Foto's van Vogelenzang
home    sitemap    foto's deel 1   foto's deel 2    Amsterdamse waterleidingduinen   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Huis te Vogelenzang  2007



LandgoedVogelenzang

artikel uit gedenkschrift vereeniging Haerlem 1926:

HET HUIS TE VOGELENZANG.


De meeste Haarlemmers en vele Hollanders weten, dat de
aangename landsdouwen waartusschen de hoofdstad van Kennemerland
ligt ingesloten, in veel vroegere eeuwen de Graven aantrokken.
Het is bekend, dat Floris II (1091—1122) zich gaarne in Aelbertsberg
ophield en dat de Vogelensang Floris V (1255—1296) behoorde.
Aan de eindpolen dus der heerlijkheid Tetterode, Aelbertsberg
en de Vogelensang lagen in lieflijk oord en stille rust de tijdelijke
woonsteden van machtige landsheeren en de wildernis met hare
heuvelreeks daartusschen (wij zeggen het duin) was en onbegrensd
terrein voor jacht en weispel.
Over de Vogelensang is genoeg te zeggen en men kan al tamelijk
ver in den ouden tijd terug gaan, voor men de eerste maal, dit
uitgelezen plekje van het schoone Hollandsche landschap vermeld
vindt. Dat is geweest ten tijde van Floris Vx). De Divisie Kronyk
Van Mieris. I. 509. weet te vertellen: „Deze Grave dede maken veel kostelijke hoven
,,en ridderlijke woningen, als 't Huys te Vogelsang, daer hij
„Stadelijk met Heren ende Ridderen, Vrouwen ende Jonkvrouwen
„plach te hoveren, vliegen ende jagen, ende ridderlijcke oeffe-
,,ningen, steken en tarnoijen te hanteren" *).
Het drukke leven in deze eenzame bosschen en wildernissen
bracht niet mede, dat de Graaf zich er veel bezig kon houden met
de zaken van staat (gelijk wel eens is verzekerd), want slechts
één enkel voorbeeld is daarvan aan te wijzen 2), maar het verwijl
in zijn ontspanningsoort was misschien niet meer, dan en vluchtig
bezoek van weinig uren of van een paar schraal toegemeten dagen.
Ook moet men in het oog houden, dat Floris V blijkbaar veel
op het Hof te Aelbertsberg voor korter of langer tijd heeft vertoefd,
want juist daar — en niet in de Vogelensang zijn vele Staatsstukken
door hem uitgegeven, zoodat men zeggen zou, dat wanneer hij
naar Aelbertsberg ging de grafelijke kanselier hem vergezelde.
Door den droevigen dood van Floris werd de betrekking van
de opvolgende Landsheeren tot de Vogelensang vooreerst niet
verbroken, want wat hij daar bezeten had, bleef nog geruimen
tijd, wat minder dan eene eeuw, eigendom der Graven. Toen
Graaf Jan I, de zoon en opvolger van Floris V (kinderloos overleden)
den 4 Mei 1297, den lijf tocht of douarie, van zijne gemalin
Elisabeth van Engeland, vaststelde, wees hij daarin met name
aan, zijne woning in de Vogelensang (mansiomen nostram dictam
Voghelsank)3). Maar Hertog Aelbrecht van Beieren schonk den
13 April 1383 de Hofstede ter Vogelensang tot de uiterste grens,
gelijk die gelegen is, an zijn lieven en getrouwen Reynoudt, Heer
!) Div. Kron. XIX, cap. V.
2) V. Mieris 1. c. noemt op, het eenige charter dat door Floris in de Vogelensang
is gegeven, bevat vergunning voor Delfland om keuren te maken en
schouw te houden. De dagteekening luidt „8 September", maar het jaartal is
er ongelukkigerwijze uitgebrand. Van Mieris brengt het op 1290.
3) Van den Bergh, Oorkondenboek van Holland en Zeeland, II, N°.999.
Naar een teekening uit den Stedelijken Atlas. Jhr. Gevers van Endegeest delin.
Het Huis de Vogelenzang bewesten Hillegom. 1823.
tot Brederode en Gennep, met vergunning voor hem en zijne
nakomelingen, om zonder iemands wederleggen hunne koeien,
paarden, schapen, varkens en andere beesten te weiden ter de
daargelegen grafelijkheidsdomeinen. Het lust- of jachthuis van
Graaf Floris is zeer lang in eigendom gebleven bij de Brederode's,
maar tegen het einde van de 16e eeuw kwam daar, naar het schijnt, verandering in.
Uit eene akte van 5 December 1584 blijkt, dat hopman Harman
Olthoff grondeigenaar was in de Vogelensang; den 25 Mei 1589
kocht hij er 5 morgen land, den 5 December 1590 nog eens 4J/2
morgen, belendende an zijne overige eigendommen. Hij stierf,
doch zijne weduwe Catrijn Schopmans ging in denzelfden trant
voort en verwierf den 15 Juni 1594 het bezit van 81/2 morgen weien
teelland, waaronder „de Steeckelweide" welke eene grootte
had van 31/s morgen. Maar zij bleef er niet lang eigenares van,
want reeds den 29 December 1596 verkocht zij „de hofstede het
huis te Vogelensang" met teel- en weiland en wildernis aan Mr.
Jacob Hendricxz. Saffius en Goossen Jacobsz. Hooft, voor ƒ3100,—.
Hier wordt in den nieuweren tijd voor de eerste maal weder
gesproken van „het huis te Vogelensang" en men mag het er
voor houden, dat deze bezitting de samenvoeging vormde der
perceelen in vorige staten genoemd.
Een der nieuwe eigenaars, n.l. Mr. Jac. Zaffius, was en Roomsch
priester, die vele kerkelijke waardigheden bekleed heeft en tijdens
het beleg van Haarlem in 1572/73 in de stad gebleven is. Hij was
en man van aanzien en ok van vermogen en heeft het hofje
gesticht in de Witte Heerenstraat te Haarlem, waar en gedenksteen
nog van hem spreekt, maar dit rustoord van oude vrouwen is
bekend onder den naam van Frans Loenen, die naderhand aan de
stichting van Saffius eenige woningen heeft toegevoegd. Het
fraaie, door Frans Hals geschilderde portret van Saffius, in 1920
door den Heer en Mevrouw Philips te Eindhoven aan de Gemeente
Haarlem geschonken, hangt in het Museum aldaar.

De mede-kooper Hooft is niet lang deelgenoot van Saffius
gebleven, want deze alleen trad als eigenaar op, toen den 31 Juli
1610 ,,de hofstede het Huis te Vogelensang", met „het Meerland"
en „De Frenckelweide" verkocht werd aan Cors Reijersz., goudsmid,
poorter van Amsterdam.
Zeventien jaren lang bleef de Amsterdamsche goudsmid Heer
en Meester van zijne lommerrijke bezitting, maar den 2 Februari
1627 ging zij voor ƒ 5500,— over aan den Heer Jacob Jacobsz. de
Jongh. Wat deze dacht, verneemt men van Ampzing (a. 1628).
Het Huys te Vogel-sang leyt 't enemael geschonden,
De heuvel en de grond word maer alleen gevonden:
De naem sou ok vergaen, ten waer 't nu door de Jong
Weer uyt der aerden rees, en tot den Hemel drong:
'T word weder als het was, so heerlijck opgetogen,
'T word weer een Graven-Huys voor onser aller ogen.
'T waer jammer dat de naem van 't Huys sou ondergaen.
Ook blijft de Jong sijn naem so lang dit Huys sal staen.
Wij vernemen hier, al zij het misschien met eenige overdrijving,
dat het gebouwde gedeelte door verloop van tijd erg in verval
was geraakt. De Jongh kon en wilde het zoo niet laten en herbouwde
het huis in den trant en de voege des tijds. Hij maakte er eene
schoone, welgelegen hofstede van, rondom in hare grachten besloten
liggende, met hekken en optrekkende brug.
En toen dat werk, onder de gewone zorg, bekommering en
beslommering was volbracht, zou de Jongh daar rustig van en
Arcadisch leven hebben genoten. Zo meenen we. Maar de uitkomst
was heel anders. Hij verkocht, om welke redenen blijft
onbekend, reeds den 17en Januari 1630, dus binnen drie jaren,
zijn Vogelensangschen lusthof voor ƒ 12500,— an den Heer
Geraert van Schoonhoven, te Amsterdam.
Ook deze alweder had niet lang genot van zijn bezit, want niet
later dan in 1634 verneemt men, dat hij overleden is. Den 18 October
 
van dat jaar kocht zijne weduwe Anna Munnickx tot vergrooting
van hare hofstede:
1°. de Plaggeweide, groot 3 duinmorgen.
2°. het Blomweideke, daarnaast gelegen, groot een duinmorgen.
3°. het Huyschroter-meertje, groot 2 duinmorgen,
4°. het erfpachtsrecht op en stuk duin, groot l morgen 12 roeden,
al hetgeen Cors Reijerss. bij den verkoop van 1627 aan zich gehouden
had en waarvoor hem nu ƒ3750,— betaald werd.
De laatste achttien jaren van haar leven bracht de weduwe
Van Schoonhoven op het Huis de Vogelensang door, ena haar
dood, die toen zoowat gevolgd moet zijn, verkocht haar zoon Salomon
van Schoonhoven, Ruwaard en Opper-Dijkgraaf van den lande
van Putten, den 29en Mei 1648, de Vogelensangsche bezitting,
welke hem van zijne ouders was aangekomen, an zijn zwager
Jeronimus de Haze, den jonge, wonende te Amsterdam, voor
ƒ 14000,—.
Nagenoeg honderd jaren bleef nu het goed in dit geslacht.
Jeronimus de Haze werd opgevolgd door zijn zoon, die denzelfden
voornaam droeg. Deze nieuwe Heer had bij zijne vrouw Margreta
Helena van Swaenswijk, die hem overleefde, eene dochter, Anna
de Haze, Vrouwe van Mijnden en Loosdrecht, getrouwd met Mr.
Lieven Geelvinck, Heer van Castricum, Burgemeester en Raad der
Stad Amsterdam.
Mevrouw Geelvinck verkreeg van de Staten van Holland en
West-Friesland bij hunne resolutie van 24 Maart 1733, dat aan
„de Vrouwe van Mijnden en Loosdrecht mitsgaders an de Posses-
„seurs van de Hofsteede en Huisinge genaamt de Vogelesang
„indertijd, sal werden gelaaten de Vrije Jagt in de Houtvesterije
„van Breederoode, mits dat deselve Possesseurs afkomstig sullen
„moeten sijn van ymand, die tot de exersitie van de jagt in deese
„Provincie is gequalifiseert geweest".
Burgemeester Geelvinck heeft niet lang gebruik gemaakt van
dit privilegie (of moet het beschouwd worden als bevestiging van
 
een vroeger verleend voorrecht), want den 7en Januari 1734 werd
de hofstede „het Huis te Vogelensang" met aanhoorigheden,
groot omstreeks 17 morgen, met een stuk ten zuiden gelegen
weiland, van ouds genaamd „de Plaggeweide" of ,,de Plak" groot
3 morgen, alles te zamen voor ƒ 19000,— verkocht aan den Heer
Bartolomeo Andrioli, geboren te Milaan, koopman, en Consul
van Zijne Keizerlijke Apostolische Majesteit, te Amsterdam.
De nieuwe eigenaar was toen nog ongetrouwd maar kwam naderhand
in kennis met Geertje Springer, de pupil van zijn vriend Gerrit
Braamkamp, den rijken Amsterdamschen koopman en vermaarden
kunstkenner en verzamelaar. Het meisje was braaf en ingetogen
en moet van ongemeene schoonheid zijn geweest. Zij was van
nederigen stand en als „Juffrouw Geertje" de winkelmeid in het
wijnhuis „De vergulde Inkhoren" in de Zoutsteeg, eigendom van
Rutger — den broeder van Gerrit Braamkamp, bekend. Uit den aard
der betrekking van Geertje, was het voor Andrioli niet heel moeilijk
geweest met haar, als de uitverkorene zijns harten, verder kennis
aan te knoopen en deze leidde tot hun huwelijk, waarvan de
ondertrouw den 13en Maart 1739 in het Amsterdamsche Puiboek
werd ingeschreven x). Of de Consul der Apostolischen Keizersorde
van zijne huwelijksjaren in de Vogelensang heeft gesleten is niet
bekend, maar in 1757, misschien reeds vroeger, was hij overleden,
want den 25en Augustus van dat jaar verkocht Vrouwe Geertje
Springer, weduwe van den Heer Bartholomeo Andrioli an den
Heer Jan van Marselis Junior, (1731—1791) Heer van Zandvoort,
de hofstede „het Huis te Vogelensang" met aanhoorigheden, groot
omtrent zeventien morgen, in het land van ouds genaamd „de
Pluggeweide" of „de Plak", groot drie morgen, samen voor ƒ 12000.
Bovendien de beelden, spheren, banken, gezichten, al de broeiramen
en verdere tuingereedschappen, voor ƒ 2000,—.
x) Zie voor deze echtelieden „Gedenkschriften van Jan Sinkel", in de
Verspreide Verhalen van J. A. Alberdingh Thijm, IVe Deel.
 
De Heer Van Marselis herschiep het Huis te Vogelensang in
de prachtigste buitenplaats van den banne Bloemendaal en heeft
langer dan en zijner voorgangers in den eigendom, het bezit en
het genot van het landgoed gehad, zelfs tot aan zijn dood, want
het waren zijne erfgenamen, die den 18 November 1807 an den
Heer Willem Philip Barnaart de hofstede, met landerijen, duinen,
bosschen, roerende goederen en alle aanhoorigheden, benevens de
er aan grenzende en bij aangetrokken lustplaats „Teylingerbosch",
alles in één koop, voor ƒ 134000,— verkochten. Uit hetgeen in
1757 betaald was en er nu voor werd ontvangen, kan men wel
afleiden, dat de laatste eigenaar zijne bezitting oneindig had
uitgebreid. En toch was zij den Heer Barnaart nog niet groot
genoeg, want reeds den 20en Januari 1810 kocht hij van Arie
Wouterse van der Velden, voor ƒ 10000,—, eene boerenplaats
er bij, groot ongeveer 14 morgen, annex de hofstede „het Huis
te Vogelensang".
Over „Teylingerbosch" (gelegen, of tenminste zich uitstrekkende
tot an de Leidsche trekvaart), dat in 1807 ok kwam an den
kooper van „het Huis te Vogelensang" en in eene hand is gebleven,
kunnen de volgende aanteekeningen eenige opheldering geven,
ofschoon ze niet van heel oude dagteekening zijn.
In het begin van de 17e eeuw, en wie weet hoe lang toen reeds,
bestond de hofstede Teylingerbosch, welke in eigendom toebehoorde
aan Willem Dircksz. Deyman, Burgemeester van Haarlem, die
getrouwd was met Anna Nanningsdochter. Na zijn dood werd het
goed den 17 April 1608 verkocht aan Frederik Ariaansz. Deyman,
die Cornelia Matthijs dochter tot vrouw had. Er waren nog eenige
stukken land bij en hij betaalde voor de massa ƒ 4120,—.
Wel tachtig jaren is Teylingerbosch onder Frederik Deyman
en zijne nakomelingen gebleven. In 1688 behoorde het tot de
nalatenschap van Juffrouw Maria Deyman, weduwe van Jacob
Steyn, Burgemeester van Haarlem, wier executeurs den 16 September
van dat jaar an Mr. Pieter van Adrichem van Dorp voor
 
ƒ8850,— verkochten: eene schoone en welgelegen woning, met
huizing, stelling en boomgaard, mitsgaders wei-, hooi- en teelland,
over „het Huis te Vogelensang", groot in het geheel 14 morgen
l hond en 63 roeden Rijnl. maat, waarvan 3 morgen 27 roeden
gelegen zijn in den banne van Hillegom an de Margrietenlaan,
uitkomende bij de Leidsche trekvaart.
In en kort tijdsverloop kreeg het landgoed andere eigenaars.
3 Mei 1696 verkocht Mr. Pieter van Adrichem van Dorp an den
Heer Jacob Graaffland zijne hofstede Teylingerbosch, met huis,
bosschen, lanen, vijver, manteling, landerijen, enz., groot in het
geheel 22 morgen 29.7 roeden 5 voeten Rijnl. maat, en ontving
ƒ 13000,— er voor.
Vier jaren daarna, 13 December 1700, ging Teylingerbosch
over aan den Heer Gillis van Hoven. De omschrijving vermeldt:
een zeer schoon, nieuw heerenhuis met groote keuken en verwulfden
kelder, schoonen stal en zes paarden, tuinmanshuis,
boerenhuis, vruchtbare boomgaard, moestuin, allerhande hoender-,
duiven- en eendenhokken, vijver rondom de plaats met eene altijd
springende fontein, mantelingen, lanen, een van ouds zeer vermaard
bosch, groot tusschen 7 en 8 morgen, landerijen, plantagiën
enz., alles te zamen groot ruim 221f2 morgen, verkocht voor
ƒ 9000,—.
Dit bezit werd in vervolg van tijd door den Heer Van Hoven
nog vergroot, want hij kocht den 6 November 1722 in de Castelijnye
van den Hove van Holland te 's Gravenhage van de Grafelijkheid,
Toen de Heer van Hoven overleden was, verkochten zijne
kinderen en erfgenamen den 4 Augustus 1734 voor/ 19000,—
aan Mr. Cornelis Pieter van Brakel, oud Schepen en Raad der
Stad Haarlem, de hofstede Teylingerbosch, met heerenhuizing,
behangsels, vaste spiegels, schilderijen, vazen, wagens, tuinmansgereedschap,
vinkennetten, boomgaarden, bosch, weilanden en
verdere gevolgen en aankleven, samen groot 28 morgen 353 roeden.
 
Maar reeds in 1741 was de Heer Van Brakel overleden en zijne
weduwe Vrouwe Cornelia Dix verkocht Teylingerbosch op den
4en September van dat jaar aan den Heer Pieter Beek, te Amsterdam,
voor ƒ 13100,—.
Deze eigenaar kreeg in 1743 van Commissarissen der Leidsche
trekvaart te Haarlem vergunning eenige herstellingen an den
steiger en de schoeiing van de Leidsche vaart, vóór zijne hofstede
te mogen doen uitvoeren. Waarschijnlijk was het ter gelegenheid,
dat was- of werd aangelegd de breede, statige dreef, welke van
de Leidsche Vaart voert naar Teylingerbosch en welke nu nog
„de Bekslaan" genoemd wordt.
Dit wist Mr. J. van Lennep niet en daarom zij hier opgenomen

wat hij dienaangaande vertelt: *)
„Bekse-laan zou doen denken an iemand, die Bek, Beks of
„Becks heette en naar wien die laan genoemd was. Doch behalve
„het Huis te Vogelensang is 't mij niet bewust, dat daar vroeger
„eenig huis heeft gestaan, waar die Becks zou gewoond hebben.
„Mij is steeds verhaald, dat Bekselaan en verkorting was van
„behekste-laan: en zeker, ok heden nog, in onze verlichte (?)
„19e eeuw en in de streek, die tusschen de Stad van Coster en de
„Alma mater Leiden ligt, heerscht bij het meerendeel van 't land-
„volk nog voortdurend het geloof, dat op den viersprong waar de
„landweg van Bloemendaal op de Vogelensang de Bekselaan
„doorsnijdt, te middernacht de heksen haar rondedans houden.
„Ja 't is nog geen 100 jaar geleden, dat een Schoolmeester, 's nachts
„naar zijn kort daarbij gelegen woning keerende, door die dames
„werd aangehouden en meegevoerd in haar wilden dans, totdat
„hij van uitputting neerzonk aan den voet van een boom, waar men
„hem 's morgens meer dood dan levend vond liggen. De man verhelde
't geval zelf, en daar hij het natuurlijk best moest weten, waren
„zij, die het geval anders uitlegden, natuurlijk „booze lasteraars."
De Uithangteekens 1868, I, 206.
__ CQ __ JO
Pieter Beek, die er het meeste recht op zou gehad hebben,
zal die heksen wel nooit hebben gezien.
Niet veel minder dan veertig jaren verlustigde hij zich in zijn
Vogelensangsch Tempe, maar na zijn dood ging den 5en November
1778 Teylingerbosch voor ƒ 26200,— over an den Heer Jan van
Marselis, sedert 1757 reeds eigenaar en bewoner van „het Huis
te Vogelensang": hij kocht nog op denzelfden dag een van wijlen
den Heer Beek afkomstig nieuw gebouwd huis, verdeeld in vier
woningen, ten zuiden der oprijlaan van „Teylingerbosch", aan
den Grafelijkheidsweg, waarvoor hij ƒ 1200,— betaalde 1).
De Heer van Marselis bezat „het Huis te Vogelensang" vijftig
jaren, „Teylingerbosch" waarmede hij het vergroot had, bijna
dertig jaren, en na zijn dood gingen, gelijk reeds gezegd is, de
beide landgoederen in één koop over aan den Heer Willem Philip
Barnaart, in wiens geslacht zij tot heden gebleven zijn.  


1) Op dienzelfden 560 November 1778 werd nog uit de nalatenschap van den
Heer Beek overgedragen een huis, tuin, boomgaard en bosch, ten noorden der
oprijlaan van de hofstede Teylingerbosch, an den Grafelijksheidsweg, an
den Heer David ten Hoven, Raad der Stad Amsterdam, voor ƒ 1475. — En
aan den Heer Gerard van der Nulf een boerenbruiker genaamd Tiltenburg
met Via in het zoogenaamde Kijfduin, in den banne van Vogelensang even
bezijden de Margrietenlaan of Bartenbrug, hij was er eigenaar van geworden
den 8 April 1762.

 

 

 


Huis te Vogelenzang H. Pola 1718

 

Vogelenzang, een Ban of Diftrikt, in het Baljuwschap van Brederode, ten Zuiden van de Stad Haarlem, Reeds van onds bekend, als door Floris Den V, Graaf van Holland, geftigt, was het Huis in de Vogehang. Langen tijd diende het tot éen Graaflijk Lust- of Jagthuis; waar toe de nabuurige Duinen eene voegzaame gelegenheid verfchaften, Allecgskens raakte net Gebouw in verval, en lag, genoegzaam,'in eenen puinhoop, toe omtrent het midden der naastvoorgaande Eeuwe, wanneer het, door den Heer Jacobus Db Tong, herbouwd, en In den staat gebracht wierdt, zo nis het zich nog 'heden-vertoont; praalende met een fraai zeskantig Torentje, van waar men, op de nabijgelegene Duinen en op den omliggenden oord, een verrukkelijk uitzigt heeft. Voorts ontmoet men er uitgebreide beplantingen. De Ban van de Vogelenzang heeft , met het naburig Dorp Hillegom, een Roomschgezinde Statie gemeen
Tekst uit; Vaderlandsch woordenboek‎ - Pagina 296

door Jacobus Kok, Jan Fokke - 1793

Huistevogelenzang

         © 1998 - 2016 Copyright notice - contact