HOME

HOME


 

 

Mijn herinneringen, ervaringen en waarnemingen in Indië.  

 

  

 

 

 

 

 

 

Door Jos.J. Appelman.  

Ik kwam in dienst als marinier III z/m 1) werd ontslagen als Korp. Marns. z/m en heb gediend onder stamboeknummer 41803. Van augustus 1947 tot november 1949.  


1. Opkomst en legering.

2. Naar de tropen met standplaats Surabaja.

3. Van Surabaja naar Batavia.

4. Van Batavia naar Oosthaven in Zuid-Sumatra.

5. Terug naar Batavia.

6. Een wereld ging voor ons open.

7. Epiloog.   

 

1. Opkomst en legering.

 

Bij opkomst werd ik gelegerd in een barakkenkamp van Romneyloodsen op het vliegveld Volkel te Zeeland, een dorpje bij Uden in Noord-Brabant.

De opleiding bestond uit gedrild worden: oefenen, oefenen, oefenen, exerceren, marcheren en wachtlopen. Niet nadenken, maar commando’s opvolgen. 
Wapens uit elkaar halen en in elkaar zetten, schietoefeningen en de Maleise taal leren. We oefenden in de omgeving van Volkel, maar ook op de Harskamp
 waar we een  aantal weken bivakkeerden tot groot vermaak van de jongens die bij de landmacht waren ingedeeld. Ze verklaarden ons voor gek, als ze ons zagen zwoegen.

 

In het kamp in Volkel werd er gelet op de hygiëne, netheid en reinheid. Je broek legde je onder het matras om te zorgen dat de vouw er in bleef. De kleding en de handdoeken werden keurig netjes opgevouwen in de kast zodat je er een liniaal langs kon leggen. 
Oh wee als dat niet zo was en dat bij de inspectie werd gezien,
dan werd je kast door de inspecterende officier leeg gehaald en de spullen op het bed gegooid.
Dan was de hele bak de pineut, want iedereen moest wachten  en kon pas weer aantreden als alles in orde was.

Het kwam voor dat je op zaterdag stond aangetreden om te worden geïnspecteerd voordat je met verlof naar huis kon gaan. 
Toevallig zag de luitenant een luciferstokje tussen de straatstenen. 
Hij ging te keer : “Het lijkt hier wel een luciferfabriek. Zo’n bende! Ingerukt mars, de bezems pakken en de straat schrobben”. 
Dat smeerde hij net zo lang uit tot hij wist dat we de trein zouden mis lopen. 
Een volgende keer zorgde je ervoor dat alles pico bello was, want je had niet alleen jezelf maar ook je maten er mee als het niet zo was.  


Ik zit uiterst rechts op de voorgrond.  


Bovenste rij 6e van links sta ik.  

Paraderen moesten we ook. Dat gebeurde in Rotterdam in de Van Genth kazerne. Daar wasje ook voor een defilé en stond dan heel lang stram in de houding totdat je erbij neerviel. 
Je moest leren de knieën niet vast te zetten, maar een beetje gebogen te houden. Ik vond het een marteling. Overste Jan Nass was toen onze grote commandant

Achteraf ben ik blij een goede opleiding te hebben gehad, Te beginnen in Volkel. Je moest je verstand maar uitschakelen en de blik op oneindig zetten, doen alsof je het leuk vond.

Maar er werd gedrild. Voor een exercitie als straf moest je je tas vullen met een paar  straatstenen en tegen de achterkant van je bovenbeen laten hangen.  Probeer dan maar eens te lopen. Moordend.

Het verzoek om een officiersopleiding te volgen heb ik afgewezen. Ik voelde daar niets voor, me realiserende dat ik, voorop lopend, als schietschijf zou moeten dienen en zo’n held was ik niet.

Later werd ik voor de keus gesteld: of naar Indië te vertrekken of een opleiding tot instructeur te volgen en hier blijven. Dat stond me beter aan, koos voor het laatste, maar een afspraak met de overheid bleek ook toen al niet veel waard. Na een klein jaar opleiding tot instructeur, werd ik alsnog uitgezonden.

Voordat ik op de boot stapte kwam ik terecht in Roosendaal waar ik werd ingedeeld bij het 21ste echelon. Half september 1948 vertrok ik met ‘De Waterman’ naar Indië,
waar ik op 12 oktober arriveerde in Soerabaja.

 

2. Het verblijf te Soerabaja  

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bij de debarkering in Soerabaja op 10 oktober 1948  werd ik geconfronteerd met de Darmo Express, een open  legertruck met, naar schatting wel 100 zitplaatsen. Het leek wel een rups of een duizendpoot, mogelijk dat hij daarom ook de lintworm werd genoemd. De truck doorkruiste de stad voor het vervoer van  militairen.

Ik werd er ook geconfronteerd met de eerste Maleise woorden in de praktijk: ‘Piki lekas’ . Had ik niet geleerd, zoals zoveel andere ‘praktische’ woorden. Indische jongetjes besprongen de wagen en probeerden mee te rijden. ‘Piki lekas ‘ riep de begeleider de jongens luid toe en ze smeerden hem als de bliksem. ‘ Smeer hem, als de bliksem’  zouden wij zeggen. Het hielp en ik gebruikte de woorden ook als ik als begeleider dienst deed. 


