Zwitserland

About Me

Onderwerpen Zwitserland

Noord-Spanje

zweden

lesbos [2002]

Lesbos [1999]

zwitserland

Polen

Noorwegen

Ebro

Bargerveen

 

Alpenmarmot

Zwitsers landschap

Zernez in Zwitserland (Graubunde)

Deelnemers: mink- jouke en otte zijlstra
van 16/8 tot 23/8 2001

Algemene informatie


Doel van de reis was een bezoek te brengen aan Graubünden; Zernez vormt dan een goede uitvalsbasis, omdat het centraal gelegen is in dit deel (zuidoosten) van Zwitserland. Het heeft een uiterst gevarieerd landschap en derhalve wordt het ook wel het land van de 150 dalen genoemd. Elk van deze dalen heeft weer een eigen karakter met mensen die zich bewust zijn van hun eigen identiteit. Het is hierdoor dat de bergen niet hebben gezorgd voor een scheiding, maar het vormde juist de basis voor vereniging en dat lag ten grondslag aan het ontstaan van het Kanton Graubünde. Kantons hebben een grote mate van autonomie. Vier talen worden in Zwitserland gesproken: Duits, Frans, Italiaans en Raetoromaans. Laatst genoemde taal gaat terug tot het Latijn dat vroeger in de provincie Raetie werd gesproken. Zwitserland werd vroeger door de Kelten bewoond toen Caesar de Helvetiërs en Raatiers in 59 v. C. onderwierp.

Reisverslag

Op donderdagochtend om klokslag vijf uur vertrokken we vanuit Dedgum (Fr.) naar Zwitserland om de natuur van het Zwitsers Nationale Park te bewonderen, lopen en te fotograferen. We hebben op de heenreis de westelijke route van het Rijndal genomen via de 61. Bij Engen in Zuid Duitsland hebben we een camping opgezocht voor de eerste nacht. De volgende dag richting Konstanz langs de Bodensee. Daar waren we even de route kwijt, maar hervonden die spoedig. Via Landquart naar Klosters (1179 m). Daar hebben we gekozen voor de Fluelapass (2383 in). Ter plaatse lag nog wat sneeuw. Op de terugweg liepen hier de koeien over de weg. Op het hoogste punt was een uitbater actief. We gingen verder richting Davos (1575 m) en vlak voordat we het stadje binnen reden moesten we linksaf, richting Zernez (1472) waar we al snel de camping Cull opreden.

Zernez ligt in het kanton Graubünden tegen de Italiaanse grens aan. Na ons te hebben aangemeld hebben we een plekje dicht bij de rivier opgezocht zonder stroomvoorzieningen. De rivier bulderde achter ons langs en op dat ritme konden we goed in slaap komen. Later zakte de rivier flink, omdat het debiet sterk terugliep. In het algemeen hadden we prima weer met soms in de nacht een beetje regen en overdag warm weer. Als de zon echter achter de bergen schuil ging, in de namiddag rond een uur of vijf, koelde het snel af. Een enkele keer was het ‘s nachts koud. Omstreeks acht uur in de ochtend kwam de zon weer het dal in schijnen en verwarmde onze stramme ledematen. Elke dag kozen we een route uit om te lopen. Daartoe moesten we eerst een goede wandelkaart kopen van rond de twintig gulden. Deze is te koop in het museum van het Zwitsers nationaal park dat gelegen is aan de oostkant van het dorp. In de kiosk is de kaart enkele franks duurder. De eerste tocht, op zaterdag, voerde ons naar Pradea (2197) vlak bij de camping. Het was de berg waar middags de zon achter verdween. Een mooie wandeling met soms pittige stijgingen. Veel vogels kom je er niet tegen. Dat beperkte zich tot een paar eksters, notenkrakers, zwarte mees en kruisbek.
Na ruim drie uur waren we weer op de camping terug.

De volgende dag eerst het museum bezocht. Het was een beetje miezerig weer en tijdens de wandeling door Zernez zagen bij het sportcomplex honderden zwaluwen zitten. Ze klampten zich vast aan de ruwe muren van het gebouw en onder de brede dakgoot. Op die manier probeerden ze droog te blijven. Het leek er op alsof ze door het slechte weer vastgelopen waren. Het museumbezoek leverde niet veel op. Hier kun je ook de wandelkaarten kopen voor dit gebied. In de middag zijn we naar het oosten gereden. Via Ova Spin naar P2 gereden vanwaar een route loopt naar Grimmels. Daar zouden alpenmarmotten zitten. Na een stevige klim en volledige bepakking bereikten we inderdaad een prachtig uitzichtpunt. Midden op deze plek was een ompaald gebied waar je geacht werd binnen te blijven om de dieren niet te verstoren. Voor vrijheidsgezinde Friezen is dat een moeilijk punt. Hier hebben we onze eerste “murmeltieren” gezien en gefotografeerd. Hier ook kruisbekken gezien en gehoord. Bij het omhoog lopen hoorden we ook de matkopmees en de zwarte mees. De beesten waren hier vrij schuw.

Via dezelfde route teruggelopen nadat we bijna twee uur van een prachtig uitzicht hadden genoten. Terug naar de auto zijn we doorgereden naar de Öfenpass (2149 m).
De volgende dag, maandag 20 augustus Jouke zijn verjaardag gevierd. Naar het dorp gelopen om gebak te halen. Daarna koffie zetten en omdat het regende moesten we het in de auto opeten. Daarna klaarde het snel op en besloten we richting St. Moritz te rijden om de Val Trupchun te bezoeken. Via de rivier de Inn en fraaie dorpjes met huizen die nog weelderige sgaffito- gevelversieringen hebben, komen we bij Varusch waar onze wandeling begint.
Het is inmiddels al middag geworden dus we zullen niet de gehele wandeling kunnen volbrengen. Ik had geen fotospullen mee en daar zou ik na 45 minuten lopen spijt van krijgen, omdat we een jonge alpenmarmot op het pad zagen zitten die kennelijk niet erg schuw was. Ik besloot snel terug te gaan om de fotospullen te halen. Jouke en Mink liepen door en we zouden elkaar bij de auto wel weer treffen; en zo geschiedde.
De gehele tocht zou leiden naar F.Trapchun, (2782) maar dat hebben we niet gehaald. De volgende dag gingen we hier weer lopen en omdat we toen eerder vertrokken konden we verder het dal in lopen. Landschappelijk en wandeltechnisch is het een heel mooi gebied en omdat je vrijwel langs de rivier blijft lopen zijn de hoogte verschillen in het begin ook niet groot; diverse foto’s hebben we gemaakt van dit uitdagende landschap. Jouke kwam al filmpjes te kort en ook Mink kreeg de smaak te pakken bij het filmen. We zijn tot vlak bij A.Trupchun (2040) geweest; hier ook een plek met heel veel alpenmarmotten. Op de hellingen, tweede dag, zagen we tientallen edelherten en een aantal gemzen, veel notenkrakers en enkele kruisbekken. Langs de rivier heb ik één grote gele kwikstaart gezien en dat is een magere oogst. Wat je hier met name mist, ten opzichte van bijvoorbeeld de Pyreneeën, zijn de gieren en andere roofvogels die hier zeker niet talrijk aanwezig zijn.

Op woensdag via Süs (Such) naar Scuol gereden. Daar de weg omhoog gevonden naar Val Sinestra. Voorbij dit vakantieoord de auto neergezet en een wandeling gemaakt. Diverse keren kwamen we sprinkhanen tegen die voor ons opvlogen en daarbij een kenmerkend geluid maakten. Dan waren ook de rode achtervleugels zichtbaar. Het bleek om de klappersprinkhaan te gaan waarvan de mannetjes kunnen vliegen. Kwam vroeger ook in Nederland voor. Door biotoop verlies gaan het niet goed met deze soort.
Op de terugweg nog een gewond kind naar boven gebracht die was gevallen over zijn wandelstokken. Het bespaarde hem vier km klimmen naar de blokhut. Onderweg nog genoten van de aangepaste grasophaalmachines die de Zwitsers hier gebruiken voor het grassen. Via Sant kwamen we weer terug in Scuol waar we even doorheen gewandeld hebben. Daarna nog even een uitstapje gemaakt richting S-charl. Daar de middag vorderde en we de vorige dag een wandeling van bijna acht uur hadden gemaakt voelde niemand van ons er voor om dat te evenaren. De tent met de lekkere stoel lokte. We hadden immers vakantie!

Op de camping vonden nog graafsporen van een zoogdier. We vermoeden een das. Daar hebben we een paar opnamen van gemaakt. Later bleek onze waarneming bevestigd te kunnen worden door Annemarie van Diepenbeek (je weet wel van de veldgids “Diersporen”). Handig dat e-mail!
Op donderdag, vertrekdag, eerst een korte wandeling in de buurt gemaakt. In die tijd kon de tent lekker drogen. Het was warm, zonnig weer. Tijdens de koffiepauze keek ik omhoog en zag een roofvogel boven de bergkam hangen. In eerste instantie dacht ik een buizerd, maar natuurlijk moest dat geverifieerd met de kijker. Toen bleek het om een subadulte steenarend te gaan. De vlekken op de ondervleugels en een randje op de staart waren nog duidelijk te zien. Daarna de tent verder opgepakt en rond twaalf uur konden we van de camping rijden, richting Davos. Daar hebben we nog even gewandeld en gezocht naar tamme notenkrakers, maar niet gevonden. Het is een drukke stad waar het Nederlandse astmacentrum ook nog een kuuroord heeft. Omstreeks vier uur zijn we rustig op pad gegaan naar de Duitse grens. Langs de Bodensee en via Konstanz op weg naar de Duitse autowegen. Rond twee nachts hebben we een paar uur rust genomen. Even na acht uur in de ochtend waren we thuis in Niedorp. Daar had Ak een lekker ontbijt klaar en hebben we uitgebreid koffie gedronken en de reis geëvalueerd.

Otte W. Zijlstra

Literatuur:
Nieuwe dierengids, 1999; Tirion
Veldgids Diersporen, 1999; KNNV
Vogelgids van Europa, ANWB