dal in schijnen en verwarmde onze stramme ledematen. Elke dag kozen
we een route uit om te lopen. Daartoe moesten we eerst een goede
wandelkaart kopen van rond de twintig gulden. Deze is te koop in
het museum van het Zwitsers nationaal park dat gelegen is aan de
oostkant van het dorp. In de kiosk is de kaart enkele franks duurder.
De eerste tocht, op zaterdag, voerde ons naar Pradea (2197) vlak
bij de camping. Het was de berg waar middags de zon achter verdween.
Een mooie wandeling met soms pittige stijgingen. Veel vogels kom
je er niet tegen. Dat beperkte zich tot een paar eksters, notenkrakers,
zwarte mees en kruisbek.
Na ruim drie uur waren we weer op de camping terug.
De volgende dag eerst het
museum bezocht. Het was een beetje miezerig weer en tijdens de wandeling
door Zernez zagen bij het sportcomplex honderden zwaluwen zitten.
Ze klampten zich vast aan de ruwe muren van het gebouw en onder
de brede dakgoot. Op die manier probeerden ze droog te blijven.
Het leek er op alsof ze door het slechte weer vastgelopen waren.
Het museumbezoek leverde niet veel op. Hier kun je ook de wandelkaarten
kopen voor dit gebied. In de middag zijn we naar het oosten gereden.
Via Ova Spin naar P2 gereden vanwaar een route loopt naar Grimmels.
Daar zouden alpenmarmotten zitten. Na een stevige klim en volledige
bepakking bereikten we inderdaad een prachtig uitzichtpunt. Midden
op deze plek was een ompaald gebied waar je geacht werd binnen te
blijven om de dieren niet te verstoren. Voor vrijheidsgezinde Friezen
is dat een moeilijk punt. Hier hebben we onze eerste “murmeltieren”
gezien en gefotografeerd. Hier ook kruisbekken gezien en gehoord.
Bij het omhoog lopen hoorden we ook de matkopmees en de zwarte mees.
De beesten waren hier vrij schuw.
Via dezelfde route teruggelopen
nadat we bijna twee uur van een prachtig uitzicht hadden genoten.
Terug naar de auto zijn we doorgereden naar de Öfenpass (2149
m).
De volgende dag, maandag 20 augustus Jouke zijn verjaardag gevierd.
Naar het dorp gelopen om gebak te halen. Daarna koffie zetten en
omdat het regende moesten we het in de auto opeten. Daarna klaarde
het snel op en besloten we richting St. Moritz te rijden om de Val
Trupchun te bezoeken. Via de rivier de Inn en fraaie dorpjes met
huizen die nog weelderige sgaffito- gevelversieringen hebben, komen
we bij Varusch waar onze wandeling begint.
Het is inmiddels al middag geworden dus we zullen niet de gehele
wandeling kunnen volbrengen. Ik had geen fotospullen mee en daar
zou ik na 45 minuten lopen spijt van krijgen, omdat we een jonge
alpenmarmot op het pad zagen zitten die kennelijk niet erg schuw
was. Ik besloot snel terug te gaan om de fotospullen te halen. Jouke
en Mink liepen door en we zouden elkaar bij de auto wel weer treffen;
en zo geschiedde.
De gehele tocht zou leiden naar F.Trapchun, (2782) maar dat hebben
we niet gehaald. De volgende dag gingen we hier weer lopen en omdat
we toen eerder vertrokken konden we verder het dal in lopen. Landschappelijk
en wandeltechnisch is het een heel mooi gebied en omdat je vrijwel
langs de rivier blijft lopen zijn de hoogte verschillen in het begin
ook niet groot; diverse foto’s hebben we gemaakt van dit uitdagende
landschap. Jouke kwam al filmpjes te kort en ook Mink kreeg de smaak
te pakken bij het filmen. We zijn tot vlak bij A.Trupchun (2040)
geweest; hier ook een plek met heel veel alpenmarmotten. Op de hellingen,
tweede dag, zagen we tientallen edelherten en een aantal gemzen,
veel notenkrakers en enkele kruisbekken. Langs de rivier heb ik
één grote gele kwikstaart gezien en dat is een magere
oogst. Wat je hier met name mist, ten opzichte van bijvoorbeeld
de Pyreneeën, zijn de gieren en andere roofvogels die hier
zeker niet talrijk aanwezig zijn.
Op woensdag via Süs
(Such) naar Scuol gereden. Daar de weg omhoog gevonden naar Val
Sinestra. Voorbij dit vakantieoord de auto neergezet en een wandeling
gemaakt. Diverse keren kwamen we sprinkhanen tegen die voor ons
opvlogen en daarbij een kenmerkend geluid maakten. Dan waren ook
de rode achtervleugels zichtbaar. Het bleek om de klappersprinkhaan
te gaan waarvan de mannetjes kunnen vliegen. Kwam vroeger ook in
Nederland voor. Door biotoop verlies gaan het niet goed met deze
soort.
Op de terugweg nog een gewond kind naar boven gebracht die was gevallen
over zijn wandelstokken. Het bespaarde hem vier km klimmen naar
de blokhut. Onderweg nog genoten van de aangepaste grasophaalmachines
die de Zwitsers hier gebruiken voor het grassen. Via Sant kwamen
we weer terug in Scuol waar we even doorheen gewandeld hebben. Daarna
nog even een uitstapje gemaakt richting S-charl. Daar de middag
vorderde en we de vorige dag een wandeling van bijna acht uur hadden
gemaakt voelde niemand van ons er voor om dat te evenaren. De tent
met de lekkere stoel lokte. We hadden immers vakantie!
Op de camping vonden nog
graafsporen van een zoogdier. We vermoeden een das. Daar hebben
we een paar opnamen van gemaakt. Later bleek onze waarneming bevestigd
te kunnen worden door Annemarie van Diepenbeek (je weet wel van
de veldgids “Diersporen”). Handig dat e-mail!
Op donderdag, vertrekdag, eerst een korte wandeling in de buurt
gemaakt. In die tijd kon de tent lekker drogen. Het was warm, zonnig
weer. Tijdens de koffiepauze keek ik omhoog en zag een roofvogel
boven de bergkam hangen. In eerste instantie dacht ik een buizerd,
maar natuurlijk moest dat geverifieerd met de kijker. Toen bleek
het om een subadulte steenarend te gaan. De vlekken op de ondervleugels
en een randje op de staart waren nog duidelijk te zien. Daarna de
tent verder opgepakt en rond twaalf uur konden we van de camping
rijden, richting Davos. Daar hebben we nog even gewandeld en gezocht
naar tamme notenkrakers, maar niet gevonden. Het is een drukke stad
waar het Nederlandse astmacentrum ook nog een kuuroord heeft. Omstreeks
vier uur zijn we rustig op pad gegaan naar de Duitse grens. Langs
de Bodensee en via Konstanz op weg naar de Duitse autowegen. Rond
twee nachts hebben we een paar uur rust genomen. Even na acht uur
in de ochtend waren we thuis in Niedorp. Daar had Ak een lekker
ontbijt klaar en hebben we uitgebreid koffie gedronken en de reis
geëvalueerd.
Otte W. Zijlstra
Literatuur:
Nieuwe dierengids, 1999; Tirion
Veldgids Diersporen, 1999; KNNV
Vogelgids van Europa, ANWB
|