Van het verblijf in Soerabaja herinner ik me dat die in het teken stond van acclimatisering. Het was beulen met de zware bepakking op. We werden meestal getraind door Indische Nederlanders die ‘blauwen’ werden genoemd. Zij waren voor onze komst in Indië  hetdoelwit van de Jappen en de nationalistische Indonesiërs. Ze werden opgepakt, gevangengezet, gemarteld en soms gedood. Het is daarom te begrijpen dat ‘blauwen’ in Nederlandsekrijgsdienst altijd op wraak uit waren. Ze deden dat heel subtiel, ook tegenover ons. Ze waren meesters in het drillen. Twee voorbeelden: een Indonesiër werd gedwongen op de grond te gaan zitten met zijn rug tegen een boom en de knieën opgetrokken. Tussen zijn benen werd een luciferdoosje gezet. De officier schoot met zijn karabijn op het luciferdoosje. De Indonesiër stond natuurlijk doodsangsten uit, maar de officier was een goed schutter, had niet het plan om de man te raken, maar schepte er wel genoegen in de man te zien lijden. Het gaf hem een bepaalde voldoening,

Een ander voorbeeld. In de eerste weken na aankomst werden we flink te pakken genomen om zo snel mogelijk te acclimatiseren. Er werden lange marsen gelopen in de brandend hete zon. Je had wel iets te drinken mee, maar mocht dat alleen nuttigen ‘op bevel’. Het was zover. “Wie heeft er erge dorst?” Nou, de meeste handen  gingen omhoog. Die groep treedt rechts aan. Maak je kruik open en laat hem leeg lopen. Uitgedroogd kwam je terug in de kazerne.

Een andere keer werd na een lange uitputtende mars gevraagd wie er terug zou willen met de truck. Bijna iedereen natuurlijk. De truckmelders werd gevraagd links aan te treden. Vervolgens vroeg hij hen : “Wie heeft er wel eens een kruiwagen geduwd?”  Moest je ja of nee zeggen? Je had immers geen idee wat de bedoeling van de vraag was. Zij die de hand hadden opgestoken mochten als beloning terug lopen en de rest mocht  met de truck naar de kazerne terug. Zo ging dat.

Een rivier oversteken.

Ik diende bij de mariniers, maar kon niet zwemmen, nou ja, een beetje op zijn hondjes. Dat is natuurlijk onbegrijpelijk als je dient bij een onderdeel dat deel uitmaakt van de marine, van de zeemacht. We zouden bij wijze van oefening een rivier oversteken. Daartoe werd een kabel over de rivier gespannen. Onze spullen deden we in het meegenomen tentzeil zodat die droog zouden overkomen. Je duwde het al zwemmend voor je uit. Zij die niet konden zwemmen werd geadviseerd met een hand het touw vast te houden. Alles goed en wel, maar het touw hing slap en verdween onder water. Onze Limburger, Krijn, hield het touw ook onder water stevig vast, bang dat hij zou verdrinken, maar dat deed hij bijna toch, want hij kreeg een flap water naar binnen van jewelste. We zagen hem bijna ten onder gaan en anderen schoten hem te hulp en trokken hem op het droge, waar het water uit zijn longen werd gedrukt. Dat liep goed af. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



Saja op wacht.  

Acclimatiseren, patrouille- en wacht lopen bij officiële gebouwen was het consigne tot aan de tweede politionele actie. Wat ik me daarvan herinner is de bewaking van een enorm drukke brug over de Kali Mas. We moesten het drukke verkeer regelen en proberen   ploppers 1) te onderscheiden van gewone mensen. Ga daar maar aanstaan. Verder controleerden we op wapens of wapentuig. Het was een gekkenhuis en zinloos. 

1) Een plopper is een Indonesisch ingezetene, die vocht voor een vrije Indonesische staat o.l.v. Soekarno. 
Officieel werd de groep aangeduid met de naam ‘permuda’s’ , jonge revolutionaire Nationalisten.
 
We waren de straat Soenda overgestoken en passeerden er de bekende slapende vuurspuwende berg Krakatau. 
Officieel waren we nu het detachement der Mariniers Oosthaven o.l.v. Cdt. 1e Lt. der Marns. KMR J.J.E. Hofstede.

 

 3. Van Soerabaja naar Batavia.

Op 7 januari 1949 moesten we plotseling onze bagage pakken en enkele uren later zaten we in een Dakota vliegtuig dat ons in 3 ¾ uur naar Batavia bracht, waar wij zouden blijven voor de bewaking der stad. De vliegreis was geen uitje. Je zat op banken die aan beide zijden in de lengterichting waren geplaatst. De bagage er tussenin. Geen seat-belts of ander materiaal als beveiligingsgordels. Als we in een luchtzak terecht kwamen, stootten we met onze hoofden tegen het plafond. Heel comfortabel dus.

 

 

 

 

4. Van Batavia naar Oosthaven op Zuid Sumatra.  

 

Op 8 januari ’s morgens om 04.00 uur werd ik met dertig anderen gepord. We  moesten het hoognodige inpakken en werden met een geheime opdracht in trucks geladen. De rit ging richting Priok. Daar werden we per sloep naar een Catalina ( watervliegtuig ) gebracht en ingescheept. 
Drie kwartier later landden we ergens op Zuid Sumatra. Waar? Dat wisten we niet. In ieder geval ging alles goed, prima zelfs en ’s avonds konden we ook zeggen dat we een dak boven ons hoofd hadden. Na enkele dagen konden we ons oriënteren en toen bleek dat we ten Z W. van Telukbetung waren geland, in Oosthaven,  aan de overkant van de baai.
Erg lekker zaten  we er echter niet, want we waren beland  in een malaria- en pokkengebied. Het was voor Europeanen verboden hier langer dan 14 dagen te vertoeven, 
maar ja, daarom was het voor ons, mariniers schijnbaar nog goed genoeg.

 

 

De Catalina die ons naar Oosthaven bracht en
 daarna ook regelmatig post bezorgde 
 
       

          

 

                                                                                                                                                     

 

 


 

De laatste eer

 

De groep die we hadden afgelost had een maat verloren, marinier M. Bast. 
Misschien was dat ook de reden van de aflossing: een kameraad verliezen. Je bent woest en zou

onbezonnen daden kunnen doen. Om dat te voorkomen geef je zo’n groep rust en los je af.

Althans dat is mijn redenering. Marinier Bast was omgekomen op patrouille, rijdend in een

jeep die werd opgeblazen door een bermbom bij Tandjangan.

Door ons is hij op het ereveld in Tandjung Karang met militaire eer begraven.

                                                                               

     

 

  Op weg naar de begraafplaats            Klaar voor de kranslegging

  De man met de lichte broek ben ik.

 

J.L.M.Bast, marinier III z/m

 

Verschroeide aarde

 

Het havengebied was totaal platgebrand. Er was kennelijk flink huisgehouden. De wegen

waren onbegaanbaar gemaakt door ze te versperren met omgezaagde bomen.

Rondom was ondoordringbaar oerwoud.

Het legerkamp lag aan de voet van een bergmassief dat in zee uitliep, een baai , een inham

tussen twee schiereilanden in.

De meesten van ons lagen in een paar afgedankte loodsen. Ikzelf zat met enkele collegae in

een open gebouwtje, we hadden niet meer dan een dak boven het hoofd.

Vanuit Tandjung Karang liep een spoorweg tot aan de haven. Een trein heb ik er niet gezien.

De rails waren onklaar gemaakt. Op een dag arriveerde wel een lorrie, voortbewogen door

een gammele benzinemotor die door de bemanning met koordjes en ijzerdraad gaande werd

gehouden. Vermoedelijk was het een ploeg van de onderhoudsdienst van de spoorwegen

 

 

                   Vlammenwerper                              uitwerking ervan : verschroeide aarde

 

 

Een noodlottig ongeval

 

Rond het detachement waren met zandzakken opgezette bewakingsposten gesitueerd om de troepen

tegen mogelijk onheil en indringers te beschermen. Op een nacht naderde er in het duister een schimmig figuur. Hij werd door de wachtpost gesommeerd halt te houden en de armen omhoog te steken.
 De man liep door en de marinier herhaalde zijn sommatie. 
Ook na de derde sommatie stopte de figuur niet en was de post zo dicht genaderd dat er geen ontkomen aan was: de trekker werd overgehaald en de man aan flarden geschoten. 
Het had immers een plopper kunnen zijn die mogelijk van plan was om een handgranaat te gooien.

Bij het ochtendgloren troffen we een man dood aan, uiteen gereten door de kogels. Een afschuwelijk, misselijkmakend tafereel. Het bleek een stokdove man uit de dessa te zijn. 
Het was duidelijk dat hij de sommatie om te stoppen niet had gehoord. Heel triest, maar we waren niet op de hoogte gesteld door de dorpsoudste. En dan nog….

 

De havenmeester

 

De havenmeester had zijn woning pal naast ons bivak. Het huis en zijn bewoner werden dan

ook door ons bewaakt. Elke dag zag je de man met een kruik jenever onder de arm richting

het onderkomen van de commandant lopen met wie hij het avondeten verorberde.

Na de maaltijd kwam hij terug en zette zich neer op de veranda van zijn woning om er een

uiltje te knappen, dan was de kruik voor driekwart leeg…

De avond bracht hij borrelend door op de veranda. Het kon gebeuren dat hij me, te

middernacht mijn ronde doende, uitnodigde voor een neut. Het zal best dat ik een

keer aan zijn verzoek heb voldaan, maar dan na de dienst.

 

Het is ongelooflijk, maar de andere ochtend stond hij ogenschijnlijk fris en monter om vijf uur aan het roer van zijn schip, het ms. ‘Higgins’ om het ruime sop te kiezen…Die man moet van ijzer zijn geweest en een betonnen maag hebben gehad.

 

                                                          

                                                                               




   Ms. “Higgins”

 

 

 

 

Oriëntatie

 

We hebben zelf maar zo’n beetje moeten uitzoeken waar we waren gedropt, toen we in Oosthaven waren afgezet. 
Patrouilles liepen we bijna elke dag vanuit de basis, telkens een stuk verder om de weg maar niet kwijt te raken. Stafkaarten hadden we niet. 
Er was geen navigatieapparatuur. Van gsm hadden we toen nog niet gehoord evenmin van mobiele telefoons.  Zelfs een veldtelefoon ontbrak.
 Eigenlijk rommelden we maar een eind weg en liepen op gevoel en goed geluk en hadden geen idee waar we zaten.

 

Op Oosthaven kregen we een verkenner mee, iemand die de weg wist  Daar moest op gedronken worden en er was arak ( rijstbrandewijn ). 
De jongens daagden de man uit, maar die gaf geen krimp en hield stand. Hij vertelde later dat hij wijnproever was van beroep en dus gewend was om sterke drank te drinken.

 

Toen we een dag op pad gingen was het heel erg warm. Wij trokken onze kleren uit zoals we dat thuis gewend waren. In de winter droeg je een borstrok, in de zomer een dun hemd. 
De verkenner trok tot onze verbazing een borstrok aan, onder het motto: wat goed is tegen de kou ( isolatie ) is ook goed tegen de warmte. En hij hield het beter uit dan wij.
 Maar ook de warmte was hij als inlander gewend….

 

 Onderweg was ook ravitaillering niet gebruikelijk. Je moest het doen met het vlees van klappers die door klimgrage jongens voor ons uit de bomen werden geplukt en met een geweldig kapmes vakkundig onthoofd zodat de kokosmelk kon worden gedronken en vervolgens het zachte vlees kon worden gegeten.

Van het drinken van de melk kreeg je wel slappe knieën als na het drinken van bier. Niet te veel kokosmelk dus.

 

‘Gewond’ tijdens actie.

 

We waren op weg om een bepaald doel te elimineren. De groep ging in ganzenmars langs

de  berm van de weg in het schijnsel van de maan. Het was rustig en we liepen bij wijze van

spreken op kousevoeten. We waren bevoorrecht, want we liepen op heel soepele

Amerikaanse schoenen en niet op van die stijve kissies. We konden dus ‘stil’ lopen.

Ineens kregen we een stoot mitrailleurvuur van links over ons heen en we lieten ons in de

goot langs de weg vallen om dekking te zoeken. Na een poos werd het sein ‘aanvallen’

gegeven en we bestormden het huis van waaruit het vuur kwam. We vonden niemand. Als

dieven in de nacht waren de aanvallers verdwenen. Hoe dat kan? Geen idee. We hebben

niets gehoord of gezien toen we in dekking lagen.  Maar de tegenstanders dragen helemaal

geen schoenen…dat zou een verklaring kunnen zijn.

Iedereen is present en ogenschijnlijk is niemand gewond. Een poos later voel ik toch pijn

in mijn rechter been. Zou ik toch? Ik loop door, maar de pijn wordt heviger en toen ik om een

pauze vroeg en mijn been inspecteerde was mijn broek doordrenkt van het bloed. Oh, jee !

Maar dan blijkt dat er zich tientallen bloedzuigers op mijn been hebben vastgezogen. Ze

worden er af geveegd, het been wordt schoon gemaakt en de tocht kan worden voortgezet.

Niks aan de hand.

 

Landing                                                               

 

Op zekere dag voerden we een landing uit en werden we met de boot van de havenmeester met 24 mariniers ergens ‘aan land gezet’ om de plaats A te bevrijden van zo’n 300 ploppers die zich daar volgens informatie zouden ophouden. Het weer was ruw, de kust vol riffen. De landing verliep dan ook niet zo vlot als gewenst, omdat we door de riffen de kust niet dicht genoeg konden naderen.
 We waadden tot de nek toe door het water, de kleineren gingen kopje onder. Ik was de langste en had dus geluk. 
Maar ik had buiten de waard gerekend, want er waren overal kuilen en ineens verdween ook ik in de diepte. Maar we hebben het allemaal kunnen navertellen.

 

Het is half elf plaatselijke tijd, in de avond en pikdonker als de landing is voltooid. De afstand naar het doel is nog zeven kilometer.
 We zijn drijfnat en we lopen ons daardoor letterlijk kapot omdat de kleren aan het lijf schuren. Om half twee bereiken we de plaats A. waar we om twee uur op het eerste vuur stuiten.
 Ik geef de mannen opdrachten, mede om te zorgen voor voldoende dekking en een goede positie. Nooit zal ik vergeten dat een van de opdrachten me bijna fataal werd.
 De man die het dichtst bij me stond gaf ik bevel te zorgen voor rugdekking. Dat schoot hem kennelijk in het verkeerde keelgat.
 Hij wilde naar voren stormen richting de plaats van waaruit op ons werd geschoten. Hij droeg een lichte mitrailleur en richtte die op mij onder het uiten van allerlei verwensingen. 
Hij brieste dat hij me zou neerknallen als hij niet naar voren mocht.
 Dat ging dus niet, heb hem een poos stoïcijns aangekeken, laten uitrazen en toen verzocht de loop van de bren een andere richting te geven.
 Gelukkig voor mij gebeurde dat ook. De naam van de man  zal ik nooit vergeten. Die was vorig jaar trouwens voorpagina nieuws bij een familiedrama in Limburg.
 Onwillekeurig maak je dan vergelijkingen en vraag je je af of…

 

Terug naar de realiteit. Om vier uur konden we niet verder, het risico dat er slachtoffers zouden vallen zou te groot worden. Terreinwinst 500 meter
Bij daglicht maakten we de klus af en om 10 uur was het zaakje gefikst. De luitenant is gewond geraakt:
 bij het intrappen van een deur die uit twee delen bleek te bestaan, bleef hij met de hiel van zijn schoen op de onderdeur hangen en stuiterde achterover.

 

Onze boot was intussen op de rotsen kapot geslagen.  Gelukkig lagen er in het haventje van de plaats enkele prauwen. We wezen drie bootbezitters aan om ons terug te varen. 
Om half twaalf staken we van wal. Er stond een straffe wind. Spoedig waren de twee andere prauwen uit het zicht en die van ons kon de kaap maar niet ronden. 
Tot zes keer toe geprobeerd, het lukte niet en dus begonnen we te twijfelen aan de zuiverheid van de bemanning. 
We wilden niet het risico lopen in handen te vallen van eventuele ploppers en namen het ‘bevel’ zelf in handen. 
Maar ook onze pogingen bleven vruchteloos. Intussen was het half vijf in de middag en besloten we met onze barang ( bepakking ) en de bemanning aan land te gaan.
 Bij de barang bevonden zich enkele blikjes doperwten, wat rijst, koffie en suiker, wat ons later goed van pas kwam.

 

Met het oog op onze veiligheid verkende ik met twee mariniers de omgeving en kwam terug met vijf kerels die onze spullen zouden kunnen dragen. Tot zonsondergang hebben we langs het strand gelopen en sloegen toen ons bivak op.

 

We hielden de wacht tot onze oogleden het niet meer hielden. Dat hield vanzelfsprekend de nodige risico’s in, maar de natuur kun je nu eenmaal niet dwingen.
 De vijf mannen hadden ervan geprofiteerd en de kuierlatten genomen. En daar zaten we dan zonder eten of drinken,  op een paar blikjes pruimen en doperwten na. 
Ook de geit die was meegenomen om te worden geslacht had een voor haar beter heenkomen gevonden. In die omstandigheden zou ik hetzelfde hebben gedaan. 
Wat te doen? We hadden geen communicatiemiddelen en het mobieltje van nu bestond nog niet. 
We deden dus als Robinson Crusoë , plantten een paal langs het strand en hingen er een hemd in als herkenningsteken. 
We hoopten dat de havenmeester van Oosthaven ons zou gaan zoeken en ophalen. En ja hoor….op een gegeven moment zagen we de bekende ‘Higgins’ aan  komen.
 Wij zwaaien en schreeuwen, maar hij voer te ver weg om ons te horen of te zien. 
Dus pakten we onze geweren en losten een salvo over de boot, maar dat werkte averechts. Als een speer ging hij er vandoor. Hoop vervlogen.

 

We overlegden met de eigenaren van de beide prauwen en besloten toch maar weer een poging te wagen en de kaap te ronden. Een boot werd bemand, de andere namen we op sleeptouw. En daar voeren we de Indische Oceaan weer op ‘op hoop van zegen’. Een hele tijd ging het goed en voelden we ons als de kerels van Bramzijgertje, tot we opeens de volgboot met een noodgang voorbij zagen varen……hij ging vliegensvlug met een enorme snelheid en zou met die geweldige vaart onze boot meeslepen en omtrekken. Kappen die kabel !!! Een mes was altijd en overal voor handen en in een ommezien werd de kabel gelukkig voor ons op tijd gekapt en kwamen we los van de voortrazende volgboot. We slaakten een zucht van verlichting, want we waren heel zeker van een wisse dood gered.

           

We voeren verder en verder, zonder kompas, zonder enig navigatiemiddel, zonder radio of andere  contactmogelijkheid, maar vlak langs de kust. Op een gegeven moment zagen we de ‘Higgins’ die kennelijk weer op zoek was gegaan. Hij gidste ons via de kortste weg naar Oosthaven waar we luid en hartelijk werden begroet door de collegae die net als wij blij waren dat we het er levend en wel en zonder kleerscheuren hadden afgebracht.

 

En het was de hoogste tijd, want er was alarm geslagen en in Batavia  stonden vliegtuigen klaar om op te stijgen en naar ons uit te kijken. Het was gelukkig niet nodig. 
En zo eindigde een avontuur  waarin we enkele keren aan een wisse dood zijn ontsnapt.

 

 

Ziek en zeer

 

Het gebied van Oosthaven was bekend om zijn malaria. Europeanen mochten er niet langer dan veertien dagen verblijven. Voor mariniers gold die regel niet.

Na verloop van tijd werd de een na de ander geveld door de ziekte. We brachten de patiënt dan onder begeleiding, in een open truck met een vliegende vaart naar Tandjung Karang.
 De weg was nogal hobbelig vanwege kuilen, gaten en obstakels dus die vliegende vaart viel wel mee. Soms waren het er twee of drie op een dag die we naar boven brachten. 
Aan het eind van de dag was je door het gehobbeldebonk op de laadklep van de auto , helemaal total loss en had je last van wandelende nieren: 
het gevoel dat die ongeveer bij je keel zaten en je maag was omgedraaid !

 

 

Afleiding

 

Afleiding was er niet. In de vrije tijd werd er uit verveling met de bajonet gespeeld. De bajonet was een speer, een punt van staal. Daarmee prikten we zo snel mogelijk tussen de op een houten tafel gespreide vingers. 

Het gebeurde dat iemand zijn hand aan de tafel spietste. Het risico van het spel.

Om de ledigheid geen kans te geven ging ik dikwijls op patrouille en vroeg dan vrijwilligers om mee te gaan. Dat lukte meestal wel. Je was goed bezig, lekker lopen in de buitenlucht en de natuur verkennen. Genieten van de vele apen in de bomen.

 

Natuurlijk werd er veel tijd besteed aan het schoonmaken en het onderhouden van onze wapens. Je moest er immers op kunnen vertrouwen als het er op aan kwam. 
Hoewel dat vertrouwen niet zo groot was, want het was een allegaartje van wapentuig: een Lee Enfield geweer, een Johnson geweer, een karabijn, een stengun die, 
als je hem met de kolf op de grond zette terwijl je hem niet goed had vergrendeld, afging zodat de kogels je om de oren floten.

 

Sommige jongens sliepen wel eens buiten onder het afdak. Dat het niet aan gevaar ontbloot

was, bleek toen op een ochtend een van de mannen wakker werd met een slang over zijn borstkas. Heel eng. Was het een giftige of niet? Wat te doen? De man werd in elk geval geadviseerd om stil te blijven liggen. Nou, dat deed hij uit zichzelf al, bang voor een beet van de slang. 
De geraadpleegde dorpsoudste stelde vast dat het een giftige slang betrof en er zat niets anders op voor de marinier om net zo lang stil te blijven liggen tot de slang eigener beweging zou wegkruipen. 
En wat duurde dat lang….en wat had de man trek in zijn shagje en wat had hij een dorst…maar na een tergend langzaam verlopende dag verkoos de slang te vertrekken. Wat een opluchting was dat !

 

 

De ‘Tjerk Hiddes’, een fregat van de Koninklijke Marine, meerde een keer aan om ons te bezoeken en te voorzien van proviand, waaronder een grote krat met flessen jenever voor de havenmeester.
 Het was een welkome afleiding en het werd een beetje feest met veel drank.

Majoor den Ouden was onze hogere baas -naar ik meen- . Ik denk dat omdat hij op een gegeven moment bij ons in het kamp in Oosthaven arriveerde om kennis te nemen van een flinke wapenbuit die we ter plekke voor hem uitstalden. Hij was er op een voor ons ongelegen moment, d.w.z. we zaten aan tafel – buiten – om onze middagprak te verorberen, maar het deerde hem niet. Eet rustig door, 
ik schuif wel aan en dat deed hij. Hij is later gesneuveld in Korea.

 

Er was muziek: een oude grammofoonkast stond in een van de gebouwen en er werd een plaat gedraaid van Jean-Louis Pisuise, of Lou Bandy, die vast liep in een groef zodat we de hele dag heel luid  een en dezelfde zin en melodie beluisterden, totdat iemand er meer dan genoeg van had en de kast in elkaar timmerde. Toen werd het stil.

 

Het weer was ook een afleidende factor. We hebben er angstaanjagende onweersbuien meegemaakt waarbij de vuurbollen over onze tampats ( veldbedden ) rolden. De buien duurden heel lang, want kwamen uit zee en botsten tegen de bergen om weer terug te komen.

 

 

 

Afscheid van Oosthaven

 

Op 27 april 1949 namen we afscheid van Oosthaven en Sumatra en werden we per ms.

‘Tropenvogel’  overgebracht naar Batavia, met herinneringen aan:

            Oosthaven                             Telok Betong

            Pandjang                                Tandjung Karang

            Tarahan                                  Kalinda

                        Babatan                                  Merbau

            Tandjangan                            Pabean

            Kota Agoeng                          Baroe.

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5. Het verblijf te Batavia.

 

We vormden er het Mariniers Bewakingsdetachement Batavia en bewaakten o.a. de

buiten Batavia gelegen elektriciteitscentrale ….                                                           ???????

 

Als dank voor het verblijf in Oosthaven kregen we een weekje verlof.  Op 27 mei tekende ik

het ontvangstbewijs 399 MKW voor de ontvangst van een revolver een Smith Wesson

V 582063. We brachten de vakantie door in Bandoeng van 28 mei tot 3 juni 1949 en

vertoefden in hotel ‘ De Rustende Strijder’.  We keken met verbazing naar de rode kool

en de bloemkool die er groeiden. We dachten dat die alleen in Hem/Venhuizen en De Streek

geteeld werden. Maar Bandoeng ligt hoog en het klimaat is er gunstig voor de teelt van

Europese groenten.

 

We maakten een uitstapje naar de Tankuban Prahu, wat omgekeerde prauw betekent en

genoten van de imposante krater met zwavelbronnen. Je had het op school geleerd en nu

stond je in de krater tussen de zwavelbronnen. Geweldig.

 

afdaling in Tankuban Prahu                                                in de krater bij de zwavelbronnen

 

 

Eind juni werd ik geveld door de Malaria Tertiana, de ergste soort malaria die je kon oplopen  en die waarschijnlijk was opgelopen in Oosthaven. 
Tijdens het eten in de mensa werd ik helemaal niet goed en stond op om naar buiten te gaan voor een beetje ‘frisse lucht’. Het gat van de deur heb ik gezien en toen ging het licht uit.
 Wat er vervolgens is gebeurd, weet ik niet, maar ik werd dagen en dagen later wakker in een ziekenhuisbed van het Marinehospitaal in Batavia. Een zuster die bij mijn bed waakte over mijn heil riep steeds mijn naam en toen ik er tenslotte op reageerde, was ze tevreden en ik moest dat natuurlijk ook zijn. 
Volgens de behandelingskaart verbleef ik in elk geval op  6 juli 1949 in de ziekenboeg MKW ( Marine Kazerne Weltevreden ). 
Op 7 juli haalde ik een revolver op volgens ontvangstbewijs 583 MKW  en kreeg een Smith Wesson nr. V 286669 mee voor noodweer. 
 Voor herstel mocht ik weer naar Bandoeng en was er van 8 juli tot 18 juli 1949.

.

Admiraal Hellferich. Hij had zijn residentie in Batavia ( nu Jakarta ) en wij mochten zijn

paleis bewaken door er wacht te lopen.  We sliepen in een lokaal in zijn huis. In een

aangrenzende ruimte sliepen de Indische helpsters, de baboes. Er werd soms wat over en

weer geroepen. Soms vond ik wat lekkers in de vorm van fruit op mijn tampat. Hoe dat daar

kwam, was en is me een raadsel. De vrouwen ginnegapten er wat over en maakten avances

naar ons. Ik was er mogelijk niet gevoelig voor en heb er nooit aan toegegeven. Soms

maakten ze het wel erg bont als je buiten met ze stond te praten. Dan grepen ze je

onverhoeds in je kruis en een lol dat ze dan hadden !

 

Het is gebeurd en daarover verwonder ik me nog steeds dat ik, toen ik in mijn

wachthuisje zat en het pikdonker was, plotseling van achteren werd omhelsd door een

poedelnaakte  vrouw. Die moet er al gezeten of gelegen hebben toen ik de wacht betrok, een

andere verklaring heb ik er niet voor. “Saja ada tjinta sama kamu” zei ze.  Ik denk dat ze niet

bij haar volle verstand was; in elk geval heb ik haar een roepia gegeven, een betjak                

( fietstaxi ) aangehouden en haar op die wijze afgevoerd.

 

Treinbegeleiding behoorde ook tot een van onze taken. Twee locs om te trekken tegen de

berghelling op. De trein ging nog trager dan voetstap. Mensen zaten op de daken van de

rijtuigen en op de treeplanken. Ze hadden van alles en nog wat mee: manden met kippen,

stapels goederen als koopwaar en groenten en fruit.

   

Naar de hospik voor controle op smet, luis of een venerische ziekte. Door het zweten

en het schuren van kleding langs je lichaam ontstonden hier en daar rauwe plekken,

voornamelijk onder je oksels en tussen je benen. Tussen je benen was het het ergst. Die

plek werd dan ingesmeerd met salicylzuur en dat beet zo verschrikkelijk dat je bijna van

je stokje ging. Je vluchtte dan snel van de ziekenboeg naar je tampat ( een tampat is een

veldbed, maar het woord werd ook gebruikt voor een bed ) om even bij te komen.

 

Elke maand was er inspectie “geweer”. De broek omlaag, om te  worden gecontroleerd op

venerische ziekten ( soa heet dat tegenwoordig ).

 

6. Een wereld ging voor ons open

 

Allereerst het weer, elke dag zon in overvloed. Voor ons was het alle dagen zomer. Vooral

in Batavia was het broeierig warm, omdat de stad is gebouwd in een rivierdelta. 35 graden

was geen abnormale temperatuur.

 

De kleding die werd gedragen was er op aangepast. De mannen allemaal in  korte broek,

in een short met ontbloot bovenlichaam of een shirt. De vrouwen waren over het algemeen

decent gekleed in een sarong; een alles bedekkende lange lap stof die om het lichaam was

gedrapeerd.

 

Eten koken ook zoiets. Dat deden onze moeders toch? Ze kookten pap en brij en aardappelen en groenten. Wat zagen we in Indië? Eten werd bereid in een wadjang.

Tegenwoordig noemen we het een wok en is die  ook bij ons ingeburgerd. Voor ons was dat toen nieuw. We hadden nog nooit eerder gezien dat je wat groenten en rijst of bami in een pan  deed, wat olie erbij en een vuurtje er onder en dan roeren maar tot het ongeveer gaar was. Een beetje smurrie erover en smullen maar. Onvoorstelbaar en het was nog lekker ook. En als je het illegaal buiten het hek van de kazerne liet bereiden,  werd het gepresenteerd in een pisangblad, een bananenblad. Had je nog nooit gezien. Toch ? Geweldig om dat mee te mogen maken. Een mannetje kwam langs met een pikolan (een draagstok) waaraan hij twee kastjes vervoerde. In het ene zaten de producten en in het andere stond de vuurpot. Hij maakte zijn komst bekend met een ratel en maakte klaar waar je trek in had.

 

Vervoer per betjak was voor ons nieuw. Een betjak is een  fietstaxi zoals hierbij is afgebeeld. Dit is trouwens een heel mooie met zonnekap. Een driewielige fiets met twee zitplaatsen. Soms organiseerden we een snelfietswedstrijd tussen meerdere fietstaxi’s. De berijders werden opgejaagd door geld én door aanmoedigingskreten. Levensgevaarlijke capriolen werden er gemaakt in het drukke verkeer.

 

Het toilet: je maakte gebruik van een hurktoilet, een gat in de grond, wat je maar een

rare gewoonte vond. In elk geval was je het thuis niet gewend. Het was nieuw voor je  

en dat moest even wennen. Het was wel hygiënisch, wat ook gold voor de afwezigheid van toiletpapier. Het schoonmaken van je achterwerk deed je met water uit een fles. Het met de hand  beroeren van de anale zone was en is bij ons in het westen geen gebruik.  Ook dat

was nieuw voor ons, maar je maakte je het gauw eigen.

 

Een douche of bad was er niet. Je sopte je af – zonder zeep – in een grote ruimte met

langs de lengtegevel een bassin gevuld met ijskoud water. Met een nap, een emmertje aan

een stok gooide je dat koude water over je heen en dat herhaalde je een aantal malen als je

het lekker vond. Daarna wel goed afdrogen. Het woord is: mandiën.

 

Souvenirs. Natuurlijk wilde je wat specifieke herinneringen aan het land mee naar huis nemen. Zo was er het Kendirisch of Kendarisch zilverwerk.

Maar ook prachtig houtsnijwerk was in trek. Mooie Javaanse koppen of schitterend uitgevoerde vogels. Een gebatikte lap stof, ook zoiets.

In Nederland zou je de gevraagde prijs betalen. Daar moest je afdingen, wat een behendigheidsspel was. Geen belangstelling tonen, een fractie van de gevraagde prijs bieden, zelfs weglopen en als de verkoper achter je aan kwam, dan wist je dat je in de goede richting zat en kon je zaken doen. In elk geval nooit direct toehappen, maar inschatten wat het je waard was.

Verbazing en grote ogen…Je viel van de ene verbazing in de andere. Op school had je de namen van de eilanden geleerd. Geleerd? Die waren er in gestampt en je kon ze in  je slaap opdreunen, evenals de namen van belangrijke rivieren.

De Kali Mas had je op school geleerd, was een rivier die door Soerabaja stroomt, nu stond ik erbij !! Ik keek er naar en zag hem stromen.

De Krakatau. We vlogen vanuit Djakarta in een Catalina, een watervliegtuig, over Straat Sunda en passeerden de vuurspuwende berg met de naam Krakatau. Op school geleerd en nu zag je hem in werkelijkheid. Wie had er van gedroomd dat ooit in werkelijkheid te zien? Geweldig toch?

 

De Tankuban Prahu een dode vulkaan in de omgeving van Bandoeng, op school geleerd en nu stond je op de rand van de enorme en diepe krater. Een belevenis. Heel diep beneden je las je een tekst, gemaakt van enorme brokken steen. Beneden gekomen ontwaarde je hier en daar een kei, meters uit elkaar.. .. en snoof je de vieze zwavellucht op die uit de kraterbodem omhoog dwarrelde. Wie had ooit gedacht dat je het voorrecht zou hebben dat te mogen meemaken, dat te mogen zien? Fantastisch.

 

Tankuban Prahu = omgekeerde prauw.

 

 

 

Verbazing ook over de vele en heerlijke fruitsoorten als : djeroek, mango, banaan, ananassen, rambutan’s, papaja’s, durian en vele andere. De banaan kenden we al van huisuit en was een delicatesse die je bij hoge uitzondering at, want ze was voor de gewone man onbetaalbaar. In Indië kon je ze zo plukken en zomaar een tros opeten. Een ongekende weelde voor een jongen uit Hem.

 

Bouwvakkers waren er uiteraard ook. Ze werkten met de meest primitieve middelen en gebruikten een spijker en een stuk touw als meetlint. Ze werden goed betaald, maar ook weer niet té goed, want ze leefden redelijk primitief in de kampong en konden met weinig toe. Gaf je ze meer dan ze konden opmaken, dan bleven ze gewoon weg tot het geld op was en dan zag je ze weer.

 

Het wajang poppenspel.  Daar had je mogelijk wel over gehoord of gelezen, maar nooit in werkelijkheid gezien. Nu had je de kans om het mee te beleven en vooral ’s avonds als het in het donker werd opgevoerd was het een prachtig schimmenspel.

 

Een ijsco. Bestelde je in de stad een vruchtenijs, dan kreeg je een berg schaafijs geserveerd, vermengd en overgoten met allerlei kleinfruit: een complete maaltijd. Totaal iets anders dan het ijsje van twee centen van de kar van Piet Visje. Een beleving toch ?!

Voor het lessen van de dorst stonden er in de kazerne altijd enorme bakken  met thee en koffie klaar voor gebruik. Nee, geen hete thee, of hete koffie, maar ijsthee en ijskoffie.            “ Koppie es” waarvan je vrijelijk gebruik kon maken.

De kleding van de Nederlandse vrouwen was heel wat luchtiger dan we in Nederland gewend waren. We waren het decente alles bedekkende gewend en daar zag je dames in topjes, met blote buiken zoals hier nu in de zomer ‘gewoon’ is.

Ook dit was nieuw voor ons. En dat in een Islamitisch land waar veel vrouwen gesluierd

langs de straat liepen. Maar de Indonesiërs waren ( toen? ) kennelijk ruimhartig en tolerant.

Hoe dan ook, in Nederland zou het toen ondenkbaar zijn geweest dat vrouwen zich ‘ half

naakt ‘ op straat zouden begeven. Dat zou als decadent worden bestempeld.

Je kleren wassen deed je meest zelf, ook in de kazerne. Soms was er een baboe of een

 djongos die het voor je deed, in elk geval werd je tenue perfect gestreken.  

 

Communicatie met het thuisfront.

De huidige militair die bv. wordt uitgezonden naar  Afghanistan kan elke dag drie minuten

naar huis bellen. Wij konden helemaal niet bellen.

De huidige soldaat heeft de beschikking over een laptop en er is permanent een satelliet

beschikbaar voor al het communicatieverkeer van de Nederlandse Task Force Uruzgan. In

de jaren 1945-1950 had je zelfs nog nooit van de woorden laptop of satelliet gehoord.

Nu kunnen de jongens (en meisjes ) zich uiten via ‘de nieuwe media’ : in dagboeken op Hyves, Facebook, waarbenjij.nu en het Uruzgan Weblog, in homevideo’s op You Tube en LiveLeak hun al of niet kritische geluiden laten horen.

Wij moesten het doen met een velletje luchtpostpapier en als je geluk had kon je met Kerst of Nieuwjaar voor de radiomicrofoon je ei kwijt. Dat had je gedacht:  je moest de uit te spreken tekst van tevoren inleveren om te voorkomen dat er iets onwelgevalligs zou worden gezegd. Je moest je ook aan je goedgekeurde tekst ter lengte van een regel, houden.

Wat wist het thuisfront? Niets. Wat vandaag in de krant staat over Uruzgan, om bij het

voorbeeld te blijven, is morgen aan de orde in de Tweede Kamer en overmorgen

leggen de bewindslieden verantwoording af. Hoe dat was tijdens de politionele acties, laat zich raden.

Vandaag lezen de jongens gratis kranten als Metro en Spits. De Indiëgangers moesten het doen met oud nieuws dat in bundels door de goedwillende thuisfronters per schip werd toegestuurd.

      

Dorst. Bier was er ook,. Dat kon je kopen voor een habbekrats. Niet van die kleine flesjes pils zoals we dat kenden in ons moederland, maar litersflessen. Aan het lessen van de dorst kwam schier geen einde.

En als je iets met alcohol wilde, dan was er arak, rijstbrandewijn. Dat was een gevaarlijk drankje, want het ging er in als limonade, maar je kreeg het er wel van voor je kiezen. Oppassen dus.

 

7. Epiloog

Na alle ervaringen in Indië is er tenslotte de terugreis naar huis. Voor mij verliep die niet al te vlot, want aan het einde van de bootreis kreeg ik dysenterie en men dacht dat het de zeer besmettelijke amoebendysenterie was. Zo werd ik van boord rechtstreeks naar Overveen  gebracht om te worden opgenomen in een isoleercel van het Marinehospitaal. Wist ik veel. Dus probeerde ik te bellen met mijn ouders, maar de telefoon werd uit mijn handen gerukt door een zeer verontwaardigde arts. Achteraf ben ik ontslagen met de mededeling dat het een huis tuin en keuken dysenterie geweest zou zijn.

In het dorp was er commotie. Al het eerbetoon voor de thuiskomst was voor niets aangebracht, de soldaat kwam niet opdagen. Maar een paar weken later was het toch feest.

Ik werd opgehaald door mijn familie, die met Cor Vreeker achter het stuur naar Overveen was afgereisd..

Ik herinner me er niet veel van. Namens de gemeente  werd me een zilveren bestek overhandigd als dank voor de bewezen diensten. Een buurman die vroeg: “Hoeveul heb je er doodskoten?”. En de volgende dag weer aan het werk op de zuivelfabriek. Over en sluiten.

Dat kan niet worden gezegd van de 5600 soldaten die er zijn achtergebleven, gesneuveld, verongelukt of overleden na een ziekte. Voor hen heb ik mijn verhaal vastgelegd, opdat zij niet worden vergeten. Ik kan het nog navertellen en zeggen dat het voor mij een interessante missie is geweest. Dat geldt niet voor hen. Bovendien was het een kostbare en zinloze missie, die de schatkist, dus de bevolking scheppen geld heeft gekost. Laten we hopen dat een dergelijke situatie zich nooit meer voordoet.

 

Beverwijk, oktober 2010

                                     

De marinier anno 2010 , ruim 60 jaren later.

                                                            

 

 

De darmo-express in zijn volle lengte