De economische kringloop

  1. Economie een natuurwetenschap? Een stukje geschiedenis
    1. Aristoteles en Thomas van Aquino
    2. Het mercantilisme
    3. Adam Smith
    4. De Klassieken
    5. Karl Marx
    6. De wetten van Gossen
    7. De neo-klassieken, Marshall
    8. De depressie: Keynes
    9. Monetaristen en post-Keynesianen
  2. De inzichten van François Quesnay
  3. De moderne kringlooptheorie
    1. Een gesloten volkshuishouding zonder overheid
    2. Een gesloten volkshuishouding met overheid
    3. Een open volkshuishouding met overheid

1 Economie een natuurwetenschap? Een stukje geschiedenis

1.1 Aristoteles en Thomas van Aquino

In de zeventiende en achttiende eeuw stond de economische wetenschap nog in de kinderschoenen. Het economisch denken was aanvankelijk vooral gebaseerd op het werk van Aristoteles en dat van de monnik Thomas van Aquino (12e eeuw), waarin slechts ruimte was voor "eerlijke" prijzen, zodat het begrip winst in een kwaad daglicht stond en het begrip woekerrente zeker. Wat nu precies onder eerlijke prijzen verstaan moest worden werd door Aquino enigszins verduidelijkt: de prijs die verband houdt met de gebrachte offers. Een probleem daarbij is dat offers moeilijk te vergelijken zijn. Een uur werken in de brandende zon of een uur werken in een oase van koelte verschilt nogal. Ook het gebruik van verschillende hulpmiddelen versluiert het vergelijken van een uur werken door twee verschillende mensen. Met dit soort inzichten werden de eerste stappen in het economisch denken gezet.

1.2 Het mercantilisme

De Mercantilisten vormen een stroming in het economisch denken, waarbij de rijkdom wordt gemeten in hoeveelheden goud en zilver. Deze handelslieden waren ervan overtuigd dat een toename in de goud en zilvervoorraad in een land de welvaart zou doen toenemen. Het begrip inflatie werd daarbij natuurlijk onderschat, maar dat zou na het binnenhalen van zilvervloten uit Amerika spoedig veranderen. Zij zijn de eersten die de waarde van alle transacties vergeleken met de voorraad geldmiddelen: een toename in de geldvoorraad zou de waarde van alle transacties doen stijgen. Als het aantal transacties toeneemt neemt ook de behoeftebevrediging toe. Het algemene prijspeil werd daarbij kennelijk als een constante opgevat, evenals de manier waarop geproduceerd en gehandeld werd. In hun ogen was het behalen van winst helemaal geen zonde, zij zagen dit als een legitiem doel van de handel.

1.3 Adam Smith

Met het werk van Adam Smith (An Inquiry to the Wealth of Nations) begon een stroming in het economisch denken op gang te komen die we zullen aanduiden met de klassieken. Hierin wordt het gehele economische proces als een natuurlijk proces opgevat, dat perfect werkt als mensen dit proces niet verstoren. Adam Smith gaf aan dat als alle producenten van een goed met elkaar concurreren dat er met een soort "invisible hand" evenwicht ontstaat en aldus de natuurlijke en daarmee uiteraard rechtvaardige prijs ontstaat: een aanbodtheorie. Overheidsbemoeienis is in die visie slechts verstorend. De overheid dient zich te beperken tot "three duties", de drie grondplichten: zorg voor veiligheid, openbare orde en openbaar bestuur. De overheid mag dan van de burgers daarvoor een bijdrage eisen in de vorm van belasting.

1.4 De Klassieken

Andere klassieken die we nog zullen tegenkomen zijn David Ricardo, met een theorie over de voordelen van internationale handel, Thomas Maltus, met ideeën over de bevolkingsgroei en het bestaansminimum en de arts François Quesnay, die ons het begrip economische kringloop naliet. Ricardo en Maltus komen we bij het hoofdstuk internationale handel tegen en Quesnay's theorie vormt de kern van dit hoofdstuk. Allen hebben gemeen dat er een soort autonoom proces in de economie gaande zou zijn dat alle handelingen op elkaar afstemt, zodat het beste resultaat, de optimale allocatie, als vanzelf de uitkomst zou zijn. Uit die tijd stamt het overheidsdenken "Laissez Faire, Laissez Aller", een overheid zonder sociale plichten dus. In het klassieke denken staat verder het maken van winst in een positief daglicht. Deze gelden komen namelijk vanzelf in het economisch circuit terug en zullen bijdragen aan de ontwikkeling van de productiefactor kapitaal. Winst wordt dus gebruikt voor investeringen. Winst is dan gewoon een beloning voor het nemen van risico's, een soort ondernemersloon.

1.5 Karl Marx

In de negentiende eeuw zetten enkele economen zich af tegen dit klassieke denken en zien winst als een vorm van uitbuiting van de productiefactor arbeid. Vooral Karl Marx draagt aan deze visie bij met zijn boek Das Kapital. Dit werk heeft echter meer politieke dan economische betekenis gehad, want alle veronderstellingen van Marx zijn economisch achterhaald en alle voorspellingen zijn uitgebleven. Toch heeft zijn werk een niet onbelangrijke bijdrage geleverd in het inzicht omtrent het bestaan van economische macht en heeft de overheid onder andere hierop enkele sociale functies gekregen, zijn er b.v. vakbonden ontstaan, kortom er is een ontwikkeling op gang gebracht die we met de econoom John Kenneth Galbraith aanduiden als countervaling power: tegenmacht die zich in een samenleving ontwikkelt zodra er ergens een machtsconcentratie voordoet. Deze manier van theorievorming valt onder inductie, want de ontwikkelingen dragen bij aan het ontstaan van theorie. Dit is in tegenspraak met wat de klassieken altijd veronderstelden: het economisch proces is dan geen natuurwet meer maar een proces dat zich op grond van veranderende omgeving in een bepaalde richting ontwikkelt. Dit houdt in dat de uitkomst te beïnvloeden is en dat de overheid juist wel een rol kan spelen. Of zij dit ook zo kan dat de gewenste uitkomst een onontkoombaar gegeven is blijft echter de vraag. Daarover later meer in het hoofdstuk over de collectieve sector.

1.6 Grensnuttheorie: Gossen

De ontdekkingen omtrent het menselijk handelen kregen de vorige eeuw wat meer reliëf doordat Friedrich Gossen op grond van twee wetmatigheden de vraag naar goederen in verband bracht met het nut van die goederen. De eerste wet van Gossen geeft aan dat een toename in de consumptie van een goed gepaard gaat met een afname in de nutstoename, oftewel met een afnemend marginaal nut (grensnut), terwijl de tweede wet van Gossen impliceert dat iemand zijn laatste gulden zo besteedt dat het totale nut van zijn bestedingen zo groot mogelijk is. Dan wordt van elk goed het marginale grensnut geëgaliseerd. (Als dit niet het geval was zou immers een grotere nutstoevoeging mogelijk zijn door een ander goed aan te schaffen met een hoger marginaal nut.) Deze ontwikkeling in het economisch denken geven we aan met de grensnuttheorie en heeft bijgedragen aan de inzichten omtrent de aard van de vraag naar goederen. De prijs van een goed zou dus bepaald worden door de vraag ernaar.

1.7 Neo-klassieken: marginale analyse, Marshall

Eind vorige eeuw werd het klassieke denken gecombineerd met de inzichten van de grensnut school. Klassieken verklaarden prijzen vooral vanuit de aanbodzijde, dus vanuit het brengen van offers, Gossen vanuit de grensnut theorie, dus vanuit de vraag, Alfred Marshall, een neoklassiek econoom verklaarde de prijsvorming met de gedachte dat zowel vraag als aanbod de prijs van een goed bepalen. Het marktmechanisme van vrije concurrentie wordt door hem perfect geanalyseerd en er ontstaat een gevoel dat de economische wetenschap met zijn bijdrage eindelijk een instrument heeft om de verschillen tussen objectieve waarde (aanbodzijde) en subjectieve waarde (vraagzijde) aan te geven. In een wereld met volkomen vrije concurrentie ontstaan dan prijzen die de markten perfect in evenwicht brengen in overeenstemming met de marginale offers en het marginale nut. Zo is optimale allocatie in een economie verzekerd. De term neoklassiek zal dan duidelijk zijn: ook nu kan de overheid dit proces slechts verstoren als zij voorschriften geeft omtrent de prijsvorming. Neoklassieke economen zien derhalve geen of weinig ruimte voor overheidsbemoeienis.

1.8 De depressie, Keynes

In de jaren twintig van deze eeuw leek alles inderdaad een zeer positieve ontwikkeling tegemoet te gaan. Hoewel de Duitse Weimarrepubliek enkele inflatieproblemen had, die werden afgedaan als een gevolg van het voeren van een agressieve buitenlandpolitiek en derhalve slechts als uitzondering bezien moesten worden, bleken de herstelbetalingen een dermate onevenwichtigheid in de wereldeconomie op te leveren dat de onzekerheden omtrent beleggingen alsmaar toenamen. Op 10 oktober 1929 mondde dit uit in een beurskrach op Wallstreet die nog niet eerder was voorgekomen. Alle effectenkoersen tuimelden vreselijk omlaag en de handelaren die effecten hadden gekocht met geleend geld gingen terstond failliet. Ook de banken die hieraan meegewerkt hadden door geld op basis van onderpand in de vorm van effecten uit te lenen kwamen in betalingsmoeilijkheden en een run op de banken was het gevolg. Het gehele geldwezen raakte in een gigantische crisis en de basis voor het betalingsverkeer viel weg. Mensen hielden hun geld thuis en dit oppotten en afwachten leidde tot een mondiale depressie: de bestedingen vielen massaal weg en daarmee droogde het gehele economische proces op: de rijkdom der volkeren, de goederenproductie stagneerde. Nu was er wel een rol voor de overheid weggelegd, zij zou die verlammende crisis kunnen doorbreken door zelf haar bestedingen op te voeren met geleend geld, zo analyseerde John Maynard Keynes in zijn "General Theory", maar de enige die deze analyse ook in praktijk bracht was Adolf Hitler, die met een enorme oorlogsindustrie de Duitse economie uit het slop tilde en daarvoor door miljoenen Duitsers werd aanbeden. De na-oorlogse economieën hebben de ideeën van Keynes wel opgevolgd, zodat de idee ontstond dat het economisch proces maakbaar is, dat de overheid de economie geheel zou kunnen sturen.

1.9 Monetaristen en post-Keynesianen

Pas in de jaren vijftig ontstond het besef dat ook aan dit verschijnsel nadelen kleven. De monetaristen geven aan dat een politiek gebaseerd op het beïnvloeden van de geldhoeveelheid teveel directe nadelen heeft en uiteindelijk het economisch proces teveel verstoort. Beide stromingen, de post-Keynesianen en de monetaristen verschillen van mening omtrent de werkelijke oorzaak van de verstoring van het economisch proces en tussen beide stromingen in het economisch denken bestaat nog steeds een polemiek. De economische wetenschap is dus nog in ontwikkeling. Het gedrag van de centrale banken in de westerse samenleving lijkt meer en meer afgestemd te worden op de monetaristische inzichten. Hierbij wordt een aangepaste versie van de oude kwantiteitstheorie van de Mercantilisten en van de klassieke econoom Irving Fisher: M.V = P.T opnieuw in gebruik genomen. De geldhoeveelheid M en de omloopsnelheid V ervan bepalen de totale waarde P.T van alle transacties T, gemeten met het gemiddelde prijspeil P.

2 De inzichten van François Quesnay

Door het economisch proces voor te stellen als de bloedsomloop van het menselijk lichaam, waarbij het bloed vergeleken moet worden met de geldstromen in de economie en de verschillende onderdelen van het menselijk lichaam met verschillende economische sectoren, heeft Quesnay in het economisch denken de stroming van de fysiocraten kracht bijgezet. Hij onderscheidde slechts drie sectoren in de economie: de boeren, die het nationaal product voortbrengen (le produit net), de handelaren, die ervoor zorgen dat deze producten op de juiste plaats terechtkomen en de grondeigenaren, die slechts profiteren van al die inspanningen met de pacht die zij opstrijken. De geldstromen in deze kringloop wordt de monetaire sfeer genoemd, de goederen en dienstenstromen noemen we de reële sfeer.

3 De moderne kringlooptheorie

De inzichten van Quesnay zijn benut om de verschillende geldstromen tussen de verschillende sectoren in de economie te analyseren. We zullen de kringlooptheorie behandelen volgens de methode van afnemende abstractie. We beginnen eerst heel eenvoudig en voegen steeds meer elementen toe.

3.1 Een gesloten volkshuishouding zonder overheid

In een gesloten volkshuishouding vindt geen buitenlandse handel plaats. Als de sector overheid eveneens ontbreekt dan onderscheiden we slechts drie sectoren: de gezinshuishoudingen die beschikken over alle productiefactoren, de bedrijfshuishoudingen die deze productiefactoren benutten voor het leveren van de goederen en diensten waaraan behoefte bestaat en die weer geleverd worden aan de gezinshuishoudingen en de sector van vermogensoverdrachten, waar de besparingen van de gezinshuishoudingen worden omgezet in investeringen. Schematisch kunnen we dit met een kringloopmodel voorstellen.

Tussen de sector bedrijfshuishoudingen en de sector gezinshuishoudingen bestaan dan twee markten: de goederen en dienstenmarkten waar de gezinshuishoudingen vragers zijn en het totaal van hun bestedingen noemen we daar de consumptie. De bedrijfshuishoudingen zijn daar de aanbieders. In de reële sfeer worden de goederen en diensten aan de gezinnen geleverd en in de monetaire sfeer ontstaat een geldstroom naar de bedrijven. Deze geldstroom is getekend en noemen we de consumptie. De andere markt is de markt waar de gezinnen aanbieders zijn van de productiefactoren die zij bezitten. De bedrijven zijn daar de vragers. De som van alle beloningen voor het leveren van die productiefactoren noemen we het nationale inkomen. Dat zijn dus de arbeidsinkomens en de vermogensinkomens. De arbeidsinkomens worden nog verdeeld in twee groepen: de inkomens van zelfstandigen (honoraria, winst e.d.) en de inkomens van de afhankelijke beroepsbevolking, d.w.z. van iedereen die een betrekking in loondienst heeft, evenals de ambtenaren (lonen en salarissen). De vermogensinkomens ontstaan doordat iemand met zijn bezittingen geld verdient: met kapitaalgoederen wordt interest en dividend verdiend (sommigen noemen dat rente), met de natuur wordt vooral pacht verdiend. Het nationale inkomen is dus gelijk aan de optelsom van alle lonen, salarissen, honoraria, pachten, huren, winsten, interest, dividend, etc. Zowel de geldstroom die de consumptie voorstelt als de geldstroom die het nationale inkomen voorstelt geldt voor een bepaalde periode. In de loop van die periode (b.v. een jaar) neemt de omvang dus toe. Net als alle andere grootheden in dit model zijn dit dus stroomgrootheden. Deze hebben de eigenschap dat ze in de loop van de betreffende periode hun volle omvang bereiken. Omdat gezinnen altijd voor de keuze staan of zij hun verdiende inkomen geheel besteden in het heden of een deel in de toekomst en omdat er ook verschillende motieven zijn om aan de toekomstige behoeften te denken, ontstaan de zogenaamde gezinsbesparingen. In dit model worden die eenvoudigweg gedefinieerd als het deel van het nationale inkomen dat niet aan consumptiegoederen wordt besteed.

De bedrijven produceren in totaal twee goederencategorieën: de consumptiegoederen en de kapitaalgoederen. Juist omdat de geldstroom die zij ontvangen voor de consumptiegoederen een deel van het nationale inkomen onbenut laat zullen de kapitaalgoederen uit de gezinsbesparingen gefinancierd moeten worden. Zo ontstaat in dit model de wetmatigheid dat het bedrag dat nodig is om de kapitaalgoederen te financieren, de investeringen dus, juist gelijk is aan alle gezinsbesparingen. Ook deze beide stroomgrootheden vormen een deel van de monetaire sfeer in dit model. De reële stromen die hiertegenover staan vormen de schuldbewijzen. Een gezin dat spaart ontvangt namelijk een tegoed en hopelijk ook nog wat rente over dit tegoed. De rente is dan de beloning voor het uitstellen van de behoefte, het tegoed is dan het schuldbewijs. Een bedrijf dat een machine aanschaft, gebruikt het spaargeld van dat gezin. Die machine is in staat om op termijn het geleende geld terug te verdienen plus de interest die nodig is om de rente aan het gezin te betalen. Als die machine dat niet kan dan is de investering ook niet rendabel. Juist doordat het gebruik van kapitaalgoederen de productie verbetert en vergroot is dit normaal gesproken natuurlijk mogelijk.

Een onderneming levert de verschaffer van het vermogen een vordering. De interest of het dividend is dan de beloning en het eigendomsbewijs van de vordering (dit kan een aandeel zijn of een obligatie) is weer het reële deel van de transactie. De sector vermogensoverdrachten wordt op deze manier duidelijk. In dit eenvoudige kringloopmodel zien we dus vier geldstromen die de monetaire sfeer weergeven: Y=nationaal inkomen als som van de beloningen van alle productiefactoren, C=consumptie als som van alle gekochte goederen die behoeften bevredigen, S=besparingen als deel van het nationale inkomen dat niet aan consumptie wordt besteed en I=investeringen als geheel van aanschaf van goederen waarmee productie geleverd zal worden. Meestal bedoelen we hiermee de netto investeringen. Later hierover meer.

Tevens volgt uit dit kringloopmodel dat er in elke sector een identiteit bestaat tussen de in- en uitgaande geldstromen: Gezinnen ontvangen het nationale inkomen Y en besteden dit aan consumptie C dus zij houden een niet besteed spaarbedrag S over: S = Y-C of Y = C+S. Bedrijven betalen Y uit en ontvangen C en benutten S in de vorm van I: Y = C+I en S=I. Vermogensoverdracht wordt weergegeven met S = I. Het = teken duidt erop dat deze gelijkheden zich altijd voltrekken, ongeacht het menselijk handelen. Het is de ex post situatie, d.w.z. de situatie die ontstaat nadat het economisch proces zich heeft voltrokken. Om dit te bereiken dient slechts het simpele tijdsverloop en het menselijk handelen. Voordat dit plaatsvindt zal de econoom graag het menselijk handelen, het gedrag, geanalyseerd willen hebben. Hij wil graag weten hoe gezinnen hun inkomen verdelen over sparen en consumeren en hoe bedrijven hun investeringsbeslissingen nemen. Daarom wordt hetzelfde model ook wel in ex ante vergelijkingen gegeven. De beslissing van de gezinnen hoe zij hun inkomen besteden is dan een gedragsvergelijking evenals de beslissing van bedrijven hoeveel zij zullen investeren. Dat het nationaal inkomen gelijk zal zijn aan de consumptie en de investeringen samen hangt dan van twee onafhankelijke gedragingen af en de situatie die dan (ex post) zal ontstaan is vooraf een evenwichtsvoorwaarde: Y=C+I (geen = teken). Ook sparen en investeren wordt door twee onafhankelijke beslissers bepaald, dus: S=I (geen = teken). Maar de verdeling van Y over C en S wordt uitsluitend door de gezinnen bepaald dus ook nu geldt Y = C+S. In het ex ante model is dit een definitievergelijking.

3.2 Een gesloten volkshuishouding met overheidssector

De overheid heeft volgens Adam Smith drie plichten, maar heeft er in onze samenleving enkele bij gekregen: de sociale plichten. De overheid zal in dit model zowel als consument (van goederen die de bedrijven leveren) als producent (van collectieve en quasi-collectieve goederen) optreden. Alle overheidsbestedingen, zowel materieel als immaterieel komen terecht bij de bedrijven, alle overheidsinkomsten worden door de gezinnen bekostigd, omdat zij profiteren van de overheidsproductie. Er wordt in eerste aanleg geen onderscheid gemaakt tussen overheidsconsumptie en overheidsinvesteringen. Voor zover dit nodig is zal de overheid een beroep op de particuliere besparingen doen om de bestedingen te helpen financieren. Dit kan economisch verklaard worden omdat de overheid in haar bestedingen ook investeringen verricht in de vorm van infrastructuur, scholen, kantoren, etc.

Met behulp van dit model is goed te zien dat er sprake kan zijn van een crowding-out effect van de financiering van het overheidstekort met particuliere besparingen. Bij een gegeven spaarbedrag zal er voor de bedrijven minder geld overblijven om hun investeringen te financieren omdat de overheid daarop een beroep doet. Voorzover de overheid het geleende geld benut om er zelf ook investeringen mee te financieren is dit natuurlijk geen probleem. Anders is het als de overheid het geld benut om er gezinsinkomens mee te financieren, dus om haar sociale taak uit te voeren. De geldstroom B wordt dan immers verminderd met het bedrag aan sociale uitkeringen! Dit is de reden dat we in Nederland het zogenaamde omslagstelsel hebben ingesteld voor de sociale verzekeringen: er moet door de sector gezinnen evenveel aan de sociale zekerheid worden bijgedragen als diezelfde sociale zekerheid kwijt is aan uitkeringen. Natuurlijk zijn degenen die de uitkering ontvangen niet dezelfde als degenen die ervoor betalen met premies, maar dit verantwoorden we met het solidariteitsbeginsel. Een Keynesiaanse rechtvaardiging voor het laten toenemen van O-B is het uitblijven van consumptie en investeringen om de kringloop enige inhoud te geven. Er zal dan via de overheidsbestedingen een voldoende grote impuls ontstaan om het economisch proces op gang te brengen. Ook nu is het zinvol om onderscheid tussen de ex-post en de ex ante situatie aan te geven. Het gedrag van de overheid in de economie (de economische politiek) is natuurlijk weer autonoom (gezinnen en bedrijven hebben in Nederland wel zijdelingse invloed; daarom hebben we een geörienteerde markteconomie), dus de gelijkheid tussen Y enerzijds en C+I+O anderzijds is ex ante een evenwichtsvoorwaarde. Dit geldt eveneens tussen S enerzijds en I + (O-B) anderzijds. Het bedrag dat overheid op de vermogensmarkt leent vatten we op als het begrotingstekort. De beide evenwichtsvergelijkingen Y=C+I+O en S=I+(O-B) worden aangevuld met de definitievergelijkingen Y=C+S+B en O=B+(O-B).

3.3Een open volkshuishouding met overheid.

In een open volkshuishouding heeft de sector buitenland invloed op de welvaart omdat een deel van het nationale inkomen wordt verdiend met de export en een deel van de behoeftebevrediging plaatsvindt door buitenlandse goederen te consumeren. Ter vereenvoudiging veronderstellen we dat de in en uitvoer van zowel consumptie als kapitaalgoederen via de sector bedrijven plaatsvindt. Voor alle ingevoerde goederen bestaat er dan een geldstroom naar de sector buitenland en voor alle geëxporteerde goederen is er een geldstroom uit de sector buitenland naar de bedrijven. Ook het buitenland kan krediet ontvangen uit de sector vermogensoverdrachten en dit is met name het geval als er voor de uitvoer nog rekeningen openstaan. Het omgekeerde is natuurlijk ook mogelijk, maar omdat Nederland de laatste decennia een overschot heeft op de betalingsbalans met het buitenland zullen we daarvan bij deze behandeling niet uitgaan. In het onderstaande model leveren wij dus krediet aan het buitenland. Kringloop met buitenland De eerste identiteit laat zien dat het nationale inkomen Y, door de bedrijven aan de gezinnen betaald wordt uit de opbrengsten van de consumptie C, de investeringen I, de overheidsbestedingen O en het overschot op de betalingsbalans E-M. De derde identiteit geeft aan dat dit overschot op de betalingsbalans als lening aan het buitenland opgevat moet worden en derhalve uit de particuliere besparingen S gefinancierd wordt, evenals het begrotingstekort van de overheid (O-B) en de investeringen (I). De vijfde identiteit toont aan dat het bedrag dat we voor de export ontvangen (E) uitgegeven wordt aan de import (M) en aan leningen aan het buitenland (E-M). In alle modellen is uitsluitend de monetaire sfeer weergegeven. De reële sfeer van het model is een tegengestelde stroom van goederen, diensten, productiefactoren of vermogenstitels. Er is dus elke keer sprake van een marktsituatie, waarbij de aanbieders van goederen, diensten, productiefactoren of vermogenstitels de geldbedragen van zo'n transactie ontvangen van de vragers. In het ex ante model, waarbij de wensen van de verschillende marktpartijen vooraf geanalyseerd worden, blijven de identiteiten 4 en 5 onveranderd omdat het definitievergelijkingen zijn. Dit vindt zijn oorzaak in het feit dat slechts één groep economische beslissers de vergelijking bepaalt. De eerste drie vergelijkingen kunnen als evenwichtsvoorwaarde aangemerkt worden. Gegeven het gedrag van de betrokken marktpartijen ontstaan er geldstromen die leiden tot dat nationale inkomen waarbij de wensen van die partijen gerealiseerd worden. Deze situatie duiden we aan met inkomensevenwicht. Het inkomensevenwicht stelt zich in dit model dus in door de verschillende gedragingen te laten plaatsvinden. In het hoofdstuk Keynesiaanse modellen gaan we hierop verder in.

 

Het bepalen van de productiewaarde en de welvaart in enge zin

Zoals uit bovenstaande kringloop blijkt zullen de gezinnen beschikken over het nationale inkomen. De manier waarop de waarde hiervan wordt vastgesteld is onderwerp van deze paragraaf. Er zijn twee methodes in gebruik om de waarde van geproduceerde goederen en diensten te bepalen:

  1. De objectieve methode
  2. De subjectieve methode

De objectieve manier van waarde bepalen gaat uit van het begrip toegevoegde waarde. Omdat een eindproduct vaak verschillende productiehandelingen ondergaat voordat het aan de consument kan worden verkocht bezien we het ontstaan van de eindwaarde als een optelsom van alle toegevoegde waarden. Bij elke stap in het productieproces is de producent dus bezig om de waarde te verhogen. Voor de waarde van een kledingstuk moeten we dus starten met de waarde van de benodigde grondstof, b.v. katoen. Deze wordt eerst tot garens verwerkt, waarbij de waarde stijgt. Daarna worden die garens geweven tot katoenen stof, de waarde stijgt verder. Vervolgens wordt van die stof kleding gemaakt in naaiateliers, de kleding wordt van fournituren voorzien, er komt een merkje op en via de handel vindt het zijn weg naar de consument. Elke keer neemt de waarde toe zodra een bedrijf het bewerkt, ook al is het alleen maar verhandelen. Uit die waardestijging worden de ingeschakelde productiefactoren beloond: de arbeidskrachten krijgen hun loon, de rente zien we de beloning voor kapitaal, de pachten als beloning voor de natuur en de winst is de beloning voor ondernemerschap. Hieruit volgt dat de optelsom van alle beloningen die aan het maken van dit kledingstuk uitbetaald zijn precies gelijk moet zijn aan de optelsom van alle toegevoegde waarden.

Een waterdicht systeem?

Voor sommige goederen en diensten wordt niet een afzonderlijke prijs betaald, dus daarvoor kunnen we de objectieve methode NIET gebruiken. Denk aan alle collectieve en quasi-collectieve goederen. Dit zijn goederen die de overheid produceert maar niet individueel in rekening brengt.Dit is bij echte collectieve goederen, zoals de defensie, het openbaar bestuur en de rechtszekerheid ook helemaal niet mogelijk. Bij de quasi-collectieve goederen zijn er verschillende redenen waarom de overheid dat niet wenst. Dit is (nog) het geval bij onderwijs en het wegennet.

Om de waarde van de overheidsproductie toch vergelijkbaar te kunnen bepalen, kiest men daarom voor het vaststellen van die waarde door naar de inkomens te kijken die bij het tot stand brengen van de overheidsproducten zijn uitbetaald: de ambtenarensalarissen dus. Dit noemt men de subjectieve methode. Hierdoor blijft de rente die de overheid betaalt buiten schot. In de Nationale rekeningen werd de rente om die reden als een inkomensoverdracht opgevat.

het onderscheid tussen object en subject moge hierbij duidelijk zijn:

Een object is iets wat behoeften kan bevredigen van mensen
Een subject is mens die zijn behoeften bevredigt

De objectieve methode voorziet dus in een waardebepaling van datgene waarmee de behoeften bevredigd worden en de subjectieve methode gaat uit van de waarde die de ingeschakelde productiefactoren als beloning opstreken